CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

920343 Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024, getekend

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Hamerstuk: Voorstel project Apv en Vfl23.842 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Epe

Verordening fysieke leefomgeving Gemeente Epe 2024

1

Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024 De raad van de gemeente Epe; gelezen het bijbehorend voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Epe d.d. 7 november 2023; gelet op: artikel 149 van de Gemeentewet; artikel 3.16 van de Erfgoedwet; artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet; artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging; artikelen 10.23, 10.24 tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer en de Omgevingswet, de 4 AMvB en de daarbij behorende besluiten en regelingen. -

-

-

-

-

-

overwegende: de Omgevingswet in werking treedt op 1januari 2024; de gemeentelijke regels die toezien op de fysieke leefomgeving en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet worden opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan; de gemeente op 1 januari 2024 conform de Omgevingswet dient te werken; gelet op de gemeentelijke praktijk het wenselijk is de regels, die toezien op de fysieke leefomgeving in diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening bijeen te brengen; b e s 1 u i t: 1.

kennis te nemen van de toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024;

2.

vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024;

3.

de volgende verordeningen gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024 vast te stellen: -

-

-

4.

de Algemene plaatselijke verordening gemeente Epe 2024; de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Epe 2024; de Verordening op de afvoer van afvloeiend hemel- en grondwater gemeente Epe 2024.

de volgende verordeningen gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024 in te trekken: -

-

de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008 (geldend van 19 november 2021 tot en met heden); de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Epe (geldend van 19 januari 2018 tot en met heden);

2

-

-

-

-

-

-

5.

de Verordening op de afvoer van afvloeiend hemel- en grondwater Epe (geldend van 10 maart 2016 tot en met heden); de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015 (AVOI 2015 geldend van 1 januari 2015 tot en met heden); de Erfgoedverordening gemeente Epe 2010 (geldend van 1 oktober 2010 tot en met heden); de Bouwverordening gemeente Epe 2011 (geldend van 19 oktober 2018 tot en met heden); de Marktverordening gemeente Epe 2011 (geldend van 7 maart 2012 tot en met heden); de Afvalstoffenverordening Epe 2011 (geldend van 1 november 2018 tot en met heden);

het raadsvoorstel vast te stellen.

De Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024 treedt op 1 januari 2024 in werking.

3

Voorwoord Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024. Voorbereiding implementatie Omgevingswet De gemeente Epe bereidt zich voor op de implementatie van de Omgevingswet, die op 1januari 2024 in werking treedt. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Op 1januari 2024 worden de bestaande bestemmingsplannen, beheersverordeningen en wijzigings en uitwerkingsplannen en de bruidsschat, dat zijn de 600 regels, uit met name het Activiteitenbesluit, het Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht, die overkomen van het Rijk, samengevoegd tot het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Epe. (Zie voor een volledig overzicht, artikel 4.6, eerste lid, van de 1 nvoeringswet Omgevi ngswet) De gemeentelijke regels die toezien op de fysieke leefomgeving komen niet in het tijdelijke Omgevingsplan. Het is daarom wenselijk dat de gemeentelijke regels die toezien op de fysieke leefomgeving te bundelen en onder te brengen in de Verordening fysieke leefomgeving.

Dit gaat stapsgewijs, waarna deze regels gefaseerd worden opgenomen in het definitieve Omgevingsplan van de gemeente Epe. In de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024 worden delen van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2008 opgenomen, de gehele Afvalstoffenverordening, de gehele Marktverordening, de gehele Algemene verordening ondergrondse infrastructuren, de gehele Erfgoedverordening, de Bouwverordening, evenals een aantal artikelen uit de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Epe 2014 en een vijftal artikelen over rioolaansluitingen. Tot slotte gaat een deel van de Verordening op de afvoer van afvloeiend hemel- en grondwater Epe op in het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Epe en een deel komt te vervallen. De volgende verordeningen gaan volledig op in de Vfl gemeente Epe 2024: 1. 2. 3. 4. 5.

de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015; de Erfgoedverordening gemeente Epe 2010; de Bouwverordening gemeente Epe 2011; de Marktverordening gemeente Epe 2011; de Afvalstoffenverordening Epe 2011.

