746374 Epe- Hoofdstraat 90-94 Bijlagen Bijlage 6 Quickscan Ecologie
Tekst van het document
Epe, Hoofdstraat 90-94 QuickScan
JM ecologie b.v., 2021
QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94 Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming Rapportnummer R21.195 Status 1.0 (definitief) Datum 28-09-2021 Opdrachtgever Rho adviseurs Druifstreek 72-C 8911 LH Leeuwarden Auteur Corine Bos & Thijs de Haan Controle Jildou Dekker Voorpagina Overzicht plangebied Te citeren als Bos, C., De Haan, T. 2021. QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94; Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming. Rapport R21.195 JM ecologie b.v., Gorredijk.
JM ecologie b.v. Leitswei 12 8401 CL Gorredijk
Copyright © 2021 JM ecologie b.v.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................................................................. 2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 2 1.2 Globale ligging .................................................................................................................................................... 2 1.3 Structuur natuurwetgeving in Nederland ........................................................................................................... 3 1.4 Scope van de QuickScan ..................................................................................................................................... 4 1.5 Werkwijze ........................................................................................................................................................... 5
2
Beschrijving locatie en ingreep ........................................................................................................................... 6 2.1 Locatie ................................................................................................................................................................. 6 2.2 Ingreep ................................................................................................................................................................ 8
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie ............................................................................................................. 9 3.1 Vogels.................................................................................................................................................................. 9 3.2 Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 10 3.3 Overige zoogdieren ........................................................................................................................................... 11 3.4 Reptielen ........................................................................................................................................................... 12 3.5 Amfibieën .......................................................................................................................................................... 13 3.6 Vissen ................................................................................................................................................................ 13 3.7 Dagvlinders .......................................................................................................................................................
13 3.8 Kevers ............................................................................................................................................................... 14 3.9 Overige fauna .................................................................................................................................................... 14 3.10 Vaatplanten ...................................................................................................................................................... 14
4
Effecten en gevolgen ..........................................................................................................................................15 4.1 Overzicht beschermde soorten......................................................................................................................... 15 4.2 Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna ........................................................... 15
5
Mitigerende maatregelen ..................................................................................................................................17 5.1 Jaarrond beschermde nesten; nader onderzoek .............................................................................................. 17 5.2 Algemene broedvogels; mitigatie ..................................................................................................................... 17 5.3 Vleermuizen; nader onderzoek en mitigatie .................................................................................................... 18
6
Conclusie............................................................................................................................................................20
Geraadpleegde bronnen ............................................................................................................................................21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In opdracht van Rho adviseurs heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. een QuickScan uitgevoerd in Epe, gemeente Epe, provincie Gelderland. De opdrachtgever is voornemens het bestaande HEMApand te slopen en een nieuw pand voor de HEMA, inclusief 12 appartementen op de eerste verdieping, te bouwen.
1.2
Globale ligging Het plangebied is gelegen in het centrum van het dorp Epe. Epe is gelegen ten zuiden van Zwolle en ten noorden van Apeldoorn. De omgeving bestaat uit woonhuizen, winkels en een aantal watergangen en bomen. De globale ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1. Globale ligging van het plangebied (rode stip) (Bron achtergrond: Esri).
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 2 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
1.3
Structuur natuurwetgeving in Nederland De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wet natuurbescherming, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Dit betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Na de decentralisatie (2017) zijn enkele provincies andere namen gaan voeren voor de NNN. Decentralisatie Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de provincies. Het Rijk behoudt echter het bevoegd gezag en de verantwoordelijkheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals bijvoorbeeld hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij en bijvoorbeeld activiteiten Koninklijk Huis. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in categorieën.
Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de volgende categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal aangewezen vogelsoorten, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt. In aanvulling op de Vogelrichtlijn, geldt er voor een aantal vogelsoorten die jaarlijks naar hetzelfde nest terugkeren een jaarrond bescherming van de nesten. De meeste provincies en het Rijk hanteren de “Lijst met jaarrond beschermde nesten 2012”.
Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Voor deze laatste categorie geldt alleen een jaarrond beschermde status indien ecologisch zwaarwegende omstandigheden dat rechtvaardigen. In de provincies Overijssel, Flevoland en Limburg geldt een aangepaste lijst jaarrond beschermde nesten, waarin een andere categorisering is aangebracht. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 3 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren en opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend.
De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het project-voornemen een of enkele gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.
