359152 Nota bodembeheer 2021
Tekst van het document
Op basis van de resultaten van dit onderzoek wijzigt de toepassingseis van de ontvangende bodem niet.
21
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
38 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
2.19 Verdachte locaties en gebruik ontgravingskaart Voor bodemverontreiniging verdachte locaties (puntbronnen) zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Als van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie volgens de NEN 5740 is onderzocht, het onderzoek representatief is voor de meest recente (terrein)situatie (zie hoofdstuk 5) én de maximaal vastgestelde (gestandaardiseerde) gehalten van de stoffen voldoen aan de ontgravingskwaliteitsklasse van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen (zie kaartbijlage 3A en 3B), dan hoeft er geen aanvullende partijkeuring te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend “bewijsmiddel” gebruikt. Als de maximaal vastgestelde (gestandaardiseerde) gehalten van de stoffen niet voldoen aan de ontgravingskwaliteitsklasse van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen (zie de kaartbijlage 3A en 3B), dan wordt de kwaliteit van de te ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de OVIJ.
2.20 Mogelijkheden vrijkomende kleine partijen grond (≤ 50m3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of een gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond (≤ 50 m3) vrijkomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone gerijpte baggerspecie met een maximale omvang van 50 m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (zie ook § 2.28). Kleine partijen vrijkomende grond kunnen worden verzameld tot maximaal 25 m3 (zie artikel 2.5.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL 9335 – protocol 9335-1[32]. Volgens paragraaf 6.1 van protocol 9335-1 kunnen partijen grond tot 100 ton worden ingenomen op basis van beperkte voorinformatie, dus ook grond die niet geanalyseerd is op PFAS-verbindingen. Individuele kleine partijen PFAS-houdende grond kunnen, afhankelijk van de acceptatiecriteria, ook bij erkende grondverwerkers (reiniger, grondbank) worden aangeboden. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt ter onderbouwing van de kwaliteit van de aangeboden grond. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de perceeleigenaar van de ontvangende locatie.
Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (zie § 2.26.1).
39 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
2.21 Werken met verontreinigde grond In het Arbeidsomstandighedenbesluit[22], hoofdstuk 2, afdeling 5 wordt aangegeven welke verantwoordelijkheden opdrachtgevers, ontwerpende partijen en werkgevers hebben ten aanzien van veilig en gezond werken. Hieronder valt ook het werken in verontreinigde grond. Wanneer sprake is van werken in verontreinigde grond, moet een V&G-plan worden opgesteld. Dit is een verantwoordelijkheid van de opdrachtgever. Tijdens de ontwerpfase moet de opdrachtgever er voor zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd over de technische en organisatorische keuzes voor de veiligheid en gezondheid van de medewerkers. Vertaald naar het werken in verontreinigde grond betekent dit dat voldoende bekend moet zijn wat de gevaren inhouden. Dit kan worden bereikt met een gedegen onderzoek voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden. Tijdens de uitvoeringsfase moet het V&G-plan door de aannemer verder worden uitgewerkt tot een plan dat bescherming op voldoende niveau biedt, zodat de medewerkers op het project de werkzaamheden veilig en gezond kunnen uitvoeren. De minimaal te beschrijven onderwerpen zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gaat over de regels voor het werken met gevaarlijke stoffen. Onderscheiden worden de “gewone” gevaarlijke stoffen en de mutagene en kankerverwekkende stoffen.
Bij contact met bijvoorbeeld riolering moet ook rekening worden gehouden met aanwezigheid van ziekteverwekkende bacteriën, de zogenoemde biologische agentia. De CROW publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’, doet een handreiking aan opdrachtgevers en grondroerders voor de invulling van zowel arbo- als milieuaspecten. Partijen zijn altijd verplicht om aan te sluiten bij de actuele wet- en regelgeving op het gebied van arbo en milieu. De rode draad in de CROW publicatie 400 is het risico gestuurd werken. Welke maatregelen er nodig zijn om te werken in en met (licht) verontreinigde grond, is afhankelijk van de kans op, de mate van en het effect (het schadelijke vermogen) van blootstelling aan de grond. Het risico bepaalt welke maatregelen getroffen moeten worden; bijvoorbeeld welke persoonlijke beschermingsmiddelen er tijdens de werkzaamheden gebruikt moeten worden. Als geen risico’s worden vastgesteld, geldt altijd de basishygiëne. De veiligheidskundige van de grondroerder moet hier verder invulling aan geven. Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 400 de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden.
40 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
2.22 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit) 2.22.1 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Voor het verspreiden van baggerspecie de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst zijn afhankelijk van het oppervlaktewaterlichaam de volgende overheidsinstellingen het bevoegd gezag: • Rijkswaterstaat; • het Waterschap Vallei en Veluwe of; • de betreffende gemeente (overige wateren). 2.22.2 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 2.1. Ontvangstplicht Vrij toepasbaar
Achtergrondwaarden - AW2000
Verspreiden over aangrenzend
Niet verspreidbaar over
perceel
aangrenzend perceel
-Maximale Waarden verspreiden over aangrenzende percelen en -interventiewaarde droge bodem
Figuur 2.1. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.
Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: • Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht. • De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid. • Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. • De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. In de gemeente Epe is gebiedsspecifiek beleid vastgesteld voor het verspreiden van baggerspecie waarin van nature verhoogde arseengehalten voorkomen (zie § 2.5.7.4 en § 2.5.7.5). In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’ en toekomstige ontwikkelingen binnen het Besluit hierover.