De gemeentelijke regelgeving binnen de fysieke leefomgeving is hierdoor voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en makkelijker te vinden en te raadplegen.

4

Inhoudsopgave

5

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

12

Artikel 1.1 Artikel 1.2 Artikel 1.3

Begripsbepalingen Toepassingsbereik Doel van de verordening

12 12 12

Hoofdstuk 2

Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

12

Artikel 2.1 Artikel 2.2 Artikel 2.3 Artikel 2.4 Artikel 2.5 Artikel 2.6 Artikel 2.7 Artikel 2.8 Artikel 2.9 Artikel 2.10 Artikel 2.11 Artikel 2.12 Artikel 2.13 Artikel 2.14 Artikel 2.15 Artikel 2.16 Artikel 2.17 Artikel 2.18 Artikel 2.19

Doel van de regels Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving (Specifieke) zorgplicht bij nadelige gevolgen (Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats (Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed (Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren (Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten (Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte (Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten (Specifieke) zorgplicht voor (telecom) kabels en leidingen Algemeen verbod oplaten ballonnen Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn Verbod dumpen stoffen of voorwerpen Verbod verontreinigen van de weg Verbod opslaan afval in de openlucht Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte Meld plicht bij brand of broei Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en Naamgeving

12 12 12 13 13 13 13 13 13 14 14 14 14 14 15 15 15 15 16

Hoofdstuk 3

Proces, procedure en adviescommissie

16

Artikel 3.1

Verhouding Omgevingswet tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Beslis)termijnen Voorschriften en beperkingen Algemene weigeringsgronden Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden Gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeentelijk erfgoedregister Nadere regels en aanwijzingsbesluiten

16 16 16 16 17 17 17 18

Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- en dorpsgezicht

18

Artikel 3.2 Artikel 3.3 Artikel 3.4 Artikel 3.5 Artikel 3.6 Artikel 3.7 Artikel 3.8 Hoofdstuk 4

5

Artikel 4.1 Artikel 4.2

Definities Doel van de regels in dit hoofdstuk

Artikel 4.3

Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Artikel 4.4

18 18 19

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

19

Artikel 4.5 Artikel 4.6

Aanwijzing als gemeentelijk monument Voornemen tot aanwijzing

20 20

Artikel 4.7

Voorbescherming

20

Artikel 4.8 Artikel 4.9 Artikel 4.10 Artikel 4.11

Advies gemeentelijke adviescommissie Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

21 21 21 21

Artikel 4.12

Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

21

Artikel 4.13

lnstandhoudingsplicht gemeentelijk monument

22

Artikel 4.14

Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

22

Artikel 4.15

Intrekken van de omgevingsvergunning

23

Artikel 4.16

Weigeringsgronden

23

Artikel 4.17.

Advies omgevingsvergunning rijksmonu ment

23

Artikel 4.18.

Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

23

Artikel 4.19.

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

24

Artikel 4.20.

Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

24

Artikel 4.21

Vangnet archeologie

24

Hoofdstuk 5

Regels voor activiteiten

25

Afdeling 5.1

Omgevingsvergunning voor het bouwen

25

Artikel 5.1

Doel van dit hoofdstuk

25

Artikel 5.2

Op wie van toepassing

25

Afdeling 5.2 Artikel 5.3 Artikel 5.4 Artikel 5.5

Bodem Verbod tot bouwen verontreinigde bodem Bodemonderzoek Aanwijsbevoegdheid interferentie gebieden

25 25 26 26

Afdeling 5.3

Ondergrondse infrastructuur

26

Artikel 5.6 Artikel 5.7 Artikel 5.8 Artikel 5.9 Artikel 5.10 Artikel 5.11

Toepasselijkheid kabels en leidingen Nadere regels Instemmingsvereiste Aanvragen en melden Gegevensverstrekking Voorschriften bij instemmingsbesluit

