CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

607391 Bijlage 1 QuickScan 16-11

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken8.799 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Onderwerp: QuickScan tarieven Overleg en datum: PFO 16-11-2022

Auteur: André Zents Lars Versteegh Manuel Konijnendijk

Doel bespreking: Besluitvorming

Besproken met: Groep QuickScan Beleid Jeugd/WMO Mark van Gessel Niek Blonk

Beslispunten: 1) Maatwerkvoorzieningen: Instemmen met correctie tarieven 2023 inclusief nacalculatie 2022 voor zowel loon- als materiële kosten: a) Loonkosten tarief 2023: i) Ophoging looncomponent 2023 met 1,13%. ii) EENMALIGE nacalculatie voor 2022 in tarief 2023 van de looncomponent met 0,565% De voorgestelde aanpassing 2023 en nacalculatie 2022 op de loonkosten heeft met name te maken met de extra door het Rijk aan gemeenten toegekende OVA van 1,13%. . b) Materiële kosten tarief 2023: i) Ophoging van de indexatie materiële kosten 2023 met 2,35% ii) Nacalculatie voor 2022 van 2,95% in tarief materiële kosten 2023 De voorgestelde aanpassing 2023 en nacalculatie 2022 op de materiële kosten heeft met name te maken met de hogere energiekosten die zich uiten in een hogere PPC (september 2022). Gemeenten ontvangen een compensatie voor die hogere PPC via de septembercirculaire Algemene Uitkering gemeentefonds. 2) Hulpmiddelen: Niet corrigeren voor de hogere kostenontwikkeling 2022 dan verwerkt in het tarief 2022 (7,35%). Qua type aanbieders gaat het hier om een andere, meer commerciële groep dan de zorgaanbieders die leveren. Het tarief hebben zij zelf bepaald. De AMvB reële tarieven is niet van toepassing. Bovendien blijken deze aanbieders in de afgelopen jaren (2018-2021) voordeel te hebben gehad.

3) Regionale algemene voorzieningen: Instemmen met de correctie/nacalculatie voor het subsidiejaar 2022 van 3,02%. Deze correctie over 2022 laten plaatsvinden via de tarieven/ subsidiebeschikking over 2023. 4) Betreffende de correcties over 2022 in te stemmen met het doorvoeren daarvan in het tarief van 2023 per 1 januari 2023, omdat dit de minste administratieve lasten geeft voor zowel aanbieders als gemeenten.

BESTUURLIJKE SAMENVATTING 1. INLEIDING EN OPDRACHT QUICKSCAN Zorgaanbieders melden dat ze in 2022 forse kostenstijgingen hebben. Het gaat zowel om personele als materiële kosten. Diverse aanbieders gaven bij de regio en individuele gemeenten, zowel ambtelijk als bestuurlijk, aan dat ze hiervoor te weinig in het tarief zijn gecompenseerd. Daarbij leggen ze in de argumentatie ook een relatie naar compensatie die de gemeenten via de rijksbijdragen wél voor hogere kosten zouden ontvangen. In het PFO van 29 september 2022 is besproken hoe met de signalen met de aanbieders moet worden omgegaan. Vasthouden aan de eerder ingezette lijn van beantwoording (indexatie vond conform overeenkomst plaats, berekeningen zijn juist gemaakt) óf een nader onderzoek doen of de reacties van de aanbieders reden zijn om aanpassing van tarieven te overwegen. Het PFO heeft opdracht gegeven om een QuickScan uit te voeren. Dit sluit aan bij het regionale besluit van 1 november 2021, waar niet alle bestuurders van harte instemden met de tarieven 2022. Toen is aangegeven dat, indien de omstandigheden ten aanzien van de cao-ontwikkelingen en de daarmee samenhangende indexatie substantieel wijzigen, dit voldoende aanleiding is om de situatie opnieuw in het PFO te bespreken.

In het PFO van 29 september 2022 is de volgende opdracht gegeven: Breng in beeld: • Hoe de kostenontwikkeling in 2022 voor aanbieders is, uitgesplitst naar de diverse onderdelen (personeel, energie, huisvesting, overig). • Geef aan welke compensatie daarvoor in het tarief 2022 is ontvangen en breng daarmee een eventueel verschil in beeld. Plaats dat ook in de context van hoe daar landelijk c.q. binnen andere regio’s mee omgegaan is/ wordt. • Doe dit voor alle producten binnen de raamovereenkomst en geef een advies over eventuele compensatie. • Breng daarbij in beeld wat (on)mogelijkheden in de uitvoering zijn en geef de financiële consequentie weer. • OPBOUW NOTITIE Voor de jaren 2022 en 2023 maken we eerst voor de maatwerktarieven Wmo en Jeugd inzichtelijk wat we voor loonkosten en de materiële kosten hebben verwerkt in de indexering. Tegelijkertijd geven we aan of en in hoeverre sprake is van andere (voortschrijdende) inzichten. Vervolgens trekken we per jaar een conclusie. We starten daarbij met het tarief 2023 en redeneren vanuit daar terug naar het jaar 2022. Vervolgens gebruiken we die inzichten om een uitspraak te doen voor het regionale hulpmiddelencontract en tot slot voor de regionale algemene voorzieningen. Het document start met een bestuurlijke samenvatting. Daarna volgt een financieel technisch deel dat dient als naslagwerk/ onderbouwing.

2

2. MAATWERKVOORZIENINGEN 2.1 KOSTENONTWIKKELING 2023 Loonkosten: • Cao’s verwerkt: Op het moment van de tariefberekening waren de 5 relevante Cao’s bekend. Deze lopen allen door in 2023. De CAO-contractloonontwikkeling is in zijn geheel in de tarieven 2023 verwerkt. Indexatie en kostenontwikkeling sluit op dat punt op elkaar aan. • OVA 1, 13% niet (volledig) verwerkt: De door het Rijk aan de gemeenten toegekende extra OVA van 1,13%, met de dringende oproep om die aan aanbieders beschikbaar te stellen, blijkt niet (volledig) verwerkt in de tarieven. Dit omdat bij de berekening van de tarieven de aanname was dat die in de verhoging van de contractlonen zat. Dit is niet juist. De 1,13%: a. Is herleidbaar in ieder geval in vier Cao’s (Sociaal werk, GGZ, VVT, Gehandicapten) verwerkt door voor de middengroepen inschaling aan te passen (aanpassing treden). En een vast minimumbedrag te bepalen voor de salarisstijging waardoor deze voor de middeninkomens hoger wordt dan het generiek voor de Cao’s gehanteerde percentage; b. Komt daarnaast tot uiting doordat medewerkers hoger worden ingeschaald. Voor wat de OVA betreft is het de vraag of dit % ook daadwerkelijk in alle Cao’s in het loongebouw terecht komt. Bij 4 van de 5 Cao’s konden we dit nu nagaan.

Daarbij bestaat de mogelijkheid dat aanbieders dit bedrag niet aan hun werknemers ten goede laten komen (zij kunnen ontheffing aanvragen bij de CAO-tafel). Onze verwachting is echter dat de grote meerderheid van de aanbieders de Cao’s ook op dit punt zullen volgen om zo een (gedeeltelijk) antwoord te kunnen geven op de krappe arbeidsmarkt. Materiële kosten: • Nacalculatie 2022 in tarief 2023 onvoldoende verwerkt: De nacalculatie over 2022 die in het tarief 2023 is opgenomen blijkt niet voldoende om de volledige kostenstijging 2022 te compenseren. We rekenden in het tarief met een PPC (= prijsindex particuliere consumptie) per maart 2022 (= 6,3%) en de oproep van VWS is om nu uit te gaan van PPC van september (= 9,25%): een verschil van 2,95%. • Verwachtingen 2023 onvoldoende verwerkt: De verwachte kostenontwikkeling 2023 blijkt niet voldoende in het tarief te zijn meegenomen: we rekenden met PPC van maart 2022 (= 2,52%) en de oproep VWS is ook hier uit te gaan van PPC van september 2022 (= 4,87): verschil van 2,35%. VWS heeft de oproep gedaan om de index per september (en niet die van maart) te hanteren met name vanwege de hoge energiekosten. Door, in afwijking van bestaande systematiek, de index van september te gebruiken wordt een grote nacalculatie over 2024 voorkomen.

