CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

766966 Bijlage 2 Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2023 (wijzigingen bijhouden)

Gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente EpeBij agendapunt: (Hamerstuk) Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet 202321.560 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Raadsbesluit 20231 D E

R A A D

D E R

zaaknummer: 233566 766966

G E M E E N T E

E P E

Overwegende dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet Wmo 2015 met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; Overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; en dat het noodzakelijk is om

regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele maatwerkvoorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele maatwerkvoorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, d.d.

4 november 2019; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet.

B E S L U I T vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Epe Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: Algemeen gebruikelijke voorziening: Voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en die naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de belanghebbende behoort. Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Met het begrip algemene voorziening wordt in het kader van deze verordening ook het begrip overige voorziening bedoeld (artikel 2.1 Jeugdwet).

1

Beschermd wonen: Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische- of psychosociale problemen en/of licht verstandelijke beperkingen , die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; Beschermd thuis: Met dezelfde bedoeling als Beschermd wonen maar dan in een tussenvorm in een eigen woning of van een instelling of verhuurder, al dan niet zelfstandig in de wijk. Cliënt: Persoon die in de melding- of aanvraagprocedure is voor een voorziening of gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een individuele maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo. Een jeugdige zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, kan ook een cliënt in de zin van deze verordening zijn. Eigen bijdrage: Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo.

Gebruikelijke hulp: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten zoals bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1 van de Wmo. Gezinsplan (of familiegroepsplan): De bundeling van alle individuele ondersteuningsplannen (zie toelichting begrip ondersteuningsplan) binnen een gezin/huishouden. Het gesprek: Gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo. Hulpvraag: Behoefte van een cliënt of diens vertegenwoordiger aan ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo en als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet. Individuele maatwerkvoorziening: Aanbod van diensten, hulpmiddelen of activiteiten dat, alleen na zorgvuldig onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, middels een beschikking toegankelijk is en dat is gericht is op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. De voorziening moet wel noodzakelijk zijn in het kader van de zelfredzaamheid, participatie, gezondheid, zelfstandig en veilig opgroeien van client. Bij verstrekking ervan wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening.

Met het begrip individuele maatwerkvoorziening wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld de begrippen maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo) en individuele voorziening (artikel 2.9 Jeugdwet). Jeugdige: Persoon zoals bedoeld in de artikel 1.1 van de Jeugdwet. Mantelzorg: Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet professioneel wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Melding: Melding van een hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo. Ondersteuningsplan: Een document waarin een beschrijving staat van de situatie van de cliënt, het huishouden en het netwerk; een beschrijving van de krachten, de zorgen, de wensen en behoeften van de cliënt, het huishouden en het netwerk; de te behalen doelen (resultaten) op alle leefgebieden van de cliënt en het huishouden; en welke ondersteuning, zorg en jeugdhulp daarbij nodig is. Met het begrip ondersteuningsplan wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld de het begrippen gezinsplan en hulpverleningsplan en bijbehorende vereisten zoals bedoeld in de Jeugdwet.

Overige voorziening: Overige voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Jeugdwet. Een overige voorziening is vrij toegankelijk.

2

Persoonlijk plan: Een beschrijving van de cliënt of diens vertegenwoordiger van zijn omstandigheden en welke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo en in artikel 4.1.2 van de Jeugdwet. Met het begrip persoonlijk plan wordt in het kader van deze verordening ook bedoeld het begrip familiegroepsplan en bijbehorende vereisten zoals bedoeld in de Jeugdwet. Pgb: Persoonsgebonden budget is een door het college verstrekt budget aan een cliënt of diens vertegenwoordiger, waarmee de cliënt in staat wordt gesteld de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die tot de op het individu toegesneden voorziening behoort, van derden te betrekken (artikel 1.1.1 en 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet). Schoon en leefbaar huis: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden verkleind of voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Vertegenwoordiger: Ouder in geval van jeugdige (zoals bedoeld artikel 1.1 jeugdwet) of de wettelijk vertegenwoordiger (zoals bedoeld in Wmo, artikel 1.1.1 lid 2) of gemachtigde.

Wettelijk voorliggende voorziening: Een voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet (in de Jeugdwet ook wel ‘andere voorziening’ genoemd) of de Wmo, op het gebied van zorg, onderwijs of werk en inkomen, die passend is ter ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie. Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Van melding tot beschikking (indien proces via de lokale toegang) Artikel 2.1 Melding Specifiek Wmo 1. Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college worden gemeld. 2. Met het indienen van een hulpvraag ontstaat er een melding. Indien mogelijk wordt de melding van de cliënt of diens vertegenwoordiger direct beantwoord of wordt er doorverwezen. Als directe beantwoording of doorverwijzing niet mogelijk is, wordt een afspraak gemaakt om de hulpvraag verder te onderzoeken ;voor het voeren van een gesprek. 3. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal. 4.