26 27 27 28 28 30

6

Artikel 5.12 Artikel 5.13 Artikel 5.14 Artikel 5.15 Artikel 5.16 Artikel 5.17 Artikel 5.18 Artikel 5.19 Artikel 5.20 Artikel 5.21 Artikel 5.22

(Mede)gebruik van voorzieningen Termijnen Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie Overleg Niet openbare netwerken Informatieplicht Toezicht en handhaving Aanleggen, in stand houden, opruimen van kabels en leidingen Voorschriften en bepalingen bij vergunning en melding Weigeringsgronden bij vergunning en melding Wijziging en intrekken bij vergunning en melding

31 31 31 31 32 32 32 33 33 33 34

Afdeling 5.4

Aansluiten op gemeentelijke riolering

34

Artikel 5.23 Artikel 5.24 Artikel 5.25 Artikel 5.26 Artikel 5.27

Doel van de regels in deze afdeling Aanleggen rioolaansluiting Eigendom rioolaansluiting Kosten rioolaansluitingen Verwijderen septic tanks

34 34 34 35 35

Afdeling 5.5

Afvalstoffen

35

Artikel 5.28 Artikel 5.29 Artikel 5.30 Artikel 5.31 Artikel 5.32 Artikel 5.33 Artikel 5.34 Artikel 5.35 Artikel 5.36 Artikel 5.37 Artikel 5.38 Artikel 5.39 Artikel 5.40 Artikel 5.41 Artikel 5.42 Artikel 5.42a Artikel 5.43 Artikel 5.44 Artikel 5.45 Artikel 5.46 Artikel 5.47 Artikel 5.48 Artikel 5.49 Artikel 5.50 Artikel 5.51

Definities Doelstelling Aanwijzing van de inzameldienst Regulering van andere inzamelaars Aanwijzing van inzamelplaats Algemene verboden Gescheiden afvalinzameling Gescheiden aanbieding Tijdstip van aanbieding Wijze en plaats van aanbieding Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen Dumpingsverbod Zwerfafval in de openbare ruimte Ongeadresseerd drukwerk Zwerfafval rondom verkooppunten Afval en verontreiniging op de weg Geen opslag van afval in de open lucht Ontdoen van autowrakken Kadavers van gezelschapsdieren Opslag voertuigen, vaartuigen, mest en afvalstoffen Openbare straatkolken Rookverbod in bossen en natuurterreinen Voorzieningen voor verkeer en verlichting

35 35 35 36 36 36 36 37 37 38 38 38 38 39 38 39 39 39 39 39 40 40 41 41 41

Hoofdstuk 6

Omgevingshinder

41

Afdeling 6.1 Artikel 6.1

Voorkomen of beperken geluidshinder en hinder door verlichting Definities

41 41

7

Artikel 6.2 Artikel 6.3 Artikel 6.4 Artikel 6.5 Artikel 6.6 Artikel 6.7 Artikel 6.8 Artikel 6.9 Artikel 6.10 Artikel 6.11

Aanwijzing collectieve festiviteiten Aanwijzing incidentele festiviteiten Geluidspiafond Het ten gehore brengen van onversterkte muziek Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in cle openlucht Geluidshinderdoor motorvoertuigen en bromfietsen Geluidhinder door dieren Geluidhinder door vrachtauto’s Routering Overige geluidhinder

45 46 46 46 46 46

Afdeling 6.2

Lichthinder (Gereserveerd)

46

Afdeling 6.3

Vuur(werk)

46

Artikel 6.12 Artikel 6.13

Definitie Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Verbod carbidschieten Verbod afvalstoffen te verbranden buiten gebouwen, instellingen of openbare gelegenheden anderszins vuur te stoken

47 47 47 47

Afdeling 6.4

Ontsiering en stankoverlast

48

Artikel 6.17 Artikel 6.18 Artikel 6.19 Artikel 6.20 Artikel 6.21 Artikel 6.22 Artikel 6.23 Artikel 6.24 Artikel 6.25

