CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

510492 Nota herijking subsidiebeleid pijler sociaal - het subsidiekader

Gemeenteraad 10 november 2022, gemeente EpeBij agendapunt: Amendement: Herijking subsidiebeleid7.709 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota herijking subsidiebeleid pijler Sociaal Het subsidiekader

Datum: 14-03-2022 Versie: definitief

Nota herijking subsidiebeleid pijler Sociaal Het subsidiekader

Datum: 14-03-2022 Versie: definitief 2

INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Aanpak project

4 4 5

Hoofdstuk 2 Wat is een subsidie 2.1 Definitie van subsidie 2.2 Algemene subsidieverordening en subsidieregelingen 2.3 Soorten subsidies 2.4 Verantwoordelijkheid raad en college 2.5 Subsidie en beleidsrealisatie

6 6 6 6 7 7

Hoofdstuk 3 Wat willen we bereiken 3.1 Visie Sociale Agenda 3.2 Uitgangspunten Sociale Agenda 3.3 Ambities Sociale Agenda

8 8 8 9

Hoofdstuk 4 Het nieuwe subsidiekader 4.1 De uitgangspunten van het nieuwe subsidiebeleid 4.2 Het inhoudelijk kader van het nieuwe subsidiebeleid 4.3 Het verdeelmodel van het nieuwe subsidiebeleid 4.4 De indeling in de subsidieregelingen

10 10 10 11 13

Hoofdstuk 5 De consequenties van het nieuwe subsidiekader 5.1 Inleiding 5.2 De knoppen die de hoogte van een subsidiebepalen 5.3 De vertaling in vier scenario’s 5.4 Overgangsregeling 5.5 Tot slot

14 14 14 14 15 16

Bijlage 1

Verslag innovatielabs herijking subsidiebeleid

17

Bijlage 2

Effecten van de verschillende scenario’s op aanvragers

24

3

1. INLEIDING Voor u ligt de beleidsnota “herijking subsidiebeleid pijler Sociaal, het subsidiekader”. In deze nota wordt beschreven hoe het nieuwe subsidiekader voor de subsidies in het sociaal domein er uit ziet. Dit nieuwe subsidiekader heeft vooral effect op de vrijwilligersorganisaties. Voor hen verandert het verdeelmodel, de wijze waarop de subsidiepot wordt verdeeld. Het verdeelmodel heeft een nadere uitwerking gekregen in vier scenario’s. Het inhoudelijke kader van het nieuwe subsidiebeleid is wel voor alle organisaties van toepassing, vrijwillig en professioneel. Leeswijzer De nota herijking subsidiebeleid heeft de volgende opzet:  In hoofdstuk 1 wordt de aanleiding en de aanpak van het project beschreven.  Hoofdstuk 2 geeft een definitie van subsidie en legt uit hoe een Algemene Subsidieverordening en de subsidieregelingen zich tot elkaar verhouden. Ook komt de bevoegdheid met betrekking tot subsidiebeleid van de gemeenteraad en het college van B&W aan de orde.  Hoofdstuk 3 beschrijft wat we willen bereiken met de verstrekking van subsidies in de pijler sociaal, de doelstellingen die we nastreven.  In hoofdstuk 4 wordt het nieuwe subsidiekader gepresenteerd. Wat zijn de uitgangspunten, wat is het inhoudelijk kader en hoe ziet het verdeelmodel eruit.

 In hoofdstuk 5 worden tenslotte de consequenties van het nieuwe subsidiekader beschreven in vier scenario’s voor de vrijwilligersorganisaties en de overgangsregeling die van toepassing is. 1.1 Aanleiding In 2015 is het Rekenkamerrapport “Subsidiebeleid Epe” verschenen. In dit rapport is geconcludeerd dat het destijds vastgestelde subsidiebeleid zijn doelen heeft bereikt, maar dat er verbeterpunten zijn ten aanzien van de reikwijdte, transparantie en gelijke behandeling van partijen. Op 15 maart 2018 heeft de gemeenteraad ingestemd met de motie “rechtvaardige verdeling van subsidies voor alle verenigingen en vrijwilligers”. Daarin wordt uitgesproken dat er een rechtvaardige verdeling moet zijn van de subsidies voor alle verenigingen en vrijwilligers. De overwegingen bij deze motie zijn: - Er is transparantie gewenst in de toekenning van de subsidies voor verenigingen en vrijwilligers. - De subsidieplafonds zijn leidend voor verdeling en toekenning. - Vergelijkbare verenigingen qua grootte en uitvoering hebben recht op een gelijke subsidietoekenning. - Professionele organisaties steken anders in elkaar dan vrijwilligersorganisaties. Het college is gevraagd om vanuit deze overwegingen met een plan van aanpak te komen en deze aan de raad aan te bieden.

Andere wensen voor het subsidiebeleid zijn een eenvoudige aanvraagprocedure voor vrijwilligersorganisaties, goede communicatie richting aanvragers en flexibiliteit: ook het tussentijds aanvragen van een subsidie moet mogelijk worden.

4

1.2 Aanpak project Om invulling te geven aan bovenstaande punten is de gemeente Epe gestart met de herijking van het subsidiebeleid. Onder begeleiding van een extern bureau zijn er diverse bijeenkomsten geweest waarin vrijwilligersorganisaties, professionele organisaties, beleidsontwikkelaars, het college van B&W en de begeleidingscommissie hebben kunnen meedenken. In december 2018 zijn er twee innovatielabs gehouden waarin professionele- en vrijwilligersorganisaties input hebben kunnen geven op het nieuw te ontwikkelen beleid. Aan hen is gevraagd wat ze goed vinden aan het subsidiebeleid van de gemeente, wat er beter kan en wat volgens hen van belang is als de gemeente nieuwe subsidieregelingen opstelt. Een aantal genoemde aspecten zijn: - Niet iedereen is voldoende op de hoogte van de subsidiemogelijkheden. - Het administratieve proces van subsidieverlening en -verantwoording kan eenvoudiger en meer transparant. - Partijen spreken hun wens uit om een bijdrage te leveren aan maatschappelijke opgaven van de gemeente. - Geen leeftijdsgrenzen stellen aan doelgroepen. - Een transparant en inzichtelijk verdeelmodel is belangrijk. Een volledig beeld van de opbrengst van de innovatielabs is te vinden in bijlage 1: verslag Innovatielabs Herijking Subsidiebeleid gemeente Epe.

In april 2021 hebben dezelfde organisaties de gelegenheid gekregen om te reageren en aandachtspunten mee te geven op het concept beleidskader herijking subsidiebeleid. Hierin is onder andere aandacht gevraagd voor meer uitleg over begrippen, heldere uitleg over de verhouding tussen de Algemene Subsidieverordening en subsidieregelingen en het toevoegen van een overgangsregeling. In deze notitie en in de subsidieregelingen is zoveel mogelijk tegemoet te komen aan deze wensen. Complimenten zijn geuit over de transparantie van het nieuwe verdeelmodel en het proces dat is doorlopen. De zorgen betroffen vooral de financiële consequenties voor partijen die er op achteruit gaan en het totaalbedrag dat beschikbaar is voor vrijwilligersorganisaties ten opzichte van het budget voor professionele organisaties. Dit wordt niet altijd in verhouding gezien. In januari 2019 is er een eerste bijeenkomst met de raadscommissie geweest. Daarin is afgesproken dat er een consulatie zou plaatsvinden over het concept beleidskader herijking subsidiebeleid. Deze consultatie van de gemeenteraad heeft in maart 2021 plaatsgevonden. Een aantal onderwerpen is ter overweging meegegeven, waaronder: - Is een nadere finetuning van het verdeelmodel mogelijk? - Voldoende aandacht voor het betrekken van de vrijwilligersorganisaties bij het proces van herijking van het subsidiebeleid.

