361961 Zonnepark de Horst, Epe Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld. Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling of bestemmingsplan waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van internof extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer er voor dat de netto stikstofemissie niet toe neemt. Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten op de locatie zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling of het bestemmingsplan (extern salderen). Om intern te kunnen salderen moet er sprake zijn van één project of één locatie. Intern salde ren kan gaan om het treffen van maatregelen aan een bestaand project of kan worden toegepast op nieuwe projecten op de locatie van een bestaand project. Bij extern salderen gaat het om verschillende pr ojecten of plannen. Extern salderen wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatr egel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.
12 juli 2021
4
3
Ligging projectgebied Zoals in de inleiding is aangegeven is het plangebied gelegen aan de Oenerweg te Epe. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.
Afbeelding 2 – Ligging plangebied ten opzichte van de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden
De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn: -
Veluwe, gelegen op een afstand van circa 2,2 km;
-
Rijntakken, gelegen op een afstand van circa 3,7 km.
12 juli 2021
5
4
Invoergegevens AERIUS In AERIUS zijn standaard emissie-kengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NO x en NH3 worden bepaald. Naast de bronnen van de gebouwen en mobiele werktuigen dienen ook de verkeersbewegingen op en van en naar het terrein in de berekeningen meegenomen te worden. Conform de “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator” dient de verkeersgeneratie beschouwd te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. D e berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Ten behoeve van de werkzaamheden voor de aanleg van het zonnepark zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 3).
4.1
Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)
In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie wee rgegeven. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand van BügelHajema Adviseurs1. Met betrekking tot het aantal stationaire draaiuren is aangesloten bij het onderzoek van het TNO (P12134). Uit dit onderzoek blijkt dat gemiddeld 30 % van het aantal draaiuren aan extra stationaire draaiuren opgenomen dient te worden. Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie
Aantal
Werktuig
Bouw zonnepark
14 ha Graafmachine 14 ha Hijskraan 14 ha Vorkheftruck 14 ha Bulldozer Totale emissie in kg NOx /jaar
1
kW
Stage
100 100 60 200
Stage IV 2 Stage IV 3 Stage IV 4 Stage IV
2
Draaiuren
Verbruik liters /uur
Totaal Verbruik liters
Stationaire draaiuren
150 uur 225 uur 225 uur 450 uur
15 18 15 15
2.250 4.050 3.375 6.750
45 68 68 135
Emissie NOx
8,93 15,51 11,86 33,51 69,80
kg kg kg kg kg
Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door
BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen. 2
Stage IV (75 - 130 kW) - Bouwjaar 2015
3
Stage IV (56 - 75 kW) - Bouwjaar 2015
4
Stage IV (130 - 300 kW) - Bouwjaar 2014
12 juli 2021
6
4.2
Werkverkeer (bron 2)
Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Deze gegevens zijn door de opdrachtgever verstrekt en waar nodig aangevuld. -
licht verkeer 750 ritten/jaar;
-
middelzwaar vrachtverkeer 300 ritten/jaar;
-
zwaar vrachtverkeer 100 ritten/jaar.
Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van figuur 7.1 van de ‘Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2020’ (tabel 2). Tabel 2. Bepaling voertuigcategorieën (InfoMil) Categorie
Alledaagse omschrijving
Lichte motorvoertuigen
- alle personenauto’s - de meeste bestelauto’s - vrachtwagens met 4 wielen
Middelzware motorvoertuigen
- alle autobussen - vrachtwagens met 2 assen en 4 achterwielen
Zware motorvoertuigen
-vrachtwagens met 3 of meer assen - vrachtwagens met aanhanger - trekkers met oplegger
De totale emissie van het werkverkeer bedraagt ongeveer 1,55 kg NOx/jr.
4.3
Totale emissie
De totale emissie van het project in de aanlegfase bedraagt ongeveer 71,35 kg NOx/jr.
12 juli 2021
7
5
Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (12 juli 2021). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2021. Indien het project later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worst-case worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.
Afbeelding 3 - AERIUS model
12 juli 2021
8
6
Rekenresultaten en conclusie De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf bestand is als bijlage opgenom en en seperaat toegevoegd.
Afbeelding 4 - Rekenresultaat
Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbesche rming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.
