CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

354638 Evaluatie minimabeleid

Gemeenteraad 11 november 2021, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken9.529 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Samenvatting en verbetervoorstellen op basis van de evaluatie van het minimabeleid De gemeente Epe kent diverse regelingen voor minima. Het belangrijkste doel van deze minimaregelingen is er voor te zorgen dat mensen met een laag inkomen mee kunnen doen in de samenleving: dus het tegengaan van sociale armoede. Dat geldt zowel voor volwassenen als kinderen. Tegelijkertijd kan een goed bereik van het minimabeleid ook mensen helpen om hun schulden te verminderen/stabiliseren. De meeste minimaregelingen richten zich in Epe op huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum, zoals vastgelegd in de Participatiewet. De doelgroep van het minimabeleid bestaat niet alleen uit mensen met een uitkering van de gemeente. Ook werkenden met een laag inkomen behoren tot de doelgroep van het minimabeleid in de gemeente Epe. Evaluatie van het minimabeleid We hebben het lokale minimabeleid op twee verschillende manieren geëvalueerd. Ten eerste hebben we het gebruik van de diverse regelingen afgezet tegen de omvang van de doelgroep, om te zien welke regelingen vaak of juist minder vaak worden gebruikt. In de notitie ‘Evaluatie gebruik van minimaregelingen in de gemeente Epe’, staan de resultaten. In deze notitie gaan we ook in op landelijke wijzigingen in de betreffende regelingen en op lokale inhoudelijke aandachtspunten. De notitie is te vinden als bijlage bij dit stuk (bijlage 1).

Verder heeft het Nibud in opdracht van de gemeente een minima-effectrapportage opgesteld. Deze rapportage geeft een beeld van de balans tussen inkomsten en uitgaven van een aantal huishoudtypes, op basis van landelijke en gemeentelijke maatregelen voor inwoners met lage inkomens. We hebben de conclusies en aanbevelingen van deze analyse in het kort weergegeven in de bijgevoegde rapportage (bijlage 2). Voorstellen voor verbetering Op basis van deze twee rapporten (onze eigen gemeentelijke evaluatie en de minima/effectrapportage van het Nibud) hebben we een aantal voorstellen uitgewerkt voor verbeteringen in het beleid en de uitvoering van het minimabeleid. Deze voorstellen staan hieronder beschreven. 1. Verbeter de communicatie over het minimabeleid, om hiermee het bereik te vergroten. Het gebruik van de regelingen voor minima willen we verbeteren door een plan van aanpak op te laten stellen en uitvoeren door de afdeling communicatie. Vervolgens willen we inwoners op basis van dit plan van aanpak via een vast tijdpad informeren over de verschillende onderdelen van het minimabeleid. De minimaregelingen zijn met name bedoeld om het beter mogelijk te maken voor inwoners met een laag inkomen om sociaal te participeren. Toch maakt lang niet iedereen die hiervoor in aanmerking komt, gebruik van de regelingen.

Dit komt door de onbekendheid met de regelingen en soms ook door schaamte om van de regelingen gebruik te maken. Om dit te doorbreken is meer voorlichting nodig over het minimabeleid, op basis van een planmatige aanpak. Hierin worden inwoners ook gewezen op de mogelijkheid van het formulierenteam van Koppel-Swoe, dat inwoners kan ondersteunen bij het doen van een aanvraag. Verder willen we meer gebruik gaan maken van rolmodellen: mensen die al gebruik maken van het minimabeleid. Dit kan helpen om schaamte bij inwoners, waardoor zij geen gebruik maken van deze regelingen, te verminderen. We willen vaste momenten in het jaar afspreken waarbij bepaalde regelingen onder de aandacht worden gebracht. Het eenmalig organiseren van een voorlichtingscampagne is immers niet voldoende. We streven naar vaste jaarlijkse momenten waarop informatie over bepaalde regelingen extra over het voetlicht worden gebracht. Denk aan informatie over de mogelijkheden voor kinderen 1

bij de Stichting Leergeld vlak voor en na de zomervakantie en informatie over de compensatie van het eigen risico van de zorgverzekering in november en december. 2. Monitor het gebruik van de minimaregelingen periodiek We willen met behulp van meer voorlichting het gebruik van de regelingen te stimuleren. We willen het effect hiervan monitoren door elke 2 jaar, op identieke wijze als nu is gebeurd, het gebruik van de regelingen in kaart te brengen met behulp van CBS-cijfers. Op basis daarvan kunnen we tijdig bijsturen als voorlichting onvoldoende effect zou blijken te hebben. 3.