Plakken en kladden Vervoer plakgereedschap Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Natuurlijke behoefte doen Zwartwildraster Loslopend vee Bedelarij Verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

48 48 49 49 49 49 49 49 49

Hoofdstuk 7

Buitenruimte

50

Afdeling 7.1

Wegen

50

Artikel 7.1 Artikel 7.2 Artikel 7.3 Artikel 7.4

Voorwerpen op of aan een openbare plaats Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Maken of veranderen van een uitweg

50 50 50 51

Afdeling 7.2

Openbaar water en waterstaatswerken

51

Artikel 7.5 Artikel 7.6 Artikel 7.7 Artikel 7.8 Artikel 7.9

Voorwerpen op, in of boven openbaar water Beschadigen van waterstaatswerken Reddingsmiddelen Veiligheid op het water Overlast van vaartuigen

51 52 52 52 52

Artikel 6.14 Artikel 6.15 Artikel 6.16

8

42 43 44 44

47

Afdeling 7.3

Het bewaren van houtopstanden

53

Artikel 7.10 Artikel 7.lOa Artikel 7.lOb Artikel 7.lOc Artikel 7.lOd Artikel 7.11 Artikel 7.lla Artikel 7.llb Artikel 7.llc

Begripsbepalingen Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Acuut gevaar, spoedeisend belang Bijzondere voorschriften Herplant- en instandhoudingsplicht Bestrijding van boomziekten Bescherming publieke houtopstand Afstand van de erfgrenslijn Toezicht

53 53 53 53 54 54 55 55 55

Afdeling 7.4

Evenementen (Gereserveerd)

55

Afdeling 7.5

Markten en standplaatsen op de markt

55

Artikel 7.12 Artikel 7.13 Artikel 7.14 Artikel 7.15 Artikel 7.16 Artikel 7.17 Artikel 7.18 Artikel 7.19 Artikel 7.20 Artikel 7.21 Artikel 7.22

Inrichting van de markt en de branche-indeling Nadere regels Standpiaatsvergunning Vereisten Intrekking vaste standplaatsvergunning Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Onmiddellijke verwijdering Toezicht markt Voorschriften en beperkingen Toestemming rechthebbende

55 56 56 56 56 56 57 57 57 57 57

Afdeling 7.6

Standplaatsen buiten de markt

58

Artikel 7.23 Artikel 7.24 Artikel 7.25 Artikel 7.26

Definitie Standplaatsen en weigeringsgronden Toestemming rechthebbende Afbakeningsbepalingen

58 58 58 58

Afdeling 7.7

Begraafplaatsen

59

Artikel 7.27 Artikel 7.28 Artikel 7.29 Artikel 7.30 Artikel 7.31

Grafkelder Vergunning grafbedekking Grafbeplanting Onderhoud gedenkteken en/of grafbedekking door rechthebbende Verwijdering gedenkteken en/of grafbedekking na het verstrijken van de termijnen

59 59 59 60

Afdeling 7.8

Kam peren

61

Artikel 7.32 Artikel 7.32a Artikel 7.33 Artikel 7.34 Artikel 7.35

Begripsbepalingen Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Slapen op openbare plaatsen Aanwijzing kampeerplaatsen Paddenstoelen en mossen

61 61 61 61 61

9

60

Afdeling 7.9

Crossen

62

Artikel 7.36 Artikel 7.37

Crossterreinen Beperking verkeer in natuurgebieden

62 62

Afdeling 7.10

Honden en landbouwhuisdieren

63

Artikel 7.38 Artikel 7.39

Loslopende honden Verontreiniging door honden en landbouwhuisdieren

63 64

Afdeling 7.11

Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

65

Artikel 7.40 Artikel 7.41 Artikel 7.42 Artikel 7.43 Artikel 7.44 Artikel 7.45 Artikel 7.46 Artikel 7.47 Artikel 7.48 Artikel 7.49 Artikel 7.50