41 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen: • De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen. • De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren. • De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. • De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing. Voor verdere informatie over het verspreiden van baggerspecie wordt hier volstaan met een verwijzing naar het ‘Handvat verspreiden baggerspecie’[33]. Verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel en tijdelijke opslag in weilanddepot Voor het verspreiden van PFAS-houdende baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35 sub f van het Besluit bodemkwaliteit) gelden de landelijke normen. Uitzondering hierop is het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. Hier gelden strengere normen uit de omgevingsverordening van de Provincie Gelderland.
Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen als er vanuit het vooronderzoek geen aanwijzingen zijn op puntbronnen. Wel wordt in het tijdelijk handelingskader aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang nietrepresentatieve verontreiniging als gevolg van een puntbron. Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren. Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast. Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om een representatief aantal waterbodemmonsters ook op PFAS te analyseren.
Dit is niet nodig als een waterbeheerder (in afstemming met de OVIJ namens de gemeenten) heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in zijn beheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen.
42 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
2.23 Voorkomen verspreiding plaagsoorten bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. Om deze redenen willen de gemeenten de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst stellen dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[34] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/.
Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. Deze grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/. 2.24 Nieuw onderkende verontreinigingsbronnen Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen en nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling van deze nota bodembeheer.
2.25 Totaaloverzicht gemeentelijk beleid In tabel 2.5 is een totaaloverzicht gegeven van de bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, verwachte ontgravingsklassen, toepassingsklassen conform het gemeentelijke en gebiedsspecifieke beleid van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst. Op basis van het Besluit en de Regeling en de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (§ 2.5) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de chemische kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 4 geeft de mogelijkheden
43 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Tabel 2.5 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij voorkomende functies conform gebiedsspecifiek en gemeentelijk beleid Verwachte
Bodemkwaliteitszone
Overwegend
ontgravingsklasse
voorkomende
Apeldoorn bebouwd gebied:
bodemfunctie(s)
90-percentiel (muv PFAS)
Toepassingseis (gemeentelijk beleid) @
Overig gebied: 80-percentiel Bovengrond (dieptetraject 0-0,5 m-mv) # B1. Apeldoorn, Centrum1
Wonen
Industrie
Stedelijk wonen
B2. Apeldoorn, Wonen 1 2
Wonen
Industrie $
Wonen
B3. Apeldoorn, Wonen 2 3
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie B4. Apeldoorn Industrie 1A 4
Industrie Industrie $ Stedelijk wonenD
Wonen Industrie B5. Apeldoorn Industrie 1B 5
Industrie Niet toepasbaar
Wonen
Stedelijk wonen
B6. Apeldoorn Industrie 2 6
Industrie
Wonen
Industrie
B7. Epe, Wonen < 1911 *
Wonen
Industrie $
Wonen A
B8. Brummen/Epe/Voorst,
Industrie Wonen
Wonen A
Wonen
Wonen A
Wonen
Wonen A
Overige oude woongebieden *
Wonen
B9. Brummen/Epe/Voorst,
Industrie
Jonge woongebieden *
Wonen
B10. Brummen/Epe/Voorst,
Industrie
Oude bedrijventerreinen *
Wonen
B11. Brummen/Epe/Voorst, Jonge bedrijventerreinen
Industrie
Achtergrondwaarde – AW2000
Wonen A Industrie 7
Industrie B12. Apeldoorn,
Wonen
Achtergrondwaarde –
Wonen 8
Buitengebied
Overig
AW2000
Achtergrondwaarde –
(landbouw/natuur)
44 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
AW2000
Verwachte
Bodemkwaliteitszone
Overwegend
ontgravingsklasse
voorkomende
Apeldoorn bebouwd gebied:
bodemfunctie(s)
90-percentiel (muv PFAS)
Toepassingseis (gemeentelijk beleid) @
Overig gebied: 80-percentiel Industrie B13. Brummen,
Wonen
Achtergrondwaarde –
Buitengebied
Overig
AW2000
(landbouw/natuur)
Wonen 8 Achtergrondwaarde – AW2000
Industrie B14. Epe, Buitengebied
Wonen
Achtergrondwaarde –
Overig
AW2000
Wonen 8 Achtergrondwaarde – AW2000 A
(landbouw/natuur) Industrie B15. Voorst, Buitengebied
Wonen
Achtergrondwaarde –
Overig
AW2000
(landbouw/natuur) Kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen Oude stortplaatsen
Wonen 8 Achtergrondwaarde – AW2000
Varieert
Varieert
Varieert
Varieert
Achtergrondwaarde – AW2000 B Lokale Maximale Waarde C
Tussenlaag (dieptetraject 0,5-1,0 m-mv) # T1. Apeldoorn, Centrum1
Wonen
T2. Apeldoorn, Wonen 1 2
Wonen