In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.4 en 2.5.In spoedeisende gevallen kan het college na de melding direct een tijdelijke individuele maatwerkvoorziening in zorg in natura treffen, voordat een beschikking wordt afgegeven. Specifiek Jeugd (toegang jeugdhulp via de gemeente) 5. Een hulpvraag kan door of namens de cliënt bij het college worden gemeld. 6. Er wordt een afspraak gemaakt om de hulpvraag verder te onderzoeken. Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Algemeen 1. Het college wijst erop dat cliënt of diens vertegenwoordiger een beroep kan doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. Specifiek jeugd 2. Het college wijst jeugdigen en hun vertegenwoordigers erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon, als bedoeld in artikel 2.65, lid 1, sub f van de Jeugdwet.

3

Artikel 2.3 Vooronderzoek 1. Het college brengt de cliënt of diens vertegenwoordiger op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hen tot het gesprek in de gelegenheid het plan te overhandigen. 2. Als de cliënt of diens vertegenwoordiger een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het vooronderzoek. 3. Voor, tijdens of na het gesprek verschaft de cliënt of diens vertegenwoordiger aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen hebben of kunnen krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. Artikel 2.4 Gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met (deskundigen en) degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger of onafhankelijke cliëntondersteuner en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de cliënt en de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c.

de mogelijkheden om zelf of met hulp van personen uit zijn sociale netwerk een oplossing te vinden voor de hulpvraag van de cliënt of handhaving en verbetering van de zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene, algemeen gebruikelijke of een wettelijk voorliggende voorziening; e. de mogelijkheden om door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of participatie; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; h. de mogelijkheid om een individuele maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten van toepassing zijn en cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo verschuldigd zal zijn, en; j.

de (on)mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Het college informeert de cliënt of diens vertegenwoordigers over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt toestemming om de persoonsgegevens te verwerken. Het uitgangspunt is dat de aanbieder van de individuele maatwerkvoorziening niet bij dit gesprek aanwezig is tenzij anders wordt bepaald. 3. Het college kan in overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger, afzien van een gesprek. Artikel 2.5 Verslag en aanvraag Specifiek Wmo 1. Het college maakt op basis van het (voor)onderzoek en een gesprek een gespreksverslag met ondersteuningsplan en deze worden aan de cliënt verstrekt. Indien nodig wordt nadere informatie gevraagd. 2. De cliënt, of diens gemachtigde ondertekent het verslag of aanvraagformulier binnen 5 werkdagen na dagtekening voor akkoord of voor niet akkoord, al dan niet voorzien van een zienswijze. Met de ondertekening van het verslag voor gezien of akkoord en met de ondertekening van het aanvraagformulier ontstaat een aanvraag voor een voorziening, waarop een beschikking volgt. 3. Het college kan in overleg met de cliënt of diens vertegenwoordiger afzien van een gespreksverslag of ondertekening van het verslag.

4

Specifiek jeugd 4. Het college maakt op basis van het (voor)onderzoek en een gesprek een verslag met ondersteuningsplan en deze worden aan de cliënt verstrekt. Indien nodig wordt nadere informatie gevraagd. 5. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven. Het college kan eveneens een door de jeugdige en/of diens ouders ondertekend aanvraagformulier voor een individuele voorziening aanmerken als aanvraag. Artikel 2.6 Criteria voor een individuele maatwerkvoorziening Algemeen 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele maatwerkvoorziening: a. ter bevordering van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van de cliënt; b. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt; c. ter ondersteuning van jeugdigen en hun vertegenwoordigers bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; d.

ter ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt; e. ter ondersteuning van de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten al dan niet in verband met risico’s voor zijn gezondheid of veiligheid. Dit voor zover de cliënt de hulpvraag naar het oordeel van het college niet geheel of gedeeltelijk niet kan oplossen: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp of met mantelzorg; c. met andere personen uit zijn/haar sociale netwerk; d. door algemeen gebruikelijke voorzieningen; e. door wettelijk voorliggende voorzieningen; f. door een algemene voorziening; g. door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten; h. door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. 2. Als een individuele maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Specifiek Wmo 3.