- Nadere uitleg over verordening en subsidieregelingen. - Wat betekent het loslaten van het onderscheid tussen vrijwilligersorganisaties en professionele organisaties? - Krijgen we te maken met een aanzuigende werking als het maximale bedrag van een subsidie bekend is? - Kunnen huidige subsidieontvangers met het nieuwe beleidskader buiten de boot vallen? Ook deze punten krijgen zoveel mogelijk een plek in de notitie en/of de subsidieregelingen.

5

2. WAT IS SUBSIDIE 2.1 Definitie van subsidie Wat onder een subsidie wordt verstaan staat vermeld in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb): ‘de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten’. Subsidie is een materieel begrip. Als aan alle vier onderstaande elementen van de definitie is voldaan, dan is er sprake van subsidie. - Er is een aanspraak op financiële middelen. - Deze financiële middelen worden verstrekt door een bestuursorgaan (in de zin van artikel 1:1 van de Awb). - De financiële middelen worden verstrekt voor bepaalde activiteiten van de aanvrager. Dat wil zeggen dat de bestedingsrichting van tevoren duidelijk omschreven moet zijn. - Het mag niet gaan om betaling voor goederen of diensten die aan het bestuursorgaan geleverd worden. Een subsidie is een beleidsinstrument om bepaalde activiteiten of gedrag te bevorderen die niet vanzelf tot stand zouden komen omdat de kosten hiervoor te hoog zijn. Het subsidiebeleid gaat over de inzet van het instrument subsidie. Met subsidies geeft een bestuursorgaan sturing aan het bereiken van beleidsdoelen.

2.2 Algemene subsidieverordening en subsidieregelingen Een subsidie moet in principe altijd gebaseerd zijn op een wettelijk voorschrift, voor een gemeente is dat de Algemene subsidieverordening (ASV). Daarin moet zijn omschreven voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt (zie artikel 4:23 van de Awb). De model-ASV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), waar de gemeente Epe haar ASV op heeft gebaseerd, geeft een kaderregeling voor het subsidieproces. Deze is voor alle soorten subsidies van een gemeente toepasbaar. Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen staan daar niet in. Met een ASV alleen voldoet een gemeentebestuur dus niet aan het vereiste van een wettelijk voorschrift. De te subsidiëren activiteiten moeten daarom worden uitgewerkt in een nadere regeling. Dit is in Epe vastgelegd in artikel 3 van de ASV. Daarin staat dat het college bij nadere regeling (hierna de subsidieregelingen) vastlegt welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Indien van toepassing, wordt hierin ook bepaald welke doelgroepen voor de subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald. Een ASV in combinatie met een subsidieregeling voor bepaalde activiteiten vormt samen een wettelijk voorschrift op basis waarvan de subsidies kunnen worden verstrekt.

2.3 Soorten subsidies In de praktijk bestaan er allerlei namen voor subsidies, bijvoorbeeld exploitatiesubsidie, structurele subsidie, waarderingssubsidie, projectsubsidie of budgetsubsidie. De juridische betekenis van zulke namen is beperkt. Ze slaan vooral op het doel dat met de subsidie wordt beoogd en niet zozeer op de te subsidiëren activiteit. Al deze verschillende namen maken het de aanvrager niet gemakkelijk bij het inschatten onder welke categorie zijn activiteiten zouden kunnen vallen. In de ASV wordt daarom alleen onderscheid gemaakt in:

6

-

Subsidies die per boekjaar of kalenderjaar worden verstrekt enerzijds en andere subsidies anderzijds (die hebben verschillende aanvraagtermijnen). Subsidies met diverse categorieën van bedragen. Dit laatste om te kunnen differentiëren in de manier van verstrekken en verantwoorden, met het oog op het zo laag mogelijk houden van administratieve lasten.

2.4 Verantwoordelijkheid raad en college Om het totale subsidieproces rechtmatig te laten verlopen is duidelijkheid nodig over wie verantwoordelijk is voor welk deel van het proces. De gemeenteraad is verantwoordelijk voor de volgende onderdelen: - Het vaststellen van het subsidiekader waarin de systematiek van subsidieverdeling uitgewerkt is. - Het vaststellen van de ASV. - Het vaststellen van nieuw beleid. - Het vaststellen van de subsidieplafonds als onderdeel van de begroting. Het college van B&W is verantwoordelijk voor: - Het vaststellen van de subsidieregelingen, met daarin uitgewerkt het verdeelmodel. - Het uitvoeren van de subsidieverlening binnen de kaders voor budgetten die de gemeenteraad heeft vastgesteld. - Het vaststellen van de invulling van bestaand beleid. 2.5 Subsidie en beleidsrealisatie De gemeente neemt steeds vaker de regierol op zich. Via subsidies geeft de gemeente sturing aan het bereiken van gemeentelijke ambities en doelen. Dit doet zij door vrijwilligersorganisaties en instellingen in staat te stellen om binnen het beleid passende activiteiten te realiseren. Subsidies zijn daarbij een middel en geen doel op zichzelf. Dit blijkt uit de definitie van ‘subsidie’ in artikel 4:21 van de Awb. Niet de subsidieontvanger of het bedrag staan centraal, maar de te subsidiëren activiteiten.

De gemeente omschrijft in een beleidsplan de beleidsdoelen, waaruit kan worden afgeleid welke activiteiten zullen bijdragen aan het behalen van dat beleidsdoel en dus in principe voor subsidie in aanmerking kunnen komen. In de gemeente Epe is de ‘kapstok’ van het sociaal beleid vastgelegd in de Sociale Agenda. Hierin staan de ambities en de maatschappelijke effecten die de gemeente de komende jaren wil realiseren (zie volgend hoofdstuk). Deze worden ook opgenomen in de subsidieregelingen die onder de pijler ‘Sociaal’ vallen.

7

3. WAT WILLEN WE BEREIKEN Wat we willen bereiken in de pijler ‘Sociaal’, het sociale domein, is recent vastgelegd in de nieuwe Sociale Agenda 2022 en verder. Omdat dit de inhoudelijke grondslag is voor het verlenen van subsidies wordt hier een deel van de samenvatting uit dit beleid opgenomen. De uitgangspunten en de ambities vormen daarmee een onderdeel van dit subsidiekader. 3.1 Visie Sociale Agenda De gemeente Epe is een inclusieve gemeente waarin iedereen mee kan doen. Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor hun leven en mogen daar in vrijheid invulling aan geven. Wanneer iemand tijdelijk of voor langere tijd minder goed in staat is de regie over zijn leven te houden, bieden we als samenleving ondersteuning. Door te investeren in een sterke sociale basis, maken we mogelijk dat de eigen kracht en gezamenlijke burgerkracht zo goed mogelijk wordt ondersteund. Voor wie het niet lukt om alleen of met elkaar een vangnet te bieden, zorgen wij dat er zorg en ondersteuning beschikbaar is. Daarbij staan de mogelijkheden, talenten en eigenaarschap van de inwoners centraal. 3.2 Uitgangspunten Sociale Agenda Vanuit de visie zijn een drietal uitgangspunten geformuleerd. Deze punten wegen mee bij de beoordeling van een subsidieaanvraag. Iedereen kan meedoen We willen een inclusieve samenleving zijn waarin alle verschillen gerespecteerd worden en iedereen zichzelf mag zijn.