Indexeer het bedrag van de Meedoenregeling elke 3 jaar

We willen voortaan de nationale consumentenprijsindex gaan toepassen op de Meedoenregeling omdat de prijzen van sociale, sportieve, maatschappelijke of culturele activiteiten ook jaarlijks stijgen. Vanaf basisjaar 2015 tot en met 2020 is de stijging op basis van de consumentenprijsindex 7,51% geweest. Dit komt voor het bedrag van 75 euro neer op een stijging naar 80,63 euro. Dit bedrag ronden we voor het gemak naar beneden af naar 80 euro. Een dergelijke verhoging voeren we in gedurende 2022. Een dergelijke indexering voeren we voortaan eens in de 3 jaar uit, omdat de prijsstijging op jaarbasis erg klein is en de verordening anders jaarlijks moet worden aangepast. Voor de verhoging van het bedrag en het opnemen van de driejaarlijkse indexering, moet de raad een eerst een nieuwe versie vaststellen van de verordening Meedoenregeling en schoolfonds gemeente Epe. 4. Verhoog het bedrag voor het schoolfonds voor middelbare scholieren omdat juist kinderen in de middelbare schoolleeftijd hogere schoolkosten met zich mee brengen. Uit de Nibud-minimaeffectrapportage blijkt dat juist paren met oudere kinderen (Nibud heeft gerekend met kinderen van 14 en 16 jaar) die van een laag inkomen moeten rondkomen, financieel het meest kwetsbaar zijn. Het rijk laat eens in de 3 jaar een landelijke schoolkostenmonitor uitvoeren.

In de meest recente monitor (2018/2019) gaven ouders van leerlingen in het primair onderwijs aan dat zij gemiddeld € 122 per jaar besteden. Ouders van vo-leerlingen rapporteerden toen de volgende gemiddelde schoolkosten: € 456 voor vmbo, € 550 voor havo en € 578 voor vwo. De gemeente Epe hanteert op dit moment een bijdrage in de schoolkosten van € 100,- aan ouders van kinderen op het basisonderwijs en een bijdrage van €150,- voor kinderen op het voortgezet onderwijs. Het bedrag voor kinderen op de basisonderwijs wijkt slechts beperkt af van de werkelijke kosten. Het bedrag voor kinderen op het voortgezet onderwijs wijkt echter flink af van de daadwerkelijke kosten. Daarom is het voorstel dit bedrag te verhogen naar € 250,- op jaarbasis. Deze bijdrage is met name bedoeld voor additionele, maar verplichte zaken. Denk aan een grafische rekenmachine of gebruik van een kluisje. Om deze verhoging een juridische basis te geven, moet de raad eerst een nieuwe versie vaststellen van de verordening Meedoenregeling en schoolfonds gemeente Epe. 5. Verleng de vrijstelling van het Wmo-abonnementstarief voor minima in 2022 en bezie of het mogelijk is vanaf 2023 opnieuw een gemeentepolis af te sluiten. De gemeente Epe bood een aantal jaren in samenwerking met Menzis een collectieve zorgverzekering (gemeentepolis) aan voor inwoners met een laag inkomen.

Doel van deze collectieve zorgverzekering was dat mensen met een laag inkomen en hoge zorgkosten zich goed konden verzekeren. Hiermee werd voorkomen dat deze doelgroep door hoge zorgkosten schuldenproblematiek opbouwen. Menzis heeft echter de samenwerking met de gemeente 2