Toelichting op energiekosten De hogere materiële indexatie over 2022 (PPC = 9,25%) wordt in belangrijke mate verklaard door de hogere energiekosten. Zoals het er nu naar uitziet, worden zorgaanbieders voor de jaren 2023 en verder niet door het Rijk gecompenseerd voor die hogere kosten. Het rijk kijkt daarvoor naar de gemeenten onder verwijzing naar compensatie die gemeenten (o.a. via de algemene uitkering) hiervoor kregen.

3

Conclusie: Het totale verschil voor 2023 tussen de gehanteerde index (incl. nacalculatie) in het tarief en de werkelijke kostenontwikkeling is 2,95 + 2,35 = 5,3%. Wel goed om daarbij te weten dat de materiële kosten voor de meeste tarieven “slechts” voor 15% meewegen in de opslag overhead. Omdat discussie kan ontstaan of dat percentage toereikend is om het aandeel energiekosten op te vangen is aan het NHC (huisvestingindex in het tarief) een percentage toegevoegd voor exploitatiekosten zodat in sommige verblijfstarieven de weging, binnen de bestaande systematiek, al zwaarder is. Conclusie maatwerkvoorzieningen 2023: Op zowel de loonkosten als de materiële kosten wijkt de (verwachte) kostenontwikkeling af van de indexatie zoals opgenomen in het tarief. De afwijking is dermate groot dat het naar onze mening nodig is om een correctie op de tarieven toe te passen. Gevolg van compensatie van OVA en stijging materiële kosten voor tarief 2023: • •

Loonkosten 2023: Ophoging van de looncomponent met 1,13% Materiële kosten 2023: Ophoging van de indexatie materiële kosten met 5,3%: 2,95% nacalculatie over 2022 en 2,35% aanpassing indexatie 2023.

NB: de compensatie voor de hoge energiekosten 2023 zit in de verhoging van het tarief voor 2023 want maakt onderdeel uit van de PPC (september).

Op de verschillende tarieven heeft dit een verschillende uitwerking. Zie bijlage A voor een overzicht van de nieuwe tarieven die dit oplevert. 2.2. KOSTENONTWIKKELING 2022 Loonkosten: • Cao’s voldoende verwerkt: Ten tijde van het vaststellen van de tarieven waren de vijf relevante Cao’s nog niet bekend. We hebben het tarief 2023 gebaseerd op de OVA 2022. De contractloonontwikkeling blijkt slechts beperkt af te wijken van het indexpercentage dat gehanteerd is in het tarief. Er is een verschil zichtbaar maar een dergelijk verschil nivelleert zich tussen de jaren (zo is er over 2021 uiteindelijk een iets te hoge indexatie toegekend). • OVA 1,13% onvoldoende verwerkt: De extra OVA van 1,13% is voor 50% in het tarief verwerkt. Dit omdat we ervan uitgingen dat de lonen niet allemaal per 1 januari 2022 zouden zijn verhoogd. We hebben een gemiddelde ingangsdatum gehanteerd (1 juli 2022). Nu we de werkelijke ingangsdata van de Cao’s kennen en meer zicht hebben op de wijze waarop de extra OVA in de Cao’s is verwerkt, blijkt deze aanname niet volledig bij de werkelijke kostenontwikkeling aan te sluiten. Conclusie: De VNG heeft opgeroepen om de extra OVA per 01-01-2022 toe te kennen. Dit corrigeren betekent incidenteel 50% van 1,13% = 0,565 extra in het tarief 2023 opnemen.

Materiële kosten: • Kostenontwikkeling 2022 wijkt af maar gecorrigeerd zich via nacalculatie in 2023: We hebben in het tarief gerekend met materiele index van 4% terwijl werkelijk prijsindex blijkend uit cijfers uit september 2022 9,25% is. De materiële kosten maken voor 15% onderdeel van de overheadkosten uit.

4

Conclusie maatwerkvoorzieningen 2022: Op zowel de loonkosten als de materiële kosten wijkt de (verwachte) kostenontwikkeling af van de indexatie zoals opgenomen in het tarief 2022. De afwijking is dermate groot dat het naar onze mening nodig is om een correctie op de tarieven 2023 voor het jaar 2022 toe te passen. Daarmee worden veel uitvoeringskosten voorkomen en kan de aanbieder via het berichtenverkeer declareren. •

Loonkosten 2022: EENMALIGE Ophoging van de looncomponent met 0,565% (50% van de extra) in tarief 2023. Materiële kosten 2022: Ophoging van de indexatie materiële kosten met 2,95% (weging circa 15%) in tarief 2023

NB: de compensatie voor de hoge energiekosten 2022 zit in de verhoging van het tarief voor 2023 want maakt onderdeel uit van de nacalculatie PPC in tarief 2023.

3. HULPMIDDELEN Omdat voor dit contract met één indexcijfers wordt gerekend, behandelen we hier de loonkosten- en prijsontwikkeling in één. Voor de kostenontwikkeling van de hulpmiddelencontracten is afgesproken om naar andere indexcijfers te kijken. In plaats van de OVA geldt het CBS-loonindexcijfer van de maand september van het voorliggende jaar. De kostenontwikkeling bij aanbieders hebben we voor hulpmiddelen niet volledig inzichtelijk. Anders dan bij de Zorg- en Ondersteuningsproducten hebben aanbieders bij start van deze overeenkomst zelf de kostprijs bepaald. AMvB reële tarieven is op hen niet van toepassing. 3.1 KOSTENONTWIKKELING 2023 Voor 2023 leidt de contractuele indexatiesystematiek tot een indexatie van 4,8% (voorlopig loonindexcijfer september 2022). Op basis van de nu bekende indexcijfers wijkt dat nauwelijks af van de verwachte ontwikkeling van loon- en prijsstijging in dat jaar (OVA 2023 = 4.74%, PPC 2023 = 4,87%). We noemen hier beide cijfers (OVA en PPC) vanwege het gesprek met de aanbieders welke indexatie te hanteren. Die keuze heeft dus geen invloed op 2023. Echter biedt deze indexatie geen nacalculatie voor eventuele afwijking in 2022. Conclusie hulpmiddelen voor 2023: •

Loonkosten en materiële kosten 2023: Over 2023 is de indexatie (los van de keuze personele of materiële indexatie hanteren) gelijk aan de verwachte kostenontwikkeling maar vindt geen nacalculatie plaats voor een eventueel verschil over 2022.

3.2 KOSTENONTWIKKELING 2022 Voor het tarief 2022 is het CBS-loonindexcijfer van september 2021 gebruikt. Dit was op dat moment 2,3%, aanbieders gaven aan de CPI á 4,8% nodig te hebben. Hier hebben we destijds niet in meebewogen, er is vastgehouden aan de contractueel vastgelegde indexatie. Om een inschatting te kunnen maken hoe de gehanteerde indexatie zich verhoudt tot de prijsontwikkeling in 2022 doen we de aanname dat de CPI en de Loonindex beiden 50% van het tarief uitmaken. De meest actuele CPI (september 2022) is 14,5%, loonindexcijfer is

5

4,8%. Op basis van deze aannames zeggen we dat er in 2022 sprake is van een gemiddelde kostenstijging van 9,65 %. Daarmee wijkt de gehanteerde indexatie in negatieve zin 7,35% af van de werkelijke kostenontwikkeling. Aanbieders hebben in de afgelopen jaren (2018-2021) voordeel gehad door het hanteren van het loonindexcijfer. Pas sinds 2022 ontstaat een nadeel voor de aanbieders. Uit de jaarverslagen van 2021 blijkt dat beide aanbieders op organisatieniveau nog steeds een nettoresultaat behalen. Ook op contractniveau blijkt niet dat aanbieders verlies maken op de dienstverlening binnen onze Zorgregio. Daarom wordt voorgesteld om de bestaande indexatie te handhaven. Conclusie hulpmiddelen 2022: • Loonkosten en materiële kosten 2022: Niet corrigeren voor de hogere kostenontwikkeling 2022 dan verwerkt in het tarief (7,35%). Qua type aanbieders gaat het hier om een andere, meer commerciële groep dan de zorgaanbieders die leveren. Het tarief hebben zij zelf bepaald. De AMvB reële tarieven niet van toepassing. Bovendien blijken deze aanbieders in de afgelopen jaren (2018-2021) voordeel te hebben gehad. 4. REGIONALE ALGEMENE VOORZIENINGEN Voor de regionale algemene voorzieningen (Beschermd Wonen/ Maatschappelijke opvang) kunnen we voor de werkelijke kostenontwikkeling gebruik maken van de (index)cijfers zoals genoemd bij de maatwerkvoorzieningen.