Ongeacht geaardheid of gender, culturele of religieuze identiteit, beperking of kwetsbaarheid. Iedereen mag zijn stem laten horen en krijgt de kans om mee te doen. We gaan er niet vanuit dat meedoen voor iedereen vanzelfsprekend is. Als het nodig is, steunen wij onze inwoners hierbij. We communiceren in duidelijke en begrijpelijke taal voor al onze inwoners. Gebiedsgerichte aanpak We kijken wat er nodig is in een gebied (dorp, wijk, buurt of buurtschap) en leveren zo per gebied maatwerk. De behoefte van de inwoner staat daarbij centraal. Binnen de gebiedsgerichte aanpak werken gemeente, professionals, vrijwilligers, ondernemers en inwoners in het gebied samen aan goede voorzieningen en een leefbare buurt. Samenwerken en faciliteren Wij werken met onze inwoners vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om een prettige en leefbare samenleving te creëren. We luisteren naar de inwoners, we vertrouwen hen, geven hen de mogelijkheden om initiatieven te ontplooien en betrekken hen zowel bij de plan- en beleidsvorming als bij de uitvoering. De rol van de gemeente verschuift meer naar faciliterend aan de samenleving, waarin de samenleving ook verantwoordelijkheden krijgt. Dat betekent dat we inwoners, organisaties, bedrijven en samenwerkingsverbanden ondersteunen om de Eper samenleving nog prettiger en leefbaarder te maken.

8

3.3 Ambities Sociale Agenda Tot slot worden de ambities geformuleerd, dat wat we beogen met het beleid op het terrein van het sociaal domein. In de subsidieregelingen komen deze terug, met de maatschappelijke effecten die we willen bereiken. Versterken zelf organiserend vermogen We willen het zelf organiserend vermogen van onze inwoners versterken en daardoor de kwaliteit van leven en de sociale verbondenheid verhogen. - Inwoners zetten zich in voor elkaar, hun buurt of wijk en kijken naar elkaar om. - Inwoners weten laagdrempelige activiteiten in de wijk of buurt te vinden. - Inwoners die voor een ander zorgen, worden zo nodig ondersteund zodat ze dat op een goede manier kunnen blijven doen. De basisinfrastructuur De basisvoorzieningen zijn evenwichtig verspreid en onze inwoners kunnen in de eigen wijk of buurt deelnemen aan activiteiten. Nu en in de toekomst. - Er zijn laagdrempelige voorzieningen in de buurt. - Inwoners komen in aanraking met sport, kunst en cultuur. - Vrijwilligers en professionele organisaties werken samen aan het behoud en verbetering van de leefbaarheid in de wijken. Prettig en gezond leven in de wijk We willen dat onze inwoners zich gezond voelen en prettig leven in de wijk. Daarbij hebben we specifiek aandacht voor mensen met een lage sociaaleconomische status en mensen met een zorgvraag.

- De sociale en fysieke leefomgeving draagt bij aan de lichamelijke en mentale gezondheid van inwoners. - Inwoners met zorgvragen wonen prettig in de wijk. Iedereen doet mee naar vermogen Iedereen doet zoveel mogelijk mee in de samenleving. We houden rekening met belemmeringen om te participeren. Alle inwoners kunnen hun talenten maximaal ontwikkelen en gebruiken. - Alle inwoners beschikken over voldoende basisvaardigheden om mee te kunnen doen. - Inburgeringsplichtigen doen zo snel mogelijk mee in de Nederlandse samenleving. - Kinderen en jongeren kunnen zich maximaal ontplooien. Zorg en ondersteuning We werken integraal in de toegang tot zorg en ondersteuning. Onze professionals beschikken over de juiste vaardigheden om de inwoner en zijn hulpvraag centraal te stellen en goede afspraken te maken over regie en eigenaarschap. - Inwoners weten waar zij terecht kunnen met een hulpvraag. - Inwoners die dat nodig hebben krijgen de best passende zorg of ondersteuning. Goede en veilige zorg We bieden kwalitatief goede zorg en ondersteuning om meedoen mogelijk te maken, werk te vinden en schulden op te lossen. Daarbij hebben we oog voor de veiligheid van onze inwoners. - Zorg en ondersteuning is van goede kwaliteit en helpt mensen om mee te doen. - Er zijn goede afspraken over regie en onveilige situaties worden zoveel mogelijk voorkomen en opgelost.

9

4. HET NIEUWE SUBSIDIEKADER Om uitvoering te geven aan de motie ‘rechtvaardige verdeling van subsidies voor alle verenigingen en vrijwilligers’ is een andere, nieuwe opzet van het subsidiebeleid nodig. Hiertoe is een nieuw subsidiekader ontwikkeld dat bestaat uit enerzijds het inhoudelijk deel waar uitgangspunten, ambities en maatschappelijke effecten aan gekoppeld zijn die uit de Sociale Agenda komen (zie hoofdstuk 3). Anderzijds bestaat het uit de systematiek van subsidieverstrekking, het deel dat de systematiek beschrijft van de wijze waarop de gemeente de subsidies verdeeld. Dit wordt nader uitgewerkt in vijf subsidieregelingen met daarin het verdeelmodel. 4.1 De uitgangspunten van het nieuwe subsidiebeleid Voor het nieuwe subsidiebeleid is gekozen voor een drietal uitgangspunten die centraal staan en overkoepelend zijn over alle beleidsterreinen van het sociaal domein heen. Sociale cohesie in Epe (organisaties en verenigingen die mensen samenbrengen) De gemeente wil dat iedereen kan meedoen aan de samenleving en streeft daarom naar een actief verenigingsleven voor de inwoners van de gemeente Epe. Basisvoorzieningen en accommodaties zijn toegankelijk en bereikbaar en zij faciliteren ontmoeting. Activiteiten zijn zoveel mogelijk toegankelijk voor zoveel mogelijk verschillende doelgroepen.