12 juli 2021
9
Colofon Verkavelingsplan BügelHajema Adviseurs Rapport BügelHajema Adviseurs Fotografie BügelHajema Adviseurs Projectleiding BügelHajema Adviseurs Supervisie BügelHajema Adviseurs
BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Vaart nz 48-50 9401GN Assen T 0592 316 206 F 0592 314 035 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RczPM9uXzjjm (12 juli 2021) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Statkraft
Oenerweg 46, 8161PN Epe
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Zonnepark Oenerweg 48
RczPM9uXzjjm
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
12 juli 2021, 12:45
2021
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
71,35 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Aanleg van een zonnepark van 14 hectare
Situatie 1
RczPM9uXzjjm (12 juli 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Resultaten
Bron Sector
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
Aanleg zonnepark Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
69,80 kg/j
Werkverkeer Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
1,55 kg/j
RczPM9uXzjjm (12 juli 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Aanleg zonnepark 197909, 483999 69,80 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Graafmachine 100 kW
2.250
45
5,0 NOx NH3
8,93 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Hijskraan 100 kW
4.050
68
5,0 NOx NH3
15,51 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 56 <= kW < 75, bouwjaar 2015 (Diesel)
Vorkheftruck 60 kW
3.375
68
3,0 NOx NH3
11,86 kg/j < 1 kg/j
6.750
135
10,0 NOx NH3
33,51 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 130 <= Bulldozer 200 kW kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Soort
Voertuig
Standaard
Werkverkeer 198037, 483891 1,55 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Licht verkeer
750,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
300,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
100,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1
RczPM9uXzjjm (12 juli 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210525_2040287d5b Database versie 2020_20210525_2040287d5b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
RczPM9uXzjjm (12 juli 2021) pagina 5/5
bestemmingsplan Zonnepark de Horst, Epe
Bijlage 4 Reflectieonderzoek
71
Opdrachtgever: BügelHajema, in opdracht van Statkraft Ruben de Groot Uitgevoerd door: ROM3D Dillen Bruil, MSc
22 januari 2021
2
1
Introductie ............................................................................................................................................. 4
2
Beleid, regelgeving en kaders inzake reflectie ....................................................................................... 5
2.1
Lichtreflectie ......................................................................................................................................... 5
2.2
Verblinding ............................................................................................................................................ 5
3
Methode van onderzoek.........................................................................................................................7
3.1
Modeluitkomst .......................................................................................................................................7
4
Resultaten ............................................................................................................................................. 8
4.1
Uitgangspunten..................................................................................................................................... 8
4.2
Uitkomst reflectieonderzoek ................................................................................................................ 11 Automobilisten
11
Vrachtwagenchauffeurs
14
Omwonenden
15
4.3
Inpassingsplan ...................................................................................................................................... 17
5
Conclusie ..............................................................................................................................................18
6
Referenties .......................................................................................................................................... 19
7
Bijlagen ............................................................................................................................................... 20
Bijlage 1 – modelresultaten reflectieonderzoek................................................................................................ 20 Bijlage 2 – Achtergrond informatie ForgeSolar tool ..........................................................................................21
3
Werking van de ForgeSolar tool
22
Reflectieprofielen
23
Wat betekenen de resultaten van de tool
23
BügelHajema heeft, in opdracht van Statkraft, plannen voor een zonnepark gelegen aan de Oenerweg 46 te Epe aangeleverd aan ROM3D. Eventuele reflectiehinder veroorzaakt door dit park kan inzichtelijk worden gemaakt met een reflectiestudie. Er is gevraagd om een dergelijke studie uit te voeren om de schittering te bepalen voor weggebruikers van de A50, weggebruikers van omliggende straten en omwonenden. In de voorliggende rapportage wordt hierop ingegaan. Het te realiseren zonnepark is ontsloten door de A50 in het westen, het Apeldoorns Kanaal in het oosten, de Drachterweg in het zuiden en de Oenerweg in het Noorden, zie ook Figuur 1.1. Voor het reflectieonderzoek zal ROM3D uitgaan van eigenschappen zoals aangeleverd door de opdrachtgever.
Figuur 1.1: Links: in blauw de locatie van zonnepark De Horst, rechts geeft de locatie van het zonnepark weer bij de ster.
4
Voor hinder ten gevolge van reflectie bestaat géén specifiek beleid of regelgeving. Voor hinder voor omwonenden geldt echter dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het in standhouden van een goed woonklimaat alle relevante aspecten moeten worden meegenomen. Reflectiehinder kan in dit kader worden beschouwd. Er zijn wel richtlijnen voor het wegverkeer opgesteld. Rijkswaterstaat heeft in samenwerking met TNO onderzocht wanneer en in welke mate reflectie hinder of verblinding voor de weggebruiker kan opleveren, met name veroorzaakt door geluidsschermen.
2.1
LICHTREFLECTIE
Reflectie kan in bepaalde gevallen leiden tot – tijdelijke - verblinding. Bij TNO Defensie en Veiligheid is een rekenmodel ontwikkeld dat de verblinding kwantificeert aan de hand van de parameters:
— — — —
Verblindings-/verlichtingssterkte, Verblindingshoek, Achtergrondluminantie en Dynamische eigenschappen, zoals duur en knipperfrequentie.
Verblinding wordt omschreven als een witte waas in de ogen waardoor de omgeving niet meer kan worden waargenomen.
2.2
VERBLINDING
Verblinding treedt op als er zich in het gezichtsveld van de waarnemer een felle lichtbron bevindt die een veel hogere luminantie heeft dan de omgeving. De relatie met afleiding van personen is dat een felle lichtbron afhankelijk van de context (met name of het licht of donker is) meestal erg opvallend is en de aandacht kan trekken (los van het feit dat verblinding op zichzelf al onveiligheidsverhogend is). Er zijn twee soorten verblinding: maskerende verblinding (disability glare) en oncomfortabele verblinding (discomfort glare). Maskerende verblinding werpt een sluier (sluierluminantie) over het beeld waardoor het waarneembare contrast en daarmee de zichtbaarheid van objecten vermindert. Oncomfortabele verblinding veroorzaakt ongemak zonder daadwerkelijk het zicht te belemmeren. Rijkswaterstaat heeft een voorkeur voor
5
het hanteren van maskerende verblinding als toetsingscriterium. In dit reflectieonderzoek wordt oncomfortabele verblinding daarom niet verder behandeld.
6
De methode bestaat uit twee stappen: 1. Vaststellen van de variabelen voor de reflectiestudie: — Definiëren van observatiepunten langs de opstellingen van zonnepanelen, — Vaststellen van de specificaties van het zonnepark: o
het type materiaal van de panelen,
o
wel of geen anti-reflectiecoating,
o
de hellingshoek,
o
de ligging,
o
de hoogte van de opstellingen,
o
de oriëntatie van de opstellingen.
2. Analyse op reflectie en verblinding met het ForgeSolar model met de kans op voorkomen (op basis van berekende grafieken van dag en seizoen) van reflectie en kans op verblinding.
3.1
MODELUITKOMST
In dit onderzoek wordt gesproken van reflectiehinder in geval van maskerende verblinding. Het gebruikte model, ForgeSolar, geeft een goede indicatie van kans op maskerende verblinding door te bepalen of er sprake is van zogenoemde “gele” of “rode” reflectie, die in de uitkomsten van de figuren respectievelijk geel en rood gemarkeerd zijn. Een volledige beschrijving van de methode en achtergrondinformatie over ForgeSolar kan gevonden worden in Bijlage 2.
