CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

575962 Compleet Epe- Hoofdstraat 90-94 ROB incl bijlage

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente EpeBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen Hoofdstraat 90-94 Epe23.381 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Hoofdstraat 90-94 te Epe Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Keizerstraat 21 7411 HD Deventer

Rapportnummer

17234.002

Versienummer1

1

Datum

16 maart 2022

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

De heer drs. J. Holl

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

17234.002

Toponiem

Hoofdstraat 90-94

Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte

Gemeente

Epe

Plaats

Epe

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

gemeente Epe en Oene, sectie U, nummers 6882, 6883, 6885, 6886 & 7737

Omvang plangebied

circa 1.250 m2

Kaartblad

27 D (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 195.625/Y: 484.565

Bevoegde overheid

Gemeente Epe Postbus 600 8160 AP Epe

T. 14-0578 E. gemeente@epe.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Regioarcheoloog Stedendriehoek dhr. H.G. Pape-Luijten MA Postbus 9033 7300 ES Apeldoorn

T. 06-11707200 E. h.pape@apeldoorn.nl

ARCHIS3

5132098100 (bureauonderzoek) / 5180406100 (booronderzoek)

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Archeoregio NOaA

Utrechts-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland

Uitvoerder

Econsultancy, De heer drs. J. Holl

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Hoofdstraat 90-94 te Epe in de gemeente Epe. De initiatiefnemer heeft het plan de bestaande bebouwing te slopen en een nieuw gebouw te realiseren. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Archeologische verwachting bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek kunnen onder de huidige bebouwing nog resten van bebouwing uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. Resten van voor de Middeleeuwen zullen als gevolg van diverse bebouwingsfasen reeds vrijwel geheel verstoord zijn. Bovendien gold hiervoor een lage verwachting vanwege de ligging in een laaggelegen gebied. Gezien deze archeologische verwachting is verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Resultaten booronderzoek Tijdens het booronderzoek zijn in de boringen 1-3 tot 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) humeuze, gevlekte lagen met hierin recent puin en mortel waargenomen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de bodem tot deze uit (sub-)recent verstoorde lagen bestaat. Mogelijk betreffen dit deels een pakket dat is opgebracht om een laagte langs de Dorpse Beek op te vullen. Hieronder bevinden zich eveneens antropogeen verstoorde lagen, maar hier kan sprake zijn van een oudere datering. In boring 3 zijn binnen dit traject baksteen- en houtskoolspikkels aangetroffen. Mogelijk betreffen dit ophogingslagen uit de Late-Middeleeuwen of Nieuwe tijd. De natuurlijke afzettingen bestaan uit matig grof, grindhoudend zand, geïnterpreteerd als smeltwaterafzettingen, waarin alleen een lichtgrijze Chorizont aanwezig is. Vermoed is dat het plangebied van oorsprong relatief laaggelegen was, als gevolg van de ligging in het beekdal van de Dorpse Beek. Ter bescherming tegen overstroming en ter versteviging van het maaiveld zal in meerdere fasen een zandpakket zijn opgebracht. Conclusie en advies Op basis van het booronderzoek kunnen vanaf 1,5 à 1,8 m -mv (11,0 m NAP) archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd voorkomen. Bij bodemingrepen tot in dit niveau wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren.

Gezien de grote diepte van het relevante niveau en hiermee gepaard gaande overlast van het grondwater, zal een proefsleuvenonderzoek hier naar verwachting lastig uitvoerbaar zijn. Vandaar dat wordt geadviseerd om tijdens de graafwerkzaamheden in een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding te voorzien. Geadviseerd wordt om een bufferzone van 30 cm boven het mogelijke archeologische niveau te hanteren en de graafwerkzaamheden dieper dan 11,3 m NAP (1,2 à 1,5 m -mv) te begeleiden. Tijdens een proefsleuvenonderzoek – variant archeologische begeleiding begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, wordt direct doorgestart naar een opgraving – variant archeologische begeleiding, waarbij de vondsten en sporen direct gedocumenteerd en geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Rapport 17234.002 versie 1

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Epe), die vervolgens een besluit neemt.