Gemeente stuurt op effect en resultaat (beleidsdoelen en maatschappelijke effecten) De gemeente heeft een kaderstellende en faciliterende rol, waarbij partners veel ruimte hebben om eigen ideeën te ontplooien. Het bereiken van concrete resultaten en doelen staat echter voorop. In de startfase van de transitie van het sociaal domein zijn zelfs harde afspraken gemaakt met partners. Het Rekenkamerrapport is aanleiding geweest om de evalueerbaarheid van subsidies te verbeteren. Gemeente beperkt administratieve lasten (eenvoudig verdeelmodel) De gemeente beperkt de administratieve lasten tot een minimum. De tijd en kosten die een aanvrager moet maken om te voldoen aan de informatieverplichting die de gemeente oplegt in de aanvraag- en verantwoordingsprocedure wordt zo klein mogelijk gehouden. 4.2 Het inhoudelijke kader van het nieuwe subsidiebeleid Over dit onderdeel kunnen we hier kort zijn. Het bestaat uit de drie uitgangspunten van de Sociale Agenda waarvan verwacht wordt dat een subsidie het realiseren ervan stimuleert, namelijk iedereen kan meedoen, de gebiedsgerichte aanpak en samenwerken en faciliteren. De ambities en maatschappelijke effecten die de gemeente Epe wil bereiken komen voort uit de Sociale Agenda 2022 en zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In een enkel geval zijn deze nader uitgewerkt in nota’s op specifieke beleidsterreinen.

Ze komen ook terug in de subsidieregelingen en vormen de inhoudelijke grondslag voor het verlenen van een subsidie in de pijler ‘Sociaal’. De subsidieregelingen zijn: lokaal onderwijsbeleid, kunst & cultuur, sport, gezondheid, welzijnswerk inclusief integratie en tot slot jeugdwet, Wmo en Participatiewet). Met betrekking tot het inhoudelijke kader wordt het onderscheid tussen professionele organisaties en vrijwilligersorganisaties losgelaten. Het gaat er niet meer om wat voor soort organisatie het is, maar om wat een organisatie realiseert voor de lokale

10

samenleving. Dit betekent dat het leveren van een bijdrage aan de door de gemeente gestelde ambities en doelen centraal staat. Binnen welk beleidsterrein de doelen vallen is uitgewerkt in de subsidieregelingen. En daarbinnen dragen alle subsidieontvangers, ongeacht of ze in de categorie professionele – of vrijwilligersorganisatie vallen, bij aan dezelfde beleidsdoelen van dat terrein. 4.3 Het verdeelmodel van het nieuwe subsidiebeleid In tegenstelling tot het inhoudelijke kader, dat op alle organisaties van toepassing is, heeft het nieuwe verdeelmodel alleen gevolgen voor de vrijwilligersorganisaties. Professionele organisaties blijven gesubsidieerd worden op basis van een begroting, gekoppeld aan activiteiten die bijdragen aan gemeentelijke doelen. Dit is nu ook het geval. Vrijwilligersorganisaties krijgen in het huidige verdeelmodel subsidie op basis van een aantal criteria: ontvangen subsidie in het vorige jaar, een evenredig deel, het aantal activiteiten of het aantal jeugdleden, deelnemers of bezoekers. Dit verdeelmodel heeft een ongunstige uitwerking. Nieuwe aanvragers krijgen geen of minder subsidie, subsidie is niet gerelateerd aan geleverde prestaties en creatieve aanvragen op basis van het aantal activiteiten wordt in de hand gewerkt. De uitgangspunten van het nieuwe verdeelmodel zijn tot stand gekomen op basis van verschillende bronnen.

De standpunten van de raad, die een evenredige verdeling en een eenvoudige aanvraagprocedure voor vrijwilligersorganisaties wenst. En er is input verwerkt van subsidieontvangers die hebben benadrukt dat zij beoordeeld willen worden op de kwaliteit in plaats van het aantal activiteiten en op al hun leden en niet alleen jeugdleden. De uitgangspunten voor het nieuwe verdeelmodel zijn: - Aanvragers krijgen subsidie op basis van de kwaliteit en (maatschappelijk) toegevoegde waarde van activiteiten. Activiteiten hebben een duidelijke toegevoegde waarde als ze bijdragen aan het behalen van de ambities en doelen van de gemeente. - De gemeente biedt aanvragers continuïteit door te subsidiëren op basis van het huidige aantal actieve leden uit Epe of op basis van de (activiteiten)begroting. - De gemeente levert maatwerk door bij het vaststellen van de hoogte van de vergoedingen rekening te houden met het beleidsterrein.

Figuur 1: de drie categorieën subsidieontvangers

In het nieuwe verdeelmodel worden drie categorieën subsidieontvangers onderscheiden. Organisaties worden op basis van hun activiteiten en de bijdrage die

11

ze leveren aan de doelen van de gemeente ingedeeld in één van deze categorieën. Dit leidt tot een indeling van organisaties die: - Het verenigingsleven bevorderen; - Zijn opgericht voor het organiseren van evenementen; - Wettelijke/gemeentelijke taken uitvoeren of taken uitvoeren die specifiek door de gemeente zijn aangewezen. De wijze waarop de gemeente de hoogte van de subsidies bepaalt verschilt per categorie en is gebaseerd op de uitgangspunten voor het verdeelmodel. Bij verenigingen gaat het om het aantal individuele leden uit Epe. Hierbij kun je denken aan een voetbalverenging, een gymnastiekvereniging of een fanfare. Daarbij worden alle actieve leden geteld. Subsidiëring gebeurt door een vast bedrag per betalend, actief lid voor organisaties met betalende leden die daarmee bijdragen aan het verenigingsleven in de gemeente Epe. Hierbij tellen alle leden mee en niet alleen de jeugdleden. De categorie ‘verenigingen’ staat open voor alle verengingen in de gemeente Epe die een bijdrage leveren aan de ambities van de gemeente en die vallen onder de pijler Sociaal. Dit wordt in de subsidieregelingen nader omschreven. De tweede categorie betreft de evenementenorganisatoren. Subsidiëring vindt plaats op basis van de begroting van de kosten van activiteiten voor organisaties zonder betalende leden, die speciaal voor het organiseren van een evenement zijn opgericht.

Hieronder vallen sommige culturele evenementen of jeugdsportevenementen. Uiteraard moet ook deze categorie een bijdrage leveren aan de ambities van de gemeente en vallen onder de pijler Sociaal. Een aanvraag kan ingediend worden op basis van een begroting van de kosten van deze activiteiten tot een maximum bedrag. Tot slot is er de derde categorie. Dat zijn organisaties die wettelijke taken uitvoeren of door de gemeente aangewezen taken. Wat betreft vrijwilligersorganisaties vallen hier de buurt- of wijkverenigingen onder of een speeltuinvereniging. Ook zij dienen een aanvraag in op basis van een begroting van de kosten van deze activiteiten tot een maximum bedrag. Voor de grotere, professionele organisaties in deze categorie heeft het verdeelmodel geen invloed op de hoogte van de subsidies en ook niet op de gemeentebegroting. Wijzigingen in de subsidies zijn mogelijk, maar binnen de door de raad vastgestelde subsidieplafonds. Subsidiëring vindt plaats op basis van de begroting van de kosten van activiteiten voor organisaties zonder betalende leden, die structurele activiteiten uitvoeren die door de gemeente zijn aangewezen uit waardering of die wettelijke taken betreffen.

