CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

766969 Bijlage 1 Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023

Gemeenteraad 14 september 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken d.d. 14 september 202321.994 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Mogelijkheden van een herbruikbare losse woonunit en een aanbouw. 9. Mogelijkheid van een inpandige aanpassing De uitwerking van deze punten rondom verhuizing vindt plaats in een aparte werkinstructie. Bij de keuze van een nieuw te betrekken woning wordt verwacht dat men zo veel mogelijk rekening houdt met de eigen bestaande of bekende komende beperkingen. De kosten voor woningaanpassing in verband met deze beperkingen komen voor eigen rekening. Algemene voorzieningen Wanneer een pool van roerende woonvoorzieningen in de nabije omgeving beschikbaar is, dan wordt hiernaar verwezen. Een voorbeeld hiervan is een verrijdbare tillift in een seniorencomplex, die voor meerdere bewoners beschikbaar is. Het college streeft ernaar zoveel mogelijk algemene voorzieningen op te zetten. Indien in de nabijheid van de cliënt nog geen algemene voorziening beschikbaar is, wordt onderzocht of deze gecreëerd kan worden. Indien het opzetten van een algemene voorziening binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden, en deze voorziening is passend voor de cliënt, wordt geen individuele voorziening verstrekt. Individuele maatwerkvoorzieningen Een cliënt komt alleen voor een individuele maatwerkvoorziening op het terrein van wonen in aanmerking als: 1. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en 2.

de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt. Onderzoek Als er noodzaak bestaat voor een woonvoorziening, dan wordt door het college hiervoor een programma van eisen opgesteld. De consulent die de aanvraag in behandeling heeft, beoordeelt of er een bouwkundig- en kostenadvies ingewonnen moet worden bij een daartoe onafhankelijk bouwkundig calculatiebureau. Indien hij dit niet noodzakelijk acht, stelt het college zelf een programma van eisen op en maakt een inschatting van de kosten van de maatwerk-aanpassingen. Indien nodig worden er offertes opgevraagd. Maatwerk bij wonen bestaat uit: 1. Losse woonvoorzieningen of hulpmiddel (bijv. verrijdbare douchestoel, tillift): pgb of in natura 2. Woningaanpassing, veelal in vorm pgb, eventueel in natura (kleine aanpassingen) 3. Verhuiskosten en (her)inrichtingskosten: in de vorm van pgb 4. Woningsanering: in vorm van pgb 5. Bezoekbaar maken van een woning: in vorm van pgb

19/44

Ad 1. Kosten losse woonvoorzieningen Er is een standaardlijst van kleine woningaanpassingen beschikbaar. Deze lijst met normbedragen voor de standaardaanpassingen wordt jaarlijks door de gemeente vastgesteld met behulp van een onafhankelijk bouwkundig calculatiebureau. Indien noodzakelijk, worden ook andere goederen dan die op deze lijst toegekend. Indien noodzakelijk kan aan de verhuurder van huurwoningen conform de standaardlijst een tegemoetkoming in toezichts- en administratiekosten betaald worden; Voor overige losse woonvoorzieningen wordt gebruik gemaakt van de prijslijst van de gecontracteerde aanbieder die deze voorzieningen levert, zoals verrijdbare douchestoelen. Ad 2. Woningaanpassing Is het college van mening dat de cliënt in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening voor wonen, dan maakt het college een inschatting van de kosten van de woningaanpassing, zijnde een aard- of nagelvaste aanpassing. Hierbij geldt dat de kosten voor vloerbedekking worden gebaseerd op de kosten van vinyl; Wanneer de totale kosten van de woningaanpassing hoger zijn dan het bedrag dat het college beschikbaar stelt voor verhuis- en herinrichtingskosten, wordt onderzocht of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Is dat het geval, wordt onderzocht of er een contra-indicatie tegen verhuizen bestaat.

Een zorgvuldige afweging van alle argumenten wordt aan dit besluit ten grondslag gelegd. De kosten voor woningaanpassing worden veelal in de vorm van een pgb beschikt. Hierbij zijn de volgende voorwaarden van toepassing: • de hoogte van een pgb voor een bouwkundige of technische woonvoorziening voor het geschikt maken van de woning van de aanvrager bedraagt 100% van het bedrag zoals dat is vastgesteld is met behulp van een bouwkundig calculatiebureau of zoals vermeld in de door de gemeente geaccepteerde offerte; • aan door de gemeente aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verleend tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; • aan door de gemeente aangewezen personen wordt gelegenheid geboden tot het controleren van de woningaanpassing; • terstond na de voltooiing van de in dit artikel bedoelde werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van het pgb, verklaart de gerechtigde aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen; • op het moment dat de werkzaamheden gereed zijn wordt het pgb vastgesteld en uitbetaald. Ad 3. Verhuiskosten en (her)inrichtingskosten Het college kan een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toekennen indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is.

Wanneer er belemmeringen zijn in het normale gebruik van een woning waardoor er een acute noodzaak tot verhuizen bestaat, kan hiervoor een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt. Indien er een noodzaak tot verhuizen bestaat vanwege een andere reden dan het ondervinden van belemmeringen in het normale gebruik van de woning, kan per situatie beoordeeld worden of er een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten nodig is. Ad 4. Woningsanering Men kan in aanmerking komen voor een individuele maatwerkvoorziening voor woningsanering waar dit als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (COPD) noodzakelijk is. Dit is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts en er op basis daarvan een medische noodzaak is voor saneringsmaatregelen. Het gaat bij woningsanering vaak om vervanging van stoffen vloerbedekking en gordijnen in het slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd als de voorziening bedoeld is voor een aanvrager jonger dan vier jaar. In de regel kan een individuele maatwerkvoorziening voor woningsanering worden verstrekt als: • de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat de COPD-klachten zouden ontstaan of verergeren; • vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is.

Geen individuele maatwerkvoorziening hoeft verstrekt te worden als: • het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; • de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert; 20/44

De uitwerking van deze punten vindt plaats in een aparte werkinstructie. Ad 5. Bezoekbaar maken van de woning Bij het toekennen van een tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning of woonruimte zijn de volgende voorwaarden van toepassing: • de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een WLZ-instelling. De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat; • de aanvrager deze woning regelmatig bezoekt en bijdraagt aan diens participatie; • maximaal één woonruimte wordt bezoekbaar gemaakt voor wat betreft de toegang van de woning, de woonkamer en een toiletvoorziening kan bereiken en gebruiken. Het maximumbedrag dat wordt verstrekt bij het bezoekbaar maken van één woning voor een bewoner met Wlz-indicatie3 staat in de verordening Wmo en Jeugdhulp. Mantelzorg en mantelzorgerunit Wanneer er een vraag is om een extra grote woning of een mantelzorgunit op het erf om mantelzorgtaken op zich te kunnen nemen, dan dient men hier zelf voor te zorgen. Het college kan wel advies en ondersteuning bieden bij het aanvragen van de benodigde vergunningen. De onderbouwing hiervoor is dat de uitgaven die de zorgbehoeftige en de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgunit, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz.

Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) te betalen. Hoofdstuk 13 Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Wmo Inleiding In de Wmo staat dat de gemeente individuele maatwerkvoorzieningen moet organiseren voor het noodzakelijke vervoer ten behoeve van de participatie van inwoners. Toelichting Om voor een individuele maatwerkvoorziening in aanmerking te komen, worden eerst alle mogelijke alternatieven onderzocht en beoordeeld. Dit betekent dat eerst eigen kracht, wettelijk voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen beoordeeld worden. In algemene zin geldt het volgende: a) Uitsluitend meerkosten in de kosten van vervoer komen voor compensatie in aanmerking. Deze meerkosten moeten eenvoudig vast te stellen zijn. b) Gebruik maken van de mogelijkheid zich te laten behandelen kan voorliggend zijn op compensatie vanuit de Wmo. c) Het is mogelijk een (rolstoel)auto te huren voor incidenteel gebruik. Bij het indienen van een hulpvraag zal deze beoordeeld worden door het college. d) Indien cliënt een beroep kan doen op zijn sociale netwerk en deze hulp na onderzoek van het college adequaat blijkt te zijn, dan is dit voorliggend op het verstrekken van een individuele maatwerkvoorziening.

e) Indien cliënt een beroep kan doen op ondersteuning van vrijwilligers en deze hulp na onderzoek van het college adequaat blijkt te zijn, dan is dit voorliggend op het verstrekken van een individuele maatwerkvoorziening. Wettelijk voorliggende voorzieningen Wanneer een cliënt aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere wet, hoeft de gemeente geen individuele maatwerkvoorziening te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de betrokkene op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Wettelijke voorliggende voorzieningen zijn: • Een vervoersvoorziening op grond van de WIA (Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen); • Vervoer naar dagbehandeling 18+/volwassenen;

Voor zwaardere en langdurige zorg geldt de Wet langdurige zorg. Bewoners met een Wlz-indicatie verblijven in een instelling en hebben hun indicatie voor langdurig verblijf verzilverd.

3

21/44

• • •

Thuiswonenden met een Wlz-indicatie, kunnen het vervoer naar dagbesteding of dagbehandeling vergoed krijgen vanuit hun zorgprofiel; Thuiswonenden zonder Wlz-indicatie die in het kader van dagbehandeling vervoer nodig hebben, kunnen een beroep doen op de Subsidieregeling extramurale behandeling; Voor medisch vervoer geldt de zorgverzekeringswet4;

Voor maatschappelijke participatie van mensen met een Wlz-indicatie geldt het volgende: • Een vervoermiddel als een scootmobiel of aangepaste fiets valt onder de Wlz. Wel blijft het college verantwoordelijk voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer en het bezoekbaar maken van de woning voor bewoners van Wlz-instellingen (waar wel/geen behandeling wordt geboden); • Voor mensen met een Wlz-indicatie die thuis wonen met een Volledig Pakket Thuis (VPT) of een Modulair Pakket Thuis (MPT) is het college ook verantwoordelijk voor het sociaal vervoer. Vervoer van en naar dagbesteding valt wel onder de Wlz. Daarnaast is het college verantwoordelijk voor het bieden van vervoersmiddelen aan mensen die thuis wonen met een VPT of MPT. Algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen Vervoerskosten, ook voor de hieronder vermelde algemene voorzieningen, behoren tot de algemene kosten van bestaan en moeten in principe uit het inkomen op bijstandsniveau worden betaald. Een voorziening kan echter nooit zonder meer algemeen gebruikelijk worden genoemd. Er moet per situatie worden beoordeeld of de specifieke voorziening ook voor de cliënt in het concrete geval algemeen gebruikelijk is.

Voordat een individuele maatwerkvoorziening wordt ingezet, wordt gekeken of er gebruik kan worden gemaakt van de volgende algemene voorzieningen: • Het openbaar vervoer, wanneer een cliënt het openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken; • Het vrij toegankelijk collectief vraagafhankelijk aanvullend OV indien de vervoersbehoefte van cliënt minimaal is; • Valys voor vervoer naar bestemmingen verder dan 25 kilometer van het woonadres; • Een OV-begeleiderskaart; • Een scootmobielpool indien de vervoersbehoefte klein is. Daarnaast kunnen de volgende onderdelen binnen het vervoer als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt: • Auto (bij 1,5 x modaal inkomen); • Fiets / ligfiets; • Fiets met trapondersteuning vanaf 12 jaar; • Fiets met lage instap; • Scooter, brommer, snorfiets ; • Tandem; • Tandem met trapondersteuning; • Bakfiets; • Oplaadpunt auto. Individuele en collectieve maatwerkvoorzieningen De gemeente kan een indicatie voor een vervoersvoorziening verstrekken wanneer iemand door beperkingen niet in staat is het openbaar vervoer te bereiken en/of te gebruiken 4 of middels een algemeen gebruikelijke voorziening zich te verplaatsen. Dit zorgt voor problemen in de participatie. In dat geval wordt gezocht naar een zo licht mogelijke passende en redelijke voorziening. In de gemeente Epe zijn o.a.

de volgende vervoersvoorzieningen, van licht naar zwaar: a) ZIN: Collectief vraagafhankelijk vervoer; b) ZIN: Collectief route gebonden vervoer; c) PGB: Vergoeding aanpassing eigen auto tbv rolstoel; d) PGB: Vergoeding van vervoer per eigen auto; e) PGB: Individueel taxivervoer/vervoer door derden; f) ZIN/PGB: Fietsen voor mensen met een beperking (bijv. driewielfiets); g) ZIN/PGB: Scootmobiel (10 km p/u); h) ZIN/PGB: Aankoppelbare handbike; i) ZIN/PGB: Speciale voorzieningen voor kinderen. 4

artikel 2.14 Besluit Zorgverzekering

22/44

Om het vervoer mogelijk te maken, worden ook weer andere voorzieningen verstrekt, zoals: j) ZIN: Onderhoud en reparatie (via gecontracteerde leverancier); k) ZIN: Verzekeringen (via gecontracteerde leverancier). Toegang De gemeente Epe bepaalt of iemand in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Is de noodzaak vastgesteld, dan wordt bepaald welke voorziening het best passend is, in volgorde van licht naar zwaar. Tot slot wordt de duur van de voorziening bepaald: voor bepaalde of voor onbepaalde tijd (bijv. als gevolg van ouderdomsklachten). Eigen bijdrage Voor alle vervoersvoorzieningen is een eigen bijdrage vereist, en deze wordt geïnd via het CAK. Bij voorzieningen voor jeugdigen onder de 18 jaar geldt geen eigen bijdrage. Voor het collectief vraagafhankelijke vervoer geldt een ritbijdrage die via de vervoersorganisatie geïnd wordt. WA verzekering Bij aanschaf van een elektrisch verplaatsings- of vervoermiddel via pgb geldt de verplichting voor de cliënt om een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering (WA) af te sluiten voor de gebruiksperiode van het hulpmiddel. Bij gebruikmaking langer dan de termijn, waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend, dient het onderhouds- en servicecontract, en de eventuele WA-verzekering voor de verplaatsings- of vervoersvoorziening, te worden verlengd met de feitelijke gebruiksperiode van de voorziening.