1.4
Scope van de QuickScan Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande bestemmingswijziging, eventuele strijdigheden met de Wet natuurbescherming (Wnb) in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. Er wordt in deze QuickScan niet ingegaan op raakvlakken met de gebiedsbescherming (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland en overige provinciaal beschermde gebieden) en bescherming Houtopstanden. Een initiatiefnemer is, vanuit de natuurwetgeving, bij ruimtelijke ingrepen (maar ook maatregelen en activiteiten) verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur is onvoorspelbaar. Het veldbezoek beschrijft een momentopname. Indien de periode tussen veldbezoek en de invoer van de geplande verandering in het bestemmingsbesluit meerdere jaren wordt, dient overwogen te worden een herhaald veldbezoek te laten uitvoeren, hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de QuickScan wordt herzien.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 4 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
1.5
Werkwijze Bureaustudie Voorafgaand aan het veldbezoek wordt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door het raadplegen van online- en fysieke atlassen en databases, zoals bijvoorbeeld de NDFF. Het doel van de bureaustudie is het inschatten van de ligging van het projectgebied, de aanwezige habitattypes en de bekende beschermde soorten, alsmede het verkrijgen van inzicht in de kans dat beschermde soorten in een projectgebied aanwezig kunnen zijn. Veldbezoek Het veldbezoek is afgelegd door ecoloog Thijs de Haan van JM ecologie b.v. op 9 september 2021. Het bezoek is uitgevoerd van 19:00 tot 20:00 uur, bij 19⁰C en 1 Bft, op een bewolkte en droge dag. Het doel van het veldbezoek is het inschatten van de aanwezige habitattypes en het verkrijgen van inzicht in het plangebied. Maatregel(en) en effecten De derde stap is de beschrijving van de geplande maatregelen en de omstandigheden (planning, methode) waarin deze uitgevoerd gaat worden. Tezamen met het veldbezoek en de bureaustudie kunnen hieruit eventuele strijdigheden van de plannen met de betreffende natuurwetgeving opgespoord worden, en kunnen eventuele kennishiaten benoemd worden. Hieraan worden conclusies verbonden en hieruit zal duidelijkheid ontstaan over de eventuele noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, met als doel de wijziging conform de huidige Wet natuurbescherming te laten plaatvinden.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 5 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
2
Beschrijving locatie en ingreep
2.1
Locatie Het plangebied is gelegen in het centrum in het dorp Epe in de gemeente Epe, provincie Gelderland. Het plangebied wordt omsloten door woningen en winkelpanden en een aantal bomen en watergangen. De brede omgeving bestaat uit woonhuizen, agrarische percelen en watergangen. Het plangebied zelf betreft een pand, wat momenteel op de begane grond gebruikt wordt als HEMAwinkel. Dit pand heeft een oppervlakte van ongeveer 1.180 m2. Op de verdiepingen boven dit winkelpand zijn twee appartementen aanwezig en een kantoor. Deze zijn toegankelijk via een trap in een doodlopende steeg aan de zijkant van het gebouw. Aan de Hoofdstraatzijde bevindt zich de hoofdingang voor bezoekers van de HEMA, aan de achterzijde vindt het laden en lossen plaats. De hoofdstraat loopt van noord naar zuid en is toegankelijk voor voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer met, ter hoogte van het plangebied, een snelheidslimiet van 30 km/uur. Detailhandel is alleen toegestaan op de begane grond, wonen is toegestaan op de eerste en tweede verdieping. Men is van plan om minimaal 11 meter hoog te bouwen aan de Hoofdstraatzijde en 12 appartementen te realiseren op de eerste en tweede verdieping. Aan de achterzijde van het pand is een park, het Beekpark, met verschillende boomsoorten en een waterpartij.
Afbeelding 2.1. Begrenzing van het plangebied (rood kader) (Bron achtergrond: Esri).
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 6 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
Afbeelding 2.2. HEMA-pand aan Hoofdstraat-zijde, gezien vanaf zuidoosten.
Afbeelding 2.3. Dak HEMA-pand, gezien vanaf noorden.
Afbeelding 2.4. Achterzijde pand, gezien vanaf westen.
Afbeelding 2.5. Achterzijde pand, gezien vanaf zuidwesten.
Afbeelding 2.6. Steeg op eerste verdieping
Afbeelding 2.7. Close-up van het dak, gezien vanaf noorden.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 7 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
2.2
Ingreep De opdrachtgever is voornemens om het huidige gebouw, waarin de HEMA gevestigd is, te slopen en een nieuw gebouw te realiseren. In het nieuwe pand komt wederom de HEMA en daar bovenop komen 12 appartementen. Op de eerste verdieping worden 8 appartementen gerealiseerd, op de tweede verdieping komen 4 grotere appartementen. Er zullen 2 appartementen verhuurd worden, de andere appartementen zullen worden verkocht. Onder het gebouw wordt een parkeerkelder gerealiseerd. Voor elke woning zal er minimaal één parkeerplaats beschikbaar komen in de parkeerkelder. De vloeroppervlakte van de HEMA zal iets kleiner (980 m2) worden dan de bestaande HEMA (1180 m2). In de zuidoosthoek van de HEMA zal het horeca gedeelte gerealiseerd worden. De doodlopende steeg naast het gebouw zal veranderd worden in een onderdoorgang naar het achterliggende park.
