CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

920343 Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2024

Gemeenteraad 14 december 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Hamerstuk: Voorstel project Apv en Vfl23.827 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

e.

de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten.

2. op:

De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben

a.

het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden;

b.

het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld;

c.

afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken.

3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten schriftelijk worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4.

Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen.

30

Artikel 5.12

(Mede)gebruik van voorzieningen

1.

Op verzoek van het college wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid.

2.

Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist.

3.

In het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.9, tweede lid, van deze verordening, wordt medebepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.13

Termijnen

1.

De beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.

2.

Indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel genomen kan worden.

3.

De goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen twee werkdagen.

4.

De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt uiterlijk twee werkdagen nadat de melding is gedaan.

Artikel 5.14

Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie

1.

De netbeheerder is verplicht op verzoek van het college over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk.

2.

Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling.

3.

Het college en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken.

Artikel 5.15 1.

Overleg

Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd.

31

2.

3.

In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening. Het college stemt af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen.

Artikel 5.16

Niet openbaar netwerk

1.

Deze afdeling houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk.

2.

Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.17 1.

Informatieplicht

De netbeheerder stelt het college onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Het college kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen.

2.

De netbeheerder stelt het college in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

Artikel 5.18

Toezicht en handhaving

1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen.

2.

Indien het college vaststelt dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kan het college besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing.

3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en hun overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, het instemmingsbesluit in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen indien: a.

er wordt gewerkt in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit;

b.

het instemmingsbesluit is verleend ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens;

c.

het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend;

d.

er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels;

32

e. Artikel 5.19

er wordt gewerkt in strijd met het geldende breekverbod. Aanleggen, in stand houden, opruimen van kabels of leidingen

1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college kabels of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, te verplaatsen, te verwijderen en in stand te houden.

2.

In afwijking van het eerste lid kan voor kleine werkzaamheden worden volstaan met een melding aan het college.

3.

Het college kan gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding maar altijd een vergunningplicht geldt.

4.

Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland.

Artikel 5.20 1.

2.

Voorschriften en beperkingen bij vergunning en melding

Het college kan aan de vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

de veiligheid, waaronder de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer;

c.

het voorkomen of beperken van overlast;

d.

de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen;

e.

de ondergrondse ordening en de bescherming van in de grond aanwezige werken;

f.

de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen of

g.

het uiterlijk aanzien van de fysieke leefomgeving.

De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in de vergunning anders is bepaald.

Artikel 5.21

Weigeringsgronden bij vergunning en melding

Het college kan de vergunning of melding weigeren in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

de veiligheid, waaronder de verkeerveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer;

c.

het voorkomen of beperken van overlast;

33

d.

de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen;

e.

de ondergrondse ordening en de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken;

f.

de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen of

g.

het uiterlijk aanzien van de fysieke leefomgeving.

Artikel 5.22 1.

Wijziging en intrekking bij vergunning en melding

Het college kan de vergunning in aanvulling op de in artikel 3.5 van deze verordening genoemde gronden wijzigen of intrekken, indien: a.

de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning, of de in de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden is begonnen;

b.

de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen;

c.

de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld;

d.

dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van hun publiekrechtelijke bevoegdheid of taak.

2.

Aan de wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen.

3.

Een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Het college kan de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder.

Afdeling 5.4 Aansluiten op gemeentelijke riolering Artikel 5.23

Doel van de regels in deze afdeling

Het doel van de regels in deze afdeling is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorziening voor het beheer van afvalwater en regenwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. Artikel 5.24

Aanleggen rioolaansluiting

De gemeente legt de rioolaansluiting aan tot de perceelgrens. Het aanleggen van de rioolaansluiting en het herstel van de openbare ruimte gebeurt op kosten van de eigenaar of een andere rechthebbende op het perceel. Artikel 5.25

Eigendom rioolaansluiting

1.

De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting.

2.

Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist ligt de grens, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van de uitmonding van de rioolwaterpomp. 34

3.

Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluiting op een afstand van 0,5 m buiten de perceelgrens.

Artikel 5.26

Kosten rioolaansluitingen

Het college stelt jaarlijks vóór 1 december in een Tarievenbesluit rioolaansluitingen de bedragen vast waarvoor gedurende het daaropvolgende jaar een rioolaansluiting, met inbegrip van hulpstukken, aansluitingsputten en putdeksels en de kosten van eventuele herbestrating en plantsoenherstel, wordt verzorgd. Artikel 5.27

Verwijderen septic tanks

De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank.

Afdeling 5.5 Afvalstoffen Artikel 5.28

Definities

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Wet: Omgevingswet en de Wet milieubeheer; Besluit: Besluit activiteiten leefomgeving; inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan; ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats; inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een minicontainer of een pmd-zak, ten behoeve van één huishouden; inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een (ondergrondse) verzamelcontainer, wijkcontainer of inzamelplaats, ten behoeve van meerdere huishoudens; inzameldienst: de krachtens artikel 5.30, eerste lid, van deze verordening, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; andere inzamelaars: de krachtens artikel 5.31, eerste lid, onder a, van deze verordening, aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen; gebruiker van

een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel; inzamelplaats: een daartoe op grond van artikel 5.32, van deze verordening, aangewezen plaats; Artikel 5.29

Doelstelling

De toepassing van deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afval- en grondstoffen. Artikel 5.30

Aanwijzing van de inzameldienst

35

1.

Het college wijst Circulus B.V. gevestigd te Apeldoorn aan als inzameldienst die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

2.

Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

3.

Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt.

Artikel 5.31 1.

2.

Regulering van andere inzamelaars

Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a.

daartoe is aangewezen door het college;

b.

bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld of

c.

verplicht is tot inname, bedoeld in de Omgevingswet of op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.

Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 5.30, tweede en derde lid, van deze verordening, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.32

Aanwijzing van inzamelplaats

Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 5.33

Algemene verboden

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a.

ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid, onder a, van deze verordening;

b.

over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid, onder a, van deze verordening;

c.

achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5.32, van deze verordening.

Artikel 5.34

Gescheiden afvalinzameling

1.

Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

2.

In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: metaal; groente, fruit- en tuinafval; 36

3.

In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan achterwege laten.

Artikel 5.35 1.

2.

papier en karton; glas; textiel; kunststof verpakkingsmateriaal; dranken kartons; blikken verpakkingsmateriaal; elektrische of elektronische apparatuur; klein chemisch afval; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; kadavers van kleine gezelschapsdieren; asbest en asbesthoudend afval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval; autobanden (met of zonder velg); dakleer/bitumen; overige kunststoffen; matrassen; gips; piepschuim.

Gescheiden aanbieding

Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 5.34, van deze verordening, anders dan afzonderlijk: a.

ter inzameling aan te bieden;

b.

achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening.

Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.36

Tijdstip van aanbieding

1.

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

2.

Indien het college voor categorieën huishoudelijke afvalstoffen een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening hebben aangewezen, dan is het verboden om afvalstoffen daar ter inzameling aan te bieden anders dan op de vastgestelde dagen en tijden.

37

Artikel 5.37 1.

Wijze en plaats van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met het door het college te stellen regels over het gebruik van: a.

inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

b.

inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

2.

Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 5.36, buiten een perceel te laten staan.

3.

Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

4.

Indien het college voor categorieën huishoudelijke afvalstoffen en inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening heeft aangewezen dan kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de categorieën huishoudelijke afvalstoffen daar ter inzameling worden aangeboden. Het is verboden om anders dan in overeenstemming met die regels huishoudelijke afvalstoffen daar ter inzameling aan te bieden.

Artikel 5.38

Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst

Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 5.30 van deze verordening, in gevallen waarin de daarvoor door of namens het college vastgestelde tarieven zijn voldaan. Artikel 5.39

Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 5.38 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening achter te laten. Artikel 5.40

Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

1.

Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 5.38 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

2.

Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 5.38 aangewezen categorieën bedrijfsafvalstoffen: a.

voor zover degene die gebruikt maakt van de inzameling door de inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belastingplicht op grond van de gemeentelijke belastingverordening;

38

b.

3.

voor scholen, die in het kader van educatie actief aan afvalscheiding willen doen en deelnemen aan het project Clean Wise uitsluitend voor zover het betreft de categorieën afvalstoffen PMD, GFT en papier.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het tweede lid, inhouden.

Artikel 5.41 Dumpingsverbod (vervallen) zie artikel 2.14 van deze verordening) Artikel 5.42 Zwerfafval in de openbare ruimte (vervallen) zie artikel 2.9 van deze verordening) Artikel 5.42a 1.

Ongeadresseerd drukwerk

In dit artikel wordt verstaan onder: huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis wordt verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: a.

een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in de buurt van belang zijn om te weten;

b.

drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties.

2.

Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan.

3.

Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen bij een perceel, tenzij de bewoner kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan.

Artikel 5.43 Zwerfafval rondom verkooppunten (vervallen) zie artikel 2.10 van deze verordening) Artikel 5.44 Afval en verontreiniging op de weg (vervallen) zie artikel 2.15 van deze verordening) Artikel 5.45 Geen opslag van afval in de open lucht (vervallen) zie artikel 2.16 van deze verordening) Artikel 5.46

Ontdoen van autowrakken

39

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een gebouw, instelling of gelegenheid als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.

Artikel 5.47

Kadavers van gezelschapsdieren

1.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde hobby- of landbouwdier.

2.

Het college wijst één of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld.

3.

Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren.

4.

Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats.

5.

Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal.

6.

Het vierde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.

Artikel 5.48 1.

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest en afvalstoffen

Het is verboden op het door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een gebouw, instelling of openbare gelegenheid in de zin van de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.

kampeermiddelen als bedoeld in de artikelen 7.32 en 7.44 van deze verordening of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

d.

mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

40

2.

Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.

Artikel 5.49

Openen straatkolken

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 5.50 1.

Rookverbod in bossen en natuurterrein

Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.

te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

b.

voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

2.

De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 5.51

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Aanvullingswet grond, of de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.

Hoofdstuk 6

Omgevingshinder

Afdeling 6.1 Voorkomen of beperken geluidshinder en hinder door verlichting Artikel 6.1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan: collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal activiteiten is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in Omgevingswet of een op grond van deze 41

wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur;

houder van een openbare gelegenheid: degene die als eigenaar, bedrijfsleider of anderszins een openbare gelegenheid drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal activiteiten; activiteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, met dien verstande dat de artikelen 6.4 tot en met 6.7 van deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op activiteiten type A of type B als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 6.2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

1.

De geluidsnormen als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.

Het college kan voorwaarden stellen aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

3.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

4.

In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer kernen (Epe, Vaassen, Emst en Oene) van de gemeente Epe.

5.

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

6.

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

7.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, -LT veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

7a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, -LT veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A)en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. 42

8.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, -LCɛ veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

8a.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, -LCɛ veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

9.

De geluidswaarde als bedoeld in lid 7, 7a, 8 en 8a is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

9a.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening, uiterlijk om 00.00 uur beëindigt dan wel het tijdstip zoals opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:9, lid 5 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2024, te worden beëindigd.

10.

Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.3

Aanwijzing incidentele festiviteiten

1.

Het is in een instelling of openbare gelegenheid toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de instelling of openbare gelegenheid ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan.

2.

Het is in een instelling of openbare gelegenheid toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten, waarbij het gestelde in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur niet van toepassing is, mits de houder van de instelling of openbare gelegenheid tenminste 2 weken voor de aanvraag van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan bij het college.