De hulpmiddelen, die met pgb worden aangeschaft, dienen van voldoende kwaliteit te zijn a. Reizen op afroep (Wmo-taxi) Onder ‘reizen op afroep’ wordt verstaan vervoer dat op afroep plaatsvindt en waarbij de reiziger zelf een keuze heeft in zijn ophaalmoment. Dit vervoer staat vaak tot kort voor de aanvang van de reis niet vast. Omdat de reis meestal met anderen wordt afgelegd, spreken we ook wel van collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv). Reizen op afroep wordt georganiseerd door PlusOV. Het Vervoersreglement van PlusOV is hier leidend in. Hierin staat ook de ritbijdrage. Deze wordt regionaal vastgesteld en wordt ook beschreven in de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, bijlage 1. Gemeentelijke keuzes rondom het reizen op afroep worden gemaakt t.a.v. de toegang, maximaal aantal kilometers, puntbestemmingen en bijdrage sociale begeleiding. Toegang Reizen op afroep is alleen bedoeld voor inwoners die hun eigen vervoer niet meer zelfstandig of met hulp van familie of vrienden kunnen organiseren. Daar is bijvoorbeeld sprake van als iemand vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer kan reizen met het openbaar vervoer. Daarom kan alleen met een door de gemeente geïndiceerde Wmo-vervoerspas met de Wmo-taxi worden gereisd.

Met een Wmo-vervoerspas kan in een straal van 20 km rondom de woning (laag tarief) tot een maximum van 40 km (hoog tarief) worden gereisd voor bestemmingen met een sociaal-recreatief karakter. Met sociaal-recreatief vervoer bedoelen we onder andere het reizen naar vrienden/familie, de sportclub, restaurantbezoek, een pretpark, de supermarkt of een winkelgebied. Bij PlusOV kan ook worden gereisd naar werk, school of de dagbesteding, maar niet met de Wmo-vervoerspas. Dat wil zeggen dat dan de (veel) hogere tarieven van provinciaal aanvullend openbaar vervoer van toepassing zijn. Ook voor medisch vervoer gelden de tarieven van het provinciaal aanvullend openbaar vervoer. De zorgverzekeraar kan voor dergelijk vervoer vaak wel een dekking bieden vanuit de basisverzekering. Valys, de organisatie die namens de rijksoverheid het bovenlokaal vervoer voor inwoners met een beperking organiseert, vervoert vanaf 25 kilometer. Wanneer personen op afroep met PlusOV reizen naar een bestemming die gelegen is tussen de 20 en de 25 kilometer, dan betalen zij voor maximaal 5 kilometer een hoger tarief. Indien dit in het individuele geval tot problemen leidt, zal maatwerk uitkomst moeten bieden.

23/44

Maximaal aantal kilometers Vanaf 2022 kunnen inwoners maximaal 1500 kilometer reizen met hun Wmo-vervoerspas. Is het maximaal aantal kilometers bereikt? Dan kunnen inwoners nog steeds reizen met PlusOV, maar dan tegen de tarieven van het provinciaal aanvullend openbaar vervoer. In uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten om het kilometerbudget te verhogen. Deze afweging wordt gemaakt op basis van de beperking/handicap in combinatie met de individuele vervoersbehoefte en aanwezige vervoersmogelijkheden. Hiermee worden schrijnende gevallen voorkomen. Puntbestemming Een puntbestemming is een bestemming die buiten de 20 km valt van de woning van de Wmovervoerspashouder. Inwoners kunnen tegen het lage tarief (tarief 0-20 kilometer) reizen naar deze puntbestemmingen De keuze voor de puntbestemmingen is gemaakt aan de hand van de volgende afwegingen: • De puntbestemming wordt door meerdere mensen uit de gemeente Epe bezocht en; • Het betreft een locatie waar mensen heengaan in verband met een bezoek aan een ziekenhuis of omdat deze bestemming voor de participatie van groot belang is (bijv. centrum of station). In bijlage 4 worden de puntbestemmingen genoemd. Individuele puntbestemmingen zijn niet mogelijk.

Begeleiding in het reizen op afroep Wanneer iemand met een beschikking voor het reizen op afroep niet alleen kan reizen, dient de medische of sociale noodzaak van begeleiding vastgesteld te worden. Dit wordt altijd gedaan door een medisch onafhankelijk advies behalve als er geen enkele twijfel is over de noodzaak. • Noodzaak tot medische begeleiding: Er is sprake van een zodanige beperking waardoor de persoon niet alleen kan reizen in het voertuig van het collectief vervoer. De kans op noodzakelijk medisch ingrijpen tijdens de rit is reëel aanwezig. De persoon moet zich daarom tijdens iedere rit met het collectief vervoer laten vergezellen door een medisch begeleider; • Noodzaak tot sociale begeleiding: Wanneer de persoon na een rit met het collectief vervoer door lichamelijke, verstandelijke of cognitieve beperkingen (of een combinatie daarvan) zich op de plaats van bestemming beslist niet zelfstandig kan redden en er op de plaats van bestemming geen ondersteuning aanwezig is. Het is niet verplicht dat er met iedere collectief vervoer rit een sociale begeleider mee reist, bijvoorbeeld als er sprake is van een routinematige rit, die de pashouder zelfstandig kan uitvoeren. De sociaal en medisch begeleider reizen gratis mee. Dit geldt ook voor een assistentiehond. b.

collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer) Onder collectief trajectvervoer wordt verstaan het vervoer dat aan vaste routes gebonden is en waarbij de reiziger geen vrije keuze in het ophaalmoment heeft, zoals het vervoer van en naar dagbesteding, de buurtpunten en dagbehandeling, vergelijkbaar met het leerlingenvervoer. Bij dit vervoer herhaalt dezelfde route zich en blijft het vervoer vaak voor een langere tijd in stand. De route wordt meestal samen met anderen afgelegd. Collectief trajectvervoer wordt georganiseerd door PlusOV. Van het collectief trajectvervoer kan alleen gebruik worden gemaakt wanneer inwoners niet zelfstadig kunnen reizen naar geïndiceerde maatwerkvoorzieningen of de buurtpunten, en als gevolg hiervan een gemeentelijke indicatie hebben toegewezen voor vervoer naar deze geïndiceerde maatwerkvoorzieningen of buurtpunten. Inwoners met een gemeentelijke indicatie voor vervoer van en naar een maatwerkvoorziening of buurtpunt betalen geen ritbijdrage en kunnen reizen zonder Wmo-vervoerspas. Wanneer een inwoner buiten de gemeente Epe zorg of begeleiding wil ontvangen, dan is de cliënt zelf verantwoordelijk om het vervoer van en naar deze locatie te regelen. In uitzonderingsgevallen wordt het vervoer ook naar een locatie buiten de gemeente Epe geregeld.

Dit kan het geval zijn als er bijvoorbeeld sprake is dat deze zorg en begeleiding niet binnen de gemeente Epe wordt aangeboden en hiervoor wel een (medische) noodzaak is. c. Vergoeding aanpassing eigen auto tbv rolstoel Aanpassingen aan de auto of bestelbus worden uitsluitend in de vorm van een pgb verstrekt, wanneer het collectief vervoer geen adequate oplossing is. De aanpassingen zijn bedoeld om een privé auto/bestelbus geschikt te maken voor een rolstoelgebruiker. Voorwaarde is dat de auto/bestelbus 24/44

naar verwachting nog minimaal 10 jaar gebruikt kan worden en maximaal 3 jaar oud is bij verstrekking van de voorziening. Gebruikelijke aanpassingen zijn: • Aluminium oprijplaat; • Bekleding interieur (goedkoopst adequaat); • Indien noodzakelijk hemelbekleding; • Vloer geschikt maken voor rolstoelgebruik; • Rolstoelvergrendeling; • Afhankelijk van gezinssituatie 1 of 2 geschikte zitvoorzieningen achter (standaard of indien nodig versmalde zitstoelen). Indien andere aanpassingen noodzakelijk zijn, moet duidelijk gemotiveerd worden dat dit noodzakelijk is ten behoeve van het plaatsen van de rolstoel in de auto/bestelbus. d. Vergoeding van vervoer per eigen auto Alleen mogelijk in de vorm van pgb. e. Individueel taxivervoer/vervoer door derden Alleen mogelijk in de vorm van pgb. f. Fietsen voor mensen met een beperking (bijv. driewielfiets) In de vorm van ZIN of pgb. g. Scootmobiel In de vorm van ZIN of pgb. Bij Zin wordt de scootmobiel in bruikleen verstrekt en betaalt met een eigen bijdrage als tegemoetkoming in de afschrijving. Pgb-verstrekking is ook mogelijk.

