541461 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 5 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Ve r vo l go nde r zo e k f l o ra e n f au na
Suikerbrink te Vaassen Woonstichting Triada
Titel
Vervolgonderzoek flora en fauna, Suikerbrink te Vaassen
Betreft
108013 VAASSEN, Suikerbrink 2 t/m 16 108105 VAASSEN, Suikerbrink 1 t/m 29 108106 VAASSEN, Suikerbrink 31 t/m 59 108107 VAASSEN, Suikerbrink 61 t/m 89
Uitvoering
Ruimte voor Advies Deventerstraat 179, 8171 NS Vaassen, 0578 560368
Contactpersoon
J. Mossink
Opdrachtgever
Woonstichting Triada, afdeling Vastgoedbeheer Eperweg 61, 8181 EV Heerde
Contactpersoon
Dhr. B. Reukers
Datum
29 november 2017
Status
definitief
I N H OU D 1
Inleiding 4
1.1 Aanleiding en doel 1.2 Plangebied 1.3 Opzet onderzoek
2
Resultaten 6
2.1 Algemene bevindingen 2.2 Bevindingen vogels met vaste verblijfplaats 2.3 Bevindingen vleermuizen
3
Effecten en aanbevelingen 10
3.1 Effecten 3.2 Aanbevelingen
4
Conclusie en aanbevelingen 11
4.1 Overzicht van de bevindingen 4.2 Aanbevelingen 4.3 Ontheffing 4.4 Algemene zorgplicht en calamiteiten
5
Samenvatting wettelijk kader 13
5.1 Inleiding 5.2 Gebiedsbescherming 5.3 Soortenbescherming 5.4 Rode lijsten
[3]
1
INLEIDING 1. Doel Dit flora- en faunaonderzoek betreft de locatie Suikerbrink te Vaassen. Het onderzoek komt voort uit de quickscan, uitgevoerd door Ruimte voor Advies in het voorjaar van 2017. De quickscan voerden we uit om te onderzoeken of grootschalige renovatie of herinrichting van de locatie tot negatieve effecten op beschermde flora en fauna kunnen leiden. Of er gekozen wordt voor renovatie of herontwikkeling is op dit moment niet bekend. We rapporteerden dat vervolgonderzoek noodzakelijk is voor drie soortgroepen, namelijk vleermuizen, Gierzwaluw en Huismus. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van dit vervolgonderzoek. Het betreft momentopname en houdt geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd gebruik en –beheer na afloop van het onderzoek. De rapportage kan dienst doen als onderbouwing bij ontheffings- of vergunningsaanvragen. 2. Plangebied De onderzoekslocatie ligt redelijk centraal in het dorp Vaassen op ongeveer 200 meter afstand van het winkelcentrum. De bebouwing is grofweg in twee onderdelen te splitsen: een drietal 4-laags appartementencomplexen op de noordelijke helft van het terrein en vier dubbele woningen van het type semi-bungalow op het zuidelijk deel. Eigenaar van de sociale huurwoningen is Woonstichting Triada.
Met name de appartementengebouwen zijn gedateerd, slecht geïsoleerd en verkeren in matige staat van onderhoud. Voor de semi-bungalows geldt hetzelfde in iets mindere mate maar ook hier is Triada voornemens binnen enkele jaren werkzaamheden uit te voeren. Werkzaamheden vinden waarschijnlijk pas in 2019 of later plaats. De bebouwing is omgeven door relatief veel groen, waaronder enkele oude bomen van fors formaat. Langs de oostgrens van het plangebied en langs het fietspad aan de noordzijde (Max de Leuwstraat) is bosplantsoen aanwezig. Overige delen van het terrein bestaan uit gazon, speeltuin, parkeerplaatsen en doodlopende toegangsweg. Cluster Locatie Woningen Ingreep 108013 Suikerbrink 1 t/m 16 8 grootschalige herinrichting/renovatie 108105 Suikerbrink 1 t/m 29 15 grootschalige herinrichting/renovatie 108106 Suikerbrink 31 t/m 59 15 grootschalige herinrichting/renovatie 108107 Suikerbrink 61 t/m 89 15 grootschalige herinrichting/renovatie Tabel 1.1 Onderzoekslocatie, omvang en voorgenomen ingreep.
