CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

533663 Bestemmingsplan Sprengparc, toelichting

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente EpeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Sprenghenparc, Vaassen16.871 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Als wordt ingezet 14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

24

op het vergroten van het woningaanbod in marktsegmenten waar deze groepen naar op zoek zijn, biedt dat kansen om de hoge groeivariant waar te maken. Ten aanzien van sociale huurwoningen heeft de gemeente de ambitie om in de prestatieafspraken met Triada, Habion en Woonzorg Nederland vast te stellen hoe de uitbreiding van de sociale huurvoorraad wordt gerealiseerd. Daarbij wordt uitgegaan van het maximum aantal van 190 woningen. De gemeente Epe streeft voor het woningbouwprogramma van de komende jaren dat minimaal 35% sociale huur wordt gerealiseerd voor nieuwe in- uitbreidingslocaties. Bij uitbreiding wordt gedacht aan locaties aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied. Uitbreiding komt in beeld als de volkshuisvestelijke opgave niet door middel van transformatie- en inbreidingslocaties te realiseren is. Daarbij spelen de beschikbaarheid en de geschiktheid van die locaties een rol, evenals de kwalitatieve behoefte. In de gemeente zijn al enige jaren een aantal uitbreidingslocaties in beeld. Het gaat dan om locaties met tenminste de omvang van een buurt met een goede ontsluiting op de bestaande kernen. Daarnaast heeft het de uitdrukkelijke voorkeur specifiek aan de slag te gaan met een innovatief duurzaam zorgconcept gericht op de huursector. Hiermee wordt gedoeld op de realisatie van het SprenghenParc, waarop dit bestemmingsplan betrekking op heeft.

Met de herijking van de regionale woonagenda (zie paragraaf 4.5.2) is de woningbouwopgave voor de gemeente Epe vergroot tot een maximum van 1.350 woningen tot 2030. Toets voorgenomen ontwikkeling Met de ontwikkeling van Sprenghenparc wordt met name ingespeeld op punt 1, 4 en 5. Sprenghenparc voorziet in 36 woningen voor vitale ouderen en daarmee in de doelgroep waar de woonagenda zich op richt. De woningen worden op circulaire wijze energieneutraal woningen gebouwd. Tevens worden 29 appartementen in de sociale huursector gerealiseerd. Daarmee is circa 45% van het woningbouwprogramma bedoeld voor de sociale huursector. 4.6.3 Woningbouwprogrammering prijsklassen koop en huur gemeente Epe - Kaders woningbouwinitiatieven woningbouw In 2019 heeft de gemeenteraad de Woonagenda 2019 - 2923 vastgesteld. Burgemeester en wethouders hebben in aanvulling daarop besloten welke prijsklassen gehanteerd worden bij de verschillende woningbouwcategorieën (huur en koop). Beiden vormen de basis voor de realisatie van nieuwbouwwoningen in de gemeente Epe. Het koop- en prijsklassenbeleid wordt geactualiseerd en aangegeven op welke wijze bij nieuwbouw daaraan invulling gegeven moet worden. Met deze actualisatie van het beleid worden de prijsklassen koop en huur gepreciseerd. Daarbij wordt aangesloten bij de Woonagenda 2019 - 2023.

In de agenda worden drie typen locaties onderscheiden (transformatie, in- en uitbreiding) en wordt invulling gegeven aan de gewenste woningbouw per type locatie. De aanleiding voor deze actualisatie is de toenemende druk op de woningmarkt als gevolg van een forse stijging van de woningprijzen, waardoor er weinig goedkope en middeldure koopwoningen te koop staan. Die tendens is ook in de gemeente Epe te zien. Dit heeft vooral consequenties voor woningzoekende met een modaal/anderhalf modaal inkomen. Voor deze groep wordt het steeds moeilijker een geschikte woning te vinden. Om ook inwoners met een modaal/anderhalf modaal inkomen in de gemeente Epe te kunnen blijven huisvesten en voor hen nieuwbouwwoningen te realiseren, is het wenselijk daar vanuit het gemeentelijk beleid meer de focus op te leggen. Bij uitbreiding is het percentage van de te realiseren woningen in de volgende woningbouwcategorieën als volgt: 1. Ongeacht het aantal woningen: a. Goedkope en/of middeldure koop: tenminste 25% b. Sociale huur: tenminste 35%, waarbij een substantieel deel tot de eerste- en tweede aftoppingsgrens behoort.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

25

c.