Richtlijnen voor toekennen van een scootmobiel zijn: • Langdurig nodig voor de participatie in naaste omgeving; • Persoon kan maar kleine stukken aaneengesloten lopen én; • Kan geen gebruik maken van een aangepaste of elektrische fiets, brommer of scooter; • De scootmobiel is regelmatig nodig voor vervoer in de buurt; • Indien noodzakelijk wordt ook een stalling met oplaadpunt in bruikleen verstrekt. h. Aankoppelbare handbike In de vorm van ZIN of pgb. Voorwaarde is dat er een adequate rolstoel beschikbaar is, en dat het de goedkoopst adequate voorziening betreft. i. Speciale voorzieningen voor Jeugdigen In de vorm van ZIN of pgb. Dit is bijvoorbeeld een copilot, driewielfiets of side bij side fiets. Hier geldt geen eigen bijdrage, omdat deze voorziening ten behoeve van de jeugdige is. Voorwaarde voor een voorziening is dat zelfstandig fietsen voor de jeugdige niet mogelijk is en een gewone tandem, bakfiets of aankoppelbare fiets niet geschikt is voor de jeugdige. Therapeutische voorzieningen zijn geen compensatiegebied van de Wmo. Hoofdstuk 14

Bewegen in en om het huis en sportrolstoel Wmo

Inleiding Het kunnen bewegen in en om de woning is belangrijk voor de zelfredzaamheid van iemand. Wanneer iemand beperkt is in de mobiliteit kunnen Wmo-voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning ingezet worden, zoals een rolstoel voor dagelijks gebruik. Richtlijn voor toekenning is dat de cliënt niet in staat is om zich binnenshuis en buitenshuis in en om de woning zelfstandig voort te bewegen. Niet uitsluitend voor verplaatsingen in en om de woning kan compensatie worden aangeboden. Ook wanneer iemand zich dagelijks over langere afstanden moet verplaatsen en hiertoe niet in staat is, kan een voorziening noodzakelijk zijn. Het hoofddoel van de toekenning is dat iemand zich daarmee in en rond de woning kan verplaatsen. Ook het ontmoeten van medemensen en eventueel het voeren van het huishouden kunnen een rol spelen bij de toekenning5. Stoelen met een therapeutisch karakter vallen niet onder de Wmo.

5

(http://www.stimulansz.nl/nieuwspagina/wmo/hoog-laag-installatie-rolstoel) 25/44

Ter compensatie van de beperkingen kan gedacht worden aan rolstoelen voor dagelijks zittend verplaatsen, zowel door lichaamskracht als elektrisch voort te bewegen. Ook een buggy voor oudere jeugdigen met een beperking valt hieronder. Toelichting Om voor een individuele maatwerkvoorziening in aanmerking te komen, zal het college eerst nagaan of in het gesprek mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Wettelijk voorliggende voorzieningen • Voor loophulpmiddelen en trippelstoelen geldt als een wettelijke voorliggende voorzieningen de voorzieningen van de zorgverzekeraar; • Voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning worden vanuit de Wmo verstrekt aan cliënten met zelfstandige woonruimte, tenzij het onomstotelijk vaststaat dat de Wet langdurige zorg (Wlz) hier zorgplichtig is. • Voor voorzieningen die speciaal voor de werkplek nodig zijn, kunnen inwoners een vergoeding vragen bij het UWV. Inwoners die onder de Participatiewet vallen, kunnen een vergoeding aanvragen bij de gemeente. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een rolstoel voor incidenteel gebruik kan geleend worden via de zorgverzekeringswet-uitleen. Hier kunnen voorzieningen kosteloos 26 weken geleend worden, en daarna gehuurd worden tegen betaling. Mensen worden geadviseerd om hier zelf een rolstoel aan te schaffen, als dit tot de mogelijkheden behoort.

Indien deze mogelijkheden er niet zijn kan het college hiervoor een vergoeding verstrekken. In bijlage 1 van de verordening Wmo en jeugdhulp staat de maximale tegemoetkoming en de termijn die geldt voor deze voorziening. Algemene voorzieningen Vooral op locaties waar zich veel personen bevinden die af en toe gebruik kunnen maken van een rolstoel, zoals in een woonzorgcentrum, wordt het opzetten van een algemene voorziening wenselijk geacht. Indien in de nabijheid van de cliënt nog geen algemene voorziening beschikbaar is, wordt onderzocht of deze gecreëerd kan worden. Indien het opzetten van een algemene voorziening binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden, en deze voorziening passend is voor de cliënt, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Individuele maatwerkvoorzieningen Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks gebruik, dan zal door het college bij het beoordelen van deze maatwerkvoorziening indien nodig een programma van eisen worden opgesteld. Rolstoel Rolstoelvoorzieningen zijn individuele maatwerkvoorzieningen. De rolstoel is bedoeld voor mensen die zich thuis of buitenshuis moeilijk of niet zelfstandig kunnen verplaatsen. Het kan gaan om een handbewogen rolstoel, elektrische rolstoel, buggy of duwwandelwagen die gebruik wordt voor vervoer in en om het huis.

Richtlijnen voor toekennen van een rolstoelvoorziening zijn: • De rolstoel is minimaal een half jaar nodig; • Een rollator en trippelstoel zijn geen oplossing; • De rolstoel is dagelijks nodig voor vervoer in en om het huis; • Bij twijfel over gebruik en eisenpakket voor de rolstoel wordt onafhankelijk medisch advies aangevraagd. Voor rolstoelen geldt geen eigen bijdrage en worden gratis in bruikleen verstrekt. Ook alle aanpassingen (op medische gronden) en eventuele reparaties komen voor rekening van de Wmo. Reparaties die nodig zijn als gevolg van oneigenlijk gebruik komen voor rekening van de cliënt. Sportrolstoel Wanneer een rolstoel uitsluitend gebruikt wordt tijdens het sporten, dan valt de voorziening onder het thema sportrolstoel. Mensen met een beperking kunnen bij de gemeente een pgb aanvragen voor een sportrolstoel. Richtlijnen voor de verstrekking zijn: • De rolstoel is primair nodig voor de maatschappelijke participatie van de cliënt (en dus niet ten behoeve van topsport) en er zijn geen alternatieven voor andersoortig vormen van participatie; • Sportbeoefening is onmogelijk zonder deze sportrolstoel; • Deze sportrolstoel is niet algemeen gebruikelijk; • De persoon is lid zijn van een sportvereniging; 26/44

•

De persoon gaat/neemt in de praktijk (actief) deel aan de sportactiviteit waar de sportrolstoel voor nodig is.