T3. Apeldoorn, Wonen 2 3
Wonen
Industrie Achtergrondwaarde – AW2000 Achtergrondwaarde – AW2000
Industrie T4. Apeldoorn Industrie 1A 4
Wonen Industrie Stedelijk wonenD
Industrie T5. Apeldoorn Industrie 1B 5
Industrie Industrie $
Wonen Industrie
Stedelijk wonen Achtergrondwaarde – AW2000
Industrie Industrie 7
Industrie T7. Overig gebied
Wonen
Industrie $ Wonen
T6. Apeldoorn Industrie 2 6
Stedelijk wonen
Wonen
Achtergrondwaarde –
Overig
AW2000
(landbouw/natuur)
45 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
Wonen 9 Achtergrondwaarde – AW2000
Verwachte
Bodemkwaliteitszone
Overwegend
ontgravingsklasse
voorkomende
Apeldoorn bebouwd gebied:
bodemfunctie(s)
90-percentiel (muv PFAS)
Toepassingseis (gemeentelijk beleid) @
Overig gebied: 80-percentiel Ondergrond (dieptetraject 1,0-2,0 m-mv) ## O1. Apeldoorn, Centrum1
Wonen
O2. Apeldoorn, Wonen 1 2
Wonen
O3. Apeldoorn, Wonen 2 3
Wonen
Industrie $ Achtergrondwaarde – AW2000 Achtergrondwaarde – AW2000
Industrie O4. Apeldoorn Industrie 1A 4
Wonen Industrie Stedelijk wonenD
Industrie O5. Apeldoorn Industrie 1B 5
Industrie Industrie $
Wonen Industrie
Stedelijk wonen Achtergrondwaarde – AW2000
Industrie Industrie 7
Industrie O7. Overig gebied
Wonen
Industrie $ Wonen
O6. Apeldoorn Industrie 2 6
Stedelijk wonen
Wonen
Achtergrondwaarde –
Overig
AW2000
(landbouw/natuur)
Wonen 9 Achtergrondwaarde – AW2000
Bijzondere omstandigheden Industrie Waterwin- en grondwaterbeschermingsgeb ieden 1 2 3 4 5 6 7 8 9 * # ## $ @ @@
Wonen
Varieert
Overig
Achtergrondwaarde – AW2000 E @@
(landbouw/natuur) Binnenstad, Stationsgebied, Parken, Metaalbuurt, Welgelegen en PWA-zone. Zevenhuizen, Zuid, Kerschoten, Het Loo, Orden, Berg en Bos, Ugchelen, Beekbergen, Loenen, Klarenbeek, Lieren en Wenum. Zuidbroek, Zonnehoeve, De Maten, Woudhuis en Osseveld, Uddel en Hoenderloo. Stadhoudersmolen, Kanaalzone Zuid en Brouwersmolen. De Vlijt. Ecofactorij, Malkenschoten en Apeldoorn-Noord. Kieveen. De Lokale Maximale Waarde ‘Wonen’ geldt alleen bij grootschalige uitbreidingen in het buitengebied. De Lokale Maximale Waarde ‘Wonen’ geldt voor gebieden onder de bodemkwaliteitszone ‘B11. Brummen/Epe/Voorst, Jonge bedrijventerreinen’ en bij grootschalige uitbreidingen in het buitengebied. Een aantal gebiedjes is uitgesloten van deze bodemkwaliteitszone. De 80-percentielwaarden van een aantal PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. De ondergrond (traject 1,0-2,0 m-mv) is niet verdacht voor PFAS-verbindingen en daarom niet onderzocht op deze stofgroep. De ontgravingsklasse voldoet aan de toepassingseis ‘Stedelijk wonen’. De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de toepassingswaarden in de meest recente versie van het tijdelijk handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.
De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de in de meest recente versie van de provinciale omgevingsverordening benoemde toepassingswaarden.
46 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
A B
C
D
E
De toepassingeisen voor van nature arseenhoudende grond in de gemeente Epe zijn vermeldt in tabel 2.1 in § 2.5.7.4. De kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (zie § 2.5.2 en § 2.26.2). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbestverdachte materialen (zie § 2.6 en § 2.7).
Op oudere stortplaatsen mag voor een betere bovenafdichting grond worden gebruikt met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Voorwaarden bij deze Lokale Maximale Waarden zijn dat deze alleen mogen worden gebruikt in combinatie met een 0,5 meter dikke afdeklaag. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis voor hergebruik van grond van het gebied waarin de stortplaats ligt. (zie § 2.5.6). De Lokale Maximale Waarden ‘Stedelijk wonen’ geldt alleen voor de Kanaalzone-Zuid met de bodemfunctie wonen. Onder voorwaarden mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast (zie § 2.5.9).
2.26 Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet 2.26.1 Check bodemkwaliteit herkomst- en toepassingslocatie Voorafgaand aan grondverzet (ontgraven en toepassen) van moet altijd worden vastgesteld of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of de bodemkwaliteitskaart van toepassing is. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Arbeidsomstandighedenwet en -besluit en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of • Er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). • de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenwet en besluit). Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of • Sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Besluit bodemkwaliteit). • de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbeidsomstandighedenwet en besluit). De check op verdachtheid van de ontgravings- en toepassingslocatie wordt tijdens de beoordeling van de melding Besluit bodemkwaliteit uitgevoerd door de Omgevingsdienst Veluwe IJssel. Alleen als uit deze check blijkt dat de bodem niet negatief is beïnvloed door activiteiten die op de locatie hebben plaatsgevonden én de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart, mag de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond.