3.

De melding is gedaan wanneer het daartoe verstrekte formulier, volledig en naar waarheid is ingevulde en tijdig is ingeleverd op de plaats vermeld op het formulier.

4.

De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

5.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

43

6.

De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

7.

Op de dagen bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnormen, bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening om 23.30 uur beëindigd.

8.

De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de activiteit en niet voor de buitenruimte.

9.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.

Artikel 6.4

Geluidsplafond

Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidshinder bij collectieveof incidentele festiviteiten. Artikel 6.5 1.

Het ten gehore brengen van onversterkte muziek

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur binnen gebouwen, instellingen en openbare gelegenheden is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.

de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

b.

de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein;

c.

de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.

d.

bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in onderstaande tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

e. Tabel LAmax -LT

LAr, -LT op de gevel van gevoelige gebouwen

7.00 - 19.00 uur 50 dB(A)

19.00 - 23.00 uur 45 dB(A)

23.00 - 7.00 uur 40 dB(A)

LAr, -LT in in- en aanpandige gevoelige

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

44

gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

7.00 - 19.00 uur 60 dB(C)

19.00 - 23.00 uur 55 dB(C)

23.00 - 7.00 uur 50 dB(C)

45 dB(C)

40 dB(C)

35 dB(C)

80 dB(C)

75 dB(C)

70 dB(C)

LCr -LTɛ

LCr, -LTɛ op de gevel van gevoelige gebouwen LCr, -LC in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAcmax op de gevel van gevoelige gebouwen

2.

Voor de duur van 3 uur is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw, instelling of openbare gelegenheid gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

3.

Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur van toepassing.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.2 en 6.3 van deze verordening.

Artikel 6.6

Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht.

1.

Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, of machine in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3.

Onverkort het gestelde in dit artikel of in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de beste beschikbare stille technieken.

4.

Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud of onderhoud aan spoorwegen onder de voorwaarden dat: a.

deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren;

b.

de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder;

c.

de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19.00 uur en 07.00 uur niet meer bedraagt dan 75 Lar, LT in dB(A).

45

5.

Het verbod is niet van toepassing op instellingen of openbare gelegenheden, die daarvoor een vergunning hebben.

6.

Het verbod is niet van toepassing op de bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden.

7.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, of bij een besluit waar specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting.

Artikel 6.7

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel 6.8

Geluidhinder door dieren

Degene die de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel 6.9

Geluidhinder door vrachtauto’s

1.

Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daarvoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

Artikel 6.10

Routering

1.

Het is verboden met een vrachtauto als bedoeld in artikel 6.9, van deze verordening, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 uur en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

Artikel 6.11

Overige geluidhinder

1.

Het is verboden op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Gelderland. 46

Afdeling 6.2 Lichthinder (Gereserveerd) Afdeling 6.3 Vuur(werk) Artikel 6.12

Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel 6.13

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden. Artikel 6.14

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

1.

Het is enkel toegestaan om consumentenvuurwerk te gebruiken tussen 31 december 18:00 uur en 1 januari 02:00 uur van het daaropvolgende jaar, tenzij het op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, hinder en overlast aangewezen vuurwerkvrijezone plaatsvindt.

2.

Het is verboden om consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, hinder of schade kan veroorzaken.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 6.15

Verbod carbidschieten

1.

Het schieten met carbid is verboden.

2.

Het college kan, ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het eerste lid niet van toepassing is.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

4.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

Artikel 6.16

1.

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten gebouwen, instellingen of openbare gelegenheden of anderszins vuur te stoken

Ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur is het verboden om zonder omgevingsvergunning in de openlucht afvalstoffen te verbranden, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Omgevingswet of een op grond van deze wet

47

vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.

Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op: a.

verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.

sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en vuren ten behoeve van hottubs;

c.

vuur voor koken, bakken en braden, mits, geen afvalstoffen worden verbrand en er geen sprake is van gevaar, hinder en/of overlast voor de omgeving.