De verschillende categorieën kennen hun eigen wijze van aanvragen en verantwoorden van een subsidie, mede afhankelijk van het type arrangement: - Subsidieaanvragen tot € 5.000, -; - Subsidieaanvragen van € 5.000, - tot € 50.000, -; - Subsidieaanvragen vanaf € 50.000, -. Dit krijgt een nadere uitwerking in de ASV en de subsidieregelingen. Het verdeelmodel zorgt voor een meer evenredige, rechtvaardige en transparante verdeling van subsidies. Het aantal leden zegt veel over de omvang van een organisatie, waarmee grotere verenigingen ook een groter bedrag ontvangen. Daarnaast betekent dit verdeelmodel een vereenvoudigde werkwijze voor zowel vrijwilligersorganisaties als de gemeente. Want bijna alle organisaties vallen onder slechts één categorie en dus één parameter.

12

4.4 De indeling in de subsidieregelingen Er is gekozen voor vijf subsidieregelingen binnen de pijler Sociaal, omdat deze behoorlijk stabiel zijn in de gemeente Epe. Deze regelingen zijn: - Jeugdwet, Wmo, Participatiewet, Welzijnswerk en integratie - Lokaal onderwijsbeleid - Sport - Kunst en Cultuur - Gezondheid. Het onderscheid in deze beleidsterreinen sluit aan bij de werkwijze van de ambtelijke organisatie en komen ook terug in de programmabegroting. Alle subsidieontvangers, zowel professioneel als vrijwillig, dragen op deze beleidsterreinen bij aan dezelfde beleidsdoelen op dat terrein. Tot slot zijn de subsidieontvangers op deze wijze goed in te delen op de verschillende beleidsterreinen en is er slechts sporadisch overlap van subsidieregeling in de activiteiten van een subsidieontvanger. In de subsidieregeling is opgenomen welke activiteiten op dat specifieke beleidsterrein subsidiabel zijn.

13

5. DE CONSEQUENTIES VAN HET NIEUWE SUBSIDIEKADER 5.1 Inleiding Het nieuwe verdeelmodel heeft geen gevolgen voor de professionele organisaties. Zij voeren wettelijke- of door gemeente aangewezen taken uit. Hun subsidieaanvraag is gebaseerd op een begroting waarin zij uiteenzetten welke taken zij voor welke middelen kunnen uitvoeren. Dit blijft zoals het was. Voor vrijwilligersorganisaties verandert er veel meer. Subsidie wordt niet meer gegeven op basis van verschillende criteria, maar op basis van criteria die voor elke aanvrager (wel afhankelijk van de categorie aanvrager) hetzelfde zijn. Dit heeft tevens tot gevolg dat aanvragers die tot nu toe geen subsidie ontvingen of konden aanvragen, dat nu wel kunnen. Dezelfde criteria worden ook op hen toegepast. Dit leidt tot een herverdeling van de totale subsidiepot voor vrijwilligersorganisaties. En daarbij hoort dat er sprake is van partijen die er op vooruitgaan en partijen die er op achteruit gaan. Een alternatief is dat het totale subsidiebedrag wordt opgehoogd. Dit alles is uitgewerkt in vier scenario’s die in paragraaf 5.3 worden toegelicht. 5.2 De knoppen die de hoogte van een subsidie bepalen Eerder is aangegeven dat in het nieuwe verdeelmodel subsidie wordt verleend op basis van het aantal actieve leden of op basis van een begroting (4.3). Dit is een grove indeling.

In de scenario’s zijn de volgende parameters betrokken in de berekening van de subsidies voor vrijwilligersorganisaties: - Hoogte van het bedrag per lid (alle actieve leden). - Hoogte van het maximum bedrag van de subsidies op basis van een begroting. - Wel of geen budget reserveren voor situaties die onvoorzien, onvermijdelijk of onuitstelbaar zijn. - Subsidieverlening per jaar of per twee jaar. - Wel of geen budget reserveren voor nieuwe categorie aanvragers en het bedrag per lid. Op basis van deze parameters zijn de vier scenario’s berekend. 5.3 De vertaling in vier scenario’s Er zijn vier scenario’s doorgerekend waarbij het eerste scenario budgetneutraal is en daarmee passend bij de motie die tot de herijking van het subsidiebeleid heeft geleid. Bij dit scenario zijn er veel verenigingen die er op achteruit gaan. Het aantal verengingen dat gebruik kan maken van een subsidieregeling neemt toe, terwijl het subsidieplafond gelijk blijft. Bij jeugd & scouting en harmonie & fanfare is de achteruitgang het grootst, in iets mindere mate ook bij kunst & cultuur. In de overige scenario’s wordt het negatieve effect voor verenigingen steeds kleiner. Consequentie is uiteraard dat het subsidieplafond steeds hoger moet worden. Dit betekent dat er structureel middelen beschikbaar gesteld moeten worden in de begroting.

In scenario 2 gaat het om ongeveer € 7.500,- oplopend tot zo’n € 67.000,in scenario 4. In bijlage 2 worden de effecten van de verschillende scenario’s op aanvragers zichtbaar gemaakt. (Bron: presentatie van Sira Consulting aan de gemeenteraad in maart 2021.)

14

Het onderstaande schema maakt inzichtelijk welk effect elk scenario heeft op het subsidieplafond. ‘Knop’

Scenario 1

Scouting: € 50 per lid Scouting: € 10 per lid

Scenario 3

X

X

Scenario 4

X

Sport: € 10 per lid Sport: € 8 per lid

Scenario 2

X X

X

X

X

HAFA: € 125 per lid HAFA: € 50 per lid

X X

X

O.b.v. begroting: maximaal € 3.000

X X

X

O.b.v. begroting: maximaal € 2.000

X

X

Budget subsidies onvoorzien: + € 15.000

X

X

X

X

X

X

X

X

Geen budget subsidies onvoorzien Verlening per jaar: + € 13.500 Verlening per twee jaar Nieuwe categorieën aanvragers: € 10 per lid Nieuwe categorieën aanvragers: € 8 per lid

X X

Geen nieuwe categorieën aanvragers Totaal geraamd effect op bestaande subsidieplafonds en euro’s

- 133

X

X

+ 7.252

+ 30.142

+ 54.047

Figuur 2: Scenario's en effecten op subsidieplafonds

5.4 Overgangsregeling De overgang naar het nieuwe verdeelmodel kan voor sommige vrijwilligersorganisaties ingrijpend zijn. Ondanks dat al enkele jaren wordt aangekondigd dat de hoogte van het subsidiebedrag kan veranderen als gevolg van de herijking van het subsidiebeleid (en daarmee voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) wil de gemeente toch zorgdragen voor een zorgvuldige overgang. Een overgangsregeling zorgt ervoor dat vrijwilligersorganisaties de tijd krijgen om te kunnen toegroeien naar de nieuwe situatie door op zoek te gaan naar aanvullende financieringsbronnen als dat nodig is. De overgangsregeling richt zich vooral op de financiële gevolgen van het nieuwe subsidiekader voor vrijwilligersorganisaties.

15

De overgangsregeling wordt eenvoudig gehouden en kent een looptijd van drie jaren. Elke jaar wordt een kleiner deel aangevuld van het bedrag dat door het nieuwe verdeelmodel wordt gekort op het subsidiebedrag. De regeling ziet er als volgt uit: - Het eerste jaar (2023) wordt het verschil tussen het bedrag op basis van het nieuwe verdeelmodel en het ontvangen bedrag in 2022 tot 75% aangevuld. - In het tweede jaar (2024) wordt dit verschil aangevuld tot 50%. - In het derde en laatste jaar (2025) wordt het verschil aangevuld tot 25%. Om deze overgangsregeling te financieren zijn er incidentele middelen nodig voor drie jaren. Hoeveel incidenteel geld er nodig is, is afhankelijk van het scenario dat uiteindelijk gekozen wordt. In de tabel hieronder is een inschatting gemaakt van de kosten van de overgangsregeling.