Als om moverende redenen en na overleg met de corporatiesector blijkt dat het percentage sociale huur niet haalbaar is dan wordt het resterende deel van het te realiseren percentage van 35% benut voor goedkope koop. 2. Als gekozen wordt voor geheel of gedeeltelijke huur: tenminste 75% middeldure huur van het totale aantal huurwoningen. 3. Nieuwbouw is altijd energieneutraal. Om te bepalen of een woning goedkoop, middelduur of duur worden in het beleid de volgende prijsklassen gehanteerd: 1. 2. 3. 4.

Goedkope koopwoning: woning met een maximale koopprijs van €230.000,00; Middeldure koopwoning: woning met een maximale koopprijs van €310.000,00; Dure koopwoning: woning met een koopprijs vanaf €310.000,00; Betaalbare huurwoning: woning met een huur tot de liberalisatiegrens (€ 737,14 prijspeil 2020) en is dus de prijsgrens van een sociale huurwoning; 5. Middeldure huurwoning: woning met een huur die ligt tussen de liberalisatiegrens en €975,00; 6. Dure huurwoning: woning met een huur vanaf € 975,00. De genoemde prijsklassen zijn geactualiseerd op 1 juli 2021. Toets voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van 65 woningen. Hiervan dienen 16 woningen te vallen in de goedkope en/of middeldure koop. Het programma voorziet in 14 woningen in deze prijsklasse. Verder dienen 22 sociale huurwoningen gerealiseerd te worden. Het programma voorziet in 29 woningen in deze prijsklasse. De overige grondgebonden woningen (vrijstaand en twee-onderéén kap) vallen in de prijsklasse van de dure koopwoning. Het programma is niet geheel passend binnen de uitgangspunten van de prijsklassen uit het beleid. Er worden 2 woningen te weinig gerealiseerd in de goedkope en/of middeldure prijsklasse. Daartegenover staat er 7 sociale huurwoningen te veel gebouwd worden.

Daarnaast wordt niet voldaan aan de eis om tenminste 75% van het totaal aantal vrije sector huurwoningen te realiseren in de prijsklasse van de middeldure huur. Per saldo wordt er dus een wezenlijk deel (65%) van het woningbouwprogramma gerealiseerd in de goedkope en/of middeldure prijsklasse (huur en koop). 4.6.4 Conclusie gemeentelijk beleid De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

26

5. Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. De aspecten bodem, verkeer, wegverkeerslawaai, water ecologie en archeologie zijn afzonderlijk onderzocht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.

5.2 Bodem 5.2.1 Beoordelingskader Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. De geschiktheid is ook voldoende aangetoond als uit het vooronderzoek op basisniveau conform NEN 5725 blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en er geen risico’s voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning mogelijk ook een actueel onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Hiernaast geldt dat de gemeente bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Epe heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

5.2.2 Onderzoek Om eventuele verontreiniging van de grond en het grondwater ter plaatse van het plangebied aan de Woestijnweg te kunnen vaststellen is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Het rapport van het verkennend bodemonderzoek is als bijlage 1 opgenomen in de bijlagen bij toelichting. De bodem ter plaatse van het plangebied voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen. Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is daarmee geschikt voor het beoogde gebruik. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond buiten het plangebied wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). 5.2.3 Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3 Bedrijven en milieuzonering 5.3.1 Beoordelingskader Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

27

voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Daarnaast worden gemengde gebieden onderscheiden. In de gebieden komen diverse functies naast elkaar voor, zoals 'wonen', 'bedrijven' en/of centrumfuncties als 'detailhandel' en 'horeca'. Vanwege deze menging van functies wordt enige mate van hinder acceptabel geacht. Indien sprake is van een gemengd gebied, dan kunnen de richtafstanden die gelden voor een rustige woonwijk of rustig buitengebied met één stap verkleind worden. Een richtafstand van bijvoorbeeld 30 meter wordt dan verkleind tot 10 meter. Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 5.3.2 Onderzoek Gebiedstype Het plangebied en omgeving bestaat uit voornamelijk verschillende woonwijken met daarbij behorende verkeers- en groenstructuren.