opgezegd per 1 januari 2020. De gemeente heeft, ondanks een zorgvuldig en intensief traject om te komen tot een vervangende aanbieder voor een collectieve zorgverzekering, eind 2019 nog geen zorgverzekeraar kunnen vinden die in de gemeente Epe een aanbod wil realiseren. Daarom zijn als alternatief de volgende regelingen gestart met ingang van 2020: 1. De gemeente compenseert inwoners van Epe met een laag inkomen gedeeltelijk in het verbruikte verplichte eigen risico van de zorgverzekering. 2. De start van een pilot waarbij inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum geen Wmo-abonnementstarief hoeven te betalen voor een Wmo-voorziening. Beide regelingen hebben mede tot doel om te voorkomen dat mensen met een laag inkomen zorg gaan mijden. Verder is er ook een online vergelijkingstool van zorgverzekeringen beschikbaar gesteld voor alle inwoners van Epe om hun zorgverzekering zo goed mogelijk af te stemmen op de zorg die ze echt nodig hebben. Het CAK voert de minimaregeling voor de vrijstelling van het Wmo-abonnementstarief uit en gebruikt hiervoor inkomensgegevens die zij ontvangen van de Belastingdienst. Inmiddels heeft de gemeente een rapportage over het Wmo-abonnementstarief ontvangen van het CAK waaruit blijkt dat het aantal inwoners dat in het kader van het minimabeleid deze vrijstelling ontvangt in september 2021 470 is.

Het Wmo-abonnementstarief betreft een bedrag van 19 euro per maand, dus per inwoner een bedrag van € 228,- per jaar. In totaal kost deze regeling dus zo’n € 107.000,- op jaarbasis. Dit is ruim drie keer zo veel als vooraf ingeschat. Uit landelijke cijfers blijkt overigens dat lagere inkomensgroepen relatief vaak gebruik maken van maatwerkvoorzieningen Wmo. Echter, het aanbieden van een collectieve zorgverzekering (gemeentepolis) aan mensen met een laag inkomen, blijft de voorkeur hebben qua beleid. Inmiddels is er een nieuwe situatie ontstaan: sinds 2021 is er een nieuwe aanbieder van de gemeentepolis gekomen: Avitae. De eerste gemeenten die deze polis hebben afgesloten zijn Lochem en Zutphen, maar de komende jaren wil deze zorgaanbieder in meer gemeenten een gemeentepolis aanbieden. Het vereist echter een flinke voorbereidingstijd om tot afspraken te komen. Daarom stellen wij voor om de huidige regeling van de vrijstelling van het Wmo-abonnementstarief nog te verlengen tot en met eind 2022 en gedurende 2022 in overleg met een nieuw college te komen tot een nieuwe gemeentepolis. 6. Voer gerichte acties uit onder minima met als doel energiebesparing.

Energiebesparing levert immers geld op voor minima en past binnen het gemeentelijk energiebeleid Eén van de aanbevelingen uit de minima-effectrapportage van het Nibud is om minima te ondersteunen bij het verlagen van hun energielasten. Het is te verwachten dat de energielasten de komende jaren een groter deel van de woonlasten en daarmee van de totale begroting van minima gaan innemen. Bovendien blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen, waardoor ze ook een hoger verbruik dan gemiddeld hebben. Ook de toekomstige energietransitie zal de nodige kosten met zich meebrengen. In elk geval gaan er cadeaubonnen voor energiebesparing worden verspreid onder de inwoners met een laag inkomen in Epe, waarmee mensen energiebesparende spullen kunnen kopen bij een webshop en/of de lokale bouwmarkt. De Beleidsontwikkelaars Duurzaamheid en Klimaataanpak werken verdere concrete plannen op dit vlak uit en voeren deze uit vanaf het najaar van 2021. Budget hiervoor komt niet uit het minimabeleid, maar uit de Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW).

