CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

404140 Overzicht Wijzigingen - 2 verordeningen zaak 404140

Gemeenteraad 2 juni 2022, gemeente EpeBij agendapunt: Concept verzamelverordening Participatiewet, IOAW & IOAZ en concept wijzigingsverordening schoolfonds en meedoen2.014 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Geachte raadsleden,

Onderstaand vind u een overzicht van inhoudelijke wijzigingen van de verordeningen behorend bij college- en raadsbesluit 404140. In het overzicht zijn opgenomen de wijzigingen die inhoudelijk van aard zijn. Verder is de verordening in opmaak en format sterk aangepast. Dat betekent onder andere dat er gekozen is voor hotelnummering (hierdoor zijn hoofdstukken gemakkelijker te scheiden), de nummering en verwijzing op orde is evenals de opmaak.

T.a.v. Wijzigingsverordening Meedoenregeling en Schoolfonds Gemeente Epe Artikel 3 lid 1 b is gewijzigd van € 150,00 naar € 250,00. Dit vanwege het te grote verschil tussen daadwerkelijke kosten voor kinderen op het VO en de bijdrage die betaald wordt. Lid C is toegevoegd om eventuele prijswijzigingen op te vangen.

Artikel 3: Hoogte van de bijdrage Oorspronkelijk 1.

De bijdrage bedraagt op grond van: a. […] b. het schoolfonds: € 100,- voor kinderen op de basisschool en € 150,- voor kinderen op het voortgezet onderwijs (bedragen per jaar per schoolgaand kind); c. [wordt toegevoegd]

Nieuw 1.

De bijdrage bedraagt op grond van: a. […] b. het schoolfonds: € 100,- voor kinderen op de basisschool en € 250,- voor kinderen op het voortgezet onderwijs (bedragen per jaar per schoolgaand kind); c. De genoemde bedragen worden één keer per drie jaar geïndexeerd startend op 1 januari 2025.

T.a.v. Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Epe 2022 Artikel 1.2. Indienen verzoek •

Dit artikel is naar voren gehaald en heeft betrekking op elke vorm van ‘een verzoek’ . Daarmee is het niet nodig om het elke keer te benoemen.

Oorspronkelijk […] Nieuw Artikel 1.2. Indienen verzoek Aanvragen en verzoeken zoals in deze verordening vermeld, worden schriftelijk ingediend en met gebruik making van het daarvoor bestemde formulier, tenzij dit anders is aangegeven.

Artikel 2.2. Algemene uitgangspunten inzet reintegratievoorzieningen • •

lid 1 naar lid 6 + uitbreiding conform juridisch juistheid lid 1 verandert: “Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep in ieder geval de voorzieningen aanbieden die in deze verordening staan.”

Oorspronkelijk Artikel 3. Algemene uitgangspunten inzet re-integratievoorzieningen 1. Het college kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van de uitvoering van de in deze verordening genoemde voorzieningen. 2. […] 3. […] 4. […] 5. […] 6. [wordt toegevoegd] Nieuw Artikel 2.2. Algemene uitgangspunten inzet re-integratievoorzieningen 1. Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep in ieder geval de voorzieningen aanbieden die in deze verordening staan. 2. […] 3. […] 4. […] 5. […]. 6. Het college kan ten aanzien van de voorzieningen nadere regels en beleidsregels vaststellen. a. De nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: ▪ De voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; ▪ De weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen; ▪ Het verstrekken van subsidies b. De beleidsregels kunnen een verdere invulling geven over de uitvoering van de voorzieningen.

Artikel 2.11: Loonkostensubsidie: •

Lid 5 is eruit omdat de eerder gestelde uitsluitingsgronden niet in lijn zijn met jurisprudentie.

Oorspronkelijk Artikel 2.11. Loonkostensubsidie 1. […] 2. […] 3. […] 4. […] 5. De loonkostensubsidie wordt verleend als: a. een arbeidsovereenkomst van minimaal 12 uur per week kan worden overlegd; b. de arbeidsovereenkomst voor de duur van minimaal zes maanden wordt aangegaan. 6. […] Nieuw Lid 5 verwijdert vanwege uitsluitingsgronden voor geen recht op Loonkostensubsidie. Dit is niet in lijn met jurisprudentie. 1. […] 2. […] 3. […] 4. […] 5. [XXX] 6. [=5]

Artikel 2.17: werkervaringsplek •

Lid 5 is toegevoegd om scherper toe te zien dat partijen deelnemen aan werkervaringsplekken die hier voor geschikt zijn. Wildgroei wordt hiermee voorkomen.