Alle ontwikkelingen zoals daar genoemd, gelden onverkort voor de algemene voorzieningen: • • •

Veelal is één of meerdere van de genoemde Cao’s van toepassing; Het betreft de doelgroep (aanbieders BW/MO) waarop de extra OVA van 1,13% ook van toepassing is; De hogere materiële kosten (met name door de hogere energiekosten), tot uiting komend in de hogere PPC zijn ook op deze aanbieders van toepassing.

Hier worden dus, in tegenstelling tot de hulpmiddelen, geen afwijkende indexcijfers gebruikt. De weging in het tarief van die indexcijfers is echter wel anders: de loonkosten tellen voor 2/3 mee en de materiële kosten voor 1/3. Indexcijfers begroting:

2021

2022

2023

Loonkostenindex 2/3

3,35%

1,75%

4,5%1 (incl. 0,4% nacalculatie 2022)

Materiële kostenindex 1/3

0%

1,5%

5% (incl. 2,6% nacalculatie 2022)

Gewogen index

2,20%

1,70%

4,7% (incl. 1,12% gewogen nacalculatie)

4.1 KOSTENONTWIKKELING 2023 In 2023 is de indexatie bepaald op de OVA en PPC (gemiddeld 4.7%). In dit percentage is ook rekening gehouden met een nacalculatie over 2022. Voor 2023 is er daarmee geen 1

- Nacalculatie 2022 - CPB raming maart 2022 - Premie ontwikkeling - Incidentele loonontwikkeling

6

0,4% 3,3% 0,5% 0,25% totaal 4,45% afgerond 4,5%

afwijking van de verwachte kostenontwikkeling. De vraag is echter of de t-1 correctie over 2022 voldoende hoog is (in feite is de hele index 2023 al nodig voor de verwachte kostenstijging in 2023). Conclusie regionale algemene voorzieningen 2023: • Loon- en materiële kosten 2023: Over 2023 is de indexatie gelijk aan de verwachte kostenontwikkeling.

4.2 KOSTENONTWIKKELING 2022 De kostenontwikkeling in 2022 voor de regionale algemene voorzieningen op basis van de indexcijfers (zoals ook geldend voor het maatwerk) is: Loon: Materieel: Totaal:

67% * 2,50 = 33% * 9,25 =

1,68 3.05 4,72%

De toegepaste indexatie in 2022 is 1,7 zodat de werkelijke kostenontwikkeling 3,02% hoger is. De afwijking wordt in belangrijke mate bepaald door de hogere materiële indexatie als gevolg van de hogere energiekosten. Conclusie regionale algemene voorzieningen 2022: • Loonkosten en materiële kosten 2022: Over 2022 is de kostenontwikkeling 3,02% hoger dan waarmee in het tarief rekening is gehouden. De werkelijke kostenontwikkeling is 4,72% en komt daarmee ook overeen met de compensatie in de rijksbijdrage (4,8%) die Apeldoorn in 2022 voor MO/BW ontving • Het verschil over 2022 verwerken in de subsidie over 2023 en verder.

5. BEELD IN DE REGIO OM ONS HEEN. We hebben voor deze QuickScan ook gekeken hoe “elders” in het land met de hogere kostenontwikkeling wordt omgegaan. Dit levert een aantal beelden op: •

•

• •

Nederlandse Zorgautoriteit: hanteert in de tarieven 2023 conform de oproep van VWS de hoge indexcijfers OVA en CPP uit september 2022 > compenseert daarmee volledig voor de kosten; De gemeente Ede, voor de Jeugdzorg onderdeel van de regio Food Valley, geeft aan in de tarieven ook de OVA en CPP te volgen en gehoor te geven aan de oproep van VWS om zich daarbij te baseren op de indexcijfers van september 2022; I-sociaal domein: heeft recent voor het sociaal werk een nieuwe en dringende oproep gedaan om de extra OVA ad 1,13% volledig te compenseren. Groningen en IJsselland: ook deze regio’s geven aan de hogere OVA en PPC te volgen.

Voorzichtige conclusie is dat we met de voorgestelde aanpassing van de tarieven eenzelfde lijn hanteren als diverse andere regio’s/ de NZA.

7

6. COMPENSATIE VOOR GEMEENTEN De compensatie voor loon- en prijsstijging valt uiteen in twee onderdelen: Specifieke compensatie Voor Beschermd Wonen krijgen de centrumgemeenten een decentralisatie uitkering. Hierin zit een compensatie voor loon- en prijsstijging die gebaseerd is op OVA en PPC. In de meicirculaire 2022 is een compensatie van 4,8% verstrekt. Daarmee sluit de rijksbijdrage op dit onderdeel goed aan op de werkelijke kostenontwikkeling. Algemene compensatie Voor de overige onderdelen (Jeugd/ Wmo/ hulpmiddelen) geldt dat de gemeenten hiervoor geen specifieke rijksbijdrage ontvangen. Ze worden hiervoor gecompenseerd via de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Dit fonds groeit jaarlijks met het zogenaamde accres waarin ook een loon- en prijsmutatie zit. Deze mutatie wordt gebaseerd op een aantal andere indexcijfers en ook in een andere weging. Op basis van de MEV-cijfers uit september vindt de vaststelling voor het komende kalenderjaar plaats. Hoewel er geen 1 op 1 relatie te leggen is tussen deze indexatie en de kostenontwikkeling bij Jeugd en Wmo, wordt in de septembercirculaire 2022 duidelijk dat op basis van de MEVcijfers een stevig extra bedrag aan loon- en prijsstijging wordt toegekend voor 2023 en verder (389 miljoen landelijk) Extra OVA 1,13% Deze compensatie hebben de gemeenten, via de algemene uitkering gemeentefonds, 1 op 1 ontvangen.

Daarbij is er nog een aantal kanttekeningen te plaatsen, bijvoorbeeld dat deze compensatie alleen over de structurele middelen Jeugd & Wmo in het gemeentefonds is berekend (en bijvoorbeeld niet over de € 1,6 miljard extra voor Jeugdzorg). Daarmee is deze compensatie geen 100%.

Conclusie: Hoewel niet op alle onderdelen 1 op 1 te herleiden, worden gemeenten via de rijksbijdragen grotendeels gecompenseerd voor de hogere loon- en prijsstijging. In de septembercirculaire 2022 krijgen de gemeenten hiervoor, gebaseerd op de MEV-cijfers, ook aanvullende middelen. Op onderdelen is de compensatie echter niet volledig > zo wordt de extra OVA van 1,13% bijvoorbeeld niet berekent over de extra rijksbijdrage jeugdzorg ad € 1,6 miljard. 7. WIJZE VAN COMPENSEREN Voor alle onderdelen geldt dat er in hoofdlijn 3 “smaken” zijn om te compenseren: 1. Achterstallige correctie in de tarieven en herrekening van facturen over 2022 2. Eenmalige na facturatie/ extra subsidie over 2022 (slotfactuur/ verhoogde subsidie vaststellen) 3. Meenemen als incidentele compensatie in tarief/ subsidiebeschikking 2023

In de weging welk scenario de voorkeur heeft, spelen de navolgende aspecten een rol:

8

Onderwerp

Optie 1

Optie 2

Optie 3

Administratieve lasten aanbieders

-/--

-/-

+

Administratieve lasten gemeenten

-/--

-/-

+

Foutgevoeligheid

-/--

-/-

+

Beste aansluiting bij de werkelijkheid

+

+

-

Optie 1: De tarieven 2022 aanpassen en met terugwerkende kracht herrekenen is gelet op de hoeveelheid aanbieders vanwege uitvoeringsproblematiek feitelijk geen optie. Optie 2: Eenmalige facturatie is een mogelijkheid maar leidt tot extra administratieve lasten, zowel bij gemeenten als aanbieders. Het merendeel van de werkzaamheden zal handmatig moeten en is foutgevoelig. Aanbieders hebben dubbele handelingen omdat per gemeente gefactureerd moet worden. Over de rechtmatigheid van de betaling kan discussie ontstaan en juridisch gezien zouden we afwijken van de raamovereenkomst die aangeeft dat we de tarieven eenmaal per jaar indexeren. Optie 3: Het meenemen van een correctie in het tarief voor 2023 geeft de minste extra uitvoeringskosten en minste extra administratieve lasten voor zowel aanbieders als gemeenten. Het is daarmee ambtelijk de voorkeursvariant. In de raamovereenkomst staat bij 6.2 dat de tarieven jaarlijks bijgesteld kunnen worden en telkens vanaf één januari ingaan. Een latere ingangsdatum is daarmee niet mogelijk. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een correctie in het tarief van 2023 als nadeel heeft dat een aanbieder die in 2022 weinig volume heeft geleverd en in 2023 een groei laat zien, bevoordeeld wordt. In het omgekeerde geval is er sprake van een nadeel voor de aanbieder.

Dit nadeel weegt naar het oordeel van de werkgroep niet op tegen het feit dat deze optie geen extra uitvoeringskosten met zich meebrengt. Conclusie: Zowel voor de maatwerktarieven, hulpmiddelen als de regionale algemene voorzieningen (subsidies) is optie 3 de variant die overeenkomstig de raamovereenkomst mogelijk is en die de minste extra uitvoeringslasten kent waarbij ook de foutgevoeligheid het laagst is. 8. PRECEDENTWERKING? •

•

9

Hulpmiddelencontract: door een jurist is dit al bekeken. Zou geen precedentwerking zijn, is een duidelijk afgezonderd contract met een bepaalde keuze die niet ter discussie staat Maatwerk: argumenten die dit kunnen “afzonderen” om precedentwerking te voorkomen: o Unieke situatie door de extra OVA en specifieke oproep VNG/ VWS o AMvB reële tarieven

•

Regionale algemene voorzieningen o Unieke situatie door de extra OVA en specifieke oproep VNG/ VWS o ….

9. FINANCIËLE CONSEQUENTIES Het is lastig om concreet per gemeente aan te geven wat de financiële consequenties van een eventuele verhoging van de maatwerktarieven is. De tarieven per product kennen een verschillend percentage van aanpassing. Daarmee kunnen we wel een ongewogen cijfer noemen van de aanpassing van de tarieven (gemiddeld stijgen de tarieven met 1,7% naar 5,2% in plaats van de eerder berekende gemiddelde tariefstijging van 3,5%) maar niet ieder product wordt in gelijke mate afgenomen. Er is zicht op de aantallen/ volume per product per gemeente nodig om een berekening te kunnen maken. Dat inzicht is er niet. Een overzicht van de voorgestelde prijsveranderingen per product is door de werkgroep verstrekt aan de beleidsmedewerkers van de gemeenten. Het verhogen van de tarieven zal voor iedere gemeente financiële consequenties hebben. Afhankelijk van het al wel/niet verwerken van de september circulaire gemeentefonds in de gemeentelijke begroting zou daar dekking kunnen worden gevonden.

10

TECHNISCHE ONDERBOUWING – ACHTERGROND EN CONTEXT Technisch deel bestemd voor betrokken ambtenaren met gedetailleerde achtergrondinformatie.

11

10. KADER EN AANPAK QUICKSCAN We richten ons in de QuickScan op de kostenontwikkeling in 2022 en 2023. We bekijken vanuit daar of de tarieven 2023 (1) voldoende rekening houden met de kostenontwikkeling in 2023 én (2) nacalculatie bieden voor een eventuele afwijkende ontwikkeling in 2022. Daarvoor brachten we het volgende in beeld:

• • • •

Landelijke indexcijfers die maatgevend zijn voor de kostenontwikkeling; Ontwikkeling daarvan op een aantal momenten in het jaar; De indexcijfers zoals die gebruikt zijn in het tarief 2022; Als context een aantal beelden van compensatie landelijk/ andere regio’s.

Een algemeen beeld van de kostenontwikkeling, aan de hand van afgesloten Cao’s en landelijke indexcijfers, vormt de start van dit document. Vervolgens laten we per onderdeel zien hoe die tot uiting zijn gekomen in het tarief en of dat tot een verschil leidt. We behandelen die eerst voor de maatwerktarieven en dan voor de regionale algemene voorzieningen. Aan het einde van het document gaan we vervolgens in op financiële consequenties en (on)mogelijkheden in de uitvoering van een eventuele compensatie. 11. ALGEMEEN BEELD KOSTENONTWIKKELING 2022 In de onderstaande tabellen geven we weer welke kostenontwikkeling er in 2022 zichtbaar is. Dat doen we (1) aan de hand van twee veel gebruikte landelijk indexcijfers en (2) inzichten rond relevante afgesloten Cao’s. 11.1 Indexcijfers kostenontwikkeling 2022 De onderstaande tabel geeft weer welke algemene kostenontwikkeling er in 2022 zichtbaar is. De OVA laat de ontwikkeling van de personele kosten zien, de PPC (= prijsindex particuliere consumptie) de ontwikkeling van de materiële kosten. Tabel 1: indexcijfers 2022

Index

2021

2022

2023

MEV incl. motie voor OVA (nov 2021)

CEP (maart 2022)

MEV (september 2022)

CEP (maart 2022)

MEV (september 2022

OVA

3,87

4,42

4,42

3,72

4,74

PPC

4,00

6,30

9,25

2,52

4,87

Toelichting op de indexcijfers OVA: Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling. De OVA bestaat uit drie elementen: de contractloonontwikkeling, de incidentele loonontwikkeling en de ontwikkeling in de werkgeverslasten. Het cijfers wordt twee keer per jaar gepubliceerd door het CBS: in de Centraal Economisch Plan (CEP) in het voorjaar en in de Macro Economische Verkenning (MEV) in het najaar. PPC: Prijsindexcijfer particuliere consumptie. Is een samengesteld wogen indexcijfers dat het prijsverloop weergeeft van een standaardpakket goederen en diensten zoals dat gemiddeld wordt aangeschaft.

De verwachte kostenontwikkeling 2022 staat in de blauwe kolom: de MEV-september 2022. Belangrijk daarbij is dat de OVA uit drie onderdelen bestaat. Op de volgende pagina ter indicatie de onderverdeling zoals opgenomen in het voorlopige OVA-cijfers 2022 (november 2021):

12

Tabel 2: OVA nader uitgesplitst2

https://www.vgn.nl/nieuws/hoe-zit-het-ook-alweer-met-de-ova-en-materiele-index-de-tarieven-2022

11.2 Ontwikkeling Cao’s De onderstaande tabel geeft weer hoe de diverse Cao’s zich ontwikkeld hebben in 2022. Tabel 3: Cao’s 2022

Cao 2022

Stijging loon component

Per datum

Effectief

Einddatum

Ggz

2,00%

1-7-2022

1,00%

31-12-2024

Gehandicaptenzorg

2,20%

1-5-2022

1.46%

31-1-2024

Sociaal werk

2,50%

1-12-2021

2,50%

30-6-2023

Jeugdzorg (1)

3,00%

1-1-2022

3,00%

31-12-2023

VVT

3,25%

1-3-2022

2.71%

31-12-2023

Gemiddeld

2.59%

Overige kostenverhogende afspraken Verdubbeling vergoeding bereikbaarheidsdiensten en verhoging onregelmatigheidstoeslag met twee periodieken. Verhoging schalen met een extra trede voor de middeninkomens. Bodem voor de loonstijging van 60,-- bruto 750 eenmalige uitkering in 2022, vervallen van een laagste trede en toevoegen van treden aan de bovenkant. Verdubbeling vergoeding onrustige slaapdienst. Bodem voor de contractloonverhoging van 85,-- bruto 1,13% zou volgens de CAO nader uitgewerkt worden als duidelijk is dat gemeenten ook toekennen 250 eenmalige uitkering in 2022, verhoging vergoeding dienstreizen, thuiswerkvergoeding Aantal onderste periodieken wordt verwijderd, vergoeding voor bereikbaarheidsdienst Bodem voor de loonsverhoging van 65,--

Verhogingen 2023 en verder 2% per jaar

3,2% per 1 mei 2023 en 0,5 incidenteel in 2023 en € 750 eenmalig

2% per 1/1/2023

3% per 1/1/2023

3% per 1/3/2023

2.14%

(1) De Cao Jeugdzorg is achterstallig ook met 2% verhoogd per 1-1-2021. Omdat we in tarief 2021 al rekening hielden met die 2%, kunnen we die voor de vergelijking buiten beschouwing laten.