Met uitzondering van enkele maatschappelijke voorzieningen bestaan deze woonwijken vooral uit woningen. In het aangrenzende buitengebied komen geen agrarische bedrijven voor. Zowel de woonwijken als het buitengebied zijn aan te merken als een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. Aanwezige bedrijven Aan het Kouwenaarspad 30 is een maatschappelijke voorziening gevestigd. Dit gebouw wordt gebruikt als buurthuis voor de naastgelegen woonwijk Berkenoord II. Op basis van de VNGpublicatie geldt voor een buurthuis een richtafstand van 30 meter. De afstand van de grens van het gebied dat het gebruik als buurthuis toestaat (het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' uit het bestemmingsplan 'Vaassen Zuid en West' tot de grens van het bouwvlak van de meest nabij gelegen nieuwe woning bedraagt 54 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter uit de VNG-publicatie. Aan de Seringenhof 2 is een maatschappelijke voorziening gevestigd. Het gebouw is in gebruik als kerk. Op basis van de VNG-publicatie geldt voor een kerk een richtafstand van 30 meter. De afstand van de grens van het gebied dat het gebruik als buurthuis toestaat (het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' uit het bestemmingsplan 'Vaassen Zuid en West' tot de grens van het bouwvlak van de meest nabij gelegen nieuwe woning bedraagt 75 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter uit de VNG-publicatie.

Het Kouwenaarspad 24 is bestemd als 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Op het perceel is een woning met bijgebouw aanwezig, beide voorzien van een bouwvlak dat strak om de aanwezige bebouwing is gelegd. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1.500 m². Ter plaatse worden op dit moment geen agrarische bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. Gezien de beperkte omvang van het perceel en de aanwezige bebouwing en de ligging direct naast bestaande woningen is het perceel moeilijk geschikt te maken voor de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten. De bestemming 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' vormt dan ook geen belemmering voor de bouw van de woningen in het Sprenghenparc. 5.3.3 Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

28

5.4 Verkeer en parkeren 5.4.1 Verkeer 5.4.1.1 Onderzoek Om te kunnen bepalen of de voorgenomen ontwikkelingen niet leiden tot een te grote toename van het verkeer op de omliggende ontsluitingswegen is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Het rapport van het verkeersonderzoek is als bijlage 2 opgenomen in de bijlagen bij toelichting. In het verkeersonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • • •

Hoe druk is het op de Woestijnweg? Hoe hard wordt er gereden op de Woestijnweg en het Kouwenaarspad? Hoe ziet de verkeerssituatie eruit na realisatie van de voorgenomen ontwikkelingen?

Op basis van de tellingen op de Woestijnweg en het Kouwenaarspad en berekening van de verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van de voorgenomen ontwikkelingen wordt geconcludeerd dat de toekomstige verkeersintensiteiten passen bij de functie van de Woestijnweg en het Kouwenaarspad als erftoegangsweg. 5.4.1.2 Conclusie verkeer Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.4.2 Parkeren 5.4.2.1 Beoordelingskader De gemeente Epe heeft parkeerbeleid vastgesteld dat is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren' en de Nota parkeernormen 2018, die onderdeel is van het parapluplan. De Nota parkeernormen 2018 is als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. In het bestemmingsplan is het plangebied gedeeltelijk aangeduid als 'overige zone - parkeernormen rest bebouwde kom' en gedeeltelijk als 'overige zone - parkeernormen rest buitengebied'. 5.4.2.2 Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 65 woningen mogelijk. Het plangebied wordt hierdoor in de toekomst onderdeel van de bebouwde kom van Vaassen. Om die reden wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald aan de hand van de parkeernorm die geldt voor het gebied 'overige zone - parkeernormen rest bebouwde kom' uit de Nota parkeernormen 2018.

Conform de Nota geldt per woningtype een parkeernorm, die varieert van 1,4 parkeerplaats per appartement tot 2,3 parkeerplaats per vrijstaande woning. Als een oprit bij een woning gebruikt kan worden als parkeerplaats, dan geldt deze als 0,8 parkeerplaats. In onderstaande tabel is de parkeerbalans voor het Sprenghenparc uitgewerkt. Woningtype

Aantal woningen

Parkeernorm (pp/woning)

Aantal parkeerplaats en

Appartementen 29

1,4

40,6

Rijwoningen

14

2

28

Twee-onderéén kap woningen

16

2,2

35,2

Woningen met Totaal aantal eigen oprit parkeerplaats en in (= -0,8 openbaar pp/woning) gebied

-12,8

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

29

Vrijstaande woningen

6

2,3

Totaal

13,8

-4,8

117,6

-17,6

100

Parkeerbalans Het aantal te realiseren parkeerplaatsen in het openbaar gebied bedraagt 100. In het stedenbouwkundig plan is hierin voorzien. Daarnaast worden het Kouwenaarspad 7 parkeerplaatsen aangelegd. Deze parkeerplaatsen staan mede ten dienste van het verlagen van de parkeerdruk in de omgeving. 5.4.2.3 Conclusie parkeren Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.4.3 Conclusie verkeer en parkeren Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.5 Wegverkeerlawaai 5.5.1 Beoordelingskader Met de nieuwbouw van de woningen worden er geluidsgevoelige functies toegevoegd aan de omgeving. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat langs wegen geluidszones liggen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. De voor het plangebied relevante wegen liggen in binnenstedelijk gebied. De breedte van de geluidszones is als volgt: • •

één of twee rijstroken: 200 meter; drie of meer rijstroken: 350 meter.