Origineel Artikel 2.17. Werkervaringsplaats 1. […] 2. […] 3. […] 4. […] 5. [toegevoegd] Nieuw Artikel 2.17. Werkervaringsplaats 1. […] 2. [...] 3. […] 4. […] 5. Het college kan in beleidsregels nader uitwerken wanneer er sprake is van een werkervaringsplaats zoals bedoeld in deze verordening.

Artikel 2.20: Participatievoorziening beschut werk •

Lid 7 is verwijdert, want in een algemene zin opgenomen (zie pagina 3 van dit overzicht).

Oorspronkelijk 1. […] 2. […] 3. […] 4. […] 5. […] 6. […] 7. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de uitvoering van de participatievoorziening beschut werk. Nieuw 1. […] 2. […] 3. […] 4. […] 5. […] 6. […] 7. [XXX]

Artikel 2.21 2.22 2.23 •

Deze artikelen ontbraken. Vandaar de toevoeging.

Artikel 2.21 Werkvoorzieningen 1. Het college kan een vergoeding voor een werkvoorziening toekennen aan de persoon die behoort tot de doelgroep en die in verband met een structurele functionele beperking als gevolg van ziekte of gebrek aantoonbare belemmeringen ondervindt bij het aanvaarden of behouden van betaald werk. 2. Onder een werkvoorziening wordt verstaan: a. meeneembare voorziening: een aanpassing of hulpmiddel dat niet standaard beschikbaar is bij een werkgever en bedoeld is om belemmeringen weg te nemen waardoor de persoon als bedoeld in het eerste lid betaald werk kan aanvaarden of behouden; b. werkplekaanpassing: een niet meeneembare voorziening op of rond de werkplek, gericht op het wegnemen van belemmeringen waardoor de persoon als bedoeld in het eerste lid zijn werk kan uitvoeren; c. vervoersvoorziening woon-werk: een voorziening die ertoe strekt dat de persoon als bedoeld in het eerste lid zijn werkplek kan bereiken. 3. uitgangspunt is dat de vergoeding slechts eenmalig wordt verleend. Daarbij wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate (meeneembare) voorziening die kwalitatief verantwoord is en waarvan de kosten in verhouding staan tot de opbrengsten van uitstroom. 4.

Het college stelt in nadere regels in ieder geval vast onder welke voorwaarden een werkvoorziening kan worden verleend, hoe de aanvraag wordt ingediend en de wijze waarop de werkvoorziening wordt toegekend. Artikel 2.22 Overige vergoedingen 1. Het college kan aan de persoon behorend tot de doelgroep een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling en die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. 2. Geen aanspraak op een in het eerste lid genoemde vergoeding bestaat indien een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die als passend en toereikend kan worden aangemerkt. Artikel 2.23. Uitstroompremie. 1. Het college kan een uitstroompremie toekennen aan de inwoner met een langdurig minimuminkomen die voor een periode van ten minste drie maanden is uitgestroomd naar betaald werk. 2. Onder een inwoner als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: a. de uitkeringsgerechtigde die direct voorafgaand aan de werkaanvaarding gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 36 maanden recht had op een uitkering ingevolge de PW, IOAW of IOAZ; b. de niet-uitkeringsgerechtigde die het jaar voorafgaand aan de werkaanvaarding een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen. 3.

Onder uitstroom naar betaald werk wordt, voor de toepassing van dit artikel, verstaan: het door werkaanvaarding verkrijgen van een inkomen hoger dan de bijstandsnorm. 4. De hoogte van de uitstroompremie bedraagt: a. € 350,- voor een alleenstaande; b. € 450,- voor een alleenstaande ouder; c. € 500,- voor gehuwden. 5. Mits aan de voorwaarden is voldaan, wordt de uitstroompremie toegekend: a. aan de voormalig uitkeringsgerechtigde: ambtshalve drie maanden na de werkaanvaarding; b. aan de niet uitkeringsgerechtigde: op aanvraag. De aanvraag wordt vanaf de vierde maand, maar uiterlijk vóór de zevende maand na werkaanvaarding ingediend. 6. Geen recht op de uitstroompremie bestaat als: a. de inwoner binnen een periode van 12 maanden voorafgaand aan de uitstroom al een uitstroompremie heeft ontvangen; de uitkeringsgerechtigde de inlichtingenplicht heeft geschonden met betrekking tot de werkaanvaarding of de daaruit ontvangen inkomsten.

Artikel 3.7. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid •

Tekst herschreven vanwege de leesbaarheid en begrip.