2

13

https://www.vgn.nl/nieuws/hoe-zit-het-ook-alweer-met-de-ova-en-materiele-index-de-tarieven-2022

Uit de bovenstaande tabel wordt zichtbaar dat in drie Cao’s de extra OVA 1.13% ter versterking van de middeninkomens is verwerkt. Deze is echter niet (volledig) zichtbaar in het stijgingspercentage van de contractlonen maar met name in: • De aanpassing van de schalen: vervallen van onderste treden en toevoegen van treden aan de bovenkant. Volgens tekst bij enkele Cao’3s zou dit voor bepaalde inkomensgroepen een extra verhoging van 2% betekenen; • Het leggen van een ondergrens voor de loonsverhoging via een hard bedrag. Ook dit betekent voor bepaalde inkomensgroepen, zowel absoluut als procentueel gezien, een grotere loonstijging 11.3 Vergelijking OVA en werkelijke kostenstijging Cao’s De OVA wordt vaak als taakstellend gezien voor de loonruimte die er voor de Cao’s is. De OVA heeft een algemeen karakter, daardoor kunnen er forse afwijkingen zijn tussen de OVA en de werkelijke kostenontwikkeling als gevolg van de Cao’s. De effectieve loonstijging over 2022 (2,14%) van de 5 Cao’s wijkt beperkt af van de stijging van de contractlonen zoals opgenomen in de OVA 2022 zoals verwacht in 2021 (2,2%). In hoeverre de incidentele loonontwikkeling (OVA = 1,43% tabel 2) afwijkt van de werkelijkheid kostenontwikkeling binnen de Cao’s is niet exact duidelijk.

Wel is duidelijk dat er op deze incidentele component in de Cao’s diverse ontwikkelingen zichtbaar zijn (zie tabel 3) én dat de toegekende 1,13% extra OVA met name bedoeld is om de arbeidsmarktpositie te versterken (hogere inschaling, laten vervallen van treden). Dat komt niet direct tot uiting in de Cao’s maar leidt wel tot hogere loonkosten bij zorgaanbieders. Daarmee lijkt de ontwikkeling tussen de OVA 2022 en de werkelijke loonkostenontwikkeling beperkt. Vraag daarbij is of wij daarop in het tarief 2022 voldoende geanticipeerd hebben. 12. CONFRONTATIE KOSTENONTWIKKELING 2022 VS. INDEXATIE IN TARIEF 2022 In dit hoofdstuk zetten we de werkelijke kostenontwikkeling af tegen de indexatie die op de diverse onderdelen in het maatwerktarief 2022 is verwerkt. Per onderdeel geven we aan of er sprake van een verschil is en of zich dat herstelt in het tarief 2023 via t-1 systematiek. ONDERDEEL 12.1 – MAATWERKTARIEVEN 12.1.1 Loonkosten Voor de indexering van de regionale tarieven voor de maatwerkvoorziening 2022 is afgeweken van de reguliere indexeringsmethodiek voor de looncomponent. Op het moment van indexeren waren geen loonstijgingen bekend voor de cao’s die van invloed zijn op de tarieven. Het was noodzakelijk om een inschatting te maken van de verwachte gemiddelde loonstijging. Hierbij is de OVA-ontwikkeling betrokken.

Bij het vaststellen van de tarieven voor 2022 heeft het PFO gekozen uit drie scenario’s en daarbij aangegeven dat, indien de omstandigheden ten aanzien van de cao-ontwikkelingen en de daarmee samenhangende indexatie substantieel wijzigen, dit voldoende aanleiding is om de situatie opnieuw in het PFO te kunnen bespreken.

3

14

https://ambtenarensalaris.nl/zorg-en-welzijn/cao-ggz-2021-2024-gepubliceerd/

12.1.2 Indexatie opgenomen in tarief Voor de marktconsultatie zijn de tarieven met het, toen nog voorlopige, OVA-percentage van 1,72% geïndexeerd. Op 21 september 2021 is de OVA vervolgens opgehoogd van 1,72% naar 2.74%. Een tweede verhoging vond plaats met 1,13%. Dit als gevolg van een aangenomen motie om extra loonruimte voor met name de middeninkomens in de zorg mogelijk te maken. De OVA die bekend was voor de tarieven 2022 bedroeg daarmee 3,87% (2,74 + 1,13). Gemeenten zijn door de VNG opgeroepen om de looncomponent van alle tarieven in de Jeugdwet en de Wmo per 1 januari 2022 met de extra 1,13% te laten stijgen. In juni 2022 is daarvoor nogmaals een dringende oproep gedaan4. Dit om ruimte binnen de Cao’s te bieden om extra loonontwikkeling mogelijk te maken. Onze regio is er vervolgens van uitgegaan dat de salarisstijgingen effectief gemiddeld ingaan op 1 juli 2022 en gemiddeld 3,87% bedragen. Hierdoor zijn de loonkosten effectief met 1.935% geïndexeerd in het tarief 2022. 12.1.3 Verschil met werkelijke loonkostenontwikkeling Zoals we in hoofdstuk 3 beschreven, is de werkelijke loonkostenontwikkeling die volgt uit de Cao’s vrijwel gelijk aan het percentage dat daarvoor is opgenomen in de in het tarief gebruikte OVA. Waar echter een afwijking ontstaat, is dat de extra OVA van 1,13% niet met ingangsdatum 1 januari 2022 in het tarief 2022 is meegenomen maar per 1 juli 2022.

Dit vanwege de aanname dat de Cao’s gemiddeld per 1 juli zouden ingaan. Deze aanname blijkt in werkelijkheid anders. Ook roepen VNG en het ministerie van VWS de gemeenten inmiddels dringen op om de extra OVA per 1 januari 2022 volledig toe te kennen. Als we dit volgen, is de conclusie dat in het tarief 2023 de extra OVA ad 1,13% voor 50% te weinig is meegenomen. 12.1.4 Compenseert dit verschil zich in het tarief 2023? Het tarief 2023 is gebaseerd op de werkelijke CAO-ontwikkelingen. Daarmee is het loonpeil voor 2023 gebaseerd op werkelijke contractlonen. De Cao’s gelden alle in ieder geval voor 2023. Daarmee zijn ook de loonstijgingen gedurende 2023 bekend en opgenomen in het tarief. Gebleken is echter dat de extra OVA van 1,13%, bedoeld voor reparatie van de middeninkomens, niet zichtbaar is in de stijging van de contractlonen. Dit is anders verwerkt, met name door aanpassing van schalen (vervallen van treden aan de onderkant, toevoegen van treden aan de bovenkant) en een hard bedrag als minimum voor de loonstijging. Deze ontwikkelingen zijn in het tarief 2023 niet meegenomen. Hiermee zit in 2023 de extra OVA van 1,13% niet in het tarief. Conclusie onderdeel loonkosten T.o.v. de indexatie is er voor 2022 sprake van een verschil van 0,565% zijn de 50% van de extra toegekende OVA.