Afbeelding 2.10. Nieuwe situatie buitenzijde Hoofdstraat, gezien vanaf zuidoosten (Bron: Rho adviseurs).
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 8 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.
3.1
Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaarwegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’.
Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is gezocht naar jaarrond beschermde nesten in het plangebied en de bijbehorende verstoringszone van het plangebied. Binnen het plangebied is een mogelijk jaarrond beschermd nest van de huismus aangetroffen. Ook voor gierzwaluw is het plangebied geschikt door de vrije aanvliegroute en aanwezigheid van holtes en kieren in het gebouw. In een straal van 75 meter rond het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Wel zijn er geschikte holten waargenomen in bomen in het park ten westen van het plangebied. Tijdens het veldbezoek is gezocht naar sporen van uilen in de vorm van krijtstrepen en braakballen, deze zijn niet aangetroffen waardoor de aanwezigheid van de kerkuil en steenuil ook uitgesloten kan worden. De woningen in de nabije omgeving kunnen ook een geschikte broedlocatie zijn voor huismussen en gierzwaluwen. Onder de dakpannen van woningen en winkelpanden in de omgeving is ruimte waar huismus en gierzwaluw een nestlocatie kan hebben. Consequenties van de ingreep op jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw staan beschreven in paragraaf 4.2. Algemene broedvogels Er is rond het plangebied geschikt habitat aanwezig voor diverse soorten algemene broedvogels.
In de bomen en struikgewas in het park achter het plangebied kunnen soorten als houtduif, merel en vink tot broeden komen. Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 9 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
3.2
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.
Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven In het plangebied is gezocht naar potentiële verblijfsplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis of laatvlieger die het pand kunnen gebruiken als kraam-, zomer- of paarverblijfsplaats.
Er zijn potentiële verblijfsplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Het dak bestaat uit dakpannen, waar kieren tussen zitten. Ook is er een spouwmuur aanwezig met luchtgaten, waar vleermuizen in kunnen kruipen. De aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen binnen het plangebied kan dus niet uitgesloten worden. In het park achter het plangebied zijn holtes aangetroffen, waar mogelijk boombewonende vleermuissoorten een verblijfsplaats kunnen hebben. De aanwezigheid van boombewonende vleermuissoorten kan dus niet uitgesloten worden. Er zijn buiten het plangebied, maar binnen de verstoringszone, ook potentiële geschikte verblijfsplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De huizen in de omgeving hebben dakpannen en spouwmuren, waar vleermuizen een verblijfsplaats kunnen hebben. De aanwezigheid van vleermuizen binnen de verstoringszone kan dus niet uitgesloten worden. Consequenties van de ingreep op potentiële vleermuisverblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuissoorten staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 10 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
Vliegroutes In en rond het plangebied zijn diverse lijnvormige elementen die dienst kunnen doen als vliegrouteondersteuning voor vleermuizen. Zo kunnen de randen van de gebouwen en de bomen dienen als vliegrouteondersteuning voor vleermuizen. Er is echter genoeg alternatieve vliegrouteondersteuning aanwezig in de omgeving, waardoor deze vliegrouteondersteuning niet als essentieel wordt aangemerkt. Foerageergebied De omgeving van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien er in de omgeving van het plangebied genoeg minstens even geschikt foerageergebied aanwezig is, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd.
3.3
Overige zoogdieren Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied verschillende waarnemingen bekend zijn van beschermde zoogdieren. Het gaat hier om de bever, boommarter, bunzing, das, edelhert, eekhoorn, steenmarter, wezel en wild zwijn. Naast de bekende beschermde soorten kunnen in de omgeving van het plangebied andere nog niet aangetroffen beschermde soorten aanwezig zijn. Door de afwezigheid van verbonden watergangen wordt de bever op voorhand al uitgesloten in het plangebied. Boommarter De boommarter is een soort van een bosrijke omgeving. Verblijfplaatsen van de soort bevinden zich vaak in oude spechten- en inrottingsholten van bomen. De boommarter kan echter ook verblijfplaatsen hebben onder takkenhopen. Rustplaatsen bevinden zich ook op andere plekken, zoals in konijnen- en vossenholen en tussen boomwortels (Zoogdiervereniging, z.d.). Het plangebied bevindt zich midden in het centrum van Epe. Er is teveel urbane verstoring, waardoor de aanwezigheid van verblijfsplaatsen van de boommarter in en rond het plangebied kan worden uitgesloten. Bunzing en wezel De bunzing en wezel leven in allerlei habitats, van open plekken tot in bossen. Belangrijk is dat er voldoende dekking en schuilmogelijkheden aanwezig zijn en dat er voldoende prooidieren in de vorm van (woel)muizen te vinden zijn.