7
4.1
UITGANGSPUNTEN
Voor de analyse van eventuele reflectie afkomstig van het zonnepark De Horst, Epe is uitgegaan van de volgende eigenschappen:
— — — — —
— — — —
Hoogte panelen boven grond1:
1.45 meter2
Hellingshoek panelen:
15°
Meedraaiend met de zon:
Nee
Oriëntatie panelen:
180°
Panelen materiaal:
Smooth glass 3
o
Bijbehorende ‘slope error’ :
Correleert met materiaal4
o
Anti-reflectiecoating (ARC):
Ja
Ooghoogte automobilist:
1.20 meter5,6
Ooghoogte vrachtwagenchauffeur:
2.50 meter6
Ooghoogte omwonenden:
1.70 meter
Tijdzone:
UTC +1 (wintertijd)
De reflecties voor weggebruikers zijn berekend voor 20 observatiepunten op de A50 en omliggende wegen, zie hiervoor ook Figuur 4.1: 1. A50 noordelijke rijrichting:
Eerste punt waar het zonnepark zichtbaar is achter de bosschages
2. A50 noordelijke rijrichting:
Direct na de bosschages voor het zonnepark
3. A50 noordelijke rijrichting:
Ter hoogte van het begin van het zonnepark
4. A50 noordelijke rijrichting:
Halverwege het westelijk deel van het zonnepark
5. A50 zuidelijke rijrichting:
Eerste punt waar het zonnepark zichtbaar is achter de bosschages
6. A50 zuidelijke rijrichting:
Direct na de bosschages voor het zonnepark
7.
Ter hoogte van het begin van het zonnepark
A50 zuidelijke rijrichting:
8. A50 zuidelijke rijrichting:
Halverwege het westelijk deel van het zonnepark
1 Boven topografische hoogte van het maaiveld gemeten via het AHN. 2 Gemiddelde hoogte van de hellende panelen. Voor de berekeningen is deze hoogte voor de zonnepanelen gebruikt.. 3 De ‘slope error’ is verantwoordelijk voor de lichtbundelverstrooiing op de zonnepanelen (grotere verstrooiing zorgt voor
minder hinderlijke reflectie). 4
Voor meer informatie zie achtergronddocumentatie op de website van de tool (www.forgesolar.com)
5 Zelfde hoogte als referentiehoogte automobilist in TNO onderzoek (TNO, 2016). 6 Referentie hoogtes van weggebruikers genoemd in Tabel 17 (SWOV, 2014)
8
9. Drachterweg:
Oostkant van de straat
10. Drachterweg:
Halverwege de straat
11. Drachterweg:
Westkant van de straat
12. Kanaalweg:
Plek waar je tussen de bosschages aan de zuidoostkant van het zonnepark door kan kijken naar het zonnepark
13. Kanaalweg:
Ter hoogte van de Drachterweg
14. Kanaalweg:
Op 1/3 van het zonnepark
15. Kanaalweg:
Op 2/3 van het zonnepark
16. Kanaalweg:
Ter hoogte van het begin/eind van het zonnepark
17. Kanaalweg:
Plek waar je tussen de bosschages aan de noordoostkant van het zonnepark door kan kijken naar het zonnepark
18. Kanaalweg:
Op de kruising met de Oenerweg
19. Oenerweg:
Eerste plek voorbij de bosschages noord van het zonnepark en oost van Oenerweg 46, waar je zicht hebt op het zonnepark
20. Oenerweg:
Bij het viaduct over de A50
Figuur 4.1: Ingetekende zonnepark met daarbij de observatie punten voor de weggebruikers.
9
Het hoogtemodel waar de ForgeSolar tool gebruik van maakt bleek niet toereikend/nauwkeurig genoeg. Daarom zijn de hoogtes herbepaald via het AHN3 (Actueel Hoogtebestand Nederland, www.ahn.nl). De hoogtes van het maaiveld onder het zonnepark en van de observatiepunten kunnen in Tabel 4.1 gevonden worden. Tabel 4.1: Maaiveldhoogtes in meter boven NAP onder het zonnepark en van de observatiepunten. Voor locaties zie ook Figuur 4.1.
Hoogte (m +NAP)
Locatie Zonnepark
6.2
A50
7.5
Drachterweg en Kanaalweg zuid van zonnepark
7.0
Kanaalweg (observatiepunt 14, 16 – 18)
6.8
Kanaalweg (observatiepunt 15)
6.5
Oenerweg (observatiepunt 19)
11.8
Oenerweg (observatiepunt 20)
13.3
De reflectie voor omwonenden is berekend voor 6 observatiepunten, zie hiervoor ook Figuur 4.2. ook voor de observatiepunten van de omwonenden zijn de hoogtes via het AHN3 bepaald. Deze hoogtes staan hieronder bij vermeld: 1. Oenerweg 46
(6.5 m)
2. Oenerweg 50
(6.1 m)
3. Horsterweg 4
(7.8 m)
4. Drachterweg 7
(7.2 m)
5. Tussen Drachterweg 3 en 5 in
(7.2 m)
6. Oostelijk van Drachterweg 1
(7.2 m)
Figuur 4.2: Ingetekende zonnepark met daarbij de observatie punten voor de omwonenden.
10
4.2
UITKOMST REFLECTIEONDERZOEK
De berekende reflectietijden in de Forgesolar tool zijn niet gecompenseerd voor wolken en filtering door autoruiten. TNO (TNO, 2016) beschrijft dat de totale reflectietijd door drie gedeeld kan worden om tot een realistische reflectie tijd te komen; in Nederland is er voor 2/3 deel van het jaar sprake van bewolkte omstandigheden. Ook autoruiten zwakken licht af. De transmissie van autoruiten moet minimaal 75% zijn, net als in het onderzoek van het TNO is dit ook in dit onderzoek aangehouden. De schittering is berekend met panelen die van glad glas gemaakt zijn, met anti-reflectiecoating, die niet meedraaien met de zon.