3.

Het college kan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren ter bescherming van de gezondheid, veiligheid en natuur.

4.

Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is (ook) niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1º en 3º, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Gelderland.

Afdeling 6.4 Ontsiering en stankoverlast Artikel 6.17

Plakken en kladden

1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen, beplakken of te bekladden.

2.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.

een aanpakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

b.

met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3.

Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.

Het college kan plaatsen aanwijzen waar aanplakborden mogen worden geplaatst voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, mits het betreft het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen én geen handelsreclame betreft.

5.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 6.18 1.

Vervoer plakgereedschap

Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur, verfstof of verfgereedschap.

48

2.

Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn bestemd voor handelingen als verboden is in artikel 6.17 van deze verordening.

Artikel 6.19 1.

2.

Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.

aanwezig te hebben;

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;

c.

aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden in het eerste lid.

Artikel 6.20

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor er ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of waardoor het verkeer in gevaar komt. Artikel 6.21

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten de daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 6.22

Zwartwildraster

Het is verboden in het zwartwildraster aanwezige hekken en poorten in geopende stand te houden indien dit niet ten behoeve van de doorgang van personen of voertuigen plaatsvindt. Artikel 6.23

Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 6.24

Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. 49

Artikel 6.25

Verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeelding

1.

Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

2.

Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

3.

Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

4.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Hoofdstuk 7

Buitenruimte

Afdeling 7.1

Wegen

Artikel 7.1

Voorwerpen op of aan een openbare plaats

1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college objecten te plaatsen op of aan een openbare plaats en daarmee de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie en bescherming daarvan.

2.

De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het college als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.

3.

Het verbod is niet van toepassing op: a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Apv Epe;

b.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling het gebruik van een openbare plaats is toegestaan;

c.

in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Gelderland.

4.

Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, reclameborden, plantenbanken, banken, terrassen en laadpalen. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels.

5.

Het college kan een openbare plaats aanwijzen als gebied waarin geen objecten geplaatst mogen worden.

Artikel 7.2

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat er een onveilige fysieke leefomgeving ontstaat, het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op een andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 50

Artikel 7.3

Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard en breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2.

Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

3.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Gelderland of de Telecommunicatiewet.

Artikel 7.4 1.

Maken of veranderen van een uitweg

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college: a.

een uitweg te maken naar de weg;

b.

van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c.

verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg;

d.

het gebruik van een uitweg te veranderen.

2.

De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

a.

de bruikbaarheid van de weg;

b.

het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c.

de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d.

de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

3.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, en de Omgevingsverordening Gelderland.

4.

Het college kan nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg.

Afdeling 7.2 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 7.5 1.

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig

51

gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

3.

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet en op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Omgevingsverordening Gelderland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 7.6 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet en de op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur of de Omgevingsverordening Gelderland.

Artikel 7.7

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 7.8

Veiligheid op het water

1.

Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland.

3.

Het is verboden aan eenieder die zich met een vaartuig, niet zijnde een niet gemotoriseerde rubberboot, in het openbaar water ophoudt, zich te bevinden in het door rechthebbende aangewezen zwemwater.

Artikel 7.9 1.

Overlast van vaartuigen

Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 52

2.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7.3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 7.10 1.

2.

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

b.

hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 7.10a

Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1.

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst vermeld op bijlage 3 bij de toelichting (Bomenlijst).

2.

De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a.

de natuurwaarde van de houtopstand;

b.

de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c.

de waarde van de houtopstand voor stads- of dorpsschoon;

d.

de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e.

de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f.

de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

4.

Het college is bevoegd om de bij de Bomenlijst behorende lijst en kaart met particuliere monumentale en waardevolle bomen binnen de bebouwde kom vast te stellen en te wijzigen.