Voor wegen waar een maximum snelheid van 30 km/h geldt kennen geen geluidszones. De afstand wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook van de weg tot de gevel van het gebouw. 5.5.2 Onderzoek Voor alle relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied geldt een maximum snelheid van 30 km/h. Deze wegen kennen dus geen geluidszones en is een akoestisch onderzoek als gevolg van het wegverkeer niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan voorziet echter in de bouw van 65 woningen. Als gevolg van de bouw van deze woningen neemt de verkeersbelasting op de omliggende wegen toe, zoals beschreven in verkeersonderzoek (zie paragraaf 5.4.1.1). In het kader van een goed woon- en leefklimaat is onderzocht of de extra verkeersbelasting als gevolg van de nieuwe woningen leidt tot een verhoging van de geluidsbelasting op de gevels van de bestaande woningen in de omgeving en is onderzocht of deze verkeersbelasting leidt tot een aanvaardbare geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woningen. Het rapport van het akoestisch onderzoek is als bijlage 3 opgenomen in de bijlagen bij toelichting. Zoneplichtige wegen Het plangebied ligt niet binnen een zone van een als zodanig in de Wet geluidhinder aangewezen weg. Toetsing behoeft derhalve niet plaats te vinden. Realisatie van de voorgenomen ontwikkeling wordt hierdoor niet beperkt.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

30

Niet-zone plichtige wegen De gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van alle niet-gezoneerde wegen gezamenlijk bedraagt op de binnen het plangebied geprojecteerde bebouwing, gebruik makend van de aftrek van 5 dB als gevolg van de stiller worden de voertuigen, maximaal 47 dB. Zonder correctie voor het stiller worden van de voertuigen in de toekomst, is sprake van een maximaal optredende geluidbelasting van 52 dB. Uitgaande van een minimale geluidwering van de schilconstructie van 20 dB overeenkomstig het Bouwbesluit, kan zonder het treffen van aanvullende voorzieningen worden voldaan aan de benodigde binnengrenswaarde van 35 dB. Verkeer aantrekkende werking Zowel in de huidige als de nieuwe situatie is sprake van een ‘redelijke’ milieukwaliteit. Hierdoor blijft ook na de realisatie van de geprojecteerde nieuwbouw een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen geborgd. Temeer als men ervan uitgaat dat het wegverkeer in de toekomst stiller zal worden. Voor een binnenstedelijk gebied wordt rekening gehouden met een geluidreductie van 5 dB in 2031. In dat geval is er sprake van een optredende geluidbelasting die onder de 50 dB ligt en dus van een ‘goede’ milieukwaliteit. 5.5.3 Conclusie Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.6 Externe veiligheid 5.6.1 Beoordelingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

31

Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie gemeente Epe Met deze Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Epe. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving.

Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Epe aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Het toetsingskader voorkomt afwegingen en besluiten op ad hoc basis en brengt consistentie door heldere uitgangspunten en reële ambities. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het in dit document weergegeven externe veiligheidsbeleid in acht. De uitgangspunten uit deze visie worden verder toegepast bij alle gemeentelijke activiteiten en ontwikkelingen waarbinnen externe veiligheid een rol speelt (o.a. vergunningverlening en handhaving, routering gevaarlijke stoffen, ruimtelijk beleid, rampenbestrijding en risicocommunicatie). Uitgangspunt onderzoek De nieuwbouw van woningen dient afgewogen te worden in het kader van de externe veiligheid. Met de realisatie van het Sprenghenparc worden nieuwe kwetsbare objecten (65 woningen, conform artikel 1, lid 1 sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen) toegevoegd aan de bebouwde omgeving.

In het bestemmingsplan dat deze nieuwe kwetsbare objecten mogelijk maakt dient te worden afgewogen risicovolle activiteiten in de omgeving een gevaar vormen voor deze objecten. 5.6.2 Risicovolle objecten Op onderstaande afbeelding zijn de risicovolle objecten in Vaassen en omgeving aangegeven.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

32

Uitsnede van de risicokaart van Vaassen, met rood omcirkeld het plangebied (bron: www.risicokaart.nl) 5.6.2.1 Inrichtingen In de omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen voor. 5.6.2.2 Transportroutes gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied komen geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen voor. 5.6.2.3 Buisleidingen In de omgeving van het plangebied komen geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen voor. 5.6.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.7 Luchtkwaliteit 5.7.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • • •

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

33

gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •

CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).