2024 2025 2026 Totaal

Scenario 1

Scenario 2

Scenario 3

Scenario 4

(Bedrag in

(Bedrag in

(Bedrag in

(Bedrag in

euro’s)

euro’s)

euro’s)

euro’s)

32.295 21.530 10.765 64.590

27.432 18.288 9.144 54.864

19.988 13.325 6.663 39.975

12.907 8.605 4.302 25.814

5.5 Tot slot Dit subsidiekader is tot stand gekomen door middel van een interactief proces. Er is een aantal keren met alle betrokken partijen gesproken. In totaal hebben ongeveer zestig vrijwilligersorganisaties en tien professionele organisaties input geleverd voor het nieuwe beleid. Ook zijn er een aantal consulterende bijeenkomsten met de gemeenteraad geweest. Het college en medewerkers van de gemeente Epe hebben gedurende het hele proces hun bijdrage geleverd.

16

Bijlage 1: Verslag Innovatielabs herijking subsidiebeleid gemeente Epe Op 12 en 13 december 2018 zijn Innovatielabs georganiseerd met respectievelijk vrijwilligersorganisaties en professionele organisaties. Tijdens deze labs hebben beide typen subsidieontvangers de gelegenheid gekregen om aandachtspunten mee te geven voor het te herijken subsidiebeleid. Meer specifiek is gevraagd naar input over de volgende onderwerpen: 1. Knelpunten bij indienen aanvraag en verantwoording 2. Verdeelmodel vrijwilligersorganisaties 3. Gebiedsgericht subsidiëren 4. Sturen op effect en resultaat In de voorliggende notitie zijn per onderwerp de belangrijkste aandachtspunten opgenomen. Opvallende zaken hebben zijn eruit gelicht.

1

KNELPUNTEN BIJ INDIENEN AANVRAAG EN VERANTWOORDING 1.1.1.1

Vrijwilligersorganisaties

Toegankelijkheid en communicatie  De toegankelijkheid van subsidies moet worden verbeterd. Deelnemers geven aan dat zij: - Niet structureel op de hoogte worden gebracht van de subsidiemogelijkheden. - Niet goed weten waar en hoe subsidie kan worden aangevraagd.  Vrijwilligersorganisaties zijn niet altijd in staat om E-herkenning aan te vragen. In dit geval kunnen zij geen subsidie aanvragen en lopen zij subsidie mis. Voorbeeld: een comité staat niet ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, waardoor het niet in staat is om E-herkenning aan te vragen en zo subsidie misloopt.  De communicatie met de gemeente bij klachten is onvoldoende. Een deelnemer geeft aan dat zij de gemeente meerdere keren op de hoogte heeft gesteld van dat zij geen E-herkenning kan aanvragen en daardoor subsidie misloopt. De gemeente heeft hier niet op gereageerd. Dit leidt tot frustraties bij de vrijwilligersorganisatie.  Deelnemers geven aan dat zij correspondentie van de gemeente zowel digitaal, als schriftelijk ontvangen. Zij vinden dit verwarrend, kostenverhogend en daarmee onnodig.  Bij een negatieve beschikking is de gemeente onduidelijk over de redenen. De gemeente dient goed uit te leggen op welke gronden een subsidieaanvraag is afgewezen en hoe dit in het vervolg voorkomen kan worden.

 De gemeente houdt zich niet altijd aan de termijnen, terwijl een aanvrager dit wel moet doen. Deelnemers geven aan dat de gemeente bij een termijnoverschrijding geen contact met de aanvrager opneemt, terwijl een subsidieaanvrager wel aan de termijnen moet voldoen. Aanvraagformulier  Het aanvraagformulier is op sommige onderdelen te standaard en past niet bij de activiteiten van de vrijwilligersorganisatie. Voorbeeld: een vereniging doet een subsidieaanvraag voor het vervoer van mensen. In het aanvraagformulier vragen gesteld over evenementen. Dergelijke vragen sluiten niet aan bij de activiteiten van de organisatie.

17

Verantwoording  Verenigingen geven aan dat de eisen omtrent de verantwoording niet altijd duidelijk zijn. Voorbeeld: het is onduidelijk of de vragen over de begroting gaan over het aflopende of het komende jaar? Overige  In verband met kruisbestuiving dient subsidie niet alleen van toepassing te zijn op activiteiten voor de jeugd, maar ook voor vrijwilligers. Door het aantrekken van vrijwilligers, kan ook meer jeugd worden betrokken bij de activiteiten. Het aantrekken van vrijwilligers (veelal ouderen) heeft naar verwachting een positief effect op de participatie van ouderen in de maatschappij. Dit leidt tot een win-win situatie.  Deelnemers geven aan dat subsidieverlening voor lange termijn (>2 jaar) innovatie en samenwerking met andere partijen hindert. Na maximaal 2 jaar dient een evaluatie plaats te vinden om te bezien of de subsidie in de huidige vorm wordt gecontinueerd of misschien langzaam afgebouwd kan worden.

1.1.1.2

Professionele organisaties

Toegankelijkheid en communicatie  Het wordt als wenselijk ervaren dat de gemeente periodiek aan de organisaties een brief verstuurt met daarin de belangrijkste informatie over de subsidie (zoals criteria om in aanmerking te komen, termijnen, indieningsvereisten, etc.). Er wordt gesproken over een ‘subsidiekalender’. Aanvraagprocedure en formulier  Het is frustrerend als een subsidieaanvraag is ingediend en de gemeente vervolgens vraagt om een aanvraag opnieuw in te dienen omdat het aanvraagformulier is gewijzigd. Naast dat dit onprofessioneel overkomt, lukt het een professionele organisatie niet altijd om tijdig alle documenten weer te verzamelen en in te dienen.  Het aanvraagformulier is standaard en sluit niet goed aan op de activiteiten van de organisatie. Het gevolg is dat een organisatie de activiteiten gaat ‘framen’ om het passend te krijgen. Deelnemers geven aan dat dit niet de bedoeling hoor te zijn.  Het is een gemis dat in het aanvraagformulier nauwelijks vragen worden gesteld over het meetbaar maken van de te leveren prestaties. Meetbare prestaties helpen de organisaties om doelstellingen te realiseren en met de gemeente te praten over de voortgang van de gesubsidieerde activiteiten. Verantwoording  Organisaties geven aan dat de verantwoording tijdverspilling is, omdat het ieder jaar hetzelfde is. Er is sprake van ‘kopiëren en plakken’.

Zo worden gegevens uit een vorige verantwoording of het activiteitenplan gekopieerd en geplakt in het in te dienen verantwoordingsverslag. Dit wordt ervaren als dubbel en daarmee overbodig.  Organisaties geven aan dat er bij de verantwoording sprake is van te weinig ‘eigen invulling en verantwoording’. Voorbeeld: het is irrelevant om te weten hoe vaak in de week er op straat is gesurveilleerd. Het is wel relevant om te weten wat er speelt onder de jongeren (bijvoorbeeld via facebook, Instagram, etc.). Het verzoek is dan ook om subsidieontvangers de ruimte te geven in de uitvoering van activiteiten en de verantwoording die hierbij hoort.