Automobilisten De resultaten van het reflectieonderzoek: de reflectietijden in uren per jaar die wel gecompenseerd zijn voor bewolking en filtering door autoruiten, kunnen in Tabel 4.2 gevonden worden. Tabel 4.2: Gecompenseerde groene en gele reflecties voor automobilisten in uren per jaar.
Observatie punt 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Groene reflectie 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0
Gele reflectie 0.7 11.7 17.1 18.3 0.0 1.6 4.7 14.8 0.0 4.6
Observatie punt 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
Groene reflectie 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0
Gele reflectie 8.2 0.0 0.1 11.3 4.7 6.5 0.0 0.0 0.0 0.0
Zoals te zien is, is alle hinder die waargenomen kan worden hinderlijk. Vanaf de observatiepunten die ten noorden van de Oenerweg nr. 46 liggen (5, 17, 18,19 en 20) is er geen reflectie waar te nemen. Dat geldt ook voor observatiepunten 9 en 12. Niet alle observatiepunten waarop hinder waar te nemen is leidt ook daadwerkelijk tot hinder voor het verkeer. Het beoordelingsveld van weggebruikers wordt begrenst bij 27 graden naar links en 53 graden naar rechts (TNO, 2016). Alle reflectie die buiten het beoordelingsveld van de
1
2
weggebruiker valt, zal niet tot hinderende verblinding leiden. In Figuur 4.3 is de oorsprong te zien van waar de schittering vandaan komt voor alle observatiepunten waarop hinderlijke
Figuur 4.3: Schitterende delen van de zonnepanelen voor alle observatiepunten waar hinderlijke reflectie is waar te nemen. Hoe geler de kleur, hoe meer reflectie. De blauwe pijlen indiceren de rijrichting met het beoordelingsveld van de weggebruiker in oranje. Alles buiten het beoordelingsveld is donkerder gemaakt.
11
reflectie is waar te nemen. Voor al deze observatiepunten zijn
ook het beoordelingsveld naar
3
4
6
7
8
10
11
13
links en rechts weergegeven. Alles buiten het beoordelingsveld is donkerder gemaakt in de afbeelding. Van de in Figuur 4.3 weergegeven observatiepunten is er op een aantal punten geen hinder voor de automobilisten, omdat ze de schitterende delen van het zonnepark niet kunnen zien. Voor de observatiepunten 6, 7, 8, 10 en 13 valt alle reflectie buiten het beoordelingsveld van de automobilst. Op observatiepunt 1 zal de beplanting langs de A50 alles blokkeren. De berekeningen zijn uitgevoerd uitgaande van de gemiddelde hoogte van het zonnepark: 1.45 m boven maaiveld. De bovenkant van het zonnepark ligt op 2.1 m boven maaiveld. Dat beteken dus dat de automobilisten die over de kanaalweg rijden geen hinder zullen ondervinden van de reflectie omdat ze tegen de achterkant van de
Figuur 4.3: vervolg
zonnepanelen aankijken, de bovenkant van de panelen liggen namelijk op 8.3 m + NAP en de ooghoogte van bestuurders is 8 m + NAP, zie ook de uitganspunten in paragraaf 4.1 en Tabel 4.1 voor de hoogtes waarmee gerekend is. De enige observatiepunten waar dus hinder ondervonden kan worden zijn dus 2, 3, 4 (A50) en 11 (Drachterweg). De mate van deze hinder wordt duidelijk uit Figuur 4.4, waarin te zien is dat alle reflectie in het gele gebied ligt. De observatiepunten waarop geen reflectie wordt waargenomen zullen niet voor problemen zorgen daarom zijn alleen de gevaarplots van observatiepunten waarop reflectie wordt waargenomen gecombineerd in de figuur.
12
14
15
Figuur 4.4: Gevaarplots voor automobilisten van alle observatiepunten waarop hinderlijke reflectie wordt waargenomen.
16
Op basis van deze informatie kan gesteld worden dat er in noordelijke rijrichting op de A50 hinder te ondervinden is van de reflectie en in oostelijke rijrichting op de Drachterweg. Op de A50 zal deze zichtbaar zijn vanaf observatiepunt 2, direct voorbij de bosschages aan de rechterkant van de weg, tot de Figuur 4.3: vervolg
weggebruiker voorbij het zonnepark is, ter hoogte van observatiepunt 7. De schittering ‘beweegt’ mee met de de
weggebruiker. Tussen 7.00 en 8.30 uur (zomertijd) van begin maart tot begin oktober zal de hinder optreden. Dit blijkt ook uit Figuur 4.5. Op de Drachterweg is er hinder te ondervinden van het meest westelijke punt van de straat tot halverwege de straat. Ter hoogte van observatiepunt 10 zal de reflectie buiten het beoordelingsveld vallen. Hier is de reflectie zichtbaar tussen 7.00 en 8.00 uur (zomertijd) van half maart tot half september. De resultaten per observatiepunt zijn te vinden in de bijlage.
OP 2, 3, 4
OP 11
Figuur 4.5: Totale tijd wanneer schittering door automobilisten wordt waargenomen voor alle observatiepunten waar hinderlijke reflectie kan worden waargenomen. Op een tijd (wintertijd) en dag waar de figuur geel is zal op de vermelde observatiepunten hinderlijke schittering worden waargenomen.