Rapport 17234.002 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 17 3.1 3.2 3.3

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 5 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 5 Archeologische waarden .................................................................................................. 8 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 15 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 17

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 17 Methoden ........................................................................................................................ 17 Resultaten ....................................................................................................................... 18

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 19

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 20 BRONNEN .......................................................................................................................................... 22

Rapport 17234.002 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000). Het plangebied op de kadastrale kaart. Het plangebied op een luchtfoto uit 2021. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart. Het plangebied op de geomorfologische kaart. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3). Het plangebied op de bodemkaart. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Het plangebied op historische kaarten. Het plangebied op historische kaarten.

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorkolommen

Rapport 17234.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Hoofdstraat 90-94 te Epe in de gemeente Epe (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft het plan de bestaande bebouwing te slopen en een nieuw gebouw te realiseren. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in november 2021 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector) en het veldonderzoek is uitgevoerd in maart 2022 door drs. J. Holl (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Tevens is het onderzoek uitgevoerd conform de gemeentelijke handreiking voor bureau- en booronderzoek.2 Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: 

2 3

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01);

Pape-Luijten, 2019. SIKB.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 1 van 23

   

beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Epe; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 1.250 m2, ligt aan de Hoofdstraat 90-94, in het centrum van Epe in de gemeente Epe (zie figuur 1 en figuur 2). Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Epe en Oene, sectie U, nummers 6882, 6883, 6885, 6886 & 7737. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 27 D (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 195.625/Y: 484.565. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel vrijwel geheel bebouwd met een winkelpand (Hema) met hierboven appartementen en een kantoor. Een klein deel in het zuidoosten is verhard met klinkers (zie figuur 3).

4

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 2 van 23

Onder het bestaande winkelpand is geen kruipruimte of kelder aanwezig. De bestaande betonvloer rust op zand. Ter plaatse van de draagmuren zijn funderingsstroken aanwezig die tot maximaal 1 m mv zijn ingegraven.5 Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Centrum Epe’, vastgesteld op 20 juni 2013. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’.

Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.6 Binnen de gemeente Epe wordt wat betreft het archeologiebeleid uitgegaan van de recente archeologische verwachtingskaart.7 Volgens deze kaart (zie Figuur 4) ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten, met een conserverend dek van 30 cm of minder. De vrijstellingsgrenzen bij deze kaart zijn nog niet vastgesteld, maar in deze zones zal archeologisch onderzoek verplicht worden bij bodemingrepen groter dan 250 m 2 en dieper dan 35 cm -mv.8 Bodemverontreinigingen De overheid wil middels het Bodemloket inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Op basis van het bodemloket is direct ten zuiden van de huidige bebouwing in de jaren ’90 een sanering van een beek uitgevoerd, waarbij grond is afgegraven en schone grond is opgebracht.

De reden van deze sanering was een verontreiniging als gevolg van een benzinepomp die hier vanaf 1930 gestaan heeft.9 Op de provinciale kaart Bodemverontreinigingen is geen aanvullende informatie gevonden.10 Binnen het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij is tussen 0,15 en 0,8 m -mv een metselpuinhoudende laag aangetroffen, die licht verontreinigd is met kwik, zink, lood, PAK en PFOS. Verder is de boven- en onderlaag licht verontreinigd met PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en dichlooretheen. Gezien de lichte verontreinigingen is geconcludeerd dat geen beperkingen gelden voor de toekomstige nieuwbouw. Wel moet na de sloop van de huidige

5

Informatie verstrekt door de opdrachtgever. Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 7 Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie. 8 Informatie verstrekt door dhr H.G. Pape-Luijten MA, regioarcheoloog Stedendriehoek. 9 Bodemloket. 10 Provincie Gelderland: Bodemverontreinigingen. 6

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 3 van 23

bebouwing ter plaatse aanvullend onderzoek plaatsvinden, aangezien de bebouwde zone niet onderzocht kon worden.11

11

Satinover, 2020.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 4 van 23

2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de sloop van de huidige bebouwing (totaal 1.180 m 2) gepland. Hierna wordt een nieuw gebouw gerealiseerd met een iets kleiner vloeroppervlak (980 m 2), geheel overlappend met de huidige bebouwing. Op de begane grond komt een winkelpand (Hema), met hierboven twee woonlagen met appartementen. Het gebouw wordt voorzien van een parkeerkelder over de noordelijke helft van de begane grond. De onderkant van de betonvloer in de parkeerkelder zal op een diepte van circa 3,2 m onder peil komen te liggen (circa 9,6 m NAP). In de zuidelijke helft van het plangebied zal een kruipruimte aangelegd worden, waarvan de vloer op 1,3 m onder peil komt te liggen (11,5 m NAP). Hieronder komen betonnen funderingsstroken en -poeren waarvan de onderkant vermoedelijk op circa 1,8 m onder peil (11,0 m NAP) komt te liggen. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie12