Artikel 7.10b

Acuut gevaar, spoedeisend belang

53

Het eerste lid van artikel 7.10a van deze verordening is niet van toepassing als het college toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met spoedeisend belang voor de openbare orde of een acuut gevaar voor personen of goederen. Artikel 7.10c

(Bijzondere) voorschriften

1.

Het college kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen moet worden herplant.

2.

Onder de in het eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3.

Het college kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden over het werken rondom de te handhaven houtopstanden.

Artikel 7.10d 1.

Herplant- en instandhoudingsplicht

Indien een, op grond van artikel 7.10a van deze verordening, beschermde houtopstand zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op ernstige wijze is beschadigd waardoor deze in het voortbestaan wordt bedreigd kan het bevoegd gezag de verplichting tot herplant opleggen.

Deze herplant moet uitgevoerd worden overeenkomstig de door hen te geven specificaties en aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan:

2.

a.

de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan;

b.

degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.

Onder de in eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

Artikel 7.11 1.

2.

Bestrijding van boomziekten

Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals bacteriën, schimmels en insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a.

houtopstand(en) te vellen of te doen vellen;

b.

conform richtlijnen van het college de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

Het is verboden gevelde houtopstand(en) of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Indien er voor de betreffende boomziekte landelijke erkende protocollen zijn opgesteld moet volgens dit protocol worden gehandeld. 54

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid gestelde verbod.

4.

Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van de aangeschrevene, door of namens het bevoegd gezag kunnen worden verricht.

Artikel 7.11a Bescherming publieke houtopstand 1.

2.

Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn: a.

te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

b.

daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door het college opgedragen boomverzorgende taken.

Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens een ontheffing van het college.

Artikel 7.11b

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op nihil meter voor bomen en op 0,5 meter voor heggen en heesters indien het bomen, heggen en heesters betreft op of aan de openbare weg of een openbaar water, grenzende aan een ander erf. Artikel 7.11c

Toezicht

1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 7.10a en 7.10d van deze verordening zijn belast de medewerkers van de afdeling Beheer.

2.

Voorts is het bepaalde in artikel 9.2 van deze verordening van toepassing.

Afdeling 7.4 Evenementen (Gereserveerd) Afdeling 7.5 Markten en standplaatsen op de markt Artikel 7.12 1.

Inrichting van de markt en de branche-indeling

Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a.

het aantal standplaatsen;

b.

de afmetingen van de standplaatsen;

c.

de opstelling en indeling van de markt;

55

d.

2.

welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats.

Het college kan voor de markt vaststellen: a.

een lijst met artikelengroepen of branches;

b.

een maximumaantal standplaatsen per branche.

Artikel 7.13

Nadere regels

Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over markten welke overeenkomstig de bepalingen van de Gemeentewet door het college zijn of worden vastgesteld. Artikel 7.14

Standplaatsvergunning

Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Artikel 7.15

Vereisten

Voor de toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college. Artikel 7.16 1.

2.

3.

Intrekking vaste standplaatsvergunning

Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: a.

op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;

b.

bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Epe de vergunning wordt overgeschreven.

Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: a.

indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 7.15 van deze verordening genoemde vereisten.

Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Epe is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

Artikel 7.17

Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning

56

Onverminderd het bepaalde in artikel 7.16 van deze verordening kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken, dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: 1.

het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

2

zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

3.

niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel 7.18 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a.

het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;

b.

zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

c.

niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

Artikel 7.19

Onmiddellijke verwijdering

Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: a.

het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

b.

zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog.

Artikel 7.20

Toezicht markt

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde van de artikelen over de markt zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. Artikel 7.21

Voorschriften en beperkingen

1.

Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan markt- en standplaatsvergunningen, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de markten standplaatsvergunning is vereist.

2.

Degene aan wie een markt- of standplaatsvergunning is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.

57

Artikel 7.22

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Afdeling 7.6

Standplaatsen buiten de markt

Artikel 7.23

Definitie

1.

In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op of aan de openbare weg en in de openbare ruimte gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruik makend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13480118/2