In bijlage 1 van de verordening Wmo en jeugdhulp staat de maximale tegemoetkoming en de termijnen die gelden voor deze voorziening. Er geldt geen eigen bijdrage voor sportrolstoelen. Algemene richtlijnen t.a.v. het gebruik Bij de verstrekking van (sport)rolstoelen (in bruikleen of in eigendom) kunnen een aantal voorwaarden worden opgelegd aan de cliënt. Deze worden vastgelegd in de bruikleenovereenkomst en overhandigd aan de cliënt. Mantelzorg Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, er duwondersteuning op de rolstoel verschaft kan worden. In eerste instantie is echter de zelfredzaamheid van de cliënt het uitgangspunt. Pas wanneer deze ondersteuning nodig heeft van een mantelzorger worden de (on)mogelijkheden van de vaste mantelzorger veelal onderzocht middels een onafhankelijk ergonomisch of medisch advies bij een daartoe gecontracteerd adviesinstantie. Hoofdstuk 15 Begeleiding en dagbesteding Wmo Inleiding De Wmo verstaat onder begeleiding: alle activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner zodat iemand zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.

In het kader van begeleiding gaat het om de volgende activiteiten: • Het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen; • Het ondersteunen bij of aanbrengen van structuur of het voeren van de regie; • Het overnemen van toezicht op de inwoner. Toelichting Om voor begeleiding of dagbesteding in aanmerking te komen, zal het college eerst nagaan tijdens het onderzoek of mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Wettelijk voorliggende Voorzieningen Het UWV, Werkplein Activerium en Werkbedrijf Lucrato begeleiden mensen naar werk vanuit onder andere de Participatiewet, Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en de Wajong 2015. De Wlz is verantwoordelijk voor het bieden van begeleiding en dagbesteding als er sprake is van een Wlz-indicatie. Dit is aan de orde als iemand 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft. Om de overgang van de Wmo naar de Wlz goed in beeld te krijgen en vloeiend te laten verlopen, zijn we alert op het “omslagpunt”. Het omslagpunt staat voor het gemiddeld aantal uren/dagdelen dat hoort bij de zorgzwaartepakketten uit de Wlz. Een richtlijn hiervoor is vijf dagdelen dagbesteding per week. Bij een jongere wordt er bij de toegang tot de Wlz rekening gehouden met de aanwezigheid van gebruikelijke zorg.

Dit is de dagelijkse verzorging en/of opvoeding die (pleeg)ouders of wettelijk vertegenwoordigers hun jeugdigen horen te geven. Als er sprake is van gebruikelijke zorg, is er geen aanspraak op zorg vanuit de Wlz. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een partner, huisgenoot of mantelzorger kan in de thuissituatie helpen om de dag te structureren en samen activiteiten ondernemen. Zie hiervoor ook de richtlijn gebruikelijke hulp in de bijlage. Daarnaast kan het bezoeken van bijvoorbeeld een hobbyclub bijdragen aan de vraag naar een zinvolle dagbesteding en begeleiding. Indien de cliënt niet in staat is zelf een oplossing te vinden voor zijn probleem, dan beoordeelt het college of er algemene of collectieve maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn, waarmee de cliënt geholpen kan zijn. Ook wordt cliënten gevraagd of zij de voorziening uit eigen middelen kunnen bekostigen. Collectieve en individuele maatwerkvoorzieningen De gemeente Epe biedt op het terrein van begeleiding op dit moment zowel collectieve als individuele maatwerkvoorzieningen voor jeugdigen en volwassenen. De keuze voor dagbesteding (begeleiding groep) of individuele begeleiding hangt af van het doel van de begeleiding. 27/44

• •

Voor het daadwerkelijk bieden van dag- en weekstructuur en het overnemen van toezicht is groepsbegeleiding adequaat en goedkoper. Daarnaast heeft het groepsgewijs oefenen van vaardigheden de voorkeur; Voor het bieden van hulp bij het vergroten van de vaardigheden rond dag- of weekstructuur of het oefenen van specifieke vaardigheden, is individuele begeleiding meer passend.

Daarnaast wordt een keuze gemaakt tussen lichte, duurzame, basis of complexe begeleiding (zie ook het Zorgproductenboek 2023). Zie ook https://zorgregiomijov.nl/aanbieders/104. Hoofdstuk 16 Wonen/Verblijf Inleiding Sinds 1 januari 2015 is de uitvoering van de Maatschappelijke Opvang en het Beschermd Wonen binnen de Wmo (hierna: MO/BW) voor mensen met psychische of psychosociale problemen een verantwoordelijkheid van elke gemeente. In de regio Oost-Veluwe wordt deze verantwoordelijkheid gezamenlijk gedragen door de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Hattem en Voorst. Deze regionale samenwerking is vastgelegd in een convenant. Met de invoering van een woonplaatsbeginsel en het daarmee samenhangend nieuw verdeelmodel, gepland voor 1 januari 2024, wordt de decentralisatie van Beschermd Wonen voortgezet en wordt daarmee de centrumgemeente constructie voor Beschermd Wonen losgelaten. Middels een groeipad van tien jaar wordt het budget wat centrumgemeentes ontvangen afgebouwd en krijgen alle individuele gemeenten een eigen budget voor beschermd wonen overgemaakt op basis van een nieuw objectief verdeelmodel. Voor wat betreft Maatschappelijke Opvang is er sprake van voortzetting van de centrumgemeente constructie. De gemeenten in de regio Oost-Veluwe hebben zich uitgesproken over structurele financiële solidariteit en regionale samenwerking op het gebied van MO/BW.

Daartoe wordt een regionaal budget gevormd waarbij elke individuele gemeente op basis van een jaarlijks bij te stellen percentage een deel van het individuele budget voor Beschermd Wonen overhevelt naar een regionaal budget. Het budgethouderschap hiervan is belegd bij de gemeente Apeldoorn. Via de verlening van mandaat bieden de regiogemeenten de budgethouder het juridisch kader om de betreffende taken daadwerkelijk uit te voeren. De taken die de budgethouder uitvoert voor de gemeenten in de regio Oost-Veluwe zijn vastgelegd in een DVO. Wanneer gemeenten spreken over beschermd thuis, dan bedoelen zij daarmee beschermd wonen zoals bedoeld in de wet maatschappelijke ondersteuning 2015, meer specifiek beschermd wonen in een tussenvorm waarbij cliënten op een gelijksoortige manier worden ondersteund in hun eigen woonomgeving. Overgangsjaar 2023 voor Beschermd Thuis In 2021 zijn gemeenten in de regio Oost-Veluwe gestart met de implementatie van het Regionaal Ontwerp Beschermd Thuis 2030 welke specifiek gericht is op de transformatie van beschermd wonen naar een beschermd thuis voor mensen met een psychische kwetsbaarheid in de regio Oost-Veluwe. Een onderdeel hiervan is een nieuwe regionale inkoop voor beschermd wonen naar beschermd thuis. De geplande ingangsdatum van het nieuwe inkoopcontract voor beschermd thuis is 1 januari 2024.

Dit komt overeen met de geplande datum van invoering van het woonplaatsbeginsel en het nieuw verdeelmodel voor beschermd wonen. Gemeenten gaan nieuwe producten, zogeheten ‘integrale hersteltrajecten, inkopen welke uitvoering moeten geven aan de uitgangspunten van het regionaal ontwerp beschermd thuis 2030. In het overgangsjaar 2023 wordt er nog gewerkt met de huidige Wonen/Verblijf producten. Vanaf 2024 gaan gemeenten werken met nieuwe producten. De criteria zoals die in de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Epe 2023 zijn opgenomen zijn zowel van toepassing op de huidige producten als op de nieuw in te kopen producten. In beide gevallen gaat het om producten uit het domein MO/BW, vanaf 2024 Beschermd Thuis, waarvoor het college een inwoner in aanmerking kan laten komen wanneer deze voldoet aan de criteria zoals die zijn opgenomen in de verordening. Bij Wonen/Verblijf gaat het om het bieden van onderdak en begeleiding aan mensen met psychische of psychosociale problemen.