3. Opzet vervolgonderzoek Tijdens het voorjaar en de zomer is het plangebied zowel ’s nachts als overdag verscheidene malen bezocht om de eventuele aanwezigheid van verschillende soorten vleermuizen, algemene broedvogels en broedvogels met een vaste jaarrond beschermde verblijfplaats vast te stellen en een beeld te krijgen van de aantallen. Ook de andere soortgroepen van beschermde en bedreigde planten en dieren zijn onderzocht. Voor het vleermuisonderzoek hanteren we de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2017; voor de overige soorten de soortenstandaarden van Ministerie van EZ. Alle onderzoeken werden door ervaren deskundigen op het gebied van de betreffende soortgroepen uitgevoerd. De details van het onderzoek staan vermeld bij de resultaten (Hfd. 2). [4]
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017
Afb. 1.1 Overzicht van het cluster met de semi-bugalows.
Afb. 1.2 Beeld van type 4-laagse appartementencomplex. Afb. 1.3. Detail van de zijgevel.
Afb. 1.4: Globale ligging onderzoeksgebied (rood kader). De blauwe pijlen representeren de vleermuizenvliegroute die is aangetroffen. Bron ondergrond: Woonstichting Triada. [5]
2
R E S U LTAT E N V E R V O LG O N D E R ZO E K
2.1 Vervolgonderzoek vleermuizen In de quickscan beschreven we de potentiele mogelijkheden voor vleermuizen. Vanuit deze bevindingen voerden we vervolgens in de periode mei-september vier nachtelijke veldbezoeken uit (tabel 2.1), waarbij we met behulp van een zogenaamde batdetector (Pettersson D240x) en zichtwaarnemingen verblijfplaatsen in kaart brachten. De onderzoeken zijn uitgevoerd door J. Mossink en R. Harleman, ervaren broedvogel- en vleermuisdeskundigen van Ruimte voor Advies te Vaassen. Tabel 2.1 Overzicht inventarisatierondes t.b.v. vleermuizen, uitgevoerd door 2 personen.
Datum
Periode-Temp-Weer
23-05-2017 25-06-2017 29-08-2017 26-09-2017
03.30-05.35, 13 graden, half bewolkt, NW1 Vleermuis zomer-/kraam 21.15-00.15, 16-18 graden, bewolkt na regen, ZW2-3 Vleermuis zomer/kraam 04.30-06.45, 16 graden, half bewolkt, ZW1 Vleermuis paarverblijf/balts 20.30-22.40, 11-13 graden, zwaar bewolkt, NO2 Vleermuis paarverblijf/balts
Doel inventarisatie
Bevindingen vleermuizen In het cluster waren vrij veel vleermuizen aanwezig. Ze foerageerden in de wijk (5 exx. Gewone dwergvleermuis, 2 exx. Grootoorvleermuis), gebruikten de wijk als vliegroute (16 exx. Laatvlieger, 22 exx. Gewone dwergvleermuis, 6 exx. Rosse vleermuis). Later in het jaar namen de aantallen op de vliegroute af, mogelijk doordat een deel van de exemplaren reeds gepasseerd was bij aanvang van het veldbezoek. Verblijfplaatsen ontbraken echter, zowel in het voorjaar, als in de zomer en het najaar. De meeste exemplaren van Gewone dwergvleermuis troffen we aan langs de bosplantsoensingel aan de noordzijde van het plangebied (Max de Leeuwstraat, zie afb. 1.4). Vermoedelijk bevindt zich ook de verblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis in de omgeving Apeldoornseweg. In ieder geval hielden zich veel dieren op aan de oostzijde van het plangebied en foereageren ze tussen de hoogbouw van het cluster. Gedurende het jaar wijzigde het terreingebruik weinig. Wel werden in de najaarsronde een territorium vastgesteld langs de T. van Lohuizenstraat tot en met de noordgevel van de meest westelijke Suikerbrinkflat. Het zwaartepunt van het territorium lag duidelijk ten westen van de flat, de vleermuis verbleef telkens slechts zeer kortstondig rond de hoogbouw. Een ander baltsend exemplaar bleek aanwezig boven de tuinen van Apeldoornseweg 10-14.