13
Waar er in Tabel 4.2 rekening is gehouden met filtering door autoruiten en bewolking is dat niet het geval in Figuur 4.3, Figuur 4.4, Figuur 4.5 en vergelijkbare figuren verderop in dit rapport. Door bewolking en atmosferische verstrooiing (bijvoorbeeld nevel) kan de retinal irradiance afnemen, er is dan sprake van minder krachtige instraling van de reflectie op het oog. De mate van hinder zal hierdoor afnemen en verschuiven van geel naar groen. In de praktijk zal er dan ook minder hinderlijke reflectie plaatsvinden dan in deze figuren geschetst is. In geval van beplanting tussen de observant en het zonnepark zal de de retinal irradiance ook afnemen. Op het traject over de A50 is er helemaal geen beplanting en dus ook geen afname van de mate van hinder hierdoor.
Vrachtwagenchauffeurs Vrachtwagenchauffeurs zitten hoger dan de gemiddelde automobilist. Het reflectieonderzoek is ook uitgevoerd voor vrachtwagenchauffeurs. De uitgangspunten voor het onderzoek zijn niet veranderd, met uitzondering van de ooghoogte. Voor vrachtwagenchauffeurs is uitgegaan van een gemiddelde ooghoogte van 2.50 meter. De totale gecompenseerde reflectietijden voor bewolking en filtering door autoruiten in uren per jaar zijn te vinden in Tabel 4.3. Tabel 4.3: Gecompenseerde groene en gele reflectietijden voor vrachtwagenchauffeurs in uren per jaar.
Observatie punt 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Groene reflectie 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0
Gele reflectie 1.7 14.5 24.4 27.7 0.0 2.3 7.2 19.7 0.0 8.3
Observatie punt 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
Groene reflectie 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0
Gele reflectie 12.3 0.0 0.5 15.6 15.0 12.3 0.0 0.0 0.0 0.0
Ten opzichte van automobilisten is de reflectie voor bijna alle observatiepunten vergelijkbaar, alleen is de totale tijd waarvoor hinder wordt ondervonden groter voor vrachtwagenchauffeurs. De richting en mate van hinder zijn vergelijkbaar met hinder die automobilisten ondervinden, alleen zal op de A50 de hinder iets langer in het jaar ondervindbaar zijn (begin maart tot half oktober), maar qua tijdstip veranderd er weinig, zie ook Figuur 4.6. Qua absoluut tijdstip is de reflectie tot bijna een uur later zichtbaar, maar omdat het dan nog wintertijd is blijft de reflectie tot uiterlijk 7.30/8.00 uur zichtbaar. Het grootste verschil met automobilisten is dat voor vrachtwagenchauffeurs er wel hinder ondervonden kan worden in zuidelijke rijrichting op de Kanaalweg. Omdat vrachtwagenchauffeurs hoger zitten dan automobilisten kijken de vrachtwagenchauffeurs wel over het park heen en dus kunnen zij wel hinder ondervinden van de schitterende delen. Hier is de hinder waarneembaar tussen 19.00 en 20.30 uur (zomertijd) van half maart tot eind september. Net als op de A50 ‘beweegt’ de reflectie hier mee met de bestuurder. De
14
OP 14, 15, 16
OP 2, 3, 4
Figuur 4.6: Totale tijd wanneer schittering door vrachtwagenchauffeurs wordt waargenomen voor observatiepunten 2, 3 en 4 (’s ochtends) en 14, 15 en 16 (’s avonds). Op een tijd (wintertijd) en dag waar de figuur geel is zal op de vermelde observatiepunten hinderlijke schittering worden waargenomen.
Figuur 4.7: Gevaarplots voor vrachtwagenchauffeurs van observatiepunten 14, 15 en 16 gecombineerd.
reflectie is iets ten noorden van het park voor het eerst waarneembaar, tussen observatiepunt 16 en 17 in tot het zonnepark buiten het beoordelingsveld valt van de bestuurder, tussen observatiepunt 12 en 13 in. Langs het Apeldoorns Kanaal, tussen de Kanaalweg en het zonnepark in, staat beplanting. Verwacht wordt is dat deze beplanting gedurende het jaar niet voldoende bladdicht is om alle reflectie volledig te blokkeren, met name in het voorjaar. Daarentegen kan de mate van hinder kan wel sterk afnemen. Zeker in het zomerseizoen, wanneer de bladdichtheid het hoogst is. De totale reflectietijd en mate van hinder voor observatiepunten 14, 15 en 16 gecombineerd kunnen in Figuur 4.6 en Figuur 4.7 gevonden worden. Vanwege de kleine verandering ten opzichte van automobilisten is ook de schitteringstijd van observatiepunten 2, 3 en 4 toegevoegd aan Figuur 4.6. De resultaten per observatiepunt zijn te vinden in de bijlage.
Omwonenden Het reflectieonderzoek is ook uitgevoerd voor omwonenden. De uitgangspunten voor het onderzoek zijn niet veranderd, met uitzondering van de ooghoogte. Voor omwonenden is uitgegaan van een gemiddelde ooghoogte van 1.70 meter. De totale voor bewolking gecompenseerde reflectietijden in uren per jaar zijn te vinden in Tabel 4.4. Deze tijden zijn niet gecompenseerd voor filtering door autoruiten. Tabel 4.4: Gecompenseerde groene en gele reflectietijden voor omwonenden in uren per jaar.
Observatie punt 1 2 3
15
Groene reflectie 0.0 0.0 0.0
Gele reflectie 16.9 0.0 17.0
Observatie punt 4 5 6
Groene reflectie 0.0 0.0 0.0
Gele reflectie 11.7 6.7 0.0
Vanaf de Oenerweg 50 is dus geen reflectie te zien, net als oostelijk
1
3
4
5
van Drachterweg 1. In Figuur 4.8 is de oorsprong van de reflectie te zien. Voor omwonenden is er geen wettelijk kader hoeveel hinder van de lichtreflectie zij mogen ontvangen. Op al deze locaties zal er hinder ondervonden kunnen worden omdat er geen dichte beplanting tussen de observatiepunten en de reflecterende delen van het zonnepark te zien staat, enkel boomstammen welke niet voldoende blokkeren om alle hinderlijke reflectie weg te nemen.