Ten aanzien van een individuele maatwerkvoorziening geldt dat een cliënt alleen hiervoor in aanmerking komt als: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; De client geen handelingen heeft verricht of nagelaten, die hebben geleid tot het ontstaan van de noodzaak tot/ de behoefte aan de voorziening, of; b. c. de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt; Er van de cliënt rederlijkwijs niet verwacht kan worden dat hij maatregelen zou hebben getroffen om de noodzaak tot een voorziening te beperken of te vermijden; d. er geen sprake is van een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert

5

mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is. Specifiek Huishoudelijke Ondersteuning 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.6 voor de individuele maatwerkvoorziening huishoudelijke Ondersteuning geldt dat: a. voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik gemaakt wordt van het ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019’ (bijlage 3); b. de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap; c. het schoon en leefbaar houden van de woning uitsluitend betrekking heeft op woonruimten binnen de woning. Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning. Specifiek Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen 5. Ten aanzien van maatschappelijke opvang geldt dat een cliënt alleen hiervoor in aanmerking komt als hij: a. feitelijk dakloos is; b. beperkt redzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden; c. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke dakloosheid op kunnen heffen. 6. a.

Ten aanzien van Maatschappelijk Opvang treft het college algemene voorzieningen in de vorm van dag- en nachtopvang voor diegenen die hun thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Dit dient te gebeuren met inachtneming van het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang. b. Na toelating tot een voorziening voor Maatschappelijke Opvang is iedere deelnemer verplicht om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, deel te nemen aan een traject aan begeleiding gericht op zelfredzaamheid, participatie en uitstroom uit de opvang. c. Indien de deelnemer in staat is om deel te nemen aan het traject zoals aangegeven in het vorige lid, maar dit blijft weigerent zonder een deugdelijke motivering, kan het college de toegang tot Maatschappelijke Opvang vanaf dat moment weigeren. Ten aanzien van beschermd wonen kan een cliënt alleen hiervoor in aanmerking komen als: a. hij een psychische of psychosociale problematiek heeft; b. er voor hem sprake is van een noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychische of psychosociale problematiek; hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. 7. Het college kan de cliënt in aanmerking laten komen voor Beschermd Wonen indien de cliënt: a.

is aangewezen op een beschermde woonomgeving ter voorkoming van verwaarlozing/teloorgang, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen; b. er sprake is van complexe psychosociale en psychiatrische problematiek; c. niet in staat is om zichzelf op eigen kracht te handhaven in de samenleving; d. niet geholpen is met ondersteuning vanuit voorliggende en algemene voorzieningen aangevuld met ambulante maatwerkvoorzieningen al dan niet gecombineerd met respijtverblijf of een tijdelijk terugvalverblijf. En in geval van Beschermd Thuis: d. binnen redelijke termijn zichzelf weer op eigen kracht zou kunnen handhaven in de samenleving zonder beschermde woonomgeving. 8. Beschermd Wonen; waaronder beschermd thuis kent de volgende varianten:  klassiek beschermd wonen waarbij cliënten geen huur betalen (beschermd wonen zoals bedoeld in de wet);

6

 

klassiek beschermd wonen waarbij cliënten wel zelf huur betalen (ook wel scheiden van wonen en zorg); tussenvormen van beschermd wonen waarbij cliënten huur of een vergelijkbare vergoeding voor het wonen betalen, bijvoorbeeld waarbij:

i. de huur (tijdelijk) wordt overgenomen door de aanbieder; \ ii. de aanbieder een woning huurt van een woningcorporatie voor de cliënt of voor deze cliënt garant staat; iii. de cliënt een woning huurt van de aanbieder; iv. de cliënt op een andere manier zelfstandig woont met een beschermd wonen indicatie. Aanvullende criteria voor Beschermd Wonen 9. Het college kan de cliënt in aanmerking laten komen voor tijdelijk intramuraal verblijf bij een instelling waarbij er 24/7 begeleiding beschikbaar is op de locatie indien de cliënt: a. niet geholpen is met reeds ingezette ambulante maatwerkvoorzieningen vanuit een beschermde woonomgeving waardoor de leefsituatie instabiel is geworden; b. ADL-taken niet meer zelfstandig kan uitvoeren en de regie overgenomen moet worden; 10. Het college kan een individuele maatwerkvoorziening Wonen/Verblijf tevens weigeren of intrekken indien: a. De cliënt in staat is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject, maar niet bereid is mee te werken. b. De cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de instelling of jegens de medewerkers. Artikel 2.7 Advisering Het college kan extern advies aanvragen en deze betrekken bij een onderzoek op grond van de Wmo of Jeugdwet als het dit van belang acht voor het maken van een zorgvuldige afweging bij het beoordelen van wat noodzakelijk is bij het beoordelen van over passende hulp.