Het betreft nagenoeg zeker een verblijfplaats in één van de vrijstaande woningen buiten het plangebied. Het territorium strekte zich niet uit tot de onderzochte bebouwing. Laatvlieger heeft geen verblijfplaats in het plangebied. De soort passeerde veelvuldig van west naar oost, waar ze in een woning langs de Apeldoornseweg verblijven. De vliegroute ligt langs de Max de Leeuwstraat (zie ook afb. 1.4). Dit wijzigde nauwelijks in de loop van het jaar. Verblijfplaatsen van Rosse vleermuis komen in het cluster niet voor. De waargenomen exemplaren vlogen op relatief grote hoogte in rechte vlucht over het plangebied. De Gewone grootoren zijn slechts kort en buiten in- en uitvliegtijd waargenomen langs de Max de Leuwstraat. De verblijfplaatsen bevinden zich elders, maar de locatie kon niet worden vastgesteld. het betreft vermoedelijk schuren of boomholtes binnen enkele honderden meters afstand van de onderzoekslocatie. Rond de solitaire, mogelijk geschikte bomen op de Suikerbrink is geen activiteit
[6]
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017
van boombewonende soorten vastgesteld. Tabel 2.2 Waarnemingen van vleermuizen in het plangebied.
Aantal en soort
Verblijfplaats
- - geen
Locatie -
2.3 Vervolgonderzoek vogels met vaste verblijfplaats Naar aanleiding van de bevindingen uit de quickscan onderzochten we de aanwezigheid van Huismus en Gierzwaluw nauwkeuriger. Het onderzoek bestond uit meerdere veldbezoeken, twee maal per ronde met een week tussentijd en werd uitgevoerd door J. Mossink, ervaren broedvogelen vleermuisdeskundige van Ruimte voor Advies te Vaassen. De bezoeken zijn afgelegd op de volgende data: Tabel 2.3 Overzicht inventarisatierondes t.b.v. Gierzwaluw en Huismus.
Datum
Periode-Temp-Weer
Waarnemingen
04-05-2017 15-05-2017 12-06-2017 25-06-2017 05-07-2017
09.30-11.15, 9 graden, half bewolkt, NO3 10.00-12.00, 9-12 graden, zonnig, Z1-2 21.15-22.30, 14 graden, bewolkt, ZW3 21.15-00.15, 16-18 graden, bewolkt na regen, ZW2-3 21.15-22.30, 17 graden, zonnig, NW2-3
Huismus Huismus Gierzwaluw Gierzwaluw Gierzwaluw
Bevindingen Gierzwaluw Van Gierzwaluw foerageerden 6 tot 10 exemplaren op enige hoogte boven het onderzoeksgebied. Deze dieren hebben een verblijfplaats buiten het plangebied, onder andere in het naastgelegen cluster 107008 waar ook renovatie plaatsvindt en een ontheffing is aangevraagd. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Nestindicerend gedrag zoals lage krijsende vluchten of ‘bouncen’ is niet waargenomen rond de onderzochte bebouwing. In de hoogbouw zijn nauwelijks voor Gierzwaluwen geschikte nestlocaties voorhanden, terwijl de gevels van de laagbouw aan de lage kant zijn voor deze soort. Ook kunnen de aanwezige bomen voor een minder geschikt microklimaat en minder optimale aanvliegroute zorgen. De naastgelegen woonwijk en grote vrijstaande woningen lijken aantrekkelijker en worden mogelijk daarom geprefereerd. Tabel 2.4 Waarnemingen van Gierzwaluw in het plangebied.