Fm. v. Boxtel met een dek van het Lp. v. Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek

Geomorfologie (landelijke kaart)13

Ongekarteerd (bebouwd)

Geomorfologie (gemeentelijke kaart)14

Vlakke erosiewaaier in de bebouwde kom

Bodemkunde15

Ongekarteerd (bebouwd)

Grondwatertrap

Ongekarteerd (bebouwd)

Landschappelijke ontwikkeling 16 Het plangebied ligt op de overgang van het ten westen gelegen stuwwallengebied van de Oostelijke Veluwe naar het ten oosten gelegen Pleistocene IJsselbekken (een groot preglaciaal bekken). Tijdens het Saalien (ca. 250.000 - 130.000 jaar geleden) lag een groot gedeelte van Nederland onder een vanuit Scandinavië naar het zuiden opgeschoven ijskap. De rand van het ijs bestond uit een aantal gletsjertongen, zo ook ter plaatse van het huidige IJsseldal. Aan weerszijden van deze ijsmassa's werden stuwwallen opgeduwd, waaronder het stuwwallengebied van de Oostelijke Veluwe. De stuwwallen werden aan het eind van het Saalien sterk geërodeerd door afstromend smeltwater van het 12

TNO, 2010. Wageningen Environmental Research, 2017. 14 Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie. 15 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland. 16 De Mulder et al., 2013 / Berendsen, 2008. 13

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 5 van 23

gletsjerijs. Tijdens en na het afsmelten van de ijslob aan het einde van het Saalien raakte het overgangsgebied tussen de stuwwal en het IJsseldal grotendeels opgevuld met afzettingen die hoofdzakelijk afkomstig zijn van de stuwwal zelf en zijn aangevoerd door het (sneeuw)smeltwater. Met het terugtrekken van het landijs hervatte de Rijn zijn loop door het Pleistocene IJsselbekken ten oosten van het plangebied. Na het Saalien brak een lange en vrij warme periode aan (een zogenaamd interglaciaal): het Eemien (ca. 130.000 - 115.000 jaar geleden). Het klimaat in het Noordzeegebied was bijna subtropisch (vergelijkbaar met het huidige klimaat in Midden-Frankrijk) en een groot deel van West-Europa liep door het smelten van het landijs en de stijgende zeespiegel onder water. Uiteindelijk werd een zeespiegelniveau bereikt dat wellicht 1 tot 2 m hoger lag dan tegenwoordig. Afzettingen van deze Eem-zee komen onder andere voor in de ondergrond van het IJsseldal en de Gelderse Vallei. De Rijn stroomde door het glaciale IJsseldal en had een meanderend karakter, waarbij vooral zandige kleien en komkleien werden afgezet. Ter plaatse van het plangebied vond nauwelijks erosie of sedimentatie plaats, omdat het buiten het bereik van de zee of grote rivieren lag. Vanaf circa 115.000 jaar geleden brak er weer een koude periode aan (glaciaal).

Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 tot 11.500 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Wel was er toen gedurende langere periodes sprake van een zeer koud en droog klimaat. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Van belang voor het plangebied is dat het stuwwallengebied van de Oostelijke Veluwe weer verder erodeerde. Erosie vond vooral plaats doordat een geconcentreerde afstroming van sneeuwsmeltwater zich insneed in de permafrost. Hierdoor ontstonden sneeuwsmeltwaterdalen, die tegenwoordig worden aangeduid als droge dalen, omdat ze vandaag de dag niet meer actief watervoerend zijn. In de permanent bevroren hellingen van de stuwwal ontstonden door het afstromende water brede, trechtervormige (smeltwater)dalen. In de lente en zomer voerde het smeltwater grote hoeveelheden zand en grind mee. Voorbij de monding van deze dalen langs de randen van de stuwwallen vormden zich grote daluitspoelingswaaiers. De sneeuwsmeltwaterafzettingen, waaruit deze daluitspoelingswaaiers zijn opgebouwd, bestaan uit materiaal van Vroeg- en Midden-Pleistocene ouderdom dat zowel door de Rijn en in mindere mate door de Maas en door rivieren uit Noordoost-Duitsland (Eridanos systeem) is afgezet (in elkaar vertande afzettingen).