Oorspronkelijk: Artikel 29. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid PW, of schending van een op grond van artikel 55 PW opgelegde verplichting die verband houdt met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekt tot vermindering of beëindiging daarvan, wordt bepaald aan de hand van de hoogte van de lid benadeling per maand en de periode waarin deze benadeling plaatsvindt. 2. […] 3. […] 4. Indien geen financiële benadeling kan worden vastgesteld of er geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld geldt als uitgangspunt een maatregel van 30% gedurende een maand. 5. Indien er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid waardoor een beroep of een hoger beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan, kan de bijzondere bijstand worden geweigerd voor het deel dat de belanghebbende toegekend zou hebben gekregen als er geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid was getoond. Nieuw: Artikel 3.7. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Indien door een verwijtbare gedraging eerder, langer of voor een hoger bedrag een beroep op bijstand wordt gedaan, wordt een maatregel opgelegd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan. 2.

Voor het vaststellen van de maatregel worden de hoogte en de duur van de financiële benadeling in aanmerking genomen. 3. […was 2] De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt vastgesteld op: a. 10% bij een financiële benadeling tot 50% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; b. 30% bij een financiële benadeling van 50% tot 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm; c. 100% bij een financiële benadeling vanaf 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 4. [..was 3] De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op: a. een maand bij een benadelingsperiode tot drie maanden; b. Twee maanden bij een benadelingsperiode van drie tot zes maanden; c. Drie maanden bij een benadelingsperiode van zes maanden of langer. 5. Indien de hoogte van de financiële benadeling niet kan worden vastgesteld, geldt als uitgangspunt een maatregel van 30% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Indien de benadelingsperiode niet kan worden vastgesteld wordt de maatregel in beginsel opgelegd voor de duur van een maand. 6. Indien door een verwijtbare gedraging eerder, langer, of voor een hoger bedrag een beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan, kan de bijzondere bijstand worden verlaagd. De verlaging bedraagt maximaal een bedrag waarvoor als gevolg van de verwijtbare gedraging een (hoger)beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan.

In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de duur van de maatregel vastgesteld met toepassing van het vierde lid.

Artikel 4.1. Individuele inkomenstoeslag •

De hoogte van de Individuele Inkomens Toeslag wijzigt. o Gehuwden € 486,00 –> € 500,00 o Alleenstaande ouders € 436,00 –> € 450,00 o alleenstaande € 341,00 –> € 350,00

Oorspronkelijk Artikel 34. Individuele inkomenstoeslag 1. […] 2. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar voor: a. gehuwden: € 486,00; b. een alleenstaande ouder: € 436,00; c. een alleenstaande: € 341,00. 3. […] 4. […] Nieuw Artikel 4.1. Individuele inkomenstoeslag 1. […]. 2. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar voor: a. gehuwden: € 500,00; b. een alleenstaande ouder: € 450,00; c. een alleenstaande: € 350,00. 3. […] 4. […]

Artikel 4.2. Individuele studietoeslag • •

hoogte studietoeslag wijzigt, in lijn met rijksbeleid (per april 2022) (hoogte + differentiatie in leeftijdsgroep) + tekstueel

Oorspronkelijk Artikel 35 Individuele studietoeslag 1. De individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de PW, bedraagt € 1.000,- per studiejaar 2. De individuele studietoeslag wordt in twee termijnen van € 500,- uitbetaald. 3. De bedragen genoemd in het eerste en tweede lid worden niet jaarlijks geïndexeerd. 4. De aanvrager kan slechts eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. 5. Het college kan de individuele studietoeslag naar evenredigheid vaststellen en waar nodig terugvorderen, indien de aanvrager gedurende het studiejaar begint of stopt met een studie. Nieuw Artikel 4.2. Individuele studietoeslag 1. De individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de PW, bedraagt € 3.600,- bruto per studiejaar voor een 21+ jarige. 2. De individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de PW, voor de doelgroep 18, 19 en 20 jaar is respectievelijk maximaal 50% (€1800,-). 60% (€2160,-) & 80% (€2880,-). 3. De individuele studietoeslag wordt in maximaal 12 gelijke termijnen uitbetaald. 4. [was 3] 5. [was 4] 6. [was 5]

Artikel 6.2. Innovatie en experimenten •

lid 3 toegevoegd om te voorkomen dat het college een experiment niet voldoende kan uitvoeren.

Oorspronkelijk Artikel 38. Innovatie en experimenten 1. […] 2. […] 3. [wordt toegevoegd] Nieuw Artikel 6.2. Innovatie en experimenten 1. het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken wanneer experimenten ter bevordering van de re-integratie daartoe aanleiding geven; 2. De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar; 3. Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerktreding van de bijstelling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11523879/1