Figuur 4.8: Schitterende delen van de zonnepanelen voor alle observatiepunten waar hinderlijke reflectie is waar te nemen gecombineerd. Hoe geler de kleur, hoe meer reflectie.
De mate van hinder is te zien in Figuur 4.10. Voor alle observatiepunten voor omwonenden is deze vergelijkbaar en zijn ze samen weergegeven in de gevaarplot. De hinderlijke reflectie is voor alle observatiepunten waar te nemen in de ochtend. In Figuur 4.9 is de schitteringstijd weergegeven. Voor observatiepunten 1 en 3 zijn deze gelijk, van half maart tot begin oktober. Op observatiepunt 4 kan er van begin april tot begin september hinder ondervonden worden en voor observatiepunt 5 is dit van eind april tot half augustus. Voor alle punten is dit tussen 7.00 en 8.00 uur ‘s ochtends (zomertijd) voor maximaal 20 minuten per dag. De resultaten per observatiepunt zijn te vinden in de bijlage.
Figuur 4.10: Gevaarplots voor omwonenden voor alle observatiepunten waar hinder is waar te nemen gecombineerd.
16
Figuur 4.9: Totale tijd wanneer schittering door omwonenden wordt waargenomen voor de observatiepunten waar hinder is waar te nemen. Op een tijd (wintertijd) en dag waar de figuur geel is zal op minimaal de vermelde observatiepunten hinderlijke schittering worden waargenomen. De schitteringstijden van observatiepunt 3 zijn begrensd bij de donkerblauwe lijnen, die van observatiepunt 4 bij de lichtblauwe lijnen.
4.3
INPASSINGSPLAN
Zoals eerder geschreven zijn obstakels als bomen en beplanting niet meegenomen in de berekeningen. Bestaande beplanting is bij de verwerking van de resultaten al wel rekening mee gehouden, maar nieuwe beplanting nog niet. In de technische tekening (Epe Oenerweg – General Layout_V3_0.pdf van 19 juli 2019) is er een nieuwe bomenrij aan de zuidkant en oostkant van het zonnepark opgenomen en nieuwe struiken aan de noordkant. Er van uitgaande dat de struiken voldoende bladdicht zijn gedurende de maanden maart tot en met september, zal er geen hinderlijke reflectie waar te nemen zijn vanaf de Oenerweg nummer 46, mits de omwonenden niet over deze struiken heen kunnen kijken. Voor weggebruikers zal de situatie door het struikgewas op deze locaties niets veranderen. De locaties van de bomenrijen zijn voor de weggebruikers interessanter om de situatie met betrekking tot hinder te verbeteren. De geplande bomen zullen op zichzelf echter niet veel doen tegen de reflectie. Langs de stammen van de bomenrij zal de reflectie nog steeds voor hinder zorgen. Geadviseerd wordt daarom om ook onder de bomenrijen beplanting aan te brengen van ongeveer 2 meter hoogte. Dit zal de reflectie blokkeren of dermate verminderen dat de reflectie niet meer hinderlijk is voor vrachtwagens in zuidelijke rijrichting op de Kanaalweg.
Ook zullen de omwonenden en weggebruikers aan de Drachterweg om dezelfde reden geen hinder meer ondervinden van de reflectie. Als door de beplanting het zicht op het zonnepark is weggenomen zal er ook geen hinder ondervonden kunnen worden door de reflectie. Bij beplanting kan gedacht worden aan struikgewas of klimop, zoals bijvoorbeeld hedera, langs het hekwerk op. Als laatste wordt er ook geadviseerd om beplanting langs de westkant van het zonnepark te plaatsen. In de huidige situatie zal de duur van de reflectie de toelaatbare verblindingstijd van 1.4 en 1.6 seconden, bij respectievelijk 120 km/h en 100 km/h op de snelweg (TNO, 2016) overschreden worden. Door het plaatsen van beplanting zal de toelaatbare verblindingstijd niet overschreden worden. De beplanting moet dan wel hoog genoeg zijn om alle reflectie te blokkeren. Gezien de hoogteverschillen tussen de snelweg met vrachtwagenchauffeur (10 m + NAP) en het zonnepark (maaiveld 6.2 m + NAP), moet de beplanting op het maaiveld minimaal 3.80 meter hoog zijn om het park aan het zicht te ontrekken. Dit zal hinder voor omwonenden aan de Horsterweg 4 ook tegen gaan.
.
17
Op een aantal observatiepunten wordt hinderlijke reflectie ondervonden bij de keuze voor glad glas met antireflectiecoating. Wenselijk voor de verkeersveiligheid is dat alle reflectie in het groene bereik van de modeluitkomsten ligt, of dat er geen reflectie wordt waargenomen. De situatie die zal ontstaan bij het geplande zonnepark is niet wenselijk en zal toegestane regels overschrijden. Van maart tot begin oktober zal verkeer over de A50 in noordelijke rijrichting en de Drachterstraat in oostelijke rijrichting ’s ochtends hinder ondervinden van de reflectie, op de Kanaalweg in zuidelijke rijrichting zullen vrachtwagenchauffeurs ’s avonds hinder ondervinden en van de onderzochte woningen kunnen omwonenden aan de Oenerweg (nr. 46), Horsterweg (nr. 4) en Drachterweg (nrs. 3 t/m 7) hinder ondervinden in de ochtend. Door het inpassingsplan aan te vullen met beplanting onder de geplande bomenrijen van minimaal 2 meter hoog en een extra beplanting aan de westkant van het zonnepark (langs de A50) van minimaal 3.8 meter hoog kan het zicht volledig aan het zonnepark onttrokken worden en zal er geen (hinderlijke) reflectie waar te nemen zijn. De beplanting moet dan wel genoeg bladdekkend zijn van begin maart tot half oktober. Als gedurende deze maanden het zonnepark niet zichtbaar is, kan de reflectie ook niet tot hinder leiden.