Het materiaal dat is afgezet door de Rijn en de Maas bestaat overwegend uit mineralogisch rijkere ‘bruine’ zanden, terwijl het materiaal afgezet door de Eridanos voornamelijk bestaat uit mineralogisch arme ‘witte’ zanden bestaat. De sneeuwsmeltwaterafzettingen vormden op hun beurt een bron voor lokale windafzettingen. In het Midden- en Laat-Weichselien (tussen 70.000 en 11.600 jaar geleden) veranderde het klimaat van koud en nat naar koud en droog. In eerste instantie werd onder de nat-eolische omstandigheden een laag Oud Dekzand afgezet dat zich kenmerkt door een relatief hoog leemgehalte en een horizontale gelaagdheid. Aan het einde van het Laat-Weichselien, tijdens het Laat-Glaciaal (tussen 12.500 en 10.000 jaar geleden) werd het dekzand onder droog-eolische omstandigheden afgezet in de vorm van langgerekte of paraboolvormige ruggen. Hierin is gelaagdheid meestal niet aanwezig, er komen geen leemlagen in voor en het betreft vaak goed gesorteerde zanden. Deze dekzanden worden ook wel aangeduid als de Jonge Dekzanden. Het Holoceen begon ongeveer 11.600 jaar geleden en duurt nog steeds voort. Door de temperatuursstijging aan het eind van de Weichselien smolten de ijskappen op het noordelijk halfrond waardoor de zeespiegel sterk steeg en er een vegetatieontwikkeling van vooral warmteminnende (boom)soorten plaatsvond.

Het dekzand werd grotendeels vastgelegd door de vegetatie, maar lokaal zijn stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd. De stuifzanden worden tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel gerekend.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 6 van 23

Daarnaast zijn in de beekdalen, zoals de Dorpse Beek die direct ten zuiden van het plangebied liep, afzettingen gevormd die bestaan uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel. Vaak zijn deze beekdalen ontstaan in de laatste ijstijd gevormde sneeuwsmeltwaterdalen (droge dalen). Of dergelijke beekdalen nog watervoerend zijn, is afhankelijk van de omvang van het stroomgebied en de opbouw van de ondergrond (doorlatendheid). De Dorpse Beek, die direct ten zuiden van het plangebied liep, is ontstaan doordat vanuit het dal van het Tongerense Veen bij het Landgoed Kolthoven de bedding door een hoge rug gegraven is. Hiervandaan stroomt hij door een ander, ondiep dal. Het is niet duidelijk waarom en wanneer deze omlegging is aangelegd. De beek voedde de gracht van huis De Quickborn in de 17e eeuw. De beek is in de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw verlegd om zo enkele vijvers te voeden. Tot de jaren ’50 van de vorige eeuw is de beek altijd watervoerend geweest. In de jaren ’50 werd in de bovenloop meer water richting Wissel geleid en minder naar de Dorpse Beek. Daardoor kwam de beek grote delen van het jaar droog te staan.

In de jaren ’30 is het stuk beek langs de Hoofdstraat deels overkluisd en in het begin van de jaren ’50 werd ook het deel vanaf het Emmapark tot aan de Emmastraat overkluisd.17 DINO18 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Circa 400 m ten zuidoosten van het plangebied is vanaf 40 cm -mv grindhoudend zand aangetroffen, vermoedelijk smeltwaterafzettingen. Hierboven bevindt zich een laag zand die mogelijk dekzand betreft. Aangezien geen nadere lithostratigrafie van deze laag gegeven is, is dit echter niet zeker.19 Dit beeld komt overeen met een boring circa 300 m ten noordoosten van het plangebied. Hier is een 50 cm dikke zandlaag aangetroffen (nadere lithostratigrafie onbekend) met hieronder zeer grof, grindhoudend zand (smeltwaterafzettingen).