Verblijfplaatsen bevinden zich op plaatsen met voldoende dekking, zoals in bosschages, takkenbulten en in holen van muizen, ratten, konijnen, mollen, dassen en vossen (Zoogdiervereniging, z.d.). Het park achter het plangebied bevat veel struikgewas, waar bunzing en wezel een verblijfsplaats kunnen hebben. Het plangebied ligt echter langs een drukke weg en winkelstraat. Ook lopen er wandel- en fietspaden door het park, waardoor er veel verstoring aanwezig is. Als er marterachtigen aanwezig zijn in het park, zijn deze al gewend aan de verstoring van de stedelijke omgeving en zullen de werkzaamheden niet voor extra verstoring zorgen. Das De das leeft in allerlei biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Het leefgebied moet voldoende dekking bevatten, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 meter onder het maaiveld (Zoogdiervereniging z.d.). Het plangebied ligt midden in een urbane omgeving en biedt dus teveel verstoring en te weinig dekking voor de das. Aanwezigheid van de das in en rond het plangebied kan dus worden uitgesloten.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 11 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
Edelhert Edelherten leefden van oorsprong in open bossen maar zijn aangepast aan allerlei biotopen, van drogere loofbossen en heidevelden tot vochtige milieus als vennen en moerassen, maar ook in hoogland en berggebieden tot boven de boomgrens. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor bosgebieden die grenzen aan grasgebieden en rivierdalen met ooibossen. In de winter moet er gras binnen bereik zijn en ook de aanwezigheid van (drink)water is belangrijk (Zoogdiervereniging, z.d.). Het plangebied ligt midden in een urbane omgeving. Er is te veel verstoring en geen geschikt foerageergebied voor edelherten. Aanwezigheid van het edelhert in en rond het plangebied kan daarmee worden uitgesloten. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in bosachtige biotopen. Ze leven in verschillende bostypen maar ook in tuinen, parken en houtwallen. Zolang er voldoende voedsel beschikbaar is komen ze ook voor in bebouwd gebied (Zoogdiervereniging, z.d.). Mogelijk gebruikt de eekhoorn het park achter het plangebied als foerageergebied. In de bomen in het park zijn ook geschikte holtes aangetroffen, waar de eekhoorn een verblijfsplaats kan hebben. Het plangebied ligt echter langs een drukke weg en winkelstraat. Ook lopen er wandel- en fietspaden door het park, waardoor er veel verstoring aanwezig is.
Als er eekhoorns aanwezig zijn in het park, zijn deze al gewend aan de verstoring van de stedelijke omgeving en zullen de werkzaamheden niet voor extra verstoring zorgen. Steenmarter De steenmarter is een typische cultuurvolger. Binnen het territorium heeft de soort soms wel tientallen rustplaatsen. Rustplaatsen kunnen zich op veel plaatsen bevinden, zowel in bebouwd gebied alsook in het buitengebied. Verblijfplaatsen of nesten bevinden zich bijvoorbeeld in holtes of in openening tussen platen en stenen (Zoogdiervereniging, z.d.). Het park achter het plangebied bevat veel bomen met holtes, waar de steenmarter een verblijfsplaats kan hebben. Het park achter het plangebied bevat veel struikgewas en boomholtes, waar steenmarter een verblijfsplaats kan hebben. Het plangebied ligt echter langs een drukke weg en winkelstraat. Ook lopen er wandel- en fietspaden door het park, waardoor er veel verstoring aanwezig is. Als er steenmarters aanwezig zijn in het park, zijn deze al gewend aan de verstoring van de stedelijke omgeving en zullen de werkzaamheden niet voor extra verstoring zorgen. Wild zwijn Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn.
Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen. Het plangebied ligt midden in een urbane omgeving en bevat geen geschikte bossen waar wilde zwijnen kunnen foerageren. Aanwezigheid van wild zwijn in en rond het plangebied kan daarmee worden uitgesloten.