Artikel 2.8 Beschikking 1. Op basis van de aanvraag neemt het college een besluit in de vorm van een beschikking als onderzoek uitwijst dat een individuele maatwerkvoorziening nodig is. Als onderzoek uitwijst dat een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening passend is ten aanzien van de hulpvraag, dan kan in overleg met client afgezien worden van het nemen van een besluit in de vorm van een beschikking. 2. In de beschikking tot verstrekking van een individuele maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en; e.

de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 5. Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage, wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 2.9 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt tevens voor de inzet van een individuele maatwerkvoorziening voor een jeugdige na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder,

7

als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van deze voorziening nodig is. 2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 2.8 van deze verordening. Artikel 3. Regels voor een pgb 1. Het college verstrekt een pgb met in achtneming van artikel 2.3.6 Wmo en artikel 8.1.1 Jeugdwet. 2. Onverminderd artikel 2.3.6 Wmo en artikel 8.1.1 Jeugdwet, verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. Binnen het beschikbare budget dienen de gestelde doelen uit het ondersteuningsplan binnen de afgesproken in de beschikking genoemde budgetperiode te worden behaald, tenzij er zich nieuwe omstandigheden bij de cliënt voordoen die van invloed zijn op de persoonlijke situatie en de doelen. 4. Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo en als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid onder b van de Jeugdwet; crisishulp/crisisopvang/spoedhulp/spoedopvang; b.

voor zover het pgb wordt besteed in het buitenland langer dan 13 weken per jaar of een aaneengesloten periode langer dan zes weken, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gevraagd en gegeven door het college; c. voor bemiddelings- of administratiekosten, coördinatie of voortgezette diagnostiek; d. voor het inkopen van wettelijk voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten of voorzieningen; e. voor besteding aan voorzieningen jeugdhulp die zijn uitgesloten door het college. Artikel 4. Pgb maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Er is sprake van formele hulp in de volgende situaties: a. Een aanbieder die voor de gemeente Epe voor zorg in natura is gecontracteerd voor de betreffende ondersteuning; b. Een aanbieder die voldoet aan de volgende criteria: i. heeft een inschrijving in de Kamer van Koophandel (KvK); ii. richt zich, blijkens de doelstellingen uit dit register primair op de benodigde ondersteuning zoals is vastgelegd in het ondersteuningsplan; iii. biedt een dienstverband aan minimaal 2 medewerkers; iv. de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld en ontvangen een salaris dat daarmee overeenkomstig is; v.

degene die de daadwerkelijke ondersteuning biedt aan de cliënt is geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van degene aan wie de hulp wordt verleend; c. Een zzp’er of freelancer die blijkens de handelsbenaming uit de KvK zich primair richt op de benodigde ondersteuning, zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan en werkt conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een geldende methodiek onderdeel is. 3. Voor formele hulp geldt dat de zelfstandige zonder personeel of freelancer of degene die hij inhuurt voor het leveren van de daadwerkelijke ondersteuning geen partner, eerste of tweedegraadsfamilie van de hulpvrager is. 4. Er is sprake van informele hulp wanneer niet voldaan wordt aan de criteria voor formele hulp zoals hierboven beschreven. 5. Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp middels een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken: a. de informele hulp is in staat om de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het ondersteuningsplan benodigd is; b. de belastbaarheid van de informele hulp; er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting;

8

c.

de cliënt en of diens vertegenwoordiger, niet zijnde de aanbieder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp; d. het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit; e. de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten. 6. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld tijdens het onderzoek. en aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; de benodigde ondersteuning moet tenminste bij één aanbieder in te kopen zijn; c. wordt voor formele hulp vastgesteld op basis van de goedkoopst adequate compenserende oplossing voor de benodigde ondersteuning met een maximum van 85% van de geldende gemeentelijke inkooptarieven voor ondersteuning in natura; d. wordt voor de informele hulp van 22 jaar en ouder vastgesteld conform de maximumtarieven zoals opgenomen in bijlage 1; e. wordt voor de informele hulp jonger dan 22 jaar gelijk gesteld aan het wettelijk minimumjeugduurloon inclusief vakantietoeslag. 7.