28/44

Wonen/Verblijf is een maatwerkvoorziening. Deze maatwerkvoorziening biedt mensen waar nodig toezicht en ondersteuning in de nabijheid, (groeps-)structuur, begeleiding en een agogisch klimaat. De doelstelling van Wonen/Verblijf is de zelfredzaamheid van mensen met psychische en/of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, te vergroten zodat zij naar vermogen kunnen participeren in de samenleving en zo goed mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Toelichting Wonen/Verblijf De zorg- en ondersteuningsproducten zijn in elk geval tot 1 januari 2024 als volgt ingekocht: • Wonen/Verblijf Individueel met begeleiding Perspectief • Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Perspectief: • Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Intensief: • Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Duurzaam: • Time-Out Voorziening: Alle colleges in de regio, waaronder het college van Epe, hebben een besluit genomen om zich te houden aan: • Convenant ‘Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang’ 8 en de daarbij behorende handreiking ‘Landelijke toegang maatschappelijke opvang’. • Convenant ‘Landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen’9 en de daarbij behorende handreiking en beleidsregels ‘Landelijke toegang Beschermd Wonen’.

De colleges hebben tevens het besluit genomen om de bij deze convenanten behorende beleidsregels ook ongewijzigd vast te stellen als beleidsregels van de desbetreffende gemeenten. • Hulpvragen worden afgehandeld op grond van genoemde convenanten Toelichting Beschermd Thuis Het college kan een cliënt in aanmerking laten komen voor een maatwerkvoorziening beschermd thuis, in het overgangsjaar 2023 nog MO/BW, indien de cliënt: a. is aangewezen op een beschermde woonomgeving ter voorkoming van verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. b. er sprake is van complexe psychosociale en psychiatrische problematiek c. niet in staat is om zichzelf op eigen kracht te handhaven in de samenleving d. niet geholpen is met ondersteuning vanuit voorliggende en algemene voorzieningen aangevuld met ambulante maatwerkvoorzieningen al dan niet gecombineerd met respijtverblijf of een tijdelijk terugvalverblijf e. binnen redelijke termijn zichzelf weer op eigen kracht zou kunnen handhaven in de samenleving zonder beschermde woonomgeving. Het college kan een cliënt in aanmerking laten komen voor tijdelijk intramuraal verblijf bij een instelling waarbij er 24/7 begeleiding beschikbaar is op de locatie indien de cliënt: a.

niet geholpen is met reeds ingezette ambulante maatwerkvoorzieningen vanuit een beschermde woonomgeving waardoor de leefsituatie instabiel is geworden b. ADL-taken niet meer zelfstandig kan uitvoeren en de regie overgenomen moet worden c. is aangewezen op 24/7 toezicht in de nabijheid omdat verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijk overlast of gevaar voor cliënt en anderen niet meer afgewend kan worden in de huidige leefsituatie Alle colleges in de regio Oost-Veluwe, waartoe het college van Epe ook behoort, hebben in 2017 een besluit genomen om zich te houden aan het: 1. Convenant ‘Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang’ en de daarbij behorende handreiking ‘Landelijke toegang maatschappelijke opvang’. 2. Convenant ‘Landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen’ en de daarbij behorende handreiking en beleidsregels ‘Landelijke toegang Beschermd Wonen’. De colleges hebben tevens het besluit genomen om de bij deze convenanten behorende beleidsregels ook ongewijzigd vast te stellen als beleidsregels van de desbetreffende gemeenten. Als het college heeft bepaald een cliënt in aanmerking te laten komen voor een maatwerkvoorziening dan zijn er verschillende producten te kiezen. De productkeuze voor een maatwerkvoorziening beschermd thuis, in 2023 de producten Wonen/Verblijf, wordt bepaald op basis van cliëntprofielen uit het zorgproductenboek van de ZorgRegio MIJ/OV.

Deze profielen zijn tevens ter kennisgeving opgenomen in deze beleidsregels. 29/44

In het zorgproductenboek is bepaald dat de producten Wonen/Verblijf Crisis Basis en Wonen/Verblijf Crisis Hoog vallen onder het cliëntprofiel ‘Crisis’. Het product Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Intensief onder het cliëntprofiel ‘Intensief’, de producten Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Perspectief en Wonen/Verblijf Individueel met begeleiding Perspectief onder het cliëntprofiel ‘Perspectief’ en tot slot het product Wonen/Verblijf Groep met begeleiding Duurzaam onder het cliëntprofiel ‘Duurzaam’. Zie ook: https://www.zorgregiomijov.nl/images/3_Annex2_Zorgproductenboek_2023_definitief_per_1-1-2023.pdf Voorliggende voorzieningen Binnen de Wmo is ambulante ondersteuning voorliggend op Beschermd Wonen. Zie hiervoor beleidsregels begeleiding individueel. Voor cliënten in Beschermd Wonen is dagbesteding in de vorm van een algemene voorziening voorliggend aan dagbesteding in de vorm van een maatwerkvoorziening. Zie hiervoor beleidsregels Begeleiding Groep. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Niet van toepassing voor Wonen/Verblijf. Individuele maatwerkvoorzieningen De beschikbare maatwerkvoorzieningen staan in de productcodelijst weergegeven. Na afronding van de inkoop (medio 2023) komt het nieuwe overzicht met de maatwerkvoorzieningen beschikbaar, geldig vanaf 1 januari 2024.

Hoofdstuk 17 Respijtopvang en crisisopvang Wmo Inleiding In artikel 2.2.2 van de Wmo staat dat het college algemene maatregelen treft ter bevordering van mantelzorg en vrijwilligerswerk en ter ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid. Dit betreft met name respijtopvang. 30/44

Artikel 2.3.3. van de Wmo bevat een opdracht aan gemeenten om in spoedeisende gevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken. Het kan gaan om een breed scala van verzoeken om acute ondersteuning. Het college moet onverwijld beslissen tot het vertrekken van de tijdelijke maatwerkvoorziening, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. ToelichtingOm in aanmerking te komen voor een individuele maatwerkvoorziening voor crisisopvang en/of begeleiding, respijtopvang of een time-out voorziening worden er een aantal afwegingen gemaakt. • Allereerst wordt er gekeken of er andere eigen mogelijkheden zijn, bijvoorbeeld opvang in een zorghotel; • Daarna wordt beoordeeld of er sprake is van gebruikelijke zorg. Hiervan is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht voor de opvang te zorgen. Dit is een persoon die ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonende jeugdige, maar zijn ook inwonende ouders; • Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem wordt er gekeken naar een individuele maatwerkvoorziening. De hulp wordt door het college toegekend in de vorm van Zorg in natura (Zin).