5.7.2 Onderzoek De voornomen ontwikkeling bestaat uit de bouw van 65 woningen met twee ontsluitingswegen. Deze ontwikkeling valt onder de Regeling NIBM. Een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 5.7.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.8 Water 5.8.1 Watertoets Het doel van de watertoets is om in een vroeg stadium in overleg te treden met het waterschap over de voorgenomen ontwikkeling. De watertoets is op 9 december 2019 uitgevoerd op www.dewatertoets.nl. Op basis hiervan heeft het Waterschap Vallei en Veluwe een wateradvies uitgebracht. Op basis van de ingevoerde gegevens concludeert het Waterschap dat er sprake is van een waterbelang bij de voorgenomen ontwikkeling. De samenvatting van de watertoets is als bijlage 4 opgenomen in de bijlagen bij toelichting.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

34

5.8.2 Waterparagraaf In overleg met de gemeente Epe en het Waterschap Vallei en Veluwe is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, waarin is beschreven op welke wijze wordt omgegaan met de afvoer van hemelwater en vuilwater. In het waterhuishoudkundig plan is aangetoond dat het stedenbouwkundig plan kan worden gerealiseerd en dat alle woningen kunnen worden aangesloten op het vuilwaterriool van de gemeente Epe. Daarnaast is berekend dat binnen het plangebied 60 mm hemelwater kan worden opgevangen, zonder dat overlast ontstaat binnen het plangebied of daarbuiten. Mocht meer neerslag dan 60 mm vallen, dan zal dit afvloeien richting de retentievijver in het zuidelijke deel van het plangebied. Vanuit deze retentievijver zal het hemelwater vertraagd overlopen richting de cwatergang en de Egelbeek die ten zuiden van het plangebied liggen. Het waterhuishoudkundig plan is als bijlage 5 opgenomen in de bijlagen bij toelichting. 5.8.3 Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.9 Ecologie 5.9.1 Beoordelingskader Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Verder zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland regels opgenomen ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. 5.9.2 Onderzoek Om de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het plangebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van beschermde natuurgebieden inzichtelijk te maken is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. Het ecologisch onderzoek is als bijlage 6 opgenomen in de bijlagen bij toelichting.

Beschermde gebieden Natura 2000 De voorgenomen herontwikkeling van het plangebied heeft – afgezien van stikstofdepositie – geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Voor zowel de aanlegfase (sloop huidige bebouwing en ontwikkelen seniorenwoningen) als de gebruiksfase geldt dat sprake kan zijn van een toename aan stikstofemissie. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied op relatief korte afstand van het Natura 2000-gebied Veluwe, kan een toename aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats in het Natura 20000-gebied Veluwe of andere Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. AERIUS-berekening Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen is voor de aanlegfase en de gebruiksfase een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage van de AERIUSberekening is als bijlage 7 opgenomen in de bijlagen bij toelichting.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

35

De aanlegfase is berekend over een periode van 1 jaar en genereert een maximale depositiewaarde van 0,05 mol/ha/jr in Natura 2000-gebied De Veluwe. Er vindt geen depositie groter dan 0,00 mol/ha/jr in andere Natura 2000-gebieden plaats. Het toekomstig gebruik genereert geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden. Sinds 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. In de wet is opgenomen dat voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten in de aanlegfase van een project een vrijstelling geldt. Gelet op deze vrijstelling en depositiewaarden voor de gebruiksfase, is voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het aangrenzende gebied rond de Egelbeek (natuurgebied De Korte Broek van het Geldersch Landschap) maakt wel onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De Omgevingsverordening van de provincie Gelderland kent echter geen bepalingen over externe werking ten aanzien van GNN. Nadere toetsing in het kader van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland is derhalve niet aan de orde. Houtopstanden Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom.

Daarmee is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing op het plangebied. Beschermde soorten Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied verschillende beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. Voor enkele soorten geldt dat ze zijn vrijgesteld op grond van de Wet natuurbescherming en voor de meeste vogelsoorten geldt dat hun nest niet jaarrond is beschermd. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten niet noodzakelijk. Ten aanzien van de broedvogels geldt dat verstoring of aantasting van in gebruik zijnde nesten tijdens het broedseizoen (globaal half maart tot begin augustus) wel voorkomen moet worden. Mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende soorten die niet zijn vrijgesteld of vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is zijn: • • • • • •

Steenmarter Bunzing Hermelijn Wezel Huismus Vleermuizen

Naar deze soort(groep)en dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Indien één van deze soorten daadwerkelijk in het onderzoeksgebied aanwezig is, dan is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Zorgplicht De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: 'De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken en c) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.'