Aantal
Soort
Verblijfsplaatsen
Aanduiding
-
Gierzwaluw
-
-
Bevindingen Huismus In de woningen binnen het plangebied troffen we eveneens geen verblijfplaatsen van Huismus (of van andere vogels) aan. Ook foerageren Huismussen heel beperkt in het plangebied. Hoewel het een vogelrijke wijk betreft en de semibungalows op voorhand geschikt leken, zijn de gebouwen niet in gebruik door deze soort. Wel gebruiken andere soorten de bomen, struiken en het aangrenzende bosplantsoen als nestplek, maar dit betreft algemene soorten als Roodborst, Koolmees en Winterkoning. Er zijn geen duidelijke redenen aan te wijzen voor het ontbreken van Huismus. Mogelijk krijgen de woningen in het aangrenzende straten de voorkeur van deze soort. Tabel 2.5 Waarnemingen van Huismus in het plangebied.
[7]
Locaties Soort
Verblijfsplaatsen
Aanduiding
-
-
-
Huismus
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017
3
E F FE CTEN
3.1 Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Laatvlieger • Er werden geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied vastgesteld. De voorgenomen ingreep leidt derhalve niet tot aantasting of vernieling van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. De ingreep kan mogelijk wel van invloed zijn op een belangrijke vliegroute van vleermuizenlangs de Max de Leuwstraat. Lichtverstoring tijdens werkzaamheden (bouwlampen) en na afronding van renovatie of herinrichting (plaatsing extra verlichting en/of wijzigen type verlichting) dient voorkomen te worden. plaatselijk boven de grasvelden tussen de hoog- en laagbouw. De mogelijke effecten zijn redelijkerwijs vrijwel zeker te voorkomen door mitigerende maatregelen te nemen. Bijvoorbeeld door uitsluitend tijdens daglichturen te werken of een aangepast verlichtingsregime te voeren. Zie hierover meer bij de aanbevelingen. De Max de Leuwstraat wordt eveneens gebruikt door foeragerende vleermuizen, net als de randen van het bosplantsoen tussen Suikerbrink en Apeldoornseweg. Effecten op foeragerende vleermuizen langs de Max de Leuwstraat zullen gemitigeerd worden door de eventuele aanpassingen ten behoeve van de vliegroute. De overige terreindelen zijn van beperkt belang voor jagende vleermuizen, er zijn voldoende alternatieven en het bosplantsoen blijft in ieder geval deels behouden.
Van aantasting van essentieel foerageergebied zal derhalve geen sprake zijn. 3.2 Gierzwaluw • Er zijn geen verblijfplaatsen van Gierzwaluw aangetroffen en als foerageergebied is het plangebied van ondergeschikt belang. De voorgenomen ingreep heeft op deze dieren geen effect. 3.3 Huismus • Er zijn geen verblijfplaatsen van Huismus aangetroffen en als foerageergebied hebben de woningen (en tuinen) in het cluster gering belang. Huismussen komen slechts zeer incidenteel op het terrein. Het opgaand groen heeft een verwaarloosbaar belang als schuilmogelijkheid en er wordt nauwelijks gefoerageerd. Renovatie of herontwikkeling heeft geen effect op beschermde gebiedsfuncties van Huismussen.