Voor 2023 blijkt de extra OVA niet tot uiting te komen in de procentuele verhoging van de contractlonen zoals gehanteerd in de tariefberekening. Dit betekent dat voor 2023 de 1,13% extra OVA niet in het tarief zit. 12.1.5 Materiële kosten De materiële kosten in ons tarief vallen in twee componenten uiteen, te weten de huisvestingskosten en de overige materiële kosten. De materiële kosten maken onderdeel uit van de overheadkosten. De overheadkosten bestaan voor 85% uit loonkosten en 15% uit materiële kosten. 4

15

https://vng.nl/nieuws/verhogen-looncomponent-tarieven-wmojeugd-herhaalde-oproep

Voor deze 15% wordt gerekend met de PPC voor de algemene materiële kosten en de NHC voor de huisvestingkosten. De 15% aandeel in het overheadtarief betekent dat de materiële kosten slechts in beperkte mate de hoogte van de meeste tarieven bepalen. Alleen voor de tarieven die met verblijf te maken hebben is de weging zwaarder. 12.1.6 Indexatie opgenomen in tarief Voor de indexering van de materiële kosten is uitgegaan van de PPC. Deze was ten tijde van de indexering 1.84% en is vervolgens nog gewijzigd in 4%. Voor de huisvestingkosten is gerekend met een indexpercentage van 2,5% gebaseerd op de NHC. De NHC wordt jaarlijks geïndexeerd met een vast indexcijfer van 2,5%. De NHC dient als vergoeding voor (vervangende) (nieuw)bouw en instandhouding vastgoed. De NHC is niet bedoeld voor de exploitatiekosten, zoals de energiekosten. 12.1.7 Verschil met werkelijke materiële kostenontwikkeling De huidige PPC bedraagt 9,25%. Daarmee wijkt deze 5,25% af van de indexatie ad 4,0% zoals opgenomen in het tarief 2022. 12.1.8 Compenseert dit verschil zich in het tarief 2023? Het verschil tussen de PPC waarmee geïndexeerd is en de definitief vastgestelde PPC wordt gecorrigeerd op de indexering voor het opvolgende jaar volgens de t-1 systematiek. Hierbij kon echter nog geen gebruik worden gemaakt van de actuele cijfers zoals nu bekend.

Dit betekent dat het verschil over 2022 zich niet volledig herstelt in het tarief 2023. Onderbouwing: voor het tarief 2023 moeten worden uitgegaan van het meer recente cijfer van de PPC (dit op verzoek van het ministerie van VWS) zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenningen 2023. Hierdoor komt de definitieve index 2022 op 9.25% in plaats van de in het tarief 2023 gehanteerde 6,3% waarop de nacalculatie is gebaseerd. Dit betekent een extra nacalculatie van 2.95%. Daarnaast is in de indexering voor 2023 is in het tarief gebruik gemaakt van de toen bekende PPC (prognose) voor 2023 van 2.52%. Deze index is nu echter vastgesteld op 4,87%. Dit leidt tot een totaal verschil in materiële compensatie in het tarief 2023 van 2,95% (te lage nacalculatie 2022) + 2,35% (te lage kostenstijging 2023) = 5,30%. Conclusie onderdeel materiële kosten T.o.v. de indexatie is er sprake van een verschil van 5,25% in het tarief van 2022. Via de t-1 systematiek wordt dit gecorrigeerd in het tarief 2023. Echter kon in dit tarief niet van de meest actuele cijfers worden uitgegaan waarmee de nacalculatie te laag blijkt. Samen met de te lage inschatting van de verwachte kostenontwikkeling in 2023 betekent dat een correctie op het tarief 2023 van 5,3%.

16

Intermezzo: stijging vooral door hogere energiekosten In een brief van 17 oktober 2022 informeren de ministers Kuipers en Helder de Tweede Kamer over de gevolgen van de stijging van de energiekosten in de (semi)-collectieve sector VWS-terrein. Een aantal punten uit deze brief die relevant zijn in het kader van de tarieven: •

Het ministerie werkt aan een inventarisatie van de gevolgen van de hoge energiekosten voor zorgaanbieders in de domeinen Wlz, Zvw, Wmo en Jeugdzorg (pagina 2)

•

Op basis daarvan bepaalt het kabinet op ingrijpen nodig is (pagina 2)

•

Verschillen tussen aanbieders is groot. Vooral aanbieders met oude gebouwen worden getroffen (pagina 2)

•

T.b.v. continuïteit van zorg is specifiek verzoek gedaan aan de NiZA om alle tarieven 2023 te baseren op de indexcijfers (OVA en PPC) uit de MEV (pagina 3)

•

Het gemeentefonds wordt geïndexeerd via het accres. Dit is een samenvoeging van volumeaccres en accres voortkomend uit loon- en prijsontwikkeling. De indices voor loon- en prijsontwikkeling zijn ook op basis van de MEV-raming geactualiseerd in de septembercirculaire. Dit betekent dat gemeenten in 2023 tarieven en budgetten kunnen aanbieden die aansluiten bij deze uitgangspunten (pagina 3)

•

Ministers zijn zich bewust dat de prijsstijging zich al in 2022 voordoet. Bezien wordt nog of daarvoor aanvullend iets moet gebeuren (pagina 4)

•

Zorgaanbieders, zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten hebben ieder een verantwoordelijkheid (pagina 4).

Deze brief roept het beeld op dat gemeenten de hogere energiekosten compenseren via de tarieven 2023. De dekking daarvoor kan komen uit het hogere accres gemeentefonds. Voor 2022 bekijkt het Rijk nog of aanvullende maatregelen nodig zijn.

ONDERDEEL 12.2 – TARIEVEN HULPMIDDELEN 12.2.1 Algemeen Anders dan bij de reguliere zorg- en ondersteuningsproducten zijn materiaal-, energie- en transportkosten sterk van invloed op de prijs van het hulpmiddelen. Hulpmiddelenleveranciers trekken al langer aan de bel vanwege de stijgende kosten op deze ondersteuningsproducten. Tijdens de coronapandemie hadden de hulpmiddelenleveranciers veel last van gestegen productie- en transportkosten. Deze kostenstijging zet zich nu voort. Op de hulpmiddelen is de AMvB reële tarieven niet van toepassing, dit in tegenstelling tot de genoemde maatwerkvoorzieningen waar deze AMvB wel op van toepassing is. In de Inkoopnota hulpmiddelen, welke medio 2016 door gemeenten is vastgesteld en het uitgangspunt voor de Raamovereenkomst hulpmiddelen vormt, is echter wel opgenomen dat we voor hulpmiddelen reële tarieven willen hanteren. VNG erkent de door de leveranciers genoemde argumenten en roept gemeenten op om mee te bewegen met de wens van de hulpmiddelenleveranciers. Andere gemeenten, o.a. Enschede en Deventer, hebben reeds in 2021 de CPI gehanteerd en daarmee een ander indexatiepercentage toegepast. Op dit moment is de nieuwe inkoop voor hulpmiddelen opgestart. Medio 2024 zal er een nieuwe overeenkomst (met daarbij behorende tarieven) zijn gesloten.

Tot op heden laten geen van de twee door ons gecontracteerde landelijke hulpmiddelenleveranciers op organisatieniveau tekorten zien.

17

12.2.2 Indexatie opgenomen in tarief In de Raamovereenkomst hulpmiddelen, artikel 20.2, is opgenomen dat de tarieven eenmaal per jaar op 1 januari worden geïndexeerd op basis van het CBS-loonindexcijfer van de maand september in het voorgaande jaar. Aanbieders hebben tijdens inschrijving verzocht om niet het CBS-loonindexcijfer, maar de Consumenten Prijs Index (CPI) te hanteren. Dit omdat de CPI beter aansluit op de kostenontwikkeling van hulpmiddelen. Destijds is besloten om dit verzoek niet te honoreren. De indexatie voor 2022 bedraagt 2,3%. 12.2.3 Verschil met werkelijke kostenontwikkeling Van 2018 tot en met 2021 is het hanteren van de CBS-loonindexcijfer voor de leveranciers aantrekkelijk geweest. In Tabel 1 zien we dat de CPI de laatste jaren fors harder stijgt dan het gehanteerde CBS-loonindexcijfer met een uitschieter in 2022. Daar wijkt de kostenontwikkeling stevig af.