3.4
Reptielen Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied, waarnemingen bekend zijn van twee beschermde reptielen; de levendbarende hagedis en de hazelworm. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis leeft in Nederland met name in heide- en hoogveengebieden en in veel beperktere mate langs infrastructuur, bosranden en duingebieden. Belangrijk is dat er voldoende dekking en schuilmogelijkheden aanwezig zijn, maar ook open plekjes om te zonnen. Een structuurrijke vegetatie is daarom van belang (RAVON, z.d.). Er zijn twee waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis binnen 2,5 kilometer van het plangebied en deze zijn gedaan buiten Epe, aan de rand van het bos ten noorden van Epe. In en rond het plangebied is daarnaast geen geschikt habitat aanwezig voor de
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 12 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
levendbarende hagedis. Het plangebied ligt in een urbane omgeving en bevat geen heide of hoogveengebieden. Aanwezigheid van de levendbarende hagedis kan daarmee worden uitgesloten. Hazelworm De hazelworm komt in een breed scala aan vochtige habitats met voldoende dekking van dichte vegetatie voor. De meeste waarnemingen worden echter gedaan in heide- en bosgebieden. Daarnaast komt de soort onder andere voor in houtwallen, struwelen, bermen en ruderale terreinen. De hazelworm leidt een verborgen levenswijze en houdt zich graag schuil onder stenen, dood hout, afval en tussen bodemstrooisel (RAVON, z.d.). Er zijn vier waarnemingen bekend van de hazelworm binnen 2,5 kilometer van het plangebied en deze zijn gedaan buiten Epe, in het bos ten noorden van Epe. In en rond het plangebied zijn daarnaast geen schuilmogelijkheden voor de hazelworm. Ook ligt het plangebied midden in een urbane omgeving, waardoor de aanwezigheid van de hazelworm kan worden uitgesloten.
3.5
Amfibieën Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied, waarnemingen bekend zijn van één beschermde amfibieënsoort; de poelkikker. Poelkikker De poelkikker komt voor in schone, stilstaande, vrij voedselarme wateren zoals vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden, uiterwaarden, agrarisch gebied en laagveen. Niet alleen tijdens de voortplanting, maar een groot deel van het zomerhalfjaar is de poelkikker in en om het water te vinden. De soort overwintert meestal op het land, bijvoorbeeld ingegraven in de grond, in muizenholletjes, onder stronken of in dammetjes waar puin aanwezig is (BIJ12, 2017; RAVON, z.d.). Er zijn drie waarnemingen bekend van de poelkikker binnen 2,5 kilometer van het plangebied. Deze zijn gedaan ten zuiden van Epe, buiten het dorp en in agrarisch gebied. Rond het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor de poelkikker, omdat er te weinig dekking is rond de watergang in het park. Aanwezigheid van de poelkikker kan dus worden uitgesloten.
3.6
Vissen Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied, waarnemingen bekend zijn van twee beschermde vissoorten, namelijk de beekprik en de Elrits. In Nederland komt de beekprik voor in enkele relatief natuurlijk beken met een goede waterkwaliteit in de provincies Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg. In Nederland komt elrits voor in de Grensmaas, een aantal beken in zuid Limburg en een beek op de oostflank van de Veluwe. De populatie op de Veluwe is waarschijnlijk het gevolg van dieren die in het verleden ontsnapt zijn uit een nabijgelegen forellenkwekerij (RAVON, z.d.). Deze soorten zijn waargenomen in een watergang genaamd de Klaarbeek, ten zuiden van het plangebied. Deze watergang wordt niet aangetast en ligt op meer dan 1 kilometer afstand van het plangebied, waardoor verstoring uitgesloten is. In en rond het plangebied zijn daarnaast geen geschikte watergangen voor deze soorten, dus de beekprik en elrits kunnen worden uitgesloten in het plangebied.
3.7
Dagvlinders Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied, waarnemingen bekend zijn van drie beschermde dagvlindersoorten; de grote vos, grote weerschijnvlinder en sleedoornpage. Grote vos De grote vos leeft met name in vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande waardbomen. De vlinder overwintert in holle bomen of stapels hout. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet op de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen. De waardplanten van
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 13 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
deze soort zijn onder andere iep, zoete kers en enkele wilgensoorten (Vlinderstichting, z.d.). Rond het plangebied zijn geen iepen, zoete kersen of wilgensoorten aangetroffen. Daarnaast ligt het plangebied in een urbane omgeving en bevat daarom geen geschikt habitat voor de grote vos. Aanwezigheid van de grote vos in en rond het plangebied kan daarmee worden uitgesloten. Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder leeft in open plekken in bossen, zoals langs bospaden en bosranden. Als waardplant worden boswilg en grauwe wilg gebruikt, de imago’s leven van sap van bloedende bomen (Vlinderstichting, z.d.). In en rond het plangebied zijn geen boswilg of grauwe wilg aangetroffen. Daarnaast ligt het plangebied in een urbane omgeving en bevat geen geschikt habitat voor de grote weerschijnvlinder. Aanwezigheid van de grote weerschijnvlinder in en rond het plangebied kan daarmee worden uitgesloten. Sleedoornpage De sleedoornpage leeft in een landschap waarin sleedoornstruweel of pruimen en markante ontmoetingsbomen aanwezig zijn. Daarnaast kan de soort vliegen in een stedelijke omgeving waar hij gebruik maakt van sleedoornstruwelen in parken en vrijstaande pruimen in tuinen. De gebruikte sleedoorns moeten geregeld verjongd worden door begrazing of door ze regelmatig te snoeien (Vlinderstichting, z.d.).