3

7. Stel voor aan de raad om gebruik te gaan maken van de mogelijkheid om voor bepaalde groepen de vermogensnorm voor de kwijtschelding van belastingen op te hogen. Het is immers verstandig dat mensen met een klein inkomen een financiële buffer hebben om een plotselinge tegenvaller te kunnen opvangen. Op basis van de motie Krol heeft het kabinet besloten voor de groep AOW-gerechtigden en volledig arbeidsongeschikten per 1 januari 2022 de mogelijkheid te creëren voor gemeenten en waterschappen om de vermogensnorm met maximaal € 2.000 op te hogen. Hiertoe zullen de landelijke Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke- en waterschapsbelastingen worden aangepast. Omdat het verstandig is dat mensen met een klein inkomen een financiële buffer hebben om plotselinge tegenvallers qua uitgaven te kunnen opvangen, is het zinvol om gebruik te gaan maken van deze ruimere mogelijkheid. De ophoging van de vermogensnorm voor deze groepen zal worden verwerkt in de lokale kwijtscheldingsregeling, die samen met de belastingvoorstellen zal worden aangeboden aan de raad. 8. Verhoog de individuele studietoeslag voor studenten met een beperking, zodat die studietoeslag een vergelijkbare hoogte heeft als bij de studieregeling in de Wajong2010 Het mag in de toekomst voor de hoogte van de studietoeslag voor studenten met een beperking niet langer meer uitmaken in welke gemeente je woont.

Dat had het rijk in 2019 besloten naar aanleiding van het Inspectie SZW rapport ‘Evaluatie individuele studietoeslag in de Participatiewet’ en de motie Raemakers (D66). Uitgangspunt zou worden: een landelijke harmonisatie van het normbedrag van circa 300 euro per maand. Dit is een vergelijkbare hoogte als bij de studieregeling in de Wajong2010 en is ook in lijn met de motie Raemakers. Uit de landelijke evaluatie bleek dat de bedragen per gemeente flink verschillen en het rijk wil deze bedragen landelijk gaan harmoniseren. Ook in onze regio zijn er grote verschillen. In Epe geldt een bedrag van bruto € 1000 per studiejaar, terwijl Apeldoorn een bedrag hanteert van 3420,- bruto per jaar. Gemeenten mochten vast vooruitlopen op deze wetswijziging die oorspronkelijk per 1 januari 2021 in zou gaan als onderdeel van de wijziging van de Participatiewet Uitvoeren Breed Offensief. Inmiddels heeft het demissionaire kabinet echter het wetsvoorstel Breed Offensief controversieel verklaard en is de wetsbehandeling tot nader order uitgesteld. Omdat het logisch is om de hoogte van deze studietoeslag op een vergelijkbare hoogte te stellen als bij de studieregeling in de Wajong2010 stellen we voor om per 1 september 2022 (met ingang van het nieuwe studiejaar) de individuele studietoeslag op te hogen naar €3600,- bruto per jaar voor studerenden van 21 jaar of ouder.

Voor jongeren van 18, 19 en 20 jaar gaan iets lagere aangepaste bedragen gelden, gebaseerd op het minimumjeugdloon. Met deze aanpassing lopen we vooruit op het wetsvoorstel Breed Offensief. Om deze verhoging een juridische basis te geven, moet de raad eerst een nieuwe versie vaststellen van de verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ.

4

Bijlage 1: Evaluatie gebruik van minimaregelingen in de gemeente Epe Oktober 2021 De gemeente ondersteunt huishoudens met een minimuminkomen door middel van het minimabeleid. De doelgroep van het minimabeleid bestaat niet alleen uit mensen met een uitkering. Ook werkenden met een laag inkomen behoren tot deze doelgroep. Doel minimabeleid De gemeente Epe kent diverse regelingen en voorzieningen voor minima, in totaal zijn er het tien. Het belangrijkste doel van deze minimaregelingen is er voor te zorgen dat mensen met een laag inkomen mee kunnen doen in de samenleving. Dat geldt zowel voor volwassenen als voor kinderen. Tegelijkertijd kan een goed bereik van het minimabeleid ook mensen helpen om schulden te voorkomen of te verminderen/stabiliseren. 1. Overzicht van de regelingen en doelgroepen Hieronder staan alle regelingen en voorzieningen genoemd. Per regeling/voorziening geven we een korte omschrijving van de doelgroep en geven we aan welke organisatie de regeling uitvoert. Regeling Bijzondere bijstand (BB)

Individuele inkomenstoeslag

Doelgroep Bijzondere bijstand is bedoeld voor bijzondere noodzakelijke kosten die niet via een andere regeling vergoed worden, bijvoorbeeld kosten in verband met ziekte, een verhuizing of echtscheiding. Het inkomen tot 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm wordt niet als draagkracht aangemerkt. Mensen die al 3 jaar of langer een laag inkomen hebben (niet meer dan 100% van de bijstandsnorm), kunnen jaarlijks deze toeslag krijgen.