• De ingreep kan effect hebben op algemene broedvogels waarvan het nest uitsluitend beschermd is in de periode waarin het nest voor voortplantingsdoeleinden gebruikt wordt. Zie ook de ecologische quickscan. Effecten zijn te voorkomen door te werken buiten het broedseizoen of door voorzorgsmaatregelen te treffen om broedgevallen te voorkomen. Bezette nesten mogen nooit aangetast of ernstig verstoord worden. 3.5 Kansen bij eventuele herontwikkeling • Eventuele herontwikkeling van het gebied kan leiden tot kansen voor versterking van de lokale populaties vleermuizen, Huismussen, Gierzwaluwen en andere soorten. Vaak is het mogelijk om eenvoudig en goedkoop natuur-inclusief te bouwen en daarmee de biodiversiteit te vergroten en beschermde soorten te ondersteunen door hier tijdig in de ontwerpfase rekening mee te houden. Wij adviseren u hier graag in. Daarnaast is veel informatie beschikbaar via bijvoorbeeld de Zoogdiervereniging en Vogelbescherming Nederland. [8]
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017
4
CO N C LU S I E S E N A A N B E V E L I N G E N 4.1. Overzicht van de bevindingen Soortgroep Aanwezigheid Effect Aanbevelingen Flora - beschermde soorten niet geen geen Vleermuizen - verblijfplaatsen niet geen geen Vleermuizen - vlieg/foerageerroutes ja mogelijk zie 4.2 Zoogdieren - gebouwbewonend niet geen geen Zoogdieren - grond-/boombewonend niet geen geen Zoogdieren - vrijgestelde soorten beperkt geen n.v.t. Vogels - jaarrond beschermde nesten niet geen geen Vogels - algemene broedvogels mogelijk mogelijk zie quickscan Amfibiëen/reptielen - vrijgestelde soorten zeer beperkt geen n.v.t. Amfibiëen/reptielen - overige soorten niet geen geen Overige soortgroepen - alle soorten niet geen geen
4.2 Aanbevelingen Vleermuizen-vlieg/foerageerroutes en Vogels - algemene broevogels • De kans op verstoring van de vliegroute (en foerageergebied) treedt alleen op in de schemering en nachtelijke uren. Is het werken in de avonduren onvermijdelijk, dan zijn maatregelen met betrekking tot verlichting vereist. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruik van afschermende armaturen en beperken van de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter. In de periode december -maart zijn vleermuizen normaal gesproken niet actief en zijn deze maatregelen niet nodig. • Indien gekozen wordt voor sloop en nieuwbouw dan dient rekening te worden gehouden met de vliegroute langs de Max de Leuwstraat. De lichtintensiteit op 2,5 meter en hoger mag niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie en het bosplantsoen aan de noordkant van het pad moet intact blijven. Een vleermuisdeksundige dient te bepalen of de nieuwbouwplannen tot effecten op de vliegroute kunnen leiden. Het is overigens vrijwel zeker mogelijk om potentiële negatieve effecten te voorkomen door juiste toepassing van verlichting. Dit kan door beperken van de verlichtingshoogte (< 3m), toepassen van afschermende armaturen om uitstraling naar boven en de bosrand te voorkomen en/of het toepassen van amberkleurige verlichting.
Indien effecten op het functioneren van de vliegroute niet of onvoldoende uitgesloten kunnen worden dient alsnog een ontheffing te worden aangevraagd. Het valt te betwijfelen of bevoegd gezag een ontheffing verstrekt gezien het belang van de vliegroute en het feit dat er redelijkerwijs alternatieven zijn, namelijk het gebruik van aangepaste verlichting. • Werkzaamheden mogen niet leiden tot wezenlijke verstoring of aantasting van broedsels. Dit geldt voor mogelijke broedgevallen van algemene broedvogels in bomen, struiken maar ook bijvoorbeeld vogelhuisjes en holle ruimtes in de bebouwing (onder daken, in de spouw etc.). Vel- en snoeiwerkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen. Wanneer werkzaamheden aan gebouwen starten tijdens het broedseizoen raden we aan om potentiële broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ontoegankelijk te maken en bijvoorbeeld vogelhuisjes tijdig te verwijderen. Het broedseizoen loopt globaal van
[9]
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017
half maart tot half augustus, maar kan afhankelijk van de vogelsoort en klimatologische omstandigheden eerder starten maar vooral langer duren. Uitsluitend van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn. Bezette nesten mogen nooit aangetast, vernield of ernstig verstoord worden, het is niet mogelijk hier ontheffing voor te krijgen. In dat geval moet gewacht worden totdat het nest vrijwillig en permanent verlaten is. Buiten de broedperiode zijn nesten van de te verwachten soorten niet beschermd en mogen verwijderd worden.