65 65 65 65 65 66 66 66 66 67 67

Artikel 7.51

Definities Te koop aanbieden van voertuigen Defecte voertuigen Voertuigwrakken Kam peermiddelen en andere voertuigen Parkeren van reclame voertuigen Parkeren van grote voertuigen Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Parkeren van voertuigen van autobedrijf Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Overlast en neerzetten van fietsen en bromfietsen

Afdeling 7.12

Venten

68

Artikel 7.52 Artikel 7.53

Definitie Ventverbod

68 68

Afdeling 7.13

Collecteren

69

Artikel 7.54

Inzamelen van geld of goederen of leden of donateur werving

69

Afdeling 7.14

Snuffelmarkten

Artikel 7.55 Artikel 7.56

Begripsbepalingen Organiseren van een snuffelmarkt

69 69

Afdeling 7.15

As verstrooiing

70

Artikel 7.57 Artikel 7.58 Artikel 7.59

Begripsbepaling Verboden plaatsen Hinder of overlast

70 70 70

Hoofdstuk 8

Overige bepalingen

70

Artikel 8.1

Herziening en vervanging van aangewezen normen, andere voorschriften en wet- en regelgeving Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

70 70

Hoofdstuk 9

67

69

10

Artikel 9.1 Artikel 9.2 Artikel 9.3 Artikel 9.4 Artikel 9.5 Artikel 9.6 Artikel 9.7

HOOFDSTUK 1

Sanctiebepaling Toezichthouders Binnentreden woningen Nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten Overgangsbepaling Inwerkingtreding nieuwe verordening Citeertitel

Algemene bepalingen 11

70 71 71 71 72 72 72

Artikel 1.1

Begripsbepalingen

Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel 1.2

Toepassingsbereik

Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet en die niet worden opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan. Artikel 1.3

Doel van de verordening

1.

Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen en andere gemeentelijke regelingen in één verordening.

2.

Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a.

een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en

b.

een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Hoofdstuk 2

Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving

Artikel 2.1

Doel van de regels

Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te geven voor de instandhouding, het behoud en de bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel 2.2

Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving

Eenieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 2.3

1.

(Specifieke) zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen

Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving is verplicht: a.

alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

b.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

c.

als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

12

2.

Eenieder die schade toebrengt aan de fysieke leefomgeving is verplicht dit te melden bij het bevoegd gezag.

Artikel 2.4

(Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats

Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel 2.5

(Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed

1.

Het is verboden gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen.

2.

De eigenaar en huurder van een gemeentelijk monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

3.

Degene die een activiteit verricht aan of bij een gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.

Artikel 2.6

(Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren

De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden. Artikel 2.7

(Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen.

De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel 2.8

(Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten

De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van de rechthebbenden en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen openbare plaatsen zijn verplicht die zich op die gronden bevindende akkermelkdistels, akkerdistels, brandnetels, fluitenkruid, krulzuring, Jacobs Kruiskruid en reuzenberenklauwen voordat deze gaan bloeien te bestrijden. Artikel 2.9

(Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte

1.

Eenieder heeft de zorgplicht om zwerfafval te voorkomen.

2.

Bij het achterlaten van afval in de openbare ruimte wordt gebruik gemaakt van de daarvoor bestemde afvalbakken of andere daarvoor bestemde inzamelvoorzieningen.

3.

Reclamedrukwerk, promotiemateriaal, gratis producten en de verpakkingen daarvan, die ondanks het verbod in het eerste lid in de openbare ruimte is achtergelaten, worden onmiddellijk opgeruimd door degene die het onder het publiek verspreidde.

4.

Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen. 13

Artikel 2.10

(Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten

1.

De verkoper van eet- of drinkwaren die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor afvalbakken of andere inzamelmiddelen voor het afval.

2.

De inzamelmiddelen zijn beschikbaar voor klanten en worden tijdig geleegd.

3.

(Vervallen) Bruidsschat Omgevingsplan § 22.3.3 Zwerfafval, artikel 22.53 Afval: zwerfvuil)

4.

Degene die de openbare gelegenheid drijft is verplicht zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare gelegenheid, doch in ieder geval terstond op de eerste aanzegging van een ambtenaar belast met het toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de openbare gelegenheid achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van de openbare gelegenheid afkomstig, wordt opgeruimd.