Uitgevoerd door Gemeente Apeldoorn

Gemeente Apeldoorn

De individuele inkomenstoeslag bedraagt op dit moment per jaar voor: a. gehuwden: € 486,b. een alleenstaande ouder: € 436,c. een alleenstaande: € 341,-

5

Kwijtschelding lokale belastingen

Kwijtschelding kan worden aangevraagd voor de rioolheffing en het vaste deel van de afvalstoffenheffing. Voor het variabele deel van de afvalstoffenheffing is kwijtschelding mogelijk tot een bedrag van 63,72 euro.

Tribuut

Individuele studietoeslag

Doelgroep = Mensen met beperking die studeren:

Gemeente Apeldoorn

De hoogte van de studietoeslag is € 1000,- per studiejaar. compensatie eigen risico zorgverzekering

Meedoenregeling

Schoolfonds

Kindpakket Leergeld

Vrijstelling Wmo abonnementstarief voor minima Voedselbank

1

6

Voor huishoudens met een inkomen van maximaal 120 procent van de geldende bijstandsnorm, is een jaarlijkse tegemoetkoming aan te vragen van 50 procent van het verbruikte wettelijke eigen risico met een maximum van 192,50 euro per kalenderjaar. De Meedoenregeling is een bijdrage van 75 euro per kalenderjaar per persoon (waarbij kinderen van 4 t/m 17 jaar deze ook krijgen), bedoeld voor huishoudens met een inkomen van maximaal 120% van de geldende bijstandsnorm. Het bedrag kan besteed worden aan sociale, sportieve, maatschappelijke of culturele activiteiten Het Schoolfonds is bedoeld voor huishoudens met schoolgaande kinderen en een inkomen dat niet hoger is dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor kinderen op het basisonderwijs is deze bijdrage 100 euro per schooljaar en voor kinderen op het voortgezet onderwijs is dit 150 euro per schooljaar. Ouders of verzorgers met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm kunnen bij de Stichting Leergeld Noord Veluwe een aanvraag indienen om hun kind(eren) mee te laten doen. Meedoen kan in principe op vier verschillende gebieden: onderwijs, cultuur, sport of welzijn. Het college stelt personen met een laag inkomen (tot 120% van het sociaal minimum) vrij van de kosten voor het Wmo-abonnementstarief (van €19,euro per persoon per maand). Dit bedrag wordt volledig kwijtgescholden.

De Voedselbank Vaassen Epe Heerde & omgeving, verstrekt voedselpakketten aan mensen met een laag netto inkomen1.

Voor deze inkomensnormen, zie https://voedselbankvaassen.nl/clienten/

Gemeente Apeldoorn

Gemeente Epe

Gemeente Epe

Stichting Leergeld Noord Veluwe

Gemeente Epe

Voedselbank Vaassen, Epe, Heerde & Omgeving (inkomenstoets wordt uitgevoerd door de gemeente Epe)

2. Armoede in Epe in kaart: aantal huishoudens en personen De meeste minimaregelingen richten zich in Epe op huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum. Daarom is het interessant om te weten hoe groot deze groep in Epe is. De cijfers van het CBS geven hier inzage in, maar zijn enigszins grofmazig omdat ze worden afgerond en de cijfers lopen vaak een paar jaar achter. De meest recente cijfers zijn uit 2019. Toch bieden deze een referentiepunt om in te schatten welk percentage van de minima bereikt wordt per regeling. Aantal huishoudens in Epe met een laag inkomen In Epe hadden in 2019 in totaal 2400 personen uit 1500 huishoudens minimaal 1 jaar een inkomen tot 120% van het sociaal minimum (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020). In totaal is dit 10,7% van de particuliere huishoudens. Dit percentage ligt lager dan het gemiddelde voor Nederland (13,2%) en ook lager dan buurgemeente Apeldoorn (12,3%). Het aantal minima in Epe is fors lager als je als criterium een lagere inkomensgrens neemt. Als je 101%2 van het sociaal minimum als maatstaf neemt, betrof het volgens de CBS gegevens in 2019 in totaal 1100 personen uit 600 huishoudens en 200 kinderen Dat is dus minder dan de helft van het aantal huishoudens en personen tot de 120% grens. Blijkbaar bevindt een aanzienlijke groep zich tussen de 101% en de 120% van het sociaal minimum.