Wanneer de beplanting ‘voldoende’ bladdicht is is niet op voorhand te zeggen omdat dit afhankelijk is van de zichtcondities van het weer en de hoeveelheid zoninstraling. Hoe dichter naar 100% bladdicht hoe meer er geblokkeerd wordt. Qua soort beplanting kan gedacht worden aan bijvoorbeeld struikgewas of begroeiing langs het hekwerk, zoals bijvoorbeeld hedera of een andere bladdichte klimop soort. Er wordt sterk aangeraden om het inrichtingsplan uit te voeren met de bovengenoemde aanvullingen en voorwaarden om binnen de richtlijnen voor verkeersveiligheid te blijven.
18
ForgeSolar. (2020). Module Reflectance Profiles, Release 2020.04. Opgeroepen op 10 mei, 2020, van ForgeSolar Help: https://www.forgesolar.com/help/#reflectivity SWOV. (2014). Maatgevende normen in de Nederlandse richtlijnen voor wegontwerp. p73: SWOV R-2014-38. TNO. (2016). Lichthinder zonreflectie voor weggebruikers – ontwikkeling beoordelingsmethode op basis van disability glare. TNO 2016 R10690.
19
In de eerste bijlage zijn de modeluitkomsten van het reflectieonderzoek bijgevoegd. Deze zijn bijgevoegd als afzonderlijke pdf. In deze PDF rapporten is niet gecompenseerd voor de situatie met een wolkendek. Er wordt dus overal uitgegaan van perfecte – dat wil zeggen zonnige en heldere - condities voor reflectie. In de praktijk zullen bewolking en atmosferische verstrooiing zorgen voor minder schittering. De tweede bijlage geeft extra achtergrond informatie over de methode en de ForgeSolar tool. Deze bijlage is te vinden op de volgende pagina van dit rapport.
Bijlage 1 – modelr esultaten refle ctieonderzoek — ForgeSolar Glare Report – auto.pdf — ForgeSolar Glare Report – vrachtwagen.pdf — ForgeSolar Glare Report – omwonenden.pdf
20
Bijlage 2 – Achterg rond informatie ForgeSol ar t ool
21
Voor reflectiestudies maakt ROM3D gebruik van een speciaal hiervoor ontwikkelde tool: ForgeSolar. Deze tool maakt gebruik van de Solar Glare Hazard Analysis Tool (SGHAT) van Sandia National Laboratories uit de VS. Over de achtergrondinformatie en opbouw van het model met aannames en berekeningswijze verwijzen wij naar de achtergronddocumentatie die op de website kan worden gevonden (www.forgesolar.com). Het model wordt in de VS standaard en met een verplicht karakter ingezet voor de ontwikkeling van zonneparken of andere reflecterende elementen dichtbij vliegvelden. Rijkswaterstaat heeft het gebruik van de SGHAT geaccepteerd als methode om de mogelijkheid van reflectie op weggebruikers te onderzoeken. Ook TNO ziet de SGHAT als een valide methode om reflectiehinder te onderzoeken (TNO, 2016).
Werking van de ForgeSolar tool Over de opbouw van het model met aannames en berekeningswijze verwijzen wij naar de achtergronddocumentatie die op de website kan worden gevonden (https://www.forgesolar.com/). De tool werkt samengevat met de volgende stappen: 1. Invoeren van de geografische afbakening van de opstellingen door polygonen te tekenen ter grootte van het oppervlak van de panelen in de ForgeSolar editor. In deze referentie zitten direct vele data gekoppeld zoals de opkomst, ondergang en loopbaan van de zon en zonnesterkte in de seizoenen, en ook topografische hoogte in het landschap. Begroeiing, bebouwing en landschapselementen worden niet meegenomen. 2. Keuze van specifieke karakteristieken van het zonneveld: oriëntatie van de panelen (in graden), vaste opstelling of meedraaiend met de zon, hoogte en hellingshoek van de panelen, helling in het landschap, ruwheid van het zon-PV glas met of zonder anti-reflectiecoatings. 3. Markeren van posities (observatie punten) rond de panelen waarvoor de potentiële reflectie per zonnepanelen opstelling, in perfecte condities7, wordt berekend. 4. Instellen van kijkhoogte van de observeerder. 5.
Daarna wordt het model doorgerekend met als uitkomst een gevaar/risicofiguur waarin verwachte reflectie wordt geplot gedurende het jaar in drie kleuren: — Groen: Kleine kans op reflectie met nabeelden op het netvlies (niet hinderlijk), vergelijkbaar met oncomfortabele verblinding, — Geel: Reële kans op nabeelden zonder oogschade (hinderlijk), vergelijkbaar met maskerende verblinding, — Rood: Sterke reflectie met kans op permanente oogschade (gevaarlijk).
7 Perfecte condities: Geen atmosferische blokkade van zon instraling door bijvoorbeeld atmosferische verstrooiing
(bijvoorbeeld smog) of wolken en geen tussenobjecten die reflectie of straling kunnen blokkeren zoals gebouwen of beplanting.
22
Reflectieprofielen8 Sandia National Laboratories heeft vijf generieke reflectie profielen ontwikkeld voor PV modules:
— Smooth glass (met en zonder anti-reflectiecoating)
— Light textured glass (met en zonder anti-reflectiecoating)
— Deeply textured glass Deze profielen zijn tot stand gekomen door meer dan 20 bestaande PV
Bijlage Figuur 1: Reflectiviteit ten opzichte van de invalshoek van het zonlicht voor de vijf generieke reflectie profielen (ForgeSolar, 2020).
modules te analyseren. Bijlage Figuur 1 laat de reflectiviteit zien van elk ontwikkelde profiel als functie van de invalshoek van het zonlicht. Een hoek van 0° betekent hierin dat de panelen direct op de zon gericht staan. Een invalshoek van 90° komt dus voor als de panelen horizontaal liggen (helling van 0°) op moment dat de zon op komt en onder gaat. Anti-reflectiecoatings (ARC) en oppervlakte textuur kunnen de reflectiviteit van panelen verminderen, maar dit is doorgaans minder dan 8%. Daar komt bij dat een ruwere textuur de grootte van de gezichtshoek van lichtbron kan vergroten (zie ook het hoofdstuk “Wat betekenen de resultaten van de tool”). Dit laatste komt omdat een ruwere textuur meer diffuse reflectie veroorzaakt.