Voorliggende voorzieningen Tijdens het gesprek wordt er als eerst afgewogen of er voorliggende voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken, zoals de wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zo is de Wlz van toepassing bij verblijf met langdurige zorg of bij iemand die al een Wlz indicatie heeft. Of de zorgverzekering bij opvang van ouderen die vanwege medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (eerstelijns verblijf). Voor spoedzaken bij jeugd wordt de spoedeisende zorg van Jeugdbescherming Gelderland ingeschakeld. Collectieve en individuele maatwerkvoorzieningen Respijtopvang (thuis / basis / hoog) Respijtzorg is zorg ter ontlasting van de informele zorg rond een cliënt en wordt ingezet in het belang van de mantelzorger en de zorgvrager. Er zijn diverse vormen van respijtzorg: bij de cliënt thuis, op locatie van een opdrachtnemer en in een logeergezin. Respijtopvang (thuis of buitenshuis) kan worden ingepland en kan ook zo nodig structureel worden ingezet voor een aantal weekenden per jaar, of voor enkel dagen per week of langer. • Respijtopvang Thuis: de cliënt is aangewezen op zorg die gepaard gaat met toezicht (geen 24 uur). De ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert aan de cliënt is noodzakelijk. Deze hulp wordt in de thuissituatie geboden.

De cliënt kan met inzet van dit product in de thuissituatie functioneren. Het product wordt ingezet als aanvulling op het wonen in de thuissituatie. Als de cliënt al beschikt over een indicatie begeleiding individueel wordt deze tijdens de respijtopvang gecontinueerd. Mocht er meer begeleiding individueel noodzakelijk zijn, dan dient dit te worden bekostigd op basis van het product Respijtopvang thuis. • Respijtopvang Basis: de cliënt is (tijdelijk) aangewezen op zorg die gepaard gaat met permanent toezicht (24 uur). De ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert aan de cliënt is noodzakelijk. Deze hulp kan zowel op een locatie als in de thuissituatie of in een logeergezin worden geboden. Er is (nog) geen sprake van zware problematiek, de cliënt heet individuele begeleiding nodig en kan functioneren in een groep. De zorgaanbieder die respijtopvang levert zorgt voor permanent toezicht op de locatie, thuissituatie of in het logeergezin. Begeleiding individueel is onderdeel van dit product en hoeft niet apart te worden beschikt. • Respijtopvang Hoog: de cliënt is door zijn of haar zorgbehoefte aangewezen op zorg die gepaard gaat met toezicht (24 uur). De ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert aan de cliënt is noodzakelijk. Deze hulp kan zowel op een locatie als in de thuissituatie of in een logeergezin worden geboden.

Er is sprake van zware problematiek, de cliënt heeft veel individuele begeleiding nodig en kan functioneren in een groep. De zorgaanbieder die respijtopvang levert zorgt voor permanent toezicht op de locatie, thuissituatie of in het logeergezin. Begeleiding individueel is onderdeel van dit product en hoeft niet apart te worden beschikt. Er is bij opvang geen geneeskundige of verpleegkundige zorg nodig (dan is het namelijk zorgverzekering of WLZ). Er geldt een eigen bijdrage voor deze opvang.

31/44

Crisisopvang (Basis / Hoog / begeleiding crisis) Bij crisis heeft de cliënt een niet uitstelbare hulpvraag met acute problematiek. Dit is niet uitstelbare hulp bij ondersteuning als gevolg van: plotselinge wijzigingen in de gezondheidssituatie van personen, beëindiging van opname in ziekenhuis of zorginstelling of de uitval van informele hulp vanuit sociale verbanden. • Wonen/verblijf Crisis Basis: er is sprake van acute problematiek op 2 tot 3 leefgebieden. Er is sprake van regieverlies met name op het gebied van huisvesting en financiën en/of sprake van onveiligheid in de thuissituatie. De cliënt is 7x24 uur aangewezen op de bereikbaarheid van hulp. Opname is noodzakelijk, deze hulp kan niet in de thuissituatie worden geboden. De zorgaanbieder levert opvang en begeleiding. De acute situatie is binnen maximaal 8 weken weggenomen. • Wonen/verblijf Crisis Hoog: er is sprake van acute problematiek op 4 of meer leefgebieden. Er is sprake van regieverlies en/of sprake van onveiligheid in de thuissituatie. De cliënt is 7x24 uur aangewezen op de bereikbaarheid van hulp. Opname is noodzakelijk, deze hulp kan niet in de thuissituatie worden geboden. De zorgaanbieder levert opvang en begeleiding. De acute situatie is binnen maximaal 8 weken weggenomen. • Begeleiding Crisis: er is sprake van acute problematiek en de cliënt heeft direct begeleiding nodig in de thuissituatie.

De cliënt is niet in staat om deze acute problematiek zelfstandig te beslechten. Er is sprake van regieverlies en/of sprake van onveiligheid in de thuissituatie. De zorgaanbieder levert integrale op aan de cliënt en zijn omgeving in de thuissituatie. De zelfregie van de cliënt kan voor een korte tijd worden overgenomen met als doel deze zo snel mogelijk weer terug te leggen bij de cliënt of diens omgeving. Mantelzorgers Middels bovengenoemde maatwerkvoorzieningen worden mantelzorgers ontlast. Hoofdstuk 18 Wijziging en handhaving Nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot een herziening of het herroepen of intrekken van een individuele maatwerkvoorziening in natura en/of pgb, moeten door de cliënt worden gemeld. Zie hiervoor tevens artikel 8 van de verordening. 1. Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het pgb moet de cliënt rekening houden met controle door het college van de besteding van het pgb en moet de cliënt hiervoor van belang zijnde stukken beschikbaar houden. 2. Het pgb voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere eenmalige voorzieningen kan door het college rechtstreeks aan de leverancier of aanbieder uitbetaald worden. 3. Voor zover het een pgb voor een periodieke voorziening als hulpverlening betreft, controleert het college de besteding van het budget na afloop van een kalenderjaar of anders steekproefsgewijs. 4.

De cliënt mag tot 10 weken van het jaar volgend op het kalenderjaar waarover verantwoording moet worden afgelegd, betalingen vanuit het pgb doen die betrekking hebben op het te verantwoorden jaar. 5. De besteding van het pgb moet, tenzij hierover schriftelijke afwijkende afspraken zijn gemaakt, binnen 6 maanden zijn gestart. Indien dit niet het geval is, kan het recht op pgb worden ingetrokken. 6. Bij het overlijden van de cliënt eindigt de periodieke uitkering van het pgb op de dag na de overlijdensdatum. 7. In geval van spoed, crisis en dwang treft het college direct een tijdelijke voorziening. Het college beschikt achteraf. 8. Bedragen tot € 50,- worden niet teruggevorderd of verrekend. 9. Indien de cliënt het terug te vorderen pgb niet of niet volledig binnen de schriftelijk gestelde termijn terugbetaald, kan overdracht aan de gerechtsdeurwaarder plaatsvinden. De openstaande vordering wordt in dat geval verhoogd met buitengerechtelijke en eventuele gerechtelijke kosten. Specifiek ten aanzien van de Wmo 10. Nadat het door de cliënt terug te betalen bedrag door het college is ontvangen, meldt het college het aangepaste periodebedrag bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK voert vervolgens een herberekening van de eigen bijdrage uit en informeert de cliënt over de uitkomst hiervan. Overgangsregeling 11.

Wanneer nieuwe afspraken met het college leiden tot aanpassing van de zorgovereenkomst van de informele hulp, en deze door de nieuwe gemeentelijke pgb-regels er qua inkomen op achteruitgaat, kan afhankelijk van de situatie, de omvang van de inkomensdaling en de duur van de periode dat de hogere inkomen is ontvangen een overgangsperiode van minimaal 1 maand en maximaal een half jaar worden geboden.