Artikel 2.11

(Specifieke) zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen

1.

De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van kabels en leidingen.

2.

De telecomaanbieder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van telecom kabe Is.

Artikel 2.12 Algemeen verbod oplaten van ballonnen Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven. Artikel 2.13

Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn

1.

Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaande houtopstanden of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder.

4.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het tijdelijke Omgevingsplan.

Artikel 2.14 1.

Verbod dumpen stoffen of voorwerpen

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een instelling, gebouw of openbare gelegenheid als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 5.30 tot en met 5.37 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

14

2.

3.

Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op: a.

het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening;

b.

het maken van compost van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

c.

het voor korte tijd plaatsen van afvalstoffen of voorwerpen op de weg tijdens het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen;

d.

activiteiten die vallen onder een vergunning van een instelling of openbare gelegenheid;

e.

voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Aanvullingswet bodem, de Omgevingswet, het Aanvullingsbesluit bodem of deze verordening.

Als de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen of voorwerpen kunnen worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 2.15

Verbod verontreinigen van de weg

1.

Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

2.

Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 2.16

Verbod opslaan afval in de openlucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een gebouw, instelling of openbare gelegenheid als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 5.30 tot en met 5.37 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 2.17

Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte

1.

Het is verboden een autowrak of onderdelen van auto’s in de openbare ruimte te plaatsen.

2.

Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door deze verordening of het Besluit beheer autowrakken.

Artikel 2.18

Meld plicht bij brand of broei

Eenieder die brand of broei ontdekt of deze vermoed, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.

15

Artikel 2.19

Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving

1.

De eigenaar of een andere rechthebbende op een bouwwerk of een perceel is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk of op dat perceel door het college objecten, borden of voorzieningen voor het verkeer, openbare verlichting, huisnummering, wijk-, buurt- of straatnaamgeving worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet in de werking belemmerd worden en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900 en de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3

Proces, procedure en adviescommissie

Artikel 3.1

Omgevingswet en de verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

1.

Als volgens de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag’. In de Omgevingswet wordt het bevoegde gezag met naam en toenaam genoemd.

2.

De artikelen 3.2 tot en met 3.5 van deze verordening zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of de op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.

Artikel 3.2

(Beslis)termijnen

Een aanvraag voor een beschikking of een melding en de daarbij behorende gegevens en documenten worden ingediend bij het college of via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier op de website van de gemeente Epe. Artikel 3.3

Voorschriften en beperkingen

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Artikel 3.4

1.

2.

Algemene weigeringsgronden

Het college weigert een vergunning of ontheffing in ieder geval: a.

indien de te vergunnen activiteit in strijd is met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regelgeving;

b.

in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (verder Wet Bibob).

Het college kan een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: a.

dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving of de bescherming van het milieu;

16

b.

dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;

c.

niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen;

d.

de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling en beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 3.5 1.

2.

Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

Het college kan de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: a.

de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

b.

veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;

c.

de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd;

d.

de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;

e.

van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

f.

aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie;

g.

de vergunninghouder dit verzoekt.

Het college kan de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Ribob.

Artikel 3.6 (vervallen)

Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit

Artikel 3.7

Gemeentelijk erfgoedregister

1.

Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het Omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.

17

2.

Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a.

gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;

b.

gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Ertgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht;

c.

gegevens over door het college van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 3.8

Nadere regels en aanwijzingsbesluiten

Het college kan ter uitvoering van deze verordening aanwijzingsbesluiten en nadere regels vaststellen. Hoofdstuk 4

Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht

Artikel 4.1 Definities In dit hoofdstuk van deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: -

-

-

-

-

-

gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 4.3, eerste lid, van deze verordening; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 4.18 van deze verordening; gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 4.3, tweede lid, van deze verordening; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 4.2 1.

Doel van de regels in dit hoofdstuk

Het doel van de regels in dit hoofdstuk van deze verordening is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status. 18

2.