20 Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Epe bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd op de landelijke geomorfologische kaart.21 Wel is te zien dat Dorpse Beek buiten de bebouwde kom door een droogdal al dan niet bedekt met dekzand loopt (zie figuur 5). Gezien de relatief lage ligging in vergelijking met de gebieden ten noorden en zuiden van het plangebied, wordt vermoed dat het plangebied eveneens in een droogdal gelegen is. Op basis van de gemeentelijke verwachtingskaart ligt het plangebied op een vlakke erosiewaaier. 22

17

Van Lohuizen, 1978. Dinoloket. 19 DINO-boring B27D0011. 20 DINO-boring B27D0008. 21 Wageningen Environmental Research, 2019. 22 Gemeente Epe: Archeologie en Cultuurhistorie. 18

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 7 van 23

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)23 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Aangezien het plangebied grotendeels bebouwd is, is de hoogte in vrijwel het hele plangebied niet weergegeven op het AHN (zie figuur 6). Direct buiten de bebouwing ligt het maaiveld tussen 12,0 m NAP in het zuiden en 12,5 m NAP in het noorden. Het plangebied ligt in een relatief laaggelegen zone tussen twee hogere delen. Ten noorden van het plangebied loopt het maaiveld omhoog tot meer dan 14 m NAP en ten zuiden van de Emmastraat loopt het langzaam omhoog tot circa 14 m NAP. Het plangebied lijkt hiermee op de flank van het beekdal te liggen. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Epe bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie figuur 7). Rondom de bebouwde kom bevinden zich enkeerdgronden in lemig fijn zand of leemarm een zwak lemig fijn zand, laarpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand of grof zand en beekeerdgronden in lemig fijn zand. Gezien de ligging langs de Dorpse Beek en extrapolatie van nabijgelegen eenheden wordt verwacht dat beekeerdgronden in lemig fijn zand aanwezig zijn. De beekeerdgronden in lemig fijn zand komen veel voor in beekdalen.

De middendelen hiervan zijn vaak zeer nat (grondwatertrap II), terwijl de hogere delen grondwatertrap III, III* of IV hebben. Op de lage delen is vaak een 15 à 20 cm dikke, zeer humeuze tot humusrijke of venige en zeer sterk lemige bovengrond aanwezig. Plaatselijk komen dunne lagen beekleem voor. Op de hogere delen is de bovengrond vaak iets dikker (25 à 35 cm), matig humeus en zwak tot sterk lemig. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van een verkennend bodemonderzoek reeds boringen uitgevoerd rondom de huidige bebouwing. In de twee diepere boringen (direct ten zuiden en westen van de bebouwing) zijn baksteen- en puinhoudende lagen aangetroffen tot 100 à 125 cm -mv. Hieronder bevindt zich bruin, zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn zand (mogelijk dekzand), op 170 à 230 cm -mv overgaand in matig grof en/of grindig zand, vermoedelijk smeltwaterafzettingen. In de overige boringen is puin tot de maximale boordiepte van 60 à 70 cm -mv aangetroffen.24 Op basis hiervan lijkt de bodem rondom de huidige bebouwing antropogeen verstoord tot minstens 1 m -mv. Het is echter niet duidelijk of dit een recente verstoring betreft of restanten van historische bewoning. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan.

De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Epe bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. 2.6

23 24

Archeologische waarden

AHN. Satinover, 2020.

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 8 van 23

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).25 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 250 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Gelderland 26 De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland geeft inzicht in de archeologische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart ligt het plangebied binnen de zone ‘bebouwde kom of sterk veranderd gebied’. Direct ten zuiden van het plangebied loopt de Dorpse Beek (kluist).

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied27 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 28 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie figuur 8). Deze worden meer gedetailleerd beschreven in bijlage 2. Tijdens de booronderzoek in de omgeving is over het algemeen een plaggendek aangetroffen met hieronder daluitspoelingswaaierafzettingen.29 Op de Markt, circa 70 m ten noordoosten van het plangebied, is een proefsleuvenonderzoek gevolgd door een opgraving uitgevoerd.

Hierbij zijn sporen van de rand van een één of meerdere erven uit de Late-Bronstijd gevonden (kuilen en paalsporen van een klein bijgebouw, spieker of platform), evenals sporen uit de Nieuwe tijd en vier clusters sporen met onbekende, maar niet-recente datering.30 Aan de Korte Kuipersweg, circa 200 m ten zuiden van het plangebied, zijn tijdens een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving sporen van een erf uit de 11 e/12e eeuw aangetroffen (woon-

25

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Provincie Gelderland: Cultuurhistorie / Provincie Gelderland: Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie 27 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 28 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 29 Archis zaakidentificaties 2476157100, 2330291100, 2475882100, 2468584100 & 4544824100. 30 Archis zaakidentificaties 2384546100 & 2413916100. 26

Rapport 17234.002 versie 1

Pagina 9 van 23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12063951/1