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

36

5.9.3 Aanvullend onderzoek voorkomen beschermde diersoorten Naar aanleiding van het verkennend ecologisch onderzoek is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde diersoorten in het plangebied. Het aanvullende onderzoek is als bijlage 8 opgenomen in de bijlagen bij toelichting. Kleine marterachtigen Er zijn geen exemplaren of sporen van kleine marterachtigen (wezel, bunzing en hermelijn) waargenomen in het projectgebied. De aanwezigheid van de wezel, hermelijn en bunzing in het projectgebied is uitgesloten. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze soorten is derhalve geen sprake. Steenmarter De aanwezigheid van steenmarter is vastgelegd met een wildcamera. In de tennishal zijn keutels en prooiresten aangetroffen. Er zijn geen rust- of nestplaatsen in het projectgebied aanwezig. De hal wordt gebruikt als foerageergebied, maar van een functie als essentieel foerageergebied is geen sprake. Gelet op het ontbreken van rust- en/of verblijfplaatsen en een functie als essentieel foerageergebied is er geen sprake van een significant negatief effect op steenmarter. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is voor de steenmarter niet benodigd indien de zorgplicht bij het uitvoeren van de werkzaamheden in acht wordt genomen. Huismussen Er zijn geen exemplaren of sporen van huismus waargenomen in het projectgebied.

De aanwezigheid van de huismus in het projectgebied is uitgesloten. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op deze soort is derhalve geen sprake. Vleermuizen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis in het onderzoeksgebied waargenomen. Er zijn geen verblijfplaatsen in het projectgebied aanwezig. Er is geen sprake van een vliegroute voor vleermuizen in het projectgebied. Het projectgebied wordt als foerageergebied gebruikt door gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis, maar voor geen van deze soorten is sprake van een functie als essentieel foerageergebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen negatief effect op vleermuizen. Overige waarnemingen: das en vos Das en vos foerageren incidenteel in het projectgebied, maar van een functie als essentieel foerageergebied is geen sprake. Er zijn geen rust- of nestplaatsen en verbindingsroutes van deze soorten aanwezig in het projectgebied of invloedsfeer van de werkzaamheden. Van een negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op das en/of vos is derhalve geen sprake. De voorgenomen ontwikkeling en geplande werkzaamheden resulteren niet in overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming voor beschermde soorten. Een ontheffing is derhalve niet benodigd.

5.9.4 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.10 Archeologie en cultuurhistorie 5.10.1 Archeologie 5.10.1.1 Beoordelingskader Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

37

betrekking tot archeologie van toepassing blijven. De nieuwe Omgevingswet treedt op 1 januari 2021 in werking. In het kader van een ruimtelijk plan is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de betreffende gronden van archeologische waarde kunnen zijn. De uitkomsten hiervan worden door het bevoegde gezag meegenomen in de belangenafweging. 5.10.1.2 Onderzoek Om de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied inzichtelijk te maken is een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is als bijlage 9 opgenomen in de bijlagen bij toelichting. Op basis van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat voor het plangebied een hoge verwachting geldt voor alle archeologische perioden. Er kunnen archeologische resten verwacht worden in de vorm van verspreide begraving, (periodieke) bewoning en landgebruik. Archeologische resten kunnen bestaan uit nederzettingsresten en voor de betreffende periode kenmerkend vondstmateriaal, zoals aardewerk, bouwkeramiek en glas. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat de bodems in het plangebied bestaan uit een bouwvoor op geel zand, veelal met in het algemeen een dunne verwerkte tussenlaag. Er is sprake van smeltwaterafzettingen. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen relevante archeologische indicatoren en/of vondsten waargenomen.

5.10.1.3 Conclusie archeologie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.10.2 Cultuurhistorie 5.10.2.1 Beoordelingskader Volgens artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. De gemeente Epe heeft een bijzonder rijk verleden en wil zich dan ook inzetten om de cultuurhistorische waarden te behouden en waar mogelijk te benutten. Om hier inhoud en vorm aan te geven heeft de gemeente een cultuurhistorisch beleidskader met een uitvoeringsprogramma opgesteld. Het kader is vastgelegd in het rapport 'Epe, historisch centrum van de Veluwe (20102015)'. 5.10.2.2 Onderzoek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorps- of stadsgezicht. De in het plangebied aanwezige bebouwing is niet aangewezen als een rijks- of gemeentelijk monument. In de directe omgeving van het plangebied komen geen aangewezen rijks- of gemeentelijke monumenten voor.