18

Een gesprek met de gemeente over de voortgang en/of verantwoording van de subsidie wordt niet consequent gevoerd, terwijl organisaties hier wel behoefte aan hebben.

Overige  Deelnemers geven aan dat zij het belangrijk vinden om met hun activiteiten een bijdrage te leveren aan de maatschappelijk opgave van de gemeente. Echter, het is voor organisaties onduidelijk wat de maatschappelijk opgave is en hoe zij hieraan gericht kunnen bijdragen. Het verzoek van de organisaties is dan ook om beleidstheorieën op te stellen waarin de maatschappelijk opgaven worden vertaald naar doelstellingen, activiteiten en kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren. Het gericht bijdragen aan de maatschappelijke opgave is belangrijk voor het gesprek dat organisaties periodiek hebben met de gemeente.  Deelnemers geven aan dat subsidieverlening voor langere termijn (tussen de 2 en 4 jaar) hun voorkeur heeft, zodat zij beter kunnen plannen. Wel dient jaarlijks een evaluatiegesprek met de gemeente plaats te vinden. Het voor langere termijn verstrekken van subsidie zorgt ervoor dat organisaties: - Zekerheid hebben en plannen kunnen maken voor langere termijn. - Personele gevolgen beter kunnen opvangen. Deelnemers geven aan dat de gemeente geen rekening houdt met het korten van een subsidie en de opzegtermijnen van medewerkers. Het doorbetalen van medewerkers terwijl er is gekort op subsidie kan vaak niet vanuit reserves worden opgevangen. Het gevolg is dat een organisatie in financiële problemen kan komen. - Het sociaal opgebouwde kapitaal behouden blijft.

 Deelnemers geven aan dat de gemeente het subsidiëren van betaalde arbeidskrachten moet toestaan. Dit wordt ingegeven doordat de eisen aan de professionaliteit van een organisatie steeds hoger worden (bijvoorbeeld de eisen ten aanzien van de financiële verantwoording), terwijl het aantal vrijwilligers steeds verder afneemt. Het (gedeeltelijk) subsidiëren van betaalde arbeidskrachten kan een bijdrage leveren aan het gezond houden van een organisatie.  De gemeente dient meer inzicht te verkrijgen in de oorzaken van waarom subsidie wordt aangevraagd. Door in gesprek te gaan met de gehele keten, ontstaat inzicht in de problematiek en kan gericht gestuurd worden op de oorzaak in plaats van op het bestrijden van het symptoom. Dit leidt tot een effectievere besteding van subsidiegelden.  De gemeente dient incidentele subsidie mogelijk te maken, zodat bijvoorbeeld de aanloopkosten van een bepaalde activiteit kunnen worden gedekt. 

2

VERDEELMODEL VRIJWILLIGERSORGANISATIES 2.1.1.1

Vrijwilligersorganisaties

Het verdeelmodel is aan de orde gesteld in het lab met vrijwilligersorganisaties. De belangrijkste punten die daaruit naar voren kwamen zijn:  Deelnemers gaven aan zij beoordeeld willen worden op het maatschappelijke belang van de organisatie en diens bijdrage aan de beleidsdoelen van de gemeente. Deelnemers geven aan kwalitatief beoordeeld te willen worden op basis van de doelgroep, de (kwaliteit en effectiviteit van) instrumenten die een organisatie inzet en het benodigde budget. Daarbij is het belangrijk dat de gemeente goed communiceert wat de gemeente wil bereiken;  Hierbij sluit aan dat deelnemers niet alleen op het aantal eigen leden beoordeeld worden, maar ook op activiteiten die zijn gericht op andere doelgroepen buiten de

19

vereniging/organisatie. Deelnemers zien daarbij graag dat er geen leeftijdsgrenzen aan doelgroepen worden gesteld. Volgens hen kan op dit moment alleen subsidie worden aangevraagd voor jeugd tot 18 jaar en ouderen (65+). Deelnemers vinden het belangrijk om het aantal activiteiten wel als criterium te behouden. De gemeente zou echter niet louter moeten kijken naar het aantal activiteiten, maar ook naar de aard, omvang en kwaliteit ervan. Op dit moment kan een ‘slapende’ organisatie net zoveel subsidie krijgen als een organisatie die heel actief is; zo ontstaat scheefgroei. Bij het beoordelen van de kwaliteit van activiteiten kan de gemeente kijken welke activiteiten/instrumenten het beste aansluiten bij specifieke doelgroepen (bv kinderen die de gemeente wil aanzetten om te sporten of mensen met een functiebeperking); Tot slot zou de gemeente in het verdeelmodel de balans moeten vinden tussen de aspecten ‘continuïteit’ en ‘vernieuwing’.

Overige, relevante punten zijn:  Bij het beoordelen van subsidieaanvragen kan de gemeente checken of er overlappingen zijn. Als dat het geval is, kan de gemeente die partijen met elkaar in verbinding brengen.  Houd rekening met het aantal vrijwilligers waar een organisatie mee werkt. Zoals eerder benoemd zou in verband met kruisbestuiving subsidie niet alleen van toepassing moeten zijn op activiteiten voor de jeugd, maar ook voor vrijwilligers (zie vorige item).  Houd de ontwikkelingen in de zorg in ogenschouw (bezuinigingen, regelgeving); op veel stichtingen ligt grote druk. Niet alle organisaties hebben het vermogen om zelf inkomsten te verwerven; met name (kleine) welzijnsorganisaties, die feitelijk overheidstaken uitvoeren, zijn daar niet altijd toe in staat.  Volgens een aanvrager zijn criteria in het aanvraagformulier beperkt aan te geven, waardoor het aantal activiteiten niet goed ‘op te hangen is’ in het aanvraagformulier. Er is onduidelijkheid over het begrip ‘activiteit’; is dat 1x met een cliënt in een rolstoel wandelen of rolstoel wandelen in het algemeen? Hoe moet je activiteiten aangeven als je een breed aanbod van verschillende activiteiten hebt?  Naast de reguliere subsidies, zien deelnemers graag een aparte subsidie voor evenementen.  Deelnemers vinden het belangrijk dat het verdeelmodel transparant en inzichtelijk is voor alle partijen.