[10]
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017
5
SAMENVATTING WETTELIJK KADER 5.1 Inleiding In Nederland is de wetgeving omtrent de bescherming van natuurwaarden gesplitst in soortbescherming en gebiedsbescherming. De bescherming was voorheen geregeld in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor houtopstanden gold de Boswet. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden die de bovenstaande wetten vervangt. Wat betreft gebiedsbescherming is er weinig veranderd. Op het gebied van soortenbescherming hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan. Zo zijn veel planten en vissen onder de nieuwe wet niet meer beschermd, terwijl een aantal zeldzame dagvlinders en libellen juist zijn toegevoegd. Verder is het bevoegd gezag in de meeste gevallen GS van de provincie, waar dat eerder de RVO was. De provincies hebben meer zeggenschap over het beleid, wat zich vooral uit in het feit dat er verschillen zijn in de vrijstellingslijsten van soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting of bestendig beheer en onderhoud vrijstelling geld. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is onder andere terug te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de verschillende provincies.
5.2 Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft de bescherming en instandhouding van natuurgebieden in Nederland als doel. Daartoe zijn gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden), Habitatrichtlijn (HR-gebieden) en het Verdrag van Ramsar (Wetlands). Beschermde Natuurmonumenten vervallen onder de Wet natuurbescherming omdat deze vrijwel geheel samenvallen met Natura 2000-gebieden. De VR- en HR-gebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000. Voor de Natura 2000-gebieden worden/zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor specifieke vogelsoorten of habitats. Deze kunnen van gebied tot gebied verschillen. De hierboven genoemde gebieden kunnen overlappen. Activiteiten die een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden zijn verboden. Dat geldt ook voor activiteiten buiten de gebieden die een negatief effect hebben binnen het gebied. Voor activiteiten is een vergunning mogelijk. Een vergunning wordt pas afgegeven wanneer een zogenaamde ‘habitattoets’ is doorlopen. Hieruit moet blijken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt. Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie.
Het Gelders Natuurnetwerk (hierna GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (hierna GO) komen voort uit het herdefiniëren van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincie Gelderland. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. Binnen het GNN zijn ruimtelijke ontwikkelingen slechts mogelijk wanneer deze van groot algemeen of provinciaal belang zijn én er geen reële alternatieven zijn. Er geldt dan wel een compensatieverplichting om negatieve effecten teniet te doen. De GO bestaat uit ‘nietnatuurlijke’ elementen van de voormalige EHS zoals infrastructuur en bebouwing. In de GO liggen meer ontwikkelingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld bedrijven. De begrenzing en doelstellingen van GNN en GO worden door de provincie vastgesteld en is in verwerkt in de omgevingsvisie en -verordening.
[11]
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017
5.3 Soortenbescherming Onder de Wet Natuurbescherming zijn verschillende beschermingsregimes te onderscheiden: soorten van de Vogelrichtlijn (VR), soorten van de Habitatrichtlijn (HR) en overige beschermde soorten genoemd in bijlage A behorend bij artikel 3.10 van de WNb. Daarnaast hebben provincies de vrijheid om voor bepaalde soorten uit de laatste categorie vrijstelling te verlenen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer en onderhoud. Gedetailleerde informatie over het onderdeel soortenbescherming, inclusief lijsten van beschermde soorten, is onder meer te vinden op de website van de Rijksoverheid.
5.4 Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringsfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet Natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.
[12]
Flora- en faunaonderzoek Suikerbrink te Vaassen
29 nov. 2017