De in het plangebied aanwezige bebouwing heeft geen bijzondere cultuurhistorische of architectonische waarde, die behouden dient te worden. Voor het plangebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld dat past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur. 5.10.2.3 Conclusie cultuurhistorie Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.10.3 Conclusie Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

38

5.11 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten De milieu- en omgevingsaspecten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

39

6. Besluit Milieueffectrapportage 6.1 Inleiding De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de geldende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Epe’ en 'Vaassen Zuid en West'. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken is een besluit in het kader van artikel 3.1, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk, in casu een bestemmingsplan. Op dergelijke besluiten is het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing.

6.2 Beoordelingskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn, is vastgelegd in het Besluit m.e.r. De activiteiten zijn onderverdeeld in: • •

activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Voor het merendeel van de activiteiten van de onderdelen C en D gelden drempelwaarden. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van die bijlage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Als door de activiteit de drempelwaarde wordt overschreden is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden door de activiteit is het verplicht een m.e.r.-beoordeling te maken, maar is deze vormvrij.

6.3 Procedure In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden: 1. de initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. de initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

40

6.4 Aanmeldnotitie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen is een Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. opgesteld. In de Aanmeldnotitie zijn de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu beschreven, waarbij is ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis hiervan is in de Aanmeldnotitie geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om die reden wordt volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De Aanmeldnotitie is als bijlage 10 opgenomen in de bijlagen bij toelichting.

6.5 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Beoordeling De concrete omstandigheden in dit geval betreft het slopen van een gebouw dat in gebruik was als tennishal en de bouw van 65 woningen met bijhorende verkeers-, groen- en watervoorzieningen. Het plangebied grenst aan bestaand stedelijk gebied en is in het structuurplan van de gemeente Epe aangeduid als toekomstig woongebied en in de nog vast te stellen Omgevingsvisie als bestaand dorpsgebied van Vaassen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2,75 hectare en blijft hiermee onder de drempelwaarde van 100 hectare. De voorgenomen ontwikkeling maakt 65 woningen mogelijk en blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2.000 woningen.

Omdat de ontwikkeling niet voorziet in bedrijfsmatige activiteiten wordt de drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² niet overschreden. Het project is kleinschalig van karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en de locatie ligt niet in of bij beschermde natuurgebieden. Doordat in het stedenbouwkundig plan een houtwal is opgenomen en eisen worden gesteld aan de te plaatsen lichtmasten (zoveel mogelijk naar beneden gericht en een beperkte brandduur) wordt de lichtuitstraling op het Natura2000-gebied ten zuiden van het plangebied zodanig beperkt dat er dat er geen sprake is van nadelige effecten op dit gebied. Ten aanzien van de overige relevante milieu- en omgevingsaspecten is er als gevolg van het project geen sprake van nadelige effecten op de leefomgeving. Om deze redenen kan worden volstaan met deze vormvrije m.e.r.-beoordeling.

6.6 Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

41

7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan 'Vaassen Sprenghenparc' worden de huidige bestemmingen gewijzigd, zodat de bouw van 65 woningen met de daarbijbehorende wegen, parkeer-, en groen- en watervoorzieningen mogelijk worden gemaakt .

Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het bestemmingsplan 'Vaassen Zuid en West' en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • • • •

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

7.2 Opzet van de regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •

artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

42

Op de verbeelding zijn bouwhoogten en soms bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd. De aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen. 7.2.2 Bestemmingsregels hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.); Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); Gebruiksregels: welke vormen van gebruik zijn toegestaan en welke niet; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.

In paragraaf 7.3 van de toelichting worden de verschillende bestemmingen nader toegelicht. 7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