Er zijn geen sleedoornstruwelen of pruimenbomen aangetroffen in en rond het plangebied. De waarnemingen van eitjes van de sleedoornpage zijn gedaan aan de zuidelijke rand van Epe. In en rond het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor de sleedoornpage. Aanwezigheid van de sleedoornpage kan daarmee worden uitgesloten.
3.8
Kevers Uit de bureaustudie blijkt dat er in een straal van 2,5 kilometer rond het plangebied, waarnemingen bekend zijn van één beschermde keversoort; het vliegend hert. Vliegend hert Het vliegend hert is, voor de ontwikkeling van haar larven, afhankelijk van door schimmels aangetast rottend eikenhout. Vroeger was dit aanwezig in de vorm van langzaam wegkwijnende zeer oude eiken. Deze zijn er al lang niet meer in Nederland. De plaatsen waar de soort de laatste 200 jaar heeft kunnen overleven in ons land zijn de plekken waar dit type hout min of meer kunstmatig aanwezig was. Veelal in de vorm van hakhout cultuur. Hier bleven stompen staan die uiteindelijk wegrotten. Het verspreidingsgebied is daardoor beperkt (EIS Nederland, z.d.). Rond het plangebied zijn geen geschikte locaties voor de larven van het vliegend hert vanwege de afwezigheid van rottend eikenhout. Aanwezigheid van essentieel leefgebied voor het vliegend hert in en rond het plangebied kan daarmee worden uitgesloten.
3.9
Overige fauna Overige beschermde diersoorten zoals libellen, kreeftachtigen en weekdieren zijn niet bekend in de omgeving van het plangebied en worden ook niet verwacht op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreidingsgegevens.
3.10
Vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied of in het heuvelland van Zuid-Limburg. Gezien de aanwezige habitats binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van beschermde plantensoorten, kan uitgesloten worden dat deze soorten aanwezig zijn binnen het plangebied.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 14 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
4
Effecten en gevolgen
4.1
Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico’s voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. Tabel 4.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden.
Soortgroep Jaarrond beschermde nesten
4.2
Soort(en) Huismus en gierzwaluw
Bescherming
Aanwezig
3.1
Potentieel
Algemene broedvogels Diverse soorten
3.1
Potentieel
Vleermuizen
3.5
Potentieel
Gebouw- en boombewonende soorten
Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna Jaarrond beschermde broedvogels In het HEMA-pand broeden mogelijk huismussen en gierzwaluwen. In de nok van het dak is een nest aangetroffen van mogelijk huismus. Het slopen van het pand heeft tot resultaat dat de bestaande nesten zullen verdwijnen. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.1 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Algemene broedvogels Binnen de verstoringszone van het plangebied kunnen meerdere algemene broedvogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden in de buurt van in gebruik zijnde nesten worden uitgevoerd, heeft dit mogelijk een verstorende werking op de broedende vogels. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.2 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Vleermuizen Onder het dak van het HEMA-pand zijn mogelijk verblijfsplaatsen aanwezig van gebouwbewonende vleermuizen. Bij het slopen van het pand worden deze verblijfsplaatsen verwijderd. In het park achter het plangebied zijn holtes aanwezig, waar boombewonende vleermuizen een verblijfsplaats kunnen hebben.
Indien ‘s avonds of ’s nachts wordt gewerkt gedurende de actieve periode voor vleermuizen (circa 15 april tot en met 15 oktober), kan er lichtverstoring door het gebruik van bouwverlichting optreden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige vleermuizen gedesoriënteerd raken. Ten gevolge daarvan kan het functioneren verminderen van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Dergelijke
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 15 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
effecten zijn in strijd met de verbodsbepalingen in de Wet Natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.3 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 16 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
5
Mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk worden de vervolgmaatregelen beschreven voor de soorten waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat deze mogelijk een effect bemerken van de geplande ingreep. Deze vervolgmaatregel kan bestaan uit het uitvoeren van nader onderzoek om de aanwezigheid te bevestigen of uit te sluiten. Maar de vervolgmaatregel kan ook aangeven dat er een aanvraag voor een ontheffing op de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd is. Er kan ook een lijst met mitigerende maatregelen staan aangegeven, waarbij de ingreep uitgevoerd kan worden zonder een ontheffing. Indien de ingreep zonder enig nader onderzoek, mitigatie of ontheffingsaanvraag uitgevoerd kan worden, wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Tabel 5.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor een vervolgactie benodigd is.