Dit artikel heeft als juridische grondslag artikel 3.16 van de Erfgoedwet.

Artikel 4.3

Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

1.

Het college kan besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.

2.

Het college kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.

3.

Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.

4.

Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet en als bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op:

6.

a.

door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet en

b.

cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale Erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4.4 1.

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.3, eerste of tweede lid van deze verordening, wijzigen of intrekken. Artikel 4.3, vierde lid, van deze verordening, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

19

2.

3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a.

door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet of

b.

beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale Erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk ertgoedregister.

Artikel 4.5.

Aanwijzing als gemeentelijk monument

1.

Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op: a.

rijksmonumenten en

b.

monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale Erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

Artikel 4.6.

Voornemen tot aanwijzing

1.

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.5, eerste lid, van de verordening, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2.

Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 4.7.

Voorbescherming

1.

De bescherming van de artikelen 4.13 tot en met 4.16, van deze verordening, is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van deze verordening, is bekendgemaakt.

2.

De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

20

Artikel 4.8. Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.5, eerste lid, van deze verordening, advies aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. 2.

De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

Artikel 4.9.

Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

1.

Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

2.

De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 4.10.

Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

1.

De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2.

Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4.11.

Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

1.

In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 4.8, van deze verordening, wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

2.

Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van deze verordening.

3.

De artikelen 4.13 tot en met 4.16, van deze verordening, zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 4.10 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 4.12. 1.

Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

21

2.

Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 4.5 tot en met 4.11, van deze verordening, van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoed register.

Artikel 4.13.

Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoudt te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 4.14. 1.

2.

3.

Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a.

te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of

b.

te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a.

de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt;

b.

alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;

c.

het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1.

plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

2.

doen van begravingen of as bijzettingen of

3.

ruimen van graven waarvan het graf monument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument.

22

Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel 4.15. (Vervallen)

Intrekken van de omgevingsvergunning

Artikel 4.16.

Weigeringsgronden

1.

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

2.

Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 4.17. (Vervallen)

Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Artikel 4.18.

Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

1.

De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

2.

Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van deze verordening. Artikel 4.8, tweede en derde lid, van deze verordening, zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.

4.

Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

5.

De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een Omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

6.

Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijke Omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.

7.

Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in het voormalige artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

23

Artikel 4.19.

1.

Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, van deze verordening, wijzigen of intrekken. Artikel 4.18, tweede en derde lid, van deze verordening, zijn hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

2.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.

3.

Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk ertgoedregister.

Artikel 4.20.

Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

1.

Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.

2.

De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

3.

Artikel 4.16 van deze verordening is van overeen komstige toepassing.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 4.21

Vangnet archeologie

1.

Het is verboden om in een archeologisch monument, een zone met archeologische waarde of een zone met archeologische verwachting, de bodem te verstoren.

2.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing wanneer: a.

het een verstoring betreft van een archeologisch monument, een zone met archeologische waarde of een zone met archeologische verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het verrichten van de activiteiten niet strijdig zijn met de daarvoor geldende vrijstellingsgrenzen;

b.

in het geldend tijdelijke Omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

24

c.

voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend en in de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

d.

het college stelt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument, een zone met archeologische waarde of een zone met archeologische verwachting als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan, de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart;

e.

een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; ii.

de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of

iii.

in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Hoofdstuk 5

Regels voor activiteiten

Afdeling 5.1

Omgevingsvergunning voor het bouwen

Artikel 5.1

Doel van de regels over bodem en bodemsanering

1.

Het doel van de regels in deze afdeling is om de kwaliteit van de bodem te beschermen, verontreiniging tegen te gaan en de kwaliteit van de bodem waar mogelijk te verbeteren. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant.

2.

Het doel van de artikelen 5.3 en 5.4 van deze verordening is het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

3.

Deze afdeling is niet van toepassing als in het onderwerp is voorzien door de Omgevingswet en de op grond van die wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.

Artikel 5.2

Op wie van toepassing

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.

Afdeling 5.2

Bodem

Artikel 5.3

Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

1.

