920343 Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024, getekend
Tekst van het document
2.
Onder standplaats wordt niet verstaan: a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Epe 2024.
Artikel 7.24
Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.
Het college weigert de vergunning wegens strijd met het tijdelijke Omgevingsplan.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3.4 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als:
4.
a.
de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
b.
een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
Het college kan plaatsen aanwijzen en nadere regels stellen voor het innemen van een standplaats.
Artikel 7.25
Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 7:26
Afbakeningsbepalingen
1.
Artikel 7.24, eerste lid, van deze verordening, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland.
2.
De weigeringsgrond van artikel 7.24, derde lid, onder a van deze verordening, is niet van toepassing voor bouwwerken. 58
Afdeling 7.7
Begraafplaatsen
Artikel 7.27
Grafkelder
Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel 7.28
Vergunning grafbedekking
1.
Voor het plaatsen van grafbedekking waaronder een gedenkteken is een vergunning nodig van het college.
2.
De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van grafbedekking aan.
3.
Het college stelt nadere regels vast over de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen. (zie voorschriften grafbedekkingen)
4.
Het college kan de vergunning weigeren indien:
5.
a.
niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid;
b.
het gedenkteken afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;
c.
de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;
d.
de constructie van het gedenkteken ondeugdelijk is.
Voor de begraafplaatsen aan de Tongerenseweg te Epe en de Zwanenweg te Vaassen zijn in de Regels grafbedekkingen aanvullende eisen gesteld met betrekking tot de grafbedekking van opnieuw uit te geven graven.
Artikel 7.29
Grafbeplanting
1.
Niet-blijvende beplanting (seizoensaanplant) op een graf dat in een verwaarloosde staat verkeert maar ook sterk wortelende onkruiden kunnen door de medewerker begraafplaatsen worden verwijderd zonder dat er aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding.
2.
Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke worden, wanneer zij verweikt zijn, door de medewerker begraafplaatsen verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de opdrachtgever. De winterharde gewassen die op de graven worden geplant mogen bij volle wasdom de voor het graf beschikbare oppervlakte niet overschrijden en moeten door besnoeiing (door de rechthebbende) binnen de oppervlakte worden gehouden en daarbij dient rekening gehouden te worden met het volgende: a.
de hoogte mag de maximale afmetingen van het grafmonument niet overschrijden;
b.
het graf monument dient te allen tijde leesbaar te zijn;
59
c.
het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.
Artikel 7.30
Onderhoud gedenkteken en/of grafbedekking door rechthebbende
1.
Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen en het schoonhouden van het gedenkteken en/of grafbedekking geschiedt door, voor rekening en voor risico, van de rechthebbende.
2.
De rechthebbende is verplicht het gedenkteken en/of grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. Schade als gevolg van brand, vandalisme, vorst, wateroverlast en andere van buiten komende oorzaken, of ontstaan door het weghalen en terugplaatsen van een gedenkteken ten behoeve van een bijzetting of opgraving en eventuele gevolgschade voor derden, is voor risico en rekening van de rechthebbende.
3.
Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan het gedenkteken en/of de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn, indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of gevaar oplevert voor derden.
4.
Indien de rechthebbende nalaat het gedenkteken en/of grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is
5.
De verwijdering vindt pas plaats nadat het college de rechthebbende door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van het gedenkteken en/of grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.
Artikel 7.31
Verwijdering gedenkteken en/of grafbedekking na verstrijken van de termijn
1.
Het gedenkteken en/of grafbedekking wordt na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf, indien de grafrechten niet worden verlengd, door het college verwijderd.
2.
Het voornemen tot verwijdering van het gedenkteken en/of grafbedekking maakt het college vooraf per brief aan de rechthebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van het gedenkteken en/of grafbedekking gedurende een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats bekend.
3.
Indien het gedenkteken en/of grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is opgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is.
60
Afdeling 7.8
Kam peren
Artikel 7.32
Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 7.32a
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
1.
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het tijdelijke Omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
2.
Het verbod geldt niet voor: a.
het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein;
b.
het plaatsen van een camper of kampeerauto op een door het college aangewezen camper overnachtingsplaats voor maximaal 72 uur, mits het op die plaats aangegeven aantal niet wordt overschreden.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3.4 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.
natuur en landschap;
b.
een dorps- of stadsgezicht.
Artikel 7.33
Slapen op openbare plaatsen
Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats in een voertuig te overnachten. Artikel 7.34
Aanwijzing kampeerplaatsen
1.