Soortgroep
5.1
Soort(en)
Bescherming
Aanwezig
Vervolgactie
Jaarrond beschermde nesten
Huismus en gierzwaluw
3.1
Potentieel
Nader onderzoek
Algemene broedvogels
Diverse soorten
3.1
Potentieel
Mitigatie
Vleermuizen
Gebouw- en boombewonende soorten
3.5
Potentieel
Nader onderzoek en mitigatie
Jaarrond beschermde nesten; nader onderzoek Onder de pannendaken van het pand bevinden zich mogelijk jaarrond beschermde nesten van de huismus en gierzwaluw. Het verwijderen, ontoegankelijk of ongeschikt maken van deze potentiële nestplaatsen is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Daarom dient er, voordat de werkzaamheden van start kunnen gaan, eerst nader onderzoek worden uitgevoerd om de aanwezigheid van nestplaatsen te bevestigen dan wel uit te sluiten. Het nader onderzoek naar huismus bestaat uit minstens 2 veldbezoeken die overdag worden afgelegd in de periode van 1 april tot 20 juni met een tussenpose van minstens 10 dagen tussen de veldbezoeken. Een bezoek heeft een lengte van een half uur. Het nader onderzoek naar gierzwaluw bestaat uit minstens 3 avondbezoeken tussen 1 juni en 15 juli, met een tussenpose van ten minste 10 dagen tussen de veldbezoeken. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat er geen nesten van huismus of gierzwaluw aanwezig zijn, is er geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van jaarrond beschermde vogelnesten. Indien er echter nesten van één of beide soorten worden aangetroffen, dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie.
Om deze ontheffing te verkrijgen, moeten er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve nestgelegenheden in de omgeving.
5.2
Algemene broedvogels; mitigatie De omgeving van het projectgebied is geschikt voor diverse algemene broedvogelsoorten. In bomen, heggen en struiken kunnen diverse zangvogels tot broeden. Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in, of binnen de verstoringszone van het plangebied broeden, kunnen de
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 17 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Indien de werkzaamheden toch starten aan het begin van het broedseizoen, dan dienen broedgevallen binnen het plan- en verstoringsgebied van de werkzaamheden voorkomen te worden. Het ongeschikt maken kan preventief gedaan worden door ruim voor het vogelbroedseizoen het gebied te ontdoen van geschikte nestgelegenheden. Dit kan op verschillende manieren.
Door het van tevoren verwijderen van bomen, heggen en struiken rond het plangebied is er geen nestgelegenheid meer voor diverse soorten zangvogels;
Het functioneren van de preventieve maatregelen dient gecontroleerd te worden vanaf de plaatsing totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Tevens mogen de genoemde maatregelen niet in strijd zijn met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming voor wat betreft andere beschermde soorten en/of gebieden of het beleid van de NNN. Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen, dient het plan- en verstoringsgebied eerst door een ter zake kundige ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedvogels. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan- of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt (een deel van) het projectgebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot alle nesten, vanuit eigen beweging van de vogels, niet meer in gebruik zijn.
5.3
Vleermuizen; nader onderzoek en mitigatie Mogelijk wordt het HEMA-pand gebruikt als kraam-, zomer-, en/of paarverblijfplaats door de gewone dwergvleermuis of laatvlieger. De ruige dwergvleermuis kan het pand mogelijk als zomer- en/of paarverblijfplaats gebruiken. Het verwijderen, ontoegankelijk maken of verstoren van dergelijke verblijfplaatsen is een overtreding van de verbodsartikelen in de Wet natuurbescherming. Er dient door middel van nader onderzoek te worden uitgezocht of vleermuizen daadwerkelijk verblijven in het HEMA-pand. Daarnaast dient lichtverstoring op verblijfplaatsen van vleermuizen voorkomen te worden. Daarom dienen onderstaande mitigerende maatregelen in acht worden genomen. Nader onderzoek verblijven Het nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paarverblijven van vleermuizen bestaat uit vijf veldbezoeken. Drie van deze bezoeken moeten plaatsvinden tussen 15 mei en 15 juli, met tussenposes van minstens 20 dagen tussen het eerste en tweede bezoek. Minstens één van de drie bezoeken moet ’s ochtends voor zonsopkomst worden uitgevoerd, de overige bezoeken worden ’s avonds na zonsondergang uitgevoerd. In het najaar, tussen 15 augustus en 1 oktober, moeten nog twee bezoeken worden uitgevoerd, rond middernacht. Tussen de twee bezoeken moet minstens 20 dagen zitten.