•

•

•

•

•

artikel 6 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 7 Algemene bouwregels: in de algemene bouwregels zijn bepaalde, kleine overschrijdingen van bestemmingsvlakken en bouwregels beschreven die zonder afwijkingsprocedure toegestaan zijn. In het verleden waren voor zulke geringe overschrijdingen wel afwijkingsprocedures nodig. Maar in de praktijk bleken de in dit artikel opgesomde overschrijdingen altijd een omgevingsvergunning te krijgen. Daarom zijn ze in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt 'bij wijze van recht'. Dat komt de helderheid vooraf ten goede en kan de proceduredruk verminderen. artikel 8 Algemene gebruiksregels: in de algemene gebruiksregels is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Tevens is in dit artikel een regeling opgenomen ten aanzien van het gebruik van een woning ten behoeve van een bed and breakfast; artikel 9 Algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kunnen Burgemeester en wethouders omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn. Bedoeld worden onder meer geringe afwijkingen van bouw- of bestemmingsgrenzen; artikel 10 Algemene procedureregels: bij het stellen van nadere eisen, zoals bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening, dient aan belanghebbenden de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen te worden geboden. Hiertoe wordt in de algemene procedureregels een procedure voorgeschreven; artikel 11 Overige regels: in de regels wordt een enkele keer verwezen naar andere wettelijke regelingen. Landelijke wettelijke regelgeving kan gedurende de looptijd van het bestemmingsplan veranderen. Om die reden wordt in het artikel overige regels aangegeven dat daar waar wordt verwezen naar landelijke wettelijke regelingen, die regelingen zijn bedoeld zoals deze luidden op het moment waarop het ontwerp bestemmingsplan ter visie is gelegd.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

43

7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 12 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 13 Slotregels geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer en de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

7.3 Nadere toelichting op de bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer' en 'Wonen' opgenomen. De regels voor deze bestemmingen zijn overgenomen uit het bestemmingsplan 'Vaassen Zuid en West'. De bestemming 'Groen' is opgenomen ten behoeve van het groen voor het parkachtige karakter van Sprenghenparc. Binnen deze bestemming kunnen groen-, speel-, parkeer- en water en waterhuishoudkundige voorzieningen worden gerealiseerd.

Deze bestemming biedt enkel de mogelijkheid tot het realiseren van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen deze bestemming is een aanduiding opgenomen ten behoeve van het aanleggen van een houtsingel om uitstraling (licht en geluid) vanuit het plangebied op het ten zuiden van het plangebied gelegen Natura2000-gebied. De bestemming 'Verkeer' is opgenomen ten behoeve van de aanleg van ontsluitingswegen in het plangebied. Op de verbeelding is binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer' een aanduiding opgenomen in het zuidelijke deel van het plan gebied. In de regels van de bestemmingen is opgenomen dat voor het plaatsen van lichtmasten in deze zone geldt dat deze geen lichtuitstraling mogen hebben op gebieden buiten het plangebied en dat deze in de nachtelijke uren maximaal 1 uur mogen branden. De bestemming 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van de bouw van de woningen, uitsluitend binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken. Om de bouwmogelijkheden van vergunningsvrije bouwwerken zoveel mogelijk te beperken zijn de bestemmingsvlakken voor 'Wonen' in omvang beperkt. Daarnaast is, om het groene en open karakter van het Sprenghenparc te waarborgen, de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde beperkt tot één meter.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

44

8. Financiële uitvoerbaarheid 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.

8.2 Exploitatie De Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) gaat ervan uit dat bij het bestemmingsplan een exploitatieplan wordt vastgesteld tenzij het kostenverhaal anders verzekerd is. De voor dit bouwplan en bestemmingsplan te maken kosten, waaronder eventuele tegemoetkoming in schade, zijn voor rekening van de betrokken initiatiefnemer. Met hem zijn hierover bindende afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Om die reden maakt een exploitatieplan geen deel uit van dit bestemmingsplan.

14 december 2021 | Bestemmingsplan ‘Vaassen Sprenghenparc’ | Buro Stedenbouw

45

9. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).

9.2 Participatie De initiatiefnemer heeft een website waarop alle relevante informatie voor omwonenden te vinden is. Op deze website staat onder meer informatie over het woonconcept, een overzicht van de te nemen stappen om tot realisatie te komen en worden vragen van omwonenden beantwoord. In de voorbereiding van het opstellen van het stedenbouwkundig plan is een aantal keer overleg gevoerd met omwonenden. Op 14 mei 2020 heeft de initiatiefnemer een webinar georganiseerd om de eerste plannen voor te leggen aan omwonenden. Naar aanleiding van deze digitale bijeenkomst konden de deelnemers vragen stellen. Deze vragen zijn verzameld en beantwoord. Tijdens een tweede bewonersbijeenkomst op 18 juni 2020 zijn de vragen besproken en zijn nieuwe vragen beantwoord. Naar aanleiding van deze bijeenkomst zijn tevens een aantal individuele gesprekken met naaste omwonenden gevoerd. De bijeenkomsten en gesprekken hebben geleid tot beperkte aanpassing van het stedenbouwkundig plan. Het verslag van de buurtparticipatie is als bijlage 12 opgenomen in de bijlagen bij toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12063747/1