In afwijking van het gestelde in het zesde lid, onder b, wordt de kostprijs van de goedkoopst adequate compenserende maatwerkvoorziening vergoed als uit het onderzoek is gebleken dat de cliënt een andere vorm van ondersteuning nodig heeft dan het college in natura heeft ingekocht. Artikel 5. Pgb maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst 1. De maximale hoogte van een pgb voor maatwerkvoorzieningen niet zijnde een dienst wordt vastgesteld op basis van de aanschafprijs van de goedkoopst compenserende voorziening die het college in natura zou verstrekken. 2. De hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening niet zijnde een dienst wordt vastgesteld voor: a. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van de -op het moment van aanvraaggeldende gangbare kilometervergoeding of het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen passende dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die belemmerend zijn voor client bij het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer. door de cliënt belemmeren; b. taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief; c. een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door het college vastgestelde leverancier(s); d.

een woonvoorziening: op basis van een door het college geaccepteerde offerte of een bouwkundig calculatiebureau; e. verhuiskosten en herinrichtingskosten: hiervoor geldt een maximumbedrag zie bijlage 1; f. aanschaf en onderhoud van een rolstoel voor incidenteel gebruik: op basis van de laagste prijs die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college vastgestelde offerte. Hiervoor geldt een maximumbedrag zie bijlage 1; g. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel: op basis van de laagste prijs die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college vastgestelde offerte. Hierbij geldt een maximumbedrag zie bijlage 1; h. het bezoekbaar maken van een woning voor een persoon die verblijft in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college geaccepteerde offerte en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer. Hierbij geldt een maximumbedrag zie bijlage 1;Voor het bedrag zie bijlage 1; i. onderhoud en reparatie (zijnde instandhoudingkosten) van materiële voorzieningen: hiervoor dient de cliënt een onderhoudscontract af te sluiten voor de duur van 7 jaar. Het bedrag voor onderhoud en reparaties is gebaseerd op maximaal de kosten van een door

9

het college geaccepteerde offerte, rekening houdend met een bedrag voor de wettelijk verplichte verzekering indien deze verplicht is. Dit zijn maximaal de kosten die het college maakt voor onderhoud, reparatie en wettekijke aansprakelijkheidsverzekering wanneer een vergelijkbare voorziening in natura verstrekt wordt. 3. Indien de cliënt een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt, omdat deze niet meer adequaat is: a. wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb; b. wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb, het pgb voor onderhoud, reparatie en indien verplicht een WA-verzekering voor de nog niet verstreken termijn verrekend met het nieuw toe te kennen bedrag. Artikel 6 Eigen bijdragen Wmo Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening te weten: a. de was- en strijkservice, ter hoogte van € 2,25 per kg was en € 1,25 per stuk strijken tot maximaal € 40,- per huishouden per maand; b. Voor cliënten met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm is de eigen bijdrage voor de was- en strijkservice maximaal € 15,- voor een eenpersoonshuishouden en € 25,- voor een twee- of meerpersoonshuishouden per maand; c.

De onder a en b genoemde bedragen in dit artikel zijn uitgedrukt in het meest actuele prijspeil en wordt ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex die gepubliceerd wordt door het Centraal Planbureau. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20. d. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gesteldede meest recente bedragen; e. Eventueel onkosten voor het nuttigen van consumptieve goederen en het gebruik van materiaal. Deze kosten mogen niet hoger zijn dan de redelijkerwijs vastgestelde kostprijs van het desbetreffende product. Daarnaast mag afname van deze producten niet verplicht worden gesteld aan de inwoner die van een desbetreffende algemene voorziening gebruik maakt om zo gedwongen winkelnering te voorkomen. Artikel 6.2 Eigen Bbijdrage in de kosten van individuele maatwerkvoorzieningen of pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt ouder dan 18 jaar, die geen voorziening toegewezen heeft gekregen op basis van de JeugdwetWmo, is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een individuele maatwerkvoorziening dan wel pgb. 2.

De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd, zolang de cliënt gebruik maakt van de individuele maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. Deze zijn vernoemd in artikel 6.1, lid 1. 4. De totale bijdragen voor individuele maatwerkvoorzieningen of verstrekte pgb’s en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs. Voor deze voorzieningen is , tot aan ten hoogste een eigen bijdrage vanad € 19,00 per maand verschuldigd vdoor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of het volgende lid geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 5. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de eigen bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. 6. Ingeval van een materiële voorziening wordt de looptijd waarover de eigen bijdrage verschuldigd is, bepaald door de afschrijvingstermijn genoemd in bijlage 2 of de hoogte van detotale kosten, door middel van kostprijsbewaking bij het CAK. 7.