De bezoeken mogen alleen uitgevoerd worden als de weersomstandigheden binnen de grenzen van het vleermuisprotocol vallen. Indien uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat het pand niet gebruikt wordt als verblijfplaats door vleermuizen, dan is er geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van vleermuisverblijfplaatsen. Indien er echter verblijfplaatsen van één of meerdere soorten worden aangetroffen, dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie. Om deze ontheffing te verkrijgen, moeten
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 18 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving. Mitigerende maatregelen: Indien ‘s avonds of ’s nachts wordt gewerkt gedurende de actieve periode van vleermuizen (circa 15 april tot en met 15 oktober), kan er lichtverstoring door het gebruik van bouwverlichting optreden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige vleermuizen gedesoriënteerd raken. Ten gevolge daarvan kan het functioneren verminderen van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen in de woningen en/of boomholtes rondom het plangebied. Een dergelijk effect is in strijd met de Wet Natuurbescherming. Om effecten van lichtuitstraling te voorkomen wordt geadviseerd om eventueel te gebruiken verlichting weg te draaien van de omliggende bebouwing en het park achter de HEMA. Dit is zeker noodzakelijk in de schemer en nacht (van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur na zonopkomst) gedurende de actieve periode van vleermuizen (circa 15 april tot en met 15 oktober). Dit houdt in dat de verlichting naar beneden gericht dient te zijn op de werkzaamheden zodat er geen licht naar de omgeving kan uitstralen. In onderstaande figuur (Figuur 5.2) is een dergelijke werkwijze schematisch weergegeven. De V in de tekening geeft weer hoe de lichtuitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk kan worden beperkt kan worden.
In de situatie met een X is er sprake van significante lichtuitstraling naar de omgeving waardoor een mogelijk effect op verblijven van vleermuizen niet is uit te sluiten. Bij voorkeur wordt er bij het plaatsen van een licht gekozen voor amberkleurige verlichting.
Figuur 5.2. Voorbeeld van toepassing bouwverlichting bij. X= verlichting veroorzaakt uitstraling naar omgeving, V= verlichting veroorzaakt geen uitstraling richting de omgeving.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 19 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
6
Conclusie In opdracht van Rho adviseurs heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. een QuickScan uitgevoerd aan de Hoofdstraat 90-94 in Epe, gemeente Epe, provincie Gelderland. De opdrachtgever is voornemens om het bestaande HEMA-pand te slopen en een nieuw pand te bouwen, waarin opnieuw de HEMA gevestigd zal worden en op de eerste en tweede verdieping 12 appartementen. De QuickScan is uitgevoerd om eventuele strijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) op te sporen. Uit de QuickScan is gebleken dat er mogelijk jaarrond beschermde nesten, algemene broedvogels en verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Voor jaarrond beschermde nesten en vleermuisverblijven dient nader onderzoek plaats te vinden. Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen, dienen voor algemene broedvogels en vleermuizen enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Voor vleermuizen die mogelijk een verblijfplaats in nabijgelegen boomholtes hebben, dient er verstoring door bouwverlichting voorkomen te worden. Voor algemene broedvogels heeft het de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken.
Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin van het vogelbroedseizoen, dan dient het plangebied ruim voor aanvang van het broedseizoen preventief ongeschikt gemaakt te worden. Indien gestart wordt te midden van het vogelbroedseizoen, dient er eerst een controle plaats te vinden door een ter zake kundige ecoloog.
Gorredijk, september 2021 JM ecologie b.v.
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 20 van 21
Rho adviseurs QuickScan Epe, Hoofdstraat 90-94
Geraadpleegde bronnen
Nationale Database Flora- en Fauna (NDFF), geraadpleegd op 8 september 2021. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten. Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Uitgave Provincie-Noord-Brabant. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021. EIS Nederland (z.d.) Informatiepagina vliegend hert. Geraadpleegd van https://www.eisnederland.nl/vliegendhert Ravon (z.d.). Informatiepagina soorten. Geraadpleegd van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Vlinderstichting (z.d.). Informatiepagina vlindersoorten. Geraadpleegd van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Zoogdiervereniging (z.d.). Informatiepagina soorten. Geraadpleegd van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten
Datum: 28 september 2021 rapport: R21.195, versie 1.0
blad 21 van 21