47 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
2.26.2 Onderzoek toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: • Ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; • afkomstig is van een uitgesloten locatie/gebied van de bodemkwaliteitskaart (zie § 2.1); • afkomstig is van gebieden waarvan de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd (zie § 2.4 en § 2.11). • wordt toegepast op gevoelige bestemmingen zoals kinderspeelplaatsen en moes/volkstuin(complex)en (zie § 2.5.2); afkomstig is van aangewezen gebieden waar de Lokale Maximale Waarde kwaliteitsklasse ‘Wonen’, ‘’ Stedelijk wonen’ of ‘Industrie’ is vastgesteld (zie § 2.5.3, § 2.5.4 en § 2.5.5 en de kaartbijlagen 5A en 5B), en het voornemen bestaat deze in gebieden her te gebruiken met een strengere toepassingseis, tenzij kan worden aangetoond dat op de ontgravingslocatie niet eerder grond is toegepast; • wordt toegepast in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en van buiten deze gebieden afkomstig is (zie § 2.5.9); • vrijkomt uit o de gemeente Apeldoorn, 50 meter van het hart van beken en sprengen. In deze gebieden moet de bodem minimaal worden gekeurd op het zware metaal arseen; o de gemeente Apeldoorn, in kwelgebieden ten westen van het Apeldoorns kanaal.
In deze gebieden moet de bodem minimaal worden gekeurd op het zware metaal arseen; o de gemeente Epe, watergangoever tot maximaal 0,5 meter diepte, binnen 50 meter van het hart van de watergang (sloot/beek). In deze gebieden moet de bodem minimaal worden gekeurd op het zware metaal arseen; o de gemeente Epe, beekeerdgronden. Ter plaatse van bekeerdgronden moet de bodem minimaal worden gekeurd op het zware metaal arseen; o de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst: bij het aantreffen van ijzeroerlagen en/of verkitte lagen. In die situatie moet de bodem minimaal worden gekeurd op het zware metaal arseen. • onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, bodemvreemde materialen, kleur, geur; zie § 2.6 en § 2.7); • wordt toegepast ter plaatse van een locatie met het (toekomstige) bodemgebruik wonen met tuin, onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen, intensief gebruikt openbaar groen, moes-/volkstuin(complex)en (specifiek voor asbest; zie § 2.7); • afkomstig is van een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 2.13 zijn beschreven. • al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 2.17, § 2.19 en hoofdstuk 5. De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL 1000 – protocol 1001 of de NEN 574022 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf met een ministeriële erkenning.
Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het BRL 2000 – protocol 2018[35]. 22
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
48 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
2.26.3 Onderzoek ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als de toepassingslocatie is gelegen in een niet-gezoneerd gebied of is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie § 2.1) of al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in hoofdstuk 5. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL 2000 – protocol 2001[36] gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. 2.27 Opstellen grondstromenplan bij projecten Bij de uitvoering van gemeentelijke projecten en van projecten waarin de gemeente partij is dient een grondstromenplan te worden opgesteld. Bij overige projecten wordt het opstellen van een grondstromenplan nadrukkelijk geadviseerd. Dit plan moet worden ingediend bij de OVIJ. Met projecten wordt onder andere bedoeld: infrastructurele werken, bouw- en woonrijp maken en natuurontwikkeling. In een grondstomenplan worden, voorafgaand aan de uitvoering van het project, de grondstomen (onder andere kwaliteit, aantal m³) in beeld gebracht.
Door het tijdig in beeld brengen van deze grondstromen en de afstemming met het bevoegde gezag kunnen knelpunten vooraf worden gesignaleerd en kan stagnatie tijdens de uitvoering worden voorkomen. Ook kunnen op basis van dit plan afspraken worden gemaakt over het indienen van meldingen Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor kan de administratieve last worden verminderd. 2.28 Procedures bij grondverzet 2.28.1 Melden van tijdelijke opslag en toepassing van grond 2.28.1.1 Toepassing van grond De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente waarin de locatie van de tijdelijke opslag of de toepassing is gelegen. De meldingen voor de betreffende gemeente worden doorgezonden naar de OVIJ. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen is dat Rijkswaterstaat (rijkswateren), het Waterschap Vallei en Veluwe (wateren die zijn vastgelegd in de legger) of de betreffende gemeente (overige wateren).
De OVIJ is op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijn van 5 werkdagen, mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige
49 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook § 1.7 en § 1.8). In tabel 2.7 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden. De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd met uitzondering van: • De toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; • het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; • het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; • het toepassen van schone grond in hoeveelheden maximaal 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.
Namens de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe of Voorst kan de OVIJ, ondanks de ontheffing van de meldplicht, de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie. 2.28.1.2 Tijdelijke opslag De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: • De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname. • De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. • De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. In tabel 2.7 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen.
50 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
Tabel 2.7 Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Vorm van tijdelijke opslag
Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
-
Ja1)
opslag Kortdurende opslag
6 maanden
Tijdelijke opslag op
Kwaliteit moet voldoen
landbodem
aan de 3 jaar
bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie
3 jaar
op aangrenzend perceel
Opslag tijdelijke uitname
met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Alleen baggerspecie die
Ja1) ,
voldoet aan de normen
met voorziene duur van
voor verspreiding over
opslag en
aangrenzende percelen
eindbestemming
-
Nee
Looptijd van de werkzaamheden
1)
Ja1) ,
Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl
2.28.2 Registratie en archivering van meldingen De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) wordt door de OVIJ, voor de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst, bij binnenkomst geregistreerd en uiteindelijk ook gearchiveerd. De OVIJ stuurt de melder een ontvangstbevestiging. 2.28.3 Beoordeling van de melding De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst worden door de OVIJ, namens de gemeenten, beoordeeld. De OVIJ brengt de melder altijd op de hoogte van haar oordeel over de melding. De OVIJ probeert binnen 5 werkdagen na de melding de melder hiervan op de hoogte te brengen. Ten slotte kan ook andere wet- en regelgeving van invloed zijn (zie § 2.1.5 van bijlage 2) of kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar. 2.29 Transport van grond Voor het vervoer van verontreinigde grond geldt de landelijke Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen[37]. Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn.
Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.
51 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
3 Uitwerking beleid onderdeel saneren 3.1
Hergebruik van grond en terugsaneerwaarden
Het wettelijke kader voor bodemsaneringen is de Wet bodembescherming. Voor de gemeente Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst geldt dat de provincie Gelderland, totdat de Omgevingswet inwerking treedt (daarna de betreffende gemeente), in de meeste situaties het bevoegd gezag is voor de Wet bodembescherming. Naast de regels in deze nota bodembeheer zijn op werkzaamheden op of in de bodem ook de regels van de Wet bodembescherming van toepassing. De provincie Gelderland heeft haar beleid beschreven in de “De Gelderse wegwijzer door bodemland”. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: • Terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen); • aanvullen van ontgravingsput of het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering (zie § 2.15). In de “De Gelderse wegwijzer door bodemland” van de provincie Gelderland zijn deze overlappen uitgewerkt. Hierin is ook ingegaan op de uitvoering van bodemtaken en toetsingskader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen de provincie Gelderland. Het bodembeleid is afgestemd op diverse wetten en regelingen, waaronder de Circulaire bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Bodemsaneringen worden uitgevoerd in het kader van de Wet Bodembescherming.
Deze wet gaat uit van functiegericht en kosteneffectief saneren van de bodem. Ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen of toegepast. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 van bijlage 2) en aan de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn gedefinieerd en gelden voor de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. Bij het beoordelen van de gevalsgrens kan het bevoegd gezag gebruik maken van de ontgravingskaarten (zie de kaartbijlagen 4A en 4B). Bij het beoordelen van saneringen hanteert het bevoegd gezag als terugsaneerwaarde de toepassingseisen uit deze nota (zie tabel 2.5 en de kaartbijlagen 5A en 5B). Deze terugsaneerwaarden worden ook gehanteerd als op locaties sterk verontreinigde grond (bestaande verontreiniging, ontstaan voor 1987) wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; bijvoorbeeld als sprake is van 25 m³ of minder, sterk verontreinigde grond. Nieuwe bodemverontreinigingen (ontstaan vanaf 1 januari 1987) moeten volledig worden gesaneerd. Hiervoor is de gemeente bevoegd gezag.
52 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
In § 2.15 is ingegaan op het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (zie § 2.28). Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. De dubbele meldingsplicht geldt niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit). 3.2
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht
Er is sprake van een niet ernstig geval van bodemverontreiniging indien het volume aan sterk verontreinigde grond (concentratie > interventiewaarde) minder dan 25 m 3 grond en/of minder dan 100 m3 bodemvolume grondwater bedraagt. Voor asbest geldt dat de concentratie de interventiewaarde niet mag overschrijden. Voor graafwerkzaamheden in een niet ernstig geval van bodemverontreiniging geldt dat: • De regels van BRL 6000[38] /7000[39] niet verplicht zijn op de graafwerkzaamheden; • een saneringsplan of BUS-melding niet verplicht is; • 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een plan van aanpak moet worden ingediend bij de OVIJ. Het plan van aanpak dient inzicht te geven in de voorgenomen handelingen die worden uitgevoerd en wat er met de vrijkomende grond gebeurt. Zorgplicht Alle verontreinigingen die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 betreffen zogenaamde nieuwe gevallen van bodemverontreiniging waarop het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming (artikel 13) van toepassing is. Dit betekent dat, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, de verontreiniging en de gevolgen daarvan volledig ongedaan moeten worden gemaakt. In geval van een calamiteit of een ongewoon voorval dient de veroorzaker dit direct te melden bij het bevoegde gezag. In de regel is de gemeente bevoegd tot handhaving van de zorgplicht van nieuwe gevallen van verontreiniging.
De OVIJ voert deze taken voor de gemeenten uit. Er zijn echter ook situaties waarin de provincie (bijvoorbeeld bij een zorgplicht op een bedrijfsterrein waarvoor de provincie bevoegd gezag is in het kader van de milieuwetgeving), Rijkswaterstaat (rijkswateren), het Waterschap Vallei en Veluwe (wateren die zijn vastgelegd in de legger) bevoegd gezag is. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. 3.3
Onverwachte bodemverontreiniging tijdens graafwerkzaamheden
Tijdens het graven in de bodem kunnen zich situaties voordoen die niet voorzien waren op basis van een vooronderzoek of verkennend bodemonderzoek. Bijvoorbeeld een sterke oliegeur, begraven afval en asbestnesten. In dergelijke gevallen moet de ontgraving gestaakt
53 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
worden en het bevoegd gezag worden ingelicht. Hierna moet in overleg met de OVIJ en/of provincie bekeken worden op welke wijze met de verontreiniging moet worden omgegaan. Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Dit geldt overigens ook voor het toepassen van bouwstoffen. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.4
Grensoverschrijdende verontreiniging in de landbodem en de waterbodem
Van grensoverschrijdende verontreiniging is sprake als verontreinigingen vanuit de waterbodem in de landbodem terechtkomen en andersom. De aanpak van grensoverschrijdende gevallen is gekoppeld aan de ligging van de bron van de verontreiniging. Op voorwaarde dat er een duidelijke (punt)bron te vinden is. In de praktijk betekent dit het volgende: aanpak volgens de Wet Bodembescherming als de bron van de (historische) verontreiniging op de landbodem ligt (saneringsregeling) en aanpak volgens de Waterwet als de bron in de waterbodem ligt (maatregelen treffen in het kader van het watersysteem).