Indien een individuele maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt en er een eigen bijdrage wordt opgelegd, dan is deze verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie

10

een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijkwetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 8. In afwijking van het eerste en tweede lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende voorzieningen: a. voor een rolstoel of sportrolstoel; b. voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van woningaanpassingen; c. voor maatschappelijke opvang; d. voor collectief vervoer (het pgb is niet uitgezonderd); e. voor cliëntondersteuning. Artikel 6.3 Criteria bepaling kostprijs 1. De eigen bijdrage in de kosten voor een individuele maatwerkvoorziening of pgb wordt vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 2. De kostprijs voor een individuele maatwerkvoorziening of pgb wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 3. Voor de bepaling van de kostprijs van een materiële voorziening (artikel 6.2, lid 6 van de verordening) en voor de bepaling van hoogte van de terugvordering wordt bij een gebruikte materiële voorziening rekening gehouden met de afschrijving conform de schema’s in bijlage 2. Artikel 6.4 Ritbijdrage en voorwaarden collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer Reizen op afroep (Wmo-taxi) 1. 2. 3. 4.

Reizen op afroep is alleen bedoeld voor sociaal recreatieve bestemmingen. Reizen op afroep is alleen mogelijk met een door het college geïndiceerde Wmo-vervoerspas. Het tarief voor deze Wmo-vervoerspas staat in bijlage 1. Voor het reizen op afroep wordt een ritbijdrage gevraagd welke bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief. De tarieven voor 20213 staan in bijlage 1. a. Jaarlijks indexeert het college de tarieven in bijlage 1 middels toepassing van de Landelijke Tarieven Index. b. De tarieven voor het nieuwe jaar worden uiterlijk in december van het jaar daaraan voorafgaand gepubliceerd op www.plusov.nl. 5. Er wordt een onderscheid gemaakt in tarief voor lokaal verplaatsen en in bovenlokaal verplaatsen. a. Lokaal verplaatsen: in het vervoergebied tot maximaal 20 kilometer om de woonadres van de reiziger is het kilometertarief en het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OVchipkaart kilometertarief en opstaptarief van de openbaar vervoer concessies die liggen in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Hattem, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen. b. Bovenlokaal verplaatsen: in het vervoergebied 20 tot en met 40 kilometer om het woonadres van de reiziger is het opstaptarief gelijk aan het gemiddelde OV-chipkaart opstaptarief en het kilometertarief is gebaseerd op het commercieel tarief. c.

Voor bijzondere bestemmingen die liggen in het bovenlokale vervoergebied zoals bedoeld in sub b, geldt het tarief dat van toepassing is voor het lokale vervoergebied zoals bedoeld in sub a. Deze bijzondere bestemmingen staan vermeld in bijlage 1. 6. Minderjarigen tot 4 jaar met een Wmo-vervoerspas betalen geen opstaptarief en kilometerbijdrage zoals bedoeld in lid 4. Zie bijlage 1. 7. Minderjarigen van 4 jaar tot 12 jaar met een Wmo-vervoerpas krijgen op de bij lid 4 genoemde ritbijdragen een procentuele korting. Zie bijlage 1. 8. Een begeleider die op medische of sociale indicatie meereist betaalt geen ritbijdrage. Deze reist gratis mee. 9. Een assistentiehond reist gratis mee. 10. Voor reizen met het individueel (rolstoel)taxi- kilometerbudget geldt een ritbijdrage, zoals vermeld in lid 4.

11

11. Met ingang van 2022 geldt er per jaar geldt een reisbudget van maximaal 1500 kilometer voor (boven)lokale verplaatsingen als bedoeld in lid 5. a. Wanneer het jaarlijkse reisbudget is verbruikt, kan nog steeds (boven)lokaal worden gereisd, maar dan tegen de tarieven van het aanvullend openbaar vervoer van de provincie Gelderland. b. In uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten dit reisbudget te verhogen, afhankelijk van de beperkingen in combinatie met de individuele vervoersbehoefte en vervoersmogelijkheden. Collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer) 12. Ten behoeve van het collectief traject vervoer worden de volgende ritbijdragen gerekend: a. Voor het vervoer naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening of buurtpunt betaalt de reiziger geen kilometertarief en geen opstaptarief. b. Voor andere dan bij sub a geïndiceerde trajecten geldt een kilometertarief en een opstaptarief dat gelijk is aan de tarieven, zoals genoemd in lid 4. 13. Voor het reizen naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening is het hebben van een Wmovervoerpas niet verplicht. Artikel 7 Kwaliteitseisen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b.

het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. De aanbieder die ondersteuning biedt, in natura of op basis van een pgb voor formele hulpverlening, voldoet kwalitatief aan hetgeen daarover is bepaald in de wet en in de meest recente voorwaarden voor de inkoop, zoals door het college vastgesteld. 3. Het college kan, in overeenstemming met artikel 2 van de raamovereenkomst MIJ- OV, bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 4. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde individuele maatwerkvoorzieningen. Artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Algemeen 1.

Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college kan op grond van artikel 2.3.10 lid 1 Wmo of artikel 8.1.4 lid 1 Jeugdwet een beslissing intrekken of herzien. 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan na heronderzoek door het college worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. 5. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de algemene voorwaarden voor de inkoop Jeugd, Wmo en Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen, conform artikel 6.1 (Wmo), en de naleving van rechtmatige uitvoering hiervan, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening. 6. Het college kan nadere regels vast stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Specifiek Wmo 7.

Het college kan een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken, indien blijkt dat clïent onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt die bij bekendmaking zou hebben geleid tot een andere uitkomst.

12

8. Als het college een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk heeft ingetrokken of herzien, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 9. Zodra de cliënt aan zijn betalingsverplichting ten aanzien van de terugvordering heeft voldaan, meldt het college dit, wanneer dit van toepassing is, bij het CAK, zodat deze de grondslag van de verschuldigde eigen bijdrage kan corrigeren. Artikel 9 Waardering mantelzorger 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente Epe kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking komen. 2. De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 100,- per cliënt. 3. Het college kan bij nadere regeling vaststellen op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 10 Verhouding prijs en kwaliteit 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert door derden te leveren individuele maatwerkvoorzieningen, rekening met: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs zoals bedoeld in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) die geldt als ondergrens voor: 1°.

een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo en 2.12 Jeugdwet. b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo en artikel 12.4 Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de kosten van de beroepskracht; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; g. overige kosten als gevolg van door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid.

Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel 11 Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Aanbieders stellen een eigen regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle individuele maatwerkvoorzieningen. Cliënten worden tijdens de intake door de aanbieder proactief geinformeerd over de klachtenprocedure. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, een cliëntervaringsonderzoek en inzage in de klachten en klachtenafhandeling.

13

Artikel 12 Medezeggenschap bij aanbieders 1. Aanbieders van de individuele maatwerkvoorzieningen stellen een regeling vast voor de medezeggenschap over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 13 Betrekken van ingezetenen bij beleid 1. Het college van Epe betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding en uitvoering van het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid met betrekking tot de taken die in de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo aan het college zijn opgedragen, te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel 14 Hardheidsclausule Het college kan in individuele gevallen ten gunste van de cliënt onderbouwd afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 15 Intrekking en inwerkingtreding 1. Gelijktijdig met het inwerking treden van deze verordening wordt de Verordening Maatschappelijk Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2020 2021 ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 20202021, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 2020 2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Epe 20202021, wordt beslist met inachtneming van die verordening(en). Artikel 16 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Epe 2023. Epe, 27 mei 2021 (datum) De raad voornoemd, de voorzitter,

de griffier,

T. Horn

J. Kattenberg

14

Bijlage 1

Tarieven Wmo/Jeugd en gemaximeerde bedragen

Algemene voorziening Was en strijkservice PGB formeel

zie hoogte eigen bijdrage in verordening Maximaal 85% van de voorziening in zorg in natura

PGB informeel waarbij hulp is 22 jaar of ouder Dagbesteding, licht, basis of complex Huishoudelijke ondersteuning Persoonlijke verzorging Regie op een gestructureerd huishouden Individuele begeleiding, licht, basis of complex Logeeropvang/respijtopvang incl. hulpverlening Vervoer van en naar dagbesteding

Minimumloon en 8% vakantiebijslag € 15,50 per uur € 20,00 per uur € 16,80 per uur € 20,00 per uur € 30,00 per dag € 0,19 per km

PGB informeel waarbij hulp jonger is dan 22 jaar Hulp op basis van schriftelijke overeenkomst

Minimumloon en 8% vakantiebijslag

Alleen Jeugd: Behandeling en groep hulpverlening

Overige maatwerkvoorzieningen Vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen

Woningaanpassingen

Gemaximeerde bedragen Handbewogen Ssportrolstoel tbv aanschaf onderhoud en reparatie Elektrische sportrolstoel tbv aanschaf onderhoud en reparatie Tegemoetkoming verhuis- en inrichtingskosten Bezoekbaar maken woning Rolstoel voor incidenteel gebruik t.b.v. aanschaf onderhoud en reparatie

Voor informele hulp geen PGB mogelijk

Gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en indien van toepassing WA verzekering Gebaseerd op het bedrag zoals vermeld in de limitatieve lijst of in de door het college geaccepteerde offerte, indien nodig verhoogd met instandhoudingskosten, kosten van depotbeheer en indien van toepassing verzekering