CBSloonindex cijfer[1] CPI[2]

2018

2019

2020

2021

2022

Gemiddeld per jaar incl 2022

Gemiddeld per jaar t/m 2021

2,00%

2,60%

3,10%

3,00%

4,80%

3,10%

2,68%

1,50%

1,90%

2,60%

1,10%

14,50%

4,32%

1,78%

Als we uitgaan van een 50/ 50 weging in tarief, is de werkelijke kostenontwikkeling als volgt: 50% van 4,8 = 2,40 50% van 14,5 = 7,25 Totale indexatie: 9,65 De afwijking van het gehanteerde indexpercentage 2022 is daarmee 9,65 – 2,3 = 7,35%

12.2.4 Compenseert dit verschil zich in het tarief 2023? De indexatie voor 2023 is vastgesteld op 4,5%. De PPC voor 2023 bedraagt 4,87% en de OVA 4,74%. Daarmee is de indexatie in 2023 (4,8%) conform de verwachte kostenontwikkeling maat vindt er geen t-1 correctie plaats. Conclusie onderdeel hulpmiddelen T.o.v. de indexatie is er sprake van een verschil van 7,35%. Dit verschil corrigeert zich niet in 2023. Wel hebben de aanbieders de afgelopen jaren (2018-2021 voordeel gehad door het hanteren van het loonindexcijfer.

18

ONDERDEEL 12.3 – REGIONALE ALGEMENE VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE OPVANG12.3.1. Indexatie opgenomen in tarief Voor de indexatie van de tarieven wordt aangesloten bij het algemene indexatiepercentage dat in de gemeentelijke begroting gebruikt wordt. Deze is gebaseerd op de CPB-raming. Voor 2022 is deze berekend op 1,7% (gewogen gemiddelde loon/ materieel). Indexcijfers begroting:

2021

2022

2023

Loonkostenindex 2/3

3,35%

1,75%

4,5%5 (incl. 0,4% nacalculatie 2022)

Materiële kostenindex 1/3

0%

1,5%

5% (incl. 2,6% nacalculatie 2022)

Gewogen index

2,20%

1,70%

4,7% (incl. 1,12% gewogen nacalculatie)

12.3.2. Verschil met werkelijke kostenontwikkeling Voor de werkelijke loonkostenontwikkeling kijken we weer naar de Cao’s. In navolging van de maatwerktarieven zien we hier een stijging van de werkelijke kosten én het effect van de extra OVA. Bij de maatwerktarieven trokken we de conclusie dat deze ontwikkelingen leiden tot een compensatie van 1,935 (index in tarief) + 0.565 (50% extra OVA) = 2,5% over 2022. Voor de materiële kosten bedraagt de PPC 9,25%. Dit leidt tot onderstaande gewogen kostenontwikkeling: Loon: Materieel: Totaal:

67% * 2,50 = 33% * 9,25 =

1,68 3.05 4,72%

Dit percentage is ook vrijwel gelijk aan de compensatie die de gemeenten over 2022 krijgen voor loon- en prijsstijging Beschermd Wonen (4,8%). In het tarief is gerekend met een indexatie van 1,7%, de afwijking t.o.v. de werkelijke kostenontwikkeling is daarmee 3,02%. 12.3.3 Compenseert dit verschil zich in het tarief 2023? De looncomponent voor 2023 in de indexatie bedraag 4,5%. Voor de indexatie van de regionale algemene voorzieningen baseert Apeldoorn zich op de OVA-percentages (algemeen percentage zoals gehanteerd voor de begroting van Apeldoorn) en niet de Cao’s. De meest recente OVA is 4,74% hiermee is er geen t-1 compensatie in het tarief 2023. De materiële component voor 2023 in de indexatie is 5%. De meest recente PPC voor 2023 is 4,87%. Daarmee is de gewogen kostenontwikkeling over 2023 gelijk aan de indexatie zoals opgenomen in het tarief maar is er geen t-1 correctie. Dus de genoemde afwijking van afgerond 3% in 2022 is daarmee ook in 2023 aanwezig.

5

- Nacalculatie 2022 - CPB raming maart 2022 - Premie ontwikkeling - Incidentele loonontwikkeling

19

0,4% 3,3% 0,5% 0,25% totaal 4,45% afgerond 4,5%

Conclusie onderdeel algemene voorzieningen T.o.v. de indexatie 2022 is er sprake van een verschil van 3,02% t.o.v. de werkelijke kostenontwikkeling. De indexatie in 2023 volgt de verwachte kostenontwikkeling maar daarmee is er geen t-1 correctie. Ook over 2023 wijkt de indexatie daarmee afgerond 3% af.

13. AFWIJKINGEN IN LANDELIJK PERSPECTIEF/ BEELD ANDERE REGIO’S We hebben voor deze QuickScan ook gekeken hoe “elders” in het land met de hogere kostenontwikkeling wordt omgegaan. Dit levert een aantal beelden op: •

•

•

Nederlandse Zorgautoriteit: hanteert in de tarieven 2023 conform de oproep van VWS de hoge indexcijfers OVA en CPP uit september 2022 > compenseert daarmee volledig voor de kosten6: De gemeente Ede, voor de Jeugdzorg onderdeel van de regio Food Valley, geeft aan in de tarieven ook de OVA en CPP te volgen en gehoor te geven aan de oproep van VWS om zich daarbij te baseren op de indexcijfers van september 2022; I-sociaal domein: heeft recent voor het sociaal werk een nieuwe en dringende oproep gedaan om de extra OVA ad 1,13% volledig te compenseren.

14. AFWIJKINGEN IN CONTEXT VAN RIJKSVERGOEDING De compensatie voor loon- en prijsstijging valt uiteen in twee onderdelen: Specifieke compensatie Voor Beschermd Wonen krijgen de centrumgemeenten een decentralisatie uitkering. Hierin zit een compensatie voor loon- en prijsstijging die gebaseerd is op OVA en PPC. In de meicirculaire 2022 is een compensatie van 4,8% verstrekt. Daarmee sluit de rijksbijdrage op dit onderdeel goed aan op de werkelijke kostenontwikkeling. Algemene compensatie Voor de overige onderdelen (Jeugd/ Wmo/ hulpmiddelen) geldt dat de gemeenten hiervoor geen specifieke rijksbijdrage ontvangen. Ze worden hiervoor gecompenseerd via de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Dit fonds groeit jaarlijks met het zogenaamde accres waarin ook een loon- en prijsmutatie zit. Deze mutatie wordt gebaseerd op een aantal andere indexcijfers en ook in een andere weging. Op basis van de MEV-cijfers uit september vindt de vaststelling voor het komende kalenderjaar plaats.

Hoewel er geen 1 op 1 relatie te leggen is tussen deze indexatie en de kostenontwikkeling bij Jeugd en Wmo, wordt in de septembercirculaire 2022 duidelijk dat op basis van de MEVcijfers een stevig extra bedrag aan loon- en prijsstijging wordt toegekend voor 2023 en verder (389 miljoen landelijk) “De loon- en prijsontwikkeling in het accres wordt bijgesteld met een gecombineerde index op basis van de CPB-indices voor de loonvoet sector overheid, de prijsontwikkeling materiele overheidsconsumptie (IMOC) en de prijsontwikkeling bruto overheidsinvesteringen (IBOI). Hierbij wordt een verdeling van 60/20/20 tussen loon, consumptie en investeringen aangehouden. De individuele indexen worden in procenten met één cijfer achter de komma bijgehouden, de gecombineerde index wordt bijgehouden met twee cijfers achter de komma. De indices worden bijgesteld op basis van het CEP-raming van het CPB in het voorjaar en op basis van de MEV-raming

6

20

https://puc.overheid.nl/nza/doc/PUC_722009_22/1/

in september. Tabel 2.2.4 toont de ontwikkeling van de indices tussen de CEP van dit voorjaar en de meest recente MEV. Hierin is te zien dat de loon- en prijsontwikkeling voor 2023 gestegen is ten opzichte van de raming uit het CEP. Voor jaren waarin er in de MEV-raming geen nieuwe cijfers beschikbaar zijn, zijn de indices uit het CEP aangehouden. De tranche van het lopend jaar wordt in het voorjaar vastgezet op basis van indices uit de CEP-raming”. 7

Extra OVA 1,13% Deze compensatie hebben de gemeenten, via de algemene uitkering gemeentefonds, 1 op 1 ontvangen. Daarbij is er nog een aantal kanttekeningen te plaatsen, bijvoorbeeld dat deze compensatie alleen over de structurele middelen Jeugd & Wmo in het gemeentefonds is berekend (en bijvoorbeeld niet over de € 1,6 miljard extra voor Jeugdzorg). Daarmee is deze compensatie geen 100%. Conclusie: Hoewel niet op alle onderdelen 1 op 1 te herleiden, worden gemeenten via de rijksbijdragen grotendeels gecompenseerd voor de hogere loon- en prijsstijging. In de septembercirculaire 2022 krijgen de gemeenten hiervoor, gebaseerd op de MEV-cijfers, ook aanvullende middelen. Op onderdelen is de compensatie echter niet volledig > zo wordt de extra OVA van 1,13% bijvoorbeeld niet berekent over de extra rijksbijdrage jeugdzorg ad € 1,6 miljard.