54 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
4 Uitwerking beleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke ordening 4.1
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunning activiteit bouwen
Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is het in het in artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geregeld dat deze niet eerder in werking treedt nadat: • Is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of; • met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of; • een BUS-melding is gedaan en de vijfwekentermijn is verstreken. Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen moet dus bodeminformatie worden verzameld. Als geen bodeminformatie bekend is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is geen bodemonderzoek nodig wanneer: • Het een bouwwerk is wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; • het bouwwerk de grond niet raakt; • het bouwwerk kleiner is dan 50 m2; • in het bouwwerk minder dan 2 uur per dag dezelfde mensen verblijven. Let op! Vanuit andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. Onderzoek arseen Indien een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd geldt voor zowel de gemeente Apeldoorn als de gemeente Epe dat bij woningbouw en gevoelige gebouwen (o.a. scholen, kinderopvang) standaard onderzocht moet worden op de stof arseen. Dit volgens de NEN 5740 voor de bodemlaag van 0 – 1,0 m-mv).
In de bouwverordening is geregeld dat de gemeente vrijstelling kan verlenen van bodemonderzoek, onder voorwaarden kan hiervoor de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden. 4.2
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit ruimtelijke planvorming
In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane en/of toekomstige gebruiksfuncties. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond.
55 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
Let op! Vanuit andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. De bodemkwaliteitskaart is een instrument om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming. 4.3
Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunning activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming
De gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) ter plaatse van de locatie achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaarten mogen dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op betreffende locatie. De voorwaarden hiervoor zijn: • De locatie is niet gelegen in een door de provincie of gemeente aangewezen beschermingsgebied (zie § 2.16.3). • De locatie is niet gelegen in een voor de bodemkwaliteitskaart uitgesloten gebied. • De locatie is niet gelegen in één van de onderstaande bodemkwaliteitszones en gebieden: o B1. Apeldoorn, Centrum (Binnenstad, Stationsgebied, Parken, Metaalbuurt, Welgelegen en PWA-zone). o B4. Apeldoorn Industrie 1A (Stadhoudersmolen, Kanaalzone Zuid en Brouwersmolen). o B5. Apeldoorn Industrie 1B (De Vlijt). o B7. Epe, Wonen < 1911. o Gemeente Apeldoorn: bij woningbouw en andere gevoelige gebouwen (o.a. scholen, kinderopvang) moet minimaal onderzocht worden op de stof arseen. Dit volgens de NEN 5740 voor de bodemlaag van 0 – 1,0 m-mv). o Gemeente Epe: bij woningbouw en gevoelige gebouwen (o.a. scholen, kinderopvang) moet minimaal onderzocht worden op de stof arseen.
Dit volgens de NEN 5740 voor de bodemlaag van 0 – 1,0 m-mv). o Gemeente Epe: Watergangoever tot maximaal 0,5 meter diepte, binnen 50 meter van het hart van de watergang (sloot/beek). In deze gebieden moet de bodem minimaal worden onderzocht op het zware metaal arseen. Dit volgens de NEN 5740 (bovengrond). o Gemeente Epe: beekeerdgronden. Ter plaatse van beekeerdgronden moet de bodem minimaal worden onderzocht op het zware metaal arseen. Dit volgens de NEN 5740. o Alle gemeenten: bij het aantreffen van ijzeroerlagen, roestvorming en/of verkitte lagen. In die situatie moet de bodem minimaal worden onderzocht op het zware metaal arseen. Dit volgens de NEN 5740. • De locatie moet onverdacht zijn voor bodemverontreiniging. Dit dient aangetoond te worden met een vooronderzoek conform de NEN 5725. Een terreininspectie is hier onderdeel van. Het vooronderzoek onderzoek moet uitgevoerd worden door een gecertificeerde instantie. Met een ‘niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging’ wordt bedoeld een locatie waar, voor zover bekend, geen lokale bron (puntbron) aanwezig is (geweest) of bodembedreigende activiteiten zijn uitgevoerd of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is (geweest).
56 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
Bij (nog niet eerder of onvoldoende onderzochte) verdachte locaties, niet-gezoneerde gebieden en uitgesloten locaties is normaliter een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) noodzakelijk, en indien van toepassing aangevuld met een verkennend onderzoek op asbest (conform de NEN 5707[40]). Vrijstelling kan alleen verleend worden als de randvoorwaarden in deze paragraaf zijn opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening. Het vooronderzoek conform de NEN 5725 en eventueel het onderzoek naar arseen moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeente worden ingediend. De gemeente beoordeelt of op basis van het vooronderzoek gebruik kan worden gemaakt van de vrijstellingsregeling.