€ 2.500,- voor een periode van 3 jaar € 5.000,- voor een periode van 5 jaar. € 2.500,- eenmalig € 2.5005.000,- eenmalig € 300,- voor 5 jaar

Bijdrage collectief vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer (tarieven 20212023) Reizen op afroep (Wmo-taxi) Aanschaf vervoerspas Tot 1500 kilometer 0-20 km (regulier OV)

€ 8,00 Opstaptarief € 1,080,99 Bijdrage per kilometer € 0,2018

15

21-40 km (commercieel tarief)* Wmo kind tot 4 jaar Wmo kind 4-12 jaar Begeleider met medische of sociale indicatie Begeleider zonder medische of sociale indicatie

Vanaf 1500 kilometer Geen OV-alternatief (OV-laag) 0-20 km 21-40 km* Wel OV-alternatief (OV-hoog) 0-20 km 21-40 km* Wmo kind tot 4 jaar Wmo kind 4-12 jaar Begeleider met medische of sociale indicatie Begeleider zonder medische of sociale indicatie

Bijdrage per kilometer € 2,031,86 gratis 34% korting Gratis Opstaptarief € 1,080,99 0-20 km: Bijdrage per kilometer € 0,2018 21-40 km*: Bijdrage per kilometer € 2,031,86 Opstaptarief € 3,5625 Bijdrage per kilometer € 0,561 Bijdrage per kilometer € 2,031,86 Opstaptarief € 6,07 Bijdrage per kilometer € 0,95 Bijdrage per kilometer € 1,86 gratis 34% korting Gratis Geen OV-alternatief (OV-laag) Opstaptarief € 3,5625 0-20 km: Bijdrage per kilometer € 0,561 21-40 km*: Bijdrage per kilometer € 3,561,86 Wel OV-alternatief (OV-hoog) Opstaptarief € 6,07 0-20 km: Bijdrage per kilometer € 0,95 21-40 km*: Bijdrage per kilometer € 1,86

Collectief trajectvervoer (routegebonden vervoer) Vervoer van en naar dagbesteding Vervoer van en naar buurtpunten met indicatie vervoer Vervoer van en naar geïndiceerde maatwerkvoorziening met indicatie vervoer Vervoer van en naar geïndiceerde maatwerkvoorziening zonder indicatie vervoer

gratis gratis gratis tariefstelling reizen op afroep (Wmo-taxi)

*Voor puntbestemmingen geldt het tarief voor 0-20 km, voor puntbestemmingen zie beleidsregels.

16

Bijlage 2

Afschrijvingsschema terugbetaling kosten en looptijd Wmo

Bij een afschrijvingstermijn van 7 jaar wordt onderstaand schema gehanteerd om de restwaarde te bepalen omgerekend per maand. - eerste jaar afschrijving 30% van de kostprijs - tweede jaar afschrijving 25% van de kostprijs - derde jaar afschrijving 20% van de kostprijs - vierde jaar tot en met 8e jaar 2,5% van de kostprijs Bij een afschrijvingstermijn van 10 jaar wordt onderstaand schema gehanteerd om de restwaarde te bepalen berekend per jaar. - eerste jaar na gereedmelding 10% van de kostprijs - tweede jaar na gereedmelding 20% van de kostprijs - derde jaar na gereedmelding 30% van de kostprijs - vierde jaar na gereedmelding 40% van de kostprijs - vijfde jaar na gereedmelding 50% van de kostprijs - zesde jaar na gereedmelding 60% van de kostprijs - zevende jaar na gereedmelding 70% van de kostprijs - achtste jaar na gereedmelding 80% van de kostprijs - negende jaar na gereedmelding 90% van de kostprijs - tiende jaar na gereedmelding 100% van de kostprijs De afschrijvingstermijn gaat in op de datum van de gereedmelding van de aanpassing. De afschrijvingstermijn voor een hulpmiddel, autoaanpassing, of een bouwkundige of woontechnische aanpassing inclusief schroef- en nagelvaste voorzieningen aan een woning en een traplift lager dan € 5.000,- bedraagt 7 jaar.

De afschrijvingstermijn voor een bouwkundige of woontechnische aanpassing inclusief schroef- en nagelvaste voorzieningen aan een woning en een traplift hoger dan € 5.000,- en verhuiskosten en herinrichtingskosten en het bezoekbaar maken van een woning bedraagt 10 jaar.

17

Bijlage 3

Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019

18

Toelichting Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet en is een integratie van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Epe 2015 en de Verordening jeugdhulp gemeente Epe 2015. De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig het college in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een individuele maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. De Jeugdwet maakt eveneens onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen.

Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wmo. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door het college worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Wmo Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een individuele maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12870535/1