Het verbod van artikel 7.32, eerste lid, van deze verordening is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.
2.
Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 7.32, vierde lid, van deze verordening.
Artikel 7.35 1.
Paddenstoelen en mossen
Het is verboden paddenstoelen en mossen, of delen daarvan: a.
van hun groeiplaats te verwijderen;
61
b. 2.
3.
onder zich te hebben of te koop aan te bieden.
Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is van toepassing op: a.
alle soorten paddenstoelen (Funghi);
b.
alle soorten veenmossen (Sphagnum);
c.
alle soorten niet op stenen groeiende korstmossen (Lichenes);
d.
kussentje mos (Leucobryum glaucum).
Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt niet, indien de in het eerste lid van dit artikel genoemde handelingen geschieden in het kader van werkzaamheden, die verband houden met normaal onderhoud en/of exploitatie van terreinen.
Afdeling 7.9
Crossen
Artikel 7.36
Crossterreinen
1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd of buiten wedstrijdverband een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
2.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
3.
a.
het voorkomen of beperken van overlast;
b.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c.
de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.
Artikel 7.37
Beperking verkeer in natuurgebieden
1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a.
het voorkomen van overlast;
62
3.
4.
5.
b.
de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.
de veiligheid van het publiek.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid;
c.
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d.
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid;
e.
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing: a.
op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Gelderland aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens deze verordeningen zijn aangewezen als toestel’.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Afdeling 7.10 Artikel 7.38 1.
Honden en landbouwhuisdieren Loslopende honden
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.
op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
c.
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
63
2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden;
b.
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 7.39 1.
Verontreiniging door honden en landbouwhuisdieren
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a.
op een gedeelte van de weg dat bestemd of mede bestemd is voor het verkeer van voetga ngers;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen of op een door het college aangewezen plaats. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3.
De eigenaar of houder van een landbouwhuisdier is verplicht ervoor te zorgen dat het landbouwhuisdier zich binnen de bebouwde kom niet van uitwerpselen ontdoet op trottoirs en met de borden G7, Gil en Gi2a of G13 van het Reglement Verkeerstekens en Verkeerregels 1990 als zodanig aangegeven voetpaden, fietspaden en fiets/bromfietspaden.
4.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
5.
De strafbaarheid wegens overtreding van de in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of het landbouwhuisdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
6.
De strafbaarheid wegens overtreding van het derde lid gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het landbouwhuisdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een termijn van drie uur worden verwijderd.
7.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats binnen de bebouwde kom bevindt, is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen. Het college kan in nadere regels vaststellen welke hulpmiddelen doeltreffend zijn.
64
8.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats binnen de bebouwde kom bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te tonen.
Afdeling 7.11 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Artikel 7.40 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: 1.
parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990);
2.
voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.
Artikel 7.41 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 7.42 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 7.43 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.
Artikel 7.44 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd dan wel een kampeerauto als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen:
2.
a.
langer dan drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.
65
3.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing in situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Gelderland.
Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 7.45 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handeisreclame te maken. 2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
Artikel 7.46
Parkeren van grote voertuigen
1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.
4.
Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 uur tot 18.00 uur.
5.
Het college kan voor de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
Artikel 7.47 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.
2.
3.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
de weg;
b.
voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c.
voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 7.48 1.
Parkeren van voertuigen van autobedrijf
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a.
het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; 66
b. 2.
3.
4.
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b.
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
b.
de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 7.49
Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen
1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
2.
Het is verboden om binnen de bebouwde kom landbouwvoertuigen aan of op de weg te parkeren op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of overig verkeer op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
3.
Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 7.50
Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan
1.
het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.
2.
Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.
Overlast en neerzetten van fietsen en bromfietsen Artikel 7.51 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen op de weg gelegen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
2.
Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.
67
3.
Het is verboden om in door het college in het belang van het beheer van de openbare ruimte aangewezen gebieden, een fiets of bromfiets langer dan vier weken onafgebroken te stallen.
4.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
5.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is gemaakt voor de bezoekers van het terrein.
Afdeling 7.12
Venten
Artikel 7.52 Definitie 1. Onder venten wordt verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2.
Onder venten wordt niet verstaan: a.
het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
b.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 7.12 van deze verordening;
c.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 7.14 van deze verordening.
Artikel 7.53
Ventverbod
1.