Verder kunnen we uit de CBS-gegevens halen hoeveel huishoudens en personen er in 2019 al 4 jaar of langer een inkomen hebben tot 101% van het sociaal minimum. Dit betreft zo’n 400-449 personen uit 200- 249 huishoudens. Aantal bijstandsuitkeringen Het aantal bijstandsuitkeringen was ultimo 2019: 432 en in december 2019 betrof het 439 huishoudens met een bijstandsuitkering. Het grootste deel van deze uitkeringen heeft betrekking op een huishouden van een alleenstaande (64%), gevolgd door 21% gehuwden/samenwonenden (met of zonder kinderen) en 15% was alleenstaande ouder. Eind 2020 was het aantal bijstandsuitkeringen iets gedaald naar 418 en juni 2021 betrof het 412 huishoudens met een bijstandsuitkering. Hierbij zijn de Tozo-uitkeringen buiten beschouwing gelaten. Van de in totaal 1500 huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum in Epe, heeft dus iets minder dan een derde een bijstandsuitkering. Dat betekent dat er relatief veel mensen zijn met een ander type uitkering op minimumniveau of die werken tegen een loon/inkomen op minimumniveau.

2

Voor huishoudens met kinderen zijn de kinderbijslag en het kindgebonden budget aan het normbedrag voor het sociaal minimum toegevoegd. Het besteedbaar inkomen van huishoudens die uitsluitend op een bijstandsuitkering zijn aangewezen, wijkt in veel gevallen in geringe mate af van de vastgestelde normbedragen. Zouden de normbedragen als inkomensgrens worden gehanteerd, dan valt een deel van deze huishoudens met hun inkomen net boven het sociale minimum. Daarom hanteert het CBS niet 100%, maar een hoger percentage van het sociaal minimum als inkomensgrens: 101% of hoger.

7

3. Het gebruik per minimaregeling Hieronder staat het gebruik van alle regelingen in 2019 en 2020 in grafiekvorm weergegeven. Sommige regelingen zijn pas in 2020 gestart, waardoor er geen gegevens over 2019 zijn opgenomen. Sommige regelingen worden door een persoon aangevraagd en andere regelingen door een huishouden. In bijlage A staat welke situatie van toepassing is op welke regeling. Voor alle regelingen geldt dat het aantal toekenningen in 2020 iets hoger lag dan het aantal in 2019, hoewel de verschillen meestal niet zo groot zijn. De grootste stijging is te zien bij de Meedoenregeling. Verder is bij Leergeld het aantal kinderen wel gestegen, maar zijn er in totaal in 2020 minder verstrekkingen geweest dan in 2019. Overigens is het bedrag van 75 euro in de Meedoenregeling al een aantal jaren niet geïndexeerd. Figuur 1: Gebruik in aantallen per regeling in 2019 en 2020

Bereik van de regelingen op 120% van het sociaal minimum Per regeling verschilt de gehanteerde inkomensgrens en bij een aantal regelingen geldt ook een vermogensgrens3. We zetten hieronder het gebruik per regeling in 2019 af tegen de inkomensgrens die van toepassing is op de betreffende regeling. Daarbij starten we met de regelingen waarvoor de 120% grens geldt. Een inschatting van het maximale bereik per regeling hebben we bepaald op basis 3

Deze vermogensgrens is gebaseerd op artikel 34 uit de Participatiewet.