Wat betekenen de resultaten van de tool De ForgeSolar tool bepaalt het effect op het oog uit twee aspecten (de assen van de grafiek in Bijlage Figuur 2): de kracht van de straling op het oog in W/cm2 (retinal irradiance) en de grootte van de Bijlage Figuur 2: Tweedimensionaal ForgeSolar- plot van het effect van reflectie op het oog op basis van twee variabelen: de kracht van de straling op het oog in W/cm2 (retinal irradiance) en de grootte van de gezichtshoek van de lichtbron (subtended source angle). De kleuren geven het soort reflectie aan, de oranje stippen duiden het gevaar/risico van observatiepunt 1 aan en de gele stip duidt ter referentie het gevaar/risico aan van het kijken naar de zon op een heldere dag met het blote oog.
8 Bron voor deze hele sectie: www.forgesolar.com (ForgeSolar, 2020)
23
gezichtshoek van de lichtbron (subtended source angle). Dit betekent dat als de lichtbron sterker wordt, maar een kleine (punt) lichtbron wordt waargenomen, de kans op nabeelden in het oog kan ontstaan. Dit gebeurt bij ongeveer 10 W/cm2 en dan
is een lichtbron zo sterk als de zon. Naarmate de lichtbron groter wordt in het gezichtsveld en een hoek heeft van 144 graden is de kans op nabeelden bij een zwakke lichtbron (< 0.001 W/cm2) aanwezig (omslag naar geel). Schade aan het oog ontstaat als de lichtbron sterker is dan de zon (10 W/cm2) of de hoek in het gezichtsveld groter is dan van de zon (3,6 graden). Uiteraard speelt dan ook mee hoe lang de lichtbron zichtbaar is voor het oog. TNO (TNO, 2016) bepaalt maskerende verblinding (disability glare) op basis van enkele variabelen:
— — — —
Verblindings-/verlichtingssterkte, verblindingshoek, achtergrondluminantie en dynamische eigenschappen, zoals duur en knipperfrequentie.
De eerste twee variabelen vormen ook de basis in de ForgeSolar tool. Achtergrondluminantie en knipperfrequentie worden niet meegenomen. De uitkomsten van de ForgeSolar tool worden strenger beoordeeld dan de uitkomsten van de TNO disability glare methode. De duur van de overschrijding van de lichthinder volgens de TNO disability beoordelingsmethode is gemiddeld 64% van de ForgeSolar tool. Maskerende verblinding werpt volgens TNO een sluier (sluierluminantie) over het beeld waardoor het waarneembare contrast en daarmee de zichtbaarheid van objecten vermindert. De ForgeSolar tool geeft de kans op nabeelden (after image) en oogschade (retinal damage) aan. Dit zijn graadmeters voor het inschatten van de kans op verblinding. Maskerende verblinding kan gaan optreden in het gele gebied van de ForgeSolar-plot en zal vrijwel zeker optreden in het rode gebied. Indien de reflectieresultaten in het groene gebied liggen zal er geen reflectie met kans op maskerende verblinding optreden. Als geen enkele reflectie optreedt is er uiteraard ook geen kans op (maskerende) verblinding. In dit onderzoek wordt gesproken van hinder als de reflectie in het gele of rode gebied licht.
24
bestemmingsplan Zonnepark de Horst, Epe
Bijlage 5 Akoestisch reflectieonderzoek
97
Notitie
Datum: Uw kenmerk: Ons kenmerk: Versie:
22 januari 2021 V0490558aa.20HKIKH.sbl 03_001
Project: Locatie: Betreft:
Zonnepark De Horst - geluidreflectie A50 Epe Akoestisch onderzoek
In opdracht van BügelHajema Adviseurs, de heer R. de Groot, is het effect beoordeeld van het te realiseren zonnepark De Horst op de geluidoverdracht van het wegverkeersgeluid van de rijksweg A50. Doel van de beoordeling is te bepalen of het zonnepark effect heeft op de geluidoverdracht en of dit leidt tot een relevante toename van de geluidbelasting voor de omwonenden. Uit het onderzoek blijkt dat het reflecterend effect van de zonnepanelen in de orde van 1 dB ligt tot hooguit 1,7 dB bedraagt voor wegverkeerslawaai bij omliggende woningen. Een toename van 1 dB is gering en bijna verwaarloosbaar. Dit ligt voor het menselijk gehoor rond de grens van normale waarneming. Een toename van 1,7 dB is niet verwaarloosbaar. Bij een beoordeling volgens de Wet geluidhinder wordt dit afgerond als een significant verschil beschouwd. Naar verwachting is het effect lager dan hier is berekend doordat het effect van de vegetatiestrook niet is meegenomen. Situatie Het zonnepark is geprojecteerd ten oosten van de A50. In figuur 1 is de situatie weergegeven.
2 1
3
4
Figuur 1 Luchtfoto met het plangebied rood omlijnd. Gebieden met woningen zijn wit genummerd.
Kelvinbaan 40, 3439 MT Nieuwegein | Postbus 1475, 3430 BL Nieuwegein | T (030) 231 13 77 | F (030) 234 17 54 E info@lbpsight.nl | www.lbpsight.nl | IBAN: NL62 RABO 036 42 36 558 | KvK 30073990 | BTW NL007076083B01