57 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
5 Geldigheidsduur uitgevoerd onderzoek Een bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar om gebruikt te worden als bewijsmiddel. Het gaat onder andere om onderzoeken volgens bijvoorbeeld de NEN 5740, de NEN 5707 en de NTA 5755[41]. Voorwaarde hierbij is dat na de uitvoering van het onderzoek geen bodembedreigende activiteiten op de locatie hebben plaatsgevonden. Als een onderzoek ouder is dan 5 jaar, moet de initiatiefnemer aan de OVIJ aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: • Of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; en • of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; én • qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; én • in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Ook moet een terreininspectie worden uitgevoerd. Het onderzoek moet uitgevoerd worden door een gecertificeerde instantie. Geadviseerd wordt de check op de bodemkwaliteit van de herkomst- en de toepassingslocatie uit te laten voeren door een certificeerde instantie.
Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het BRL 2000 – protocol 2001 met een ministeriële erkenning. Partijkeuringen Uitgangspunt is dat een partijkeuring niet ouder mag zijn dan 3 jaar. In specifieke gevallen kan een partijkeuring ouder dan 3 jaar worden gehanteerd. In alle gevallen beslist de OVIJ of het bewijsmiddel mag worden gebruikt. Het gaat om partijkeuringen die zijn uitgevoerd volgens bijvoorbeeld de BRL 1000- protocol 1001 en de BRL 9335 9335 – protocol 9335-1. Bij twijfel beslist de OVIJ of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. Het onderzoek moet uitgevoerd worden door een certificeerde instantie. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het BRL 2000 – protocol 2001 met een ministeriële erkenning.
58 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
6 Toezicht en handhaving 6.1
Betrokkenen bij grondwerkzaamheden
Bij toezicht en handhaving tijdens het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond op of in de bodem zijn verschillende 'spelers' betrokken. In tabel 8.1 staat een overzicht van de verantwoordelijkheden van de diverse betrokkenen. Naast de in tabel 8.1 betrokken 'spelers' zijn ook gespecialiseerde instellingen betrokken bij grondwerkzaamheden, waaronder adviesbureaus (partijkeuringen) en grondbanken (leverancier en/of toepasser van de grond). Tabel 6.1 Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen
Verantwoordelijkheden
Gemeente Voorst
Beschikbaar stellen van informatie over en het inzage geven in archieven
(Besluit bodemkwaliteit)
met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit.
OVIJ voor de gemeente Apeldoorn,
Beschikbaar stellen van informatie over en het inzage geven in archieven
Brummen en Epe
met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit.
(Besluit bodemkwaliteit) OVIJ voor de gemeenten
Indien noodzakelijk het voeren van vooroverleg met de initiatiefnemer.
(Besluit bodemkwaliteit)
Bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit: Toezicht en handhaving van de melding (administratief en in het veld). Uitvoeren taken waaronder het in ontvangst nemen, registreren, archiveren, beoordelen en toetsen van de melding voor het nuttig toepassen van grond.
Provincie Gelderland
Als gemeente en OVIJ, maar dan bij het nuttig toepassen van grond in Wet
(Besluit bodemkwaliteit)
milieubeheer-inrichtingen met provincie als vergunningverlener en ter plaatse van beschermingsgebieden.
Waterschap Vallei en Veluwe
Als gemeente en OVIJ, maar dan bij het nuttig toepassen of verspreiden
(Besluit bodemkwaliteit)
van grond/baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam.
Provincie Gelderland voor de
Toezicht en handhaving van gevallen van (vermoedelijk) ernstige
gemeenten
bodemverontreiniging en bij verplaatsen van verontreinigde grond op
(Wet bodembescherming)
grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming.
Leverancier (ontdoener) van de
Het afgeven van een bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te leveren
grond
grond en zorgen dat de (erkende) transporteur de doorslagen van de volledig ingevulde begeleidingsbrief krijgt. Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.
Transporteur
Tijdens het transport beschikken over een volledig ingevulde begeleidingsbrief met, indien noodzakelijk, een afvalstroomnummer. Overhandigen begeleidingsbrief op aanvraag van de handhaver (provincie, politie, gemeente). Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar. In overleg met de leverancier van de grond levert de transporteur van de grond het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te transporteren grond.
59 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
Betrokkenen
Verantwoordelijkheden
Partij die de grond toepast
Conform het Besluit bodemkwaliteit (laten) melden bij het centrale
(initiatiefnemer of een ieder die op
meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
een bepaald moment macht uit
Nagaan of vanuit andere wetgeving voorwaarden worden gesteld en deze
oefent). Dit kan ook een
navolgen.
gemeentelijke afdeling zijn.
In overleg met de leverancier van de grond levert de partij die de grond toepast het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de toe te passen grond.
Milieupolitie
Toezicht en handhaving (strafrechtelijk).
Inspectie Leefomgeving en
Het uitvoeren van de handhaving op de keten van grond voorafgaand aan
Transport
de aannemer, voor zover het gaat om activiteiten die onder Kwalibo vallen. Hierbij gaat het zowel om het toepassen van grond op of in de landbodem als het toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam.