32/44

Hoofdstuk 19 Intrekking 1. Gelijktijdig met het inwerking treden van deze beleidsregels, worden de huidige Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2021 ingetrokken. Hoofdstuk 20 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking 2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023. Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders d.d. 15 augustus 2023 Epe, Burgemeester en wethouders van Epe, de burgemeester, de secretaris,

dhr. T. Horn

Dhr. N. Dusink

33/44

Bijlage 1: Overzicht individuele maatwerkvoorzieningen Binnen de bouwstenen ondersteuning, behandeling en wonen/verblijf wordt een onderscheid gemaakt in basis, middel en complex. Daarnaast is begeleiding en behandeling zowel individueel als in groepsverband mogelijk. Verder onderscheiden we begeleiding crisis, behandeling crisis en wonen/verblijf crisis. De hulpvraag van jeugdigen en volwassenen is uniek en onderling verschillend. De duur van de hulpvraag kan kort of juist lang zijn. Maar deze kan ook verschillen in de intensiteit van de zorgvraag: de ene hulpvraag is lichter of juist zwaarder dan de andere hulpvraag. Dit betekent dat een hulpvraag lang kan zijn, maar een licht karakter hebben. Een hulpvraag kan ook kort duren, maar in die korte tijd juist zwaar zijn. Op deze manier zijn 4 combinaties mogelijk tussen de duur van de zorg en ondersteuning en de intensiteit van de hulpvraag. Die combinaties en de benaming ervan staan hieronder:

Deze combinaties tussen duur en intensiteit kunnen gelden voor elke ondersteuning op individueel of groepsniveau, wonen/verblijf en behandeling. Binnen de bouwsteen bepaalt de toegang of de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige of zijn ouders welke jeugdhulp precies nodig is binnen de daarvoor door de gemeente gestelde kaders. • • • •

•

• •

De gezamenlijke inkoop Wmo, Jeugdhulp en Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen heeft geleid tot een aantal integrale bouwstenen die voor zowel volwassenen als jeugdigen beschikbaar zijn. Behandeling is een specifieke bouwsteen jeugdhulp. De behandeling voor jeugdigen is onderdeel van de Jeugdwet. Vanaf 18 jaar valt behandeling onder de Zorgverzekeringswet. Pleegzorg en gezinshuizen is een bijzondere vorm van wonen/verblijf van jeugdigen. De plaatsing van jeugdigen in een pleeggezin of gezinshuis heeft de voorkeur boven plaatsing in een residentiele setting. Dyslexiezorg betreft de behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie bij jeugdigen in de basisschoolleeftijd. Dyslexiezorg wordt alleen vergoed voor kinderen op de basisschool die maximaal 12 jaar oud zijn bij aanvang van de behandeling. De behandeling kan wel op de middelbare school afgerond worden. Gesloten jeugdhulp omvat de zorg en behandeling voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen, waarbij gevaar bestaat voor de gezondheid en veiligheid van de jeugdige en/of zijn omgeving, in een gesloten accommodatie op basis van een machtiging, spoedmachtiging of voorwaardelijke machtiging van de rechter.

Specialistische Geestelijke Gezondheidszorg (SGGZ): naast behandeling basis en complex is sprake van specialistische vormen van GGZ voor basale stoornissen, stabilisatie, ernstig psychische aandoeningen en in crisissituaties. Activiteiten in het preventief justitieel kader betreffen de inzet van de deskundigheid van jeugdbescherming of jeugdhulp ter voorkoming van een maatregel of in het proces ter 34/44

• •

voorbereiding van een aanvraag van een maatregel bij de kinderrechter. Een maatregel voor jeugdbescherming en jeugdreclassering wordt door de kinderrechter opgelegd. Naast de maatregel kan de rechter ook beslissen dat jeugdhulp nodig is. De gemeente i.c. het CJG is gehouden deze jeugdhulp in te zetten, binnen de voorwaarden die daarvoor zijn vastgelegd in de Jeugdwet, de verordening Jeugd en Wmo, deze beleidsregels en de Gelderse Verbeteragenda. Kindergeneeskunde is de zorg door een medisch specialist om een integraal traject te bevorderen als er zowel medische als psychische problemen zijn bij jeugdigen. Het betreft dan een arts uit het ziekenhuis. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het vervoer van de jeugdige naar de jeugdhulp. Er kan bij ouders sprake zijn van zodanige beperkingen dat zij niet instaat zijn hun kind de jeugdhulp te laten bezoeken. De gemeente kan dan een vervoersvoorziening afgeven. Een besluit hiertoe wordt altijd door het CJG genomen.

35/44

Bijlage 2: Richtlijnen Gebruikelijke Hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen verwacht mag worden van de echtgenoot, ouders, inwonende jeugdigen of andere huisgenoten. Het gaat veelal om mensen die ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties. - Bij kortdurende situaties is er uitzicht op een dusdanig herstel van beperkingen en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. - Er is sprake van een langdurige situatie als het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn. Algemeen aanvaarde maatstaven: • In kortdurende situaties moet alle persoonlijke verzorging en hulpverlening door de gebruikelijke hulpverlener worden geboden. • In langdurige situaties is de hulp, waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de cliënt moet worden geboden gebruikelijke hulp.

• Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 18 jaar gebruikelijke hulp, zowel in kortdurende als langdurige situaties. Hulp door twee hulpverleners Bij de cliënt met een complexe hulpvraag kan het noodzakelijk zijn dat deze door twee hulpverleners geleverd wordt. Is er sprake van gebruikelijke hulp, dan wordt dit toegepast op de te leveren hulp door de eerste persoon. Voor de door de tweede persoon te leveren hulp wordt de (gemiddelde) tijd volledig toegekend. Voor de aanwezigheid van een tweede hulpverlener ter ondersteuning van bijvoorbeeld een fysiotherapeut is de cliënt niet aangewezen op ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet, de verantwoordelijkheid voor de adequate hulpverlening ligt bij de therapeut zelf.

Algemeen beoordelingskader bij jeugdigen Het onderzoek door het CJG naar de aanspraak op een individuele maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet in relatie tot gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen wordt als volgt beoordeeld: • Wat is de situatie? Hoe is de ontwikkeling van het kind en is er sprake van voorgaande hulpverlening? • Is er sprake van opgroei-, opvoed-, of psychische problematiek? • Is er een oplossing mogelijk via eigen mogelijkheden of het sociale netwerk van de ouders? Indien er geen oplossingen zijn via eigen mogelijkheden of het sociale netwerk en de ouders kunnen de benodigde inspanning niet leveren, kan er worden gekeken naar een maatwerkvoorziening. Om vast te stellen op welke hulp de jeugdige is aangewezen, wordt door het CJG beoordeeld welke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging en hulpverlening uitgaat boven de hulp die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Bij die beoordeling worden de leeftijd van de jeugdige, de aard van de zorghandelingen, de frequentie van deze zorghandelingen en de omvang van de daarmee gemoeide tijd betrokken (ECLI:NL:RBROT:2018:5884). Deze thema’s worden hieronder uitgelegd. Ook wordt beoordeeld of sprake is van één of meer uitzonderingen die van invloed kunnen zijn bij het bepalen van de gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdigen.

Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare hulp en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige. A. Leeftijd Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Bij de beoordeling van wat tot gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen behoort, past daarom een zekere marge. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de hulp die de ene jeugdige nodig heeft meer of minder zijn dan de hulp die een andere jeugdigenodig heeft. De ene jeugdige is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan de andere jeugdige. Voorbeeld: Veel jeugdigen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een jeugdige van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. 36/44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13046811/1