Het is verboden te venten op door het college in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid de volksgezondheid of het milieu aangewezen plaatsen, dagen of uren.
2.
Het is verboden te venten op zondagen, op maandag tot en met zaterdag tussen 19.00 uur en 08.00 uur.
3.
Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
4.
Het in lid twee omschreven verbod voor de zondagen geldt niet voor de verkoop van ijs.
68
Afdeling 7.13 Artikel 7.54
Collecteren Inzameling van geld of goederen of leden- of donateur werving
1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daarvoor een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele door een liefdadig, ideëel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
2.
Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3.
Het verbod geldt niet voor een inzameling die wordt gehouden: a.
in besloten kring;
b.
door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt;
c.
door een andere, door het college aangewezen instelling.
Afdeling 7.14 Snuffelmarkten Artikel 7.55
Begripsbepaling
1.
In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.
2.
Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a.
een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
b.
een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Apv Epe 2024.
Artikel 7.56
Organiseren van een snuffelmarkt
1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een snuffelmarkt te organiseren.
2.
Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3.
Het college weigert de vergunning wegens strijd met het tijdelijke Omgevingsplan.
69
Afdeling 7.15 As verstrooiing Artikel 7.57
Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 7.58 1.
Verboden plaatsen
Incidentele asverstrooiing is verboden op: a.
verharde delen van de weg;
b.
gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
2.
Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
3.
Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Artikel 7.59
Hinder of overlast
Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk 8 Artikel 8.1
Overige bepalingen Herziening en vervanging van aangewezen normen, andere voorschriften en wet- en regelgeving
Het college is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de Nen-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen, andere voorschriften en wet- en regelgeving waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen worden verwezen, indien de bevoegde instantie en/of orgaan de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn, het voorschrift of de wet- en regelgeving heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk 9 Artikel 9.1
Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Sanctiebepaling
1.
Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten worden overtredingen van de artikelen van deze verordening en de op grond van artikel 3.3 van deze verordening daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
2.
In afwijking van het eerste lid is artikel la van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7.1, 7.3, 7.4 en 7.11 van deze verordening.
70
3.
In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 9.2
Toezichthouders
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast (buitengewone) opsporingsambtenaren aangesteld voor de politieregio waaronder de gemeente Epe valt.
2.
Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan te wijzen personen.
Artikel 9.3
Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 9.4
Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten
1.
Het college hangt de ‘Beleidsregel uitwegen gemeente Epe’, geldend vanaf 4 juni 2021 gesteld door het college op grond van het voormalige artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening (verder Apv) om naar ‘Nadere regels uitwegen gemeente Epe’, geldend vanaf 1januari 2024, bij artikel 3.8 en artikel 7.4 van deze verordening.
2.
Het college hangt de ‘beleidsregels reclame- en bewegwijzering gemeente Epe’, gesteld door het college op grond van het voormalige artikel 2:10, derde lid, van de Apv om naar ‘Nadere regels voor het plaatsen van tijdelijke reclame-uitingen’ bij artikel 3.8 en artikel 7.1 van deze verordening.
3.
Het college hangt de ‘Nadere regels kabels en leidingen’ gesteld door het college op grond van het voormalige artikelen 2.3 en 2.5 van de Avoi, om naar “Nadere regels kabels en leidingen gemeente Epe” bij artikel 3.8 en 5.7 van deze verordening.
4.
Het college hangt de ‘Nadere regels voor het plaatsen van een terras’ gesteld door het college op grond van het voormalige artikel 2:10, derde lid, van de Apv om naar ‘Nadere regels voor het plaatsen van een terras’ bij artikel 3.8 en artikel 7.1 van deze verordening.
5.
Het college hangt het ‘Uitvoeringsbesluit nadere regels groente- en fruitafvalinzameling Epe’, gesteld op grond van de Afvalstoffenverordening om naar ‘Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening gemeente Epe’ bij artikel 3.8 en artikel 5.30, derde lid, van deze verordening.
6.
Het college hangt de ‘Nadere regels warenmarkten Epe 2011’ gesteld op grond van Marktverordening om naar ‘Nadere regels warenmarkten gemeente Epe, bij artikel 3.8 en artikel 7.13 van deze verordening.
71
Artikel 9.5
Overgangsbepaling
Besluiten, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 9.4 van deze verordening die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 9.6
Inwerkingtreding nieuwe verordening
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. Artikel 9.7
Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december 2023. De voorzitter, dhr. dr. T.C.M. Horn
i. Kottenberg
72