6.2
Toezicht en handhaving
Het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente is voor haar eigen grondgebied in het kader van het Besluit verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de toepassing van grond op of in de bodem. De gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst hebben deze taken gemandateerd aan de OVIJ. Bij de tijdelijke opslag en de toepassingen van grond kan toezicht en handhaving plaatsvinden: • Door controle van de ingediende melding; • In het veld (tijdens het transport of bij de tijdelijke opslag of de toepassing); • Na de tijdelijke opslag of de toepassing. Bij toezicht en handhaving voor het Besluit maakt de OVIJ gebruik van de Handhavings Uitvoerings Methode Besluit bodemkwaliteit (HUM Bbk)[42]. Als de OVIJ constateert dat de regels van het Besluit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een dwangsom worden opgelegd. Bestuursdwang houdt in dat de initiatiefnemer of degene die het beheer van een (grootschalige) toepassing heeft overgenomen, een aanzegging krijgt bepaalde handelingen na te laten, dan wel bepaalde maatregelen te treffen binnen een bepaalde termijn. De OVIJ kan eventueel na de verstreken termijn op kosten van de initiatiefnemer deze handelingen laten verrichten.
Een dwangsom is een indirect dwangmiddel in de vorm van een geldboete die wordt opgelegd met het doel om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling te voorkomen. De strafrechtelijke handhaving van het Besluit en de Wet bodembescherming, wordt geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Als strafbare handelingen niet opzettelijk zijn uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding. Als zij opzettelijk zijn begaan, worden zij aangemerkt als misdrijven. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast. Daarnaast kunnen bepaalde categorieën buitengewone opsporingsambtenaren (BOA) de bevoegdheid hebben om overtredingen van het Besluit en de Wet bodembescherming op te sporen.
60 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
In het kader van het Besluit is voor toepassingen van grond op of in de bodem de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd gezag voor de keten van de producent tot en met de aannemer. Deze bevoegd-gezag-taken omvatten de activiteiten die onder de Kwalibo vallen. Ook is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd tot bestuurlijke handhaving van de aannemer die de grond toepast op of in de bodem. Overtredingen zoals afwijkingen van normdocumenten en werken zonder erkenning moeten worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport: https://www.ilent.nl/melden-en-vragen. De Inspectie Leefomgeving en Transport kan bij constatering van overtredingen dwangsommen opleggen, bedrijven schorsen of zelfs erkenningen intrekken.
61 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
7 Delegeren bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college 7.1
Inleiding
Deze nota bodembeheer is, conform artikel 44 van het Besluit, door de gemeenteraad van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst vastgesteld. Daarmee is het gebiedsspecifieke hergebruiksbeleid van kracht geworden. Bij het vaststelling van deze nota bodembeheer heeft de gemeenteraad ook de bodemkwaliteitskaart en de aangepaste bodemfunctieklassenkaart vastgesteld. Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de gemeenteraad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid. De gemeenteraad heeft besloten om deze bij haar rustende bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders over te dragen (artikel 156 Gemeentewet). In de onderstaande paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden de gemeenteraad bevoegdheden naar het college van burgemeester en wethouders heeft overgedragen. 7.2
Tussentijds aanpassen van bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaart
Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifieke beleid zoals in deze nota bodembeheer vastgelegd, is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaart. De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel/gebied en heeft effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. (zie kaartbijlage 1). Op de toepassingskaart wordt vastgelegd aan welke kwaliteitsklasse de toe te passen grond moet voldoen. De vaststelling van deze kaarten is bij het zogenoemde gebiedsspecifieke kader van het Besluit een bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad besluit haar bevoegdheid tot het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten, zoals opgenomen in deze nota bodembeheer, aan het college van burgemeester en wethouders te delegeren. Dit is alleen aan de orde na het vaststellen van een formele wijziging van de bestemming van een gebied door de gemeenteraad c.q. het vaststellen van een wijziging van een bestemmingsplan.
62 / 66 – Nota bodembeheer gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst – Documentnummer: SOB005100.RAP003
7.3 7.3.1
Uitgesloten locaties en gebieden Uitgesloten locaties en gebieden
Een aantal locaties en gebieden zijn nu uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie § 2.1) omdat deze locaties en gebieden onder een ander bevoegd gezag vallen, of door een andere organisatie worden beheerd en/of dat te weinig bodemgegevens beschikbaar zijn om een goede uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit. Als in de looptijd van de bodemkwaliteitskaart alsnog voldoende gegevens beschikbaar komen om deze gebieden te zoneren, delegeert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders deze gebieden desgewenst toe te voegen aan bodemkwaliteitskaart en het bodembeheergebied. Voorwaarde hierbij is dat de indeling van de bodemkwaliteitszones niet wijzigt. 7.3.2
Resultaten bodemonderzoek op een voor bodemverontreiniging verdachte locatie
Van voor bodemverontreiniging verdachte locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. In de situatie dat er op een verdachte locatie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 is uitgevoerd, delegeert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders de verdachte locatie toe te voegen aan de bodemkwaliteitskaart en de omliggende bodemkwaliteitszone als de resultaten van het bodemonderzoek aangeven dat de grond voldoet aan de gebiedseigen kwaliteit. De gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als de 90-percentielwaarde in het stedelijke gebied in de gemeente Apeldoorn (uitgezonderd PFAS-verbindingen waarvoor de 80-percentielwaarden gelden) en de 80-percentielwaarde van de overige gebieden in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst. Daarna kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op de locatie, mét het uitgevoerde bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel. 7.4