3

GEBIEDSGERICHT SUBSIDIËREN 3.1.1.1 

Professionele organisaties

Argumenten ‘contra’ gebiedsgericht subsidiëren:  Subsidieontvangers werken al veel samen; dat geldt met name voor het sociale domein. Sommige subsidieontvangers hebben bijvoorbeeld een netwerk gevormd, waarvan de trekker voor de hele groep subsidie aanvraagt. Die subsidie is alleen niet gebiedsgericht aangevraagd, maar op een bepaald thema (bijvoorbeeld dementie).  Ook werken subsidieontvangers vaak gebiedsgericht. Als een welzijnsorganisatie in een bepaald gebied specifieke problematiek ziet, gaat een medewerker daar gericht mee aan de slag of past de organisatie zich aan het gebied aan (door bijvoorbeeld een extra vestiging in dat gebied op te

20

4

richten, zodat de organisatie toegankelijker wordt voor de doelgroep). Er is ook contact met de gebiedscoördinator.  Ook al zijn er verschillen tussen gebieden, wijken en zelfs straten heeft voor een relatief kleine gemeente als Epe gebiedsgericht subsidiëren mogelijk niet zoveel toegevoegde waarde.  Een risico van gebiedsgericht subsidiëren is dat het mogelijk extra lasten voor de subsidieontvangers met zich meebrengt. Zij zullen voor elk aangewezen gebied samenwerkingsvormen moeten zoeken met andere organisaties en allemaal aparte aanvragen in moeten dienen. Argumenten ‘pro’ gebiedsgericht subsidiëren:  Het biedt volgens een aantal subsidieontvangers een kans voor specifieke ad hoc problematiek in een gebied, dat nog niet met de reguliere subsidies is opgepakt (armoede, eenzaamheid). De gemeente kan dan voor de volgende subsidieperiode aangeven in welk gebied welke thematiek ze opgepakt wil zien en daar 1 budget beschikbaar voor stellen.  Subsidieontvangers vinden het daarbij belangrijk dat de gemeente aan de burgers en/of de welzijnsinstellingen vraagt waar in een gebied behoefte aan is en dat het niet wordt opgelegd (maatwerk).

Over de gebiedscoördinator hoorden we verschillende geluiden; enerzijds vertelden subsidieontvangers dat ze weinig of geen contact met de gebiedscoördinator hebben en dat burgers deze persoon ook niet kennen; anderzijds is er goed contact en een besef dat de gebiedscoördinator heel goed weet wat er speelt in een gebied. Een subsidieontvanger gaf aan dat het overleg met een gebiedscoördinator veel tijd kost, zodanig dat er eigenlijk extra subsidie voor nodig is.

STUREN OP EFFECT EN RESULTAAT 4.1.1.1

Vrijwilligersorganisaties

Indicatoren  Sturen op resultaten is positief, prestatieafspraken moeten SMART zijn geformuleerd. Het is echter niet de bedoeling dat organisaties hier altijd op worden afgerekend.  Outcome- en outputindicatoren moeten per beleidsterrein worden geformuleerd.  De gemeente moet bij het verstrekken van subsidie aan welzijnsinstellingen sturen op activiteiten met een goede prijs-kwaliteitverhouding in plaats van sturen op resultaten. Meten en monitoren  Bij het meten van gerealiseerde effecten en resultaten moeten de administratieve lasten voor de organisatie minimaal blijven. Een manier om dit te doen, is het houden van speeddates met een medewerker van de gemeente. Projectfinanciering  De gemeente moet ook projectsubsidies verstrekken voor incidentele en nieuwe initiatieven in plaats van op basis van ledenaantal. Overige  De gemeente moet een loket hebben dat verwijst naar andere subsidiemogelijkheden dan de organisatie in eerste instantie op het oog heeft. Dit

21

kan ook een digitaal loket op de website zijn. Door organisaties in contact te brengen met andere beleidsterreinen, kan meer worden gestuurd op het formuleren van gezamenlijke resultaten.

4.1.1.2

Professionele organisaties

Indicatoren  Sturen op resultaten is positief, mits de outputindicatoren goed zijn geformuleerd. Outputindicatoren die niet goed zijn geformuleerd, kunnen perverse effecten hebben, zoals:  Het in de weg zitten van innovatie. Als een bibliotheek bijvoorbeeld moet sturen op aantal uitgeleende boeken, gaat de bibliotheek niet snel proberen om ook statushouders aan het lezen te krijgen, terwijl dit wel een goede ontwikkeling zou zijn. Het is voor de bibliotheek dan namelijk aantrekkelijker om zich gewoon te blijven richten op de bekende doelgroepen, omdat die makkelijker zijn te bereiken.  Een lagere kwaliteit van het aanbod. Als een zorginstelling bijvoorbeeld moet sturen op resultaten per type zorg, kunnen zij geen divers aanbod op maat meer bieden aan mensen met dementie. Er moet dus ruimte zijn voor kwalitatieve aspecten en maatwerk en het voorkomen van onbedoelde neveneffecten. Hierover moet bij het formuleren van outputindicatoren goed worden nagedacht.  Een outputindicator kan ook betrekking hebben op het informeren van mensen. Informatievoorziening en ondersteuning voor mantelzorgers van mensen met dementie is bijvoorbeeld een positief resultaat van de subsidie voor het Geheugensteunpunt.

 Organisaties die subsidie ontvangen, omdat zij een gebouw beheren waarin gesubsidieerde activiteiten plaatsvinden, moeten vooral worden beoordeeld op de aspecten veiligheid, hygiëne en beschikbaarheid. De outputindicator moet niet zijn geformuleerd als het gebruik van het gebouw, maar als het kunnen gebruiken van het gebouw (faciliteren). Meten en monitoren  Het meten van behaalde resultaten en effecten is positief. Het is een manier om na te gaan of de middelen daadwerkelijk zijn ingezet voor het realiseren van het afgestemde doel.  Het aantonen van de causale relatie tussen het gerealiseerde resultaat en het gerealiseerde effect is niet altijd de verantwoordelijkheid van de organisatie. Het moet ook mogelijk zijn om hierbij terug te vallen op algemeen aanvaarde opvattingen.  Er zijn vier niveaus waarop kan worden aangetoond wat met subsidie is gerealiseerd: 1. Activiteiten 2. Resultaten 3. Outcome op regelingniveau 4. Maatschappelijk effect De organisatie moet het realiseren van niveau 1 en 2 kunnen aantonen. De gemeente moet het realiseren van niveau 3 en 4 kunnen aantonen. Deze verdeling van verantwoordelijkheid tussen de gemeente en de organisatie moet duidelijk zijn.

 Het meten van gerealiseerde resultaten en effecten is niet alleen mogelijk op basis van indicatoren en formats, maar ook op basis van de persoonlijke waarneming van een deskundige en betrokken medewerker van de gemeente.

22

Hiervoor is het belangrijk dat de medewerker van de gemeente in gesprek gaat met de organisatie. Projectfinanciering  De gemeente moet ook projectfinanciering mogelijk maken. Door projectfinanciering kan de gemeente maatschappelijk relevante initiatieven ad hoc ondersteunen. In het huidige subsidiebeleid is alleen structurele (tweejarige) subsidiëring mogelijk. Overige  De gemeente moet meer subsidie verstrekken, zodat de organisatie een professionele vaste kracht in dienst kan nemen. Niet alle als professioneel aangemerkte organisaties hebben namelijk betaalde formatie. Ook zijn meer vrijwilligers gewenst. De extra personele capaciteit is nodig om de (overheids)taken te kunnen uitvoeren die de gemeente van de organisatie verwacht.  De gemeente moet meer subsidie verstrekken, zodat de organisatie kan groeien door uitbreiding van haar activiteiten en bereik. De huidige subsidiebedragen dekken hooguit de kosten om operationeel te blijven.

23

Bijlage 1: Effecten van de verschillende scenario’s op aanvragers

24

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11830556/1