Het is verboden een bouwwerk te bouwen op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers als: a.

daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

b.

dat het bouwwerk de grond raakt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is; 25

c. 2.

Het verbod is niet van toepassing als het college aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betrokken bouwwerk voorschriften en beperkingen verbindt waarmee naar hun oordeel uit het bodernonderzoeksrapport of uit het goedgekeurde bodemsaneringsplan, als bedoeld in de Aanvullingswet bodem blijkt dat daarmee de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 5.4 1.

het bestaande rechtmatige gebruik van het bouwwerk wijzigt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is.

Bodemonderzoek

Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving: a.

de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, vigerende uitgave, in overeenstemming met de van toepassing zijnde onderzoekstrategie;

b.

indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, vigerende uitgave.

2.

De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit.

3.

Het college staat toe een geheel of gedeeltelijke afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, indien bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4.

Het college kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in de Omgevingswet, of de op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, indien uit het in NEN 5725, vigerende uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, vigerende uitgave, niet rechtvaardigen.

5.

Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan eventuele sloop van gebouwen. Indien het bodemonderzoek pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt, maar voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 5.5 Aanwijsbevoegdheid lnterferentiegebieden Het college is bevoegd interferentiegebieden aan te wijzen en vast te stellen. Ook is het college bevoegd de grenzen van een interferentiegebied te wijzigen en opnieuw vast te stellen. Dit ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

Afdeling 5.3

Ondergrondse infrastructuur

Artikel 5.6

Toepasselijkheid kabels en leidingen

1.

Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Epe.

26

2.

Het bepaalde in deze afdeling geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten.

Artikel 5.7

Nadere regels

1.

Het college kan ter uitvoering van deze afdeling nadere regels vaststellen.

2.

Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: a.

openbare orde en veiligheid;

b.

het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden;

c.

het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen;

d.

ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden;

e.

nadeelcompensatie in geval van het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen;

f.

de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die moeten worden verstrekt;

g.

de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten;

h.

het al dan niet toestaan van de aanleg van een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.

Artikel 5.8

Instemmingsvereiste

1.

Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door het college genomen instemmingsbesluit.

2.

Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door het college goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is: a.

de werkzaamheden moeten binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden zijn voltooid;

b.

de werkzaamheden van niet ingrijpende aard moeten binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak zijn voltooid;

c.

het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente;

27

d.

3.

behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden zijn bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, is het college bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van het college.

Tijdens de door de gemeente vergunde evenementen geldt altijd een breekverbod. De termijnen zoals bedoeld in artikel 5.9, derde en vierde lid, van deze verordening worden automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het college de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren.

Artikel 5.9

Aanvragen en melden

1.

Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit bij het college te worden aangevraagd.

2.

In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden.

3.

Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte.

4.

Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden moet(en) twee werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij het college.

5.

Spoedeisende werkzaamheden moeten voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij het college of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan.

Artikel 5.10

Gegevensverstrekking

1.

Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit dient gebruik te worden gemaakt van daartoe door het college vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem.

2.

Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; a. b.

als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

c.

een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen;

28

d.

vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden;

e.

een digitale tekening (PDF- en/of DWG-formaat) met BGT-ondergrond legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: een opgave van het gewenste tracé;

f.

ii.

een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen;

iii.

een opgave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen.

overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt: binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt; ii.

dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd;

iii.

g.

h.

dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen;

j.

3.

indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de instemmingstekening weergeven.

Voor een melding, als bedoeld in artikel 5.9, vierde en vijfde lid, van deze verordening, dient gebruik te worden gemaakt van het door het college vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem. De volgende gegevens moeten daarbij in ieder geval worden verstrekt: a.

naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder;

b.

als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

c.

de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets;

d.

de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; 29

e.

de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;

In geval van spoedeisende werkzaamheden moeten tevens worden verstrekt: f.

de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden;

g.

de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd.

Artikel 5.11 1.

2.

Voorschriften bij instemmingsbesluit

Het college kan in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid;

c.

het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

d.

de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15103881/1