15. AANDACHTSPUNTEN BIJ WEL/ NIET COMPENSATIE 15.1 Precedentwerking •

•

•

Hulpmiddelencontract: door een jurist is dit al bekeken. Zou geen precedentwerking zijn, is een duidelijk afgezonderd contract met een bepaalde keuze die niet ter discussie staat Maatwerk: argumenten die dit kunnen “afzonderen” om precedentwerking te voorkomen: o Unieke situatie door de extra OVA en specifieke oproep VNG/ VWS o AMvB reële tarieven Regionale algemene voorzieningen o Unieke situatie door de extra OVA en specifieke oproep VNG/ VWS

15.2 Uitvoerings (on)mogelijkheden Onderstaand is per onderdeel uitgewerkt op welke wijze, in theorie, compensatie mogelijk is: 15.2.1. Maatwerkvoorzieningen Jeugd en WMO Hier gelden 3 opties: o Tarieven 2022 nog aanpassen en met terugwerkende kracht herrekenen > gelet op hoeveelheid aanbieders een NO GO o Tarieven 2023 extra aanpassen met een éénmalige correctie voor 2022

7

21

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/circulaires/2022/09/20/septembercirculaire-gemeentefonds-2022

▪

o

Urenbesteding aanbieders kan anders liggen dan in 2022 > komt het wel bij de juiste aanbieders terecht? ▪ In 2024 dan weer terugval in tarief? Eenmalige compensatie aanbieders over omzet 2022 (aan de hand van productieverklaring) ▪ Aanbieder stuurt 1 factuur: XX % over totale omzet vanwege correctie tarief ▪ Kan dat juridisch > in de overeenkomst staat dat we maar 1 keer per jaar indexeren ▪ Mag het van de accountant qua rechtmatigheid? ▪ Handmatige facturen > wat betekent het aan belasting. ▪ Kosten komen niet op cliëntniveau > consequentie?

15.2.2. Hulpmiddelen Voor de hulpmiddelen gelden grosso modo dezelfde mogelijkheden zoals hiervoor beschreven bij de maatwerktarieven. Eerder is daar vanuit de vakinhoudelijke ambtenaren nog het volgende meegegeven vanwege het feit dat hier om een ander type aanbieders gaat dan de zorgaanbieders (dit zijn commerciële partijen): Wanneer we toch tot de conclusie komen dat de prijsstijgingen geen normaal maatschappelijke risico betreffen en gemeenten willen meewerken aan het aanpassen van de prijs, is het van belang om: • Te beoordelen bij welke kostenposten de prijsstijging zich nu precies voordoet. Niet elke kostenpost stijgt op onevenredige wijze. • De eventuele tegemoetkoming te corrigeren voor dat wat vanaf de start van de overeenkomst te veel is geïndexeerd. • De casus voor te leggen aan een inkoopjurist voordat er een besluit wordt genomen over de hoogte, periode en argumentatie voor de verhoging. Bij de beoordeling of en welke prijsaanpassing redelijk is, kunnen de volgende zaken worden meegenomen, aldus concernlijn Apeldoorn prijsstijgingen: o Heeft de opdrachtnemer aantoonbaar, concreet en goed onderbouwd aangegeven welke kostenpost tot een aanzienlijke prijsstijging heeft geleid? o Wat heeft de opdrachtnemer zelf gedaan om het nadeel te beperken (bijv.

nieuwe afspraken met eigen toeleveranciers gemaakt)? o Wanneer zette de prijsstijging in? Was dit al op het moment dat het contract werd gesloten? Waarop is de nieuw voorgestelde prijs gebaseerd en is het redelijk om de volledige verhoging voor rekening van de gemeente te laten komen? Extra overweging bij de hulpmiddelen is om een eventuele aanpassing mee te nemen in de nieuwe inkoopovereenkomst zoals die nu wordt voorbereid. Regionale algemene voorzieningen 15.2.3Verhogen van de subsidies 2022 en/of 2023 door hogere indexering

22

Juridisch is het advies om dit te verwerken in de subsidie 2023. Het achteraf corrigeren van de subsidies 2022 is een veel ingrijpender proces. Wil je het jaar van de verlening verhogen, dan doe je dat door het verleende bedrag over 2022 te verhogen. Dit doe je door en wijzigingsbeschikking te versturen naar alle ontvangers van subsidie op basis van de subsidieregelingen Algemene voorzieningen. Deze wijzigingsbeschikkingen komen dan in de plaats van de oorspronkelijke verleningsbeschikkingen. Wat hier dan bij komt kijken is dat we de subsidieplafonds voor 2022 moeten laten verhogen voor 2022 door het college. Dit omdat de vastgestelde subsidieplafonds voor 2022 voor de subsidieregelingen zijn bereikt en we dus geen hoger bedrag dan deze subsidieplafonds kunnen verlenen vanwege de automatische weigeringsgrond uit artikel 4:25 lid 2 AWB, die bepaalt dat subsidie wordt geweigerd wanneer het subsidieplafond wordt overschreden. Laten we het subsidieplafond niet verhogen voor 2022, dan zal sprake zijn van onrechtmatige wijzigingsbesluiten, wat de accountant uiteraard op zal kunnen vallen bij de accountantscontrole. Wijzigingsbeschikkingen voor de subsidie van 2022 én de besluiten met een nieuw indexcijfer zijn besluiten waartegen bezwaar en beroep open staat.

We halen ons dan mogelijk procedures op de hals wanneer de subsidieontvangers het niet eens zijn met de hoogte of de nieuwe systematiek van de verhoging over het jaar 2022 en de hoogte van het indexcijfer over 2023. Kortom: hier zal een bestuurlijk besluitvormingsproces aan vooraf moeten gaan alvorens we over kunnen gaan tot het wijzigen van de beschikkingen over 2022. Het is de vraag of we dat willen. Het aanpassen van het indexcijfer vanaf 2023 is een minder ingewikkelde besluitvormingsprocedure en minder ingrijpend, nu we alleen een besluit inzake het nieuwe indexcijfer moeten versturen. Het eventueel aanpassen van het indexcijfer is een onderwerp waar de Gemeenteraad bevoegd is en niet het college. Conclusie: Zowel voor de maatwerktarieven, hulpmiddelen als de regionale algemene voorzieningen (subsidies) is de variant van correctie in 2023 de variant met de minste juridische gevolgen en de minste extra uitvoeringslasten. 16. Financiële consequenties Het is lastig om concreet per gemeente aan te geven wat de financiële consequenties van een eventuele verhoging van de maatwerktarieven is. De tarieven per product kennen een verschillend percentage van aanpassing.

Daarmee kunnen we wel een ongewogen cijfer noemen van de aanpassing van de tarieven (gemiddeld stijgen de tarieven met 1,7% naar 5,2% in plaats van de eerder berekende gemiddelde tariefstijging van 3,5%) maar niet ieder product wordt in gelijke mate afgenomen. Er is zicht op de aantallen/ volume per product per gemeente nodig om een berekening te kunnen maken. Dat inzicht is er niet.

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12147421/1