8

van CBS-gegevens over het aantal huishoudens en personen (volwassenen en kinderen) in de gemeente Epe op de betreffende inkomensgrens van 120% van het sociaal minimum (zie de tabellen in bijlage B voor de maximale aantallen). Deze CBS-gegevens zijn uit 2019. Vandaar dat we ook gekeken hebben naar het gebruik van de regelingen in 2019. Zoals te zien is in de grafiek hieronder, was het bereik van het kindpakket van Leergeld met 50% van de doelgroep het grootste. Het bereik van de regeling ‘compensatie van het wettelijke eigen risico voor de zorg’ was in 2020 het kleinste, met slechts 14% gebruik. Vooral deze regeling lijkt dus niet zo bekend te zijn en moet dus extra onder de aandacht worden gebracht. Figuur 2: Bereik in 2019 van de regelingen met een inkomensgrens van 120% van het sociaal minimum

Noot. Maximaal bereik is gebaseerd op cijfers van Centraal Bureau voor de Statistiek. Het rijk laat eens in de 3 jaar een landelijke schoolkostenmonitor uitvoeren. In de meest recente monitor (2018/2019) gaven ouders van leerlingen in het primair onderwijs aan dat zij gemiddeld € 122 per jaar besteden. Ouders van vo-leerlingen rapporteerden toen de volgende gemiddelde schoolkosten: € 456 voor vmbo, € 550 voor havo en € 578 voor vwo. Bereik van de regelingen met andere criteria Er zijn vijf regelingen die andere criteria hanteren dan de 120% grens of waarbij sprake is van een specifieke doelgroep. Van drie van deze regelingen konden we het bereik inschatten: van de individuele inkomenstoeslag, de vrijstelling van het Wmo-abonnementstarief en van de (gedeeltelijke) kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen. De resultaten zijn weergegeven in de onderstaande grafiek. 9

Figuur 3: Bereik regelingen met andere criteria in 2019

Bereik (% van maximaal bereik) regelingen met andere criteria in 2019

98%

100%

79%

Individuele inkomenstoeslag

Vrijstelling wmo abonnementstarief (gedeeltelijke) Vrijstelling lokale lasten

Noot. Maximaal bereik is gebaseerd op cijfers van Centraal Bureau voor de Statistiek. Bereik individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor mensen die al 3 jaar of langer een laag inkomen hebben (niet meer dan 100% van de bijstandsnorm). Uit de CBS gegevens kunnen we alleen halen hoeveel huishoudens en personen er in 2019 al 4 jaar of langer een inkomen hadden tot 101% van het sociaal minimum. Dit betrof zo’n 400-449 personen uit 200- 249 huishoudens. In praktijk zullen er dus iets meer huishoudens zijn geweest die in 2019 die mogelijk recht hadden op deze toeslag in 2019, dus het percentage van 98% is een schatting van het bereik. Waarschijnlijk ligt het bereik in praktijk ietsjes lager, maar het zeker een regeling die goed bekend is. Bereik vrijstelling Wmo abonnementstarief Iedereen die het Wmo-abonnementstarief zou moeten betalen op basis van het eigen Wmo-gebruik, krijgt hiervoor van het CAK de factuur. De gemeente geeft periodiek aan het CAK door bij welke inkomensgrenzen mensen zijn vrijgesteld op basis van ons minimabeleid. Epe hanteert hierbij de grens van 120% van het sociaal minimum. Het CAK hanteert deze inkomensgrenzen op basis van inkomstengegevens die zij krijgen van de Belastingdienst en stuurt deze mensen geen factuur voor het abonnementstarief.

Daarom bereiken we met deze regeling automatisch alle mensen met een Wmo-voorziening die hier op basis van hun inkomen recht op hebben. Het betreft in praktijk in 2021 zo’n 470 personen. Dat is zo’n 40% van het aantal Wmo-klanten en is vrij hoog. Dit betreft gegevens die we van het CAK krijgen aangeleverd4.

4

Zie Rapport Wmo abonnementstarief.

10

De vrijstelling betreft een bedrag van 19 euro per maand, dus per inwoner een bedrag van € 228,-. In totaal dus zo’n € 107.000,-. Dit is dus ruim drie keer zo veel als vooraf ingeschat. Uit landelijke cijfers blijkt overigens dat lagere inkomensgroepen relatief vaak gebruik maken van maatwerkvoorzieningen Wmo. Een alternatief voor de vrijstelling voor minima, is het onderbrengen van de kosten voor de eigen bijdrage in een collectieve zorgverzekering vanuit de gemeente (gemeentepolis). De gemeente Epe bood jaren in samenwerking met Menzis een collectieve zorgverzekering aan voor inwoners met een laag inkomen. Het doel van deze collectieve zorgverzekering is dat inwoners met een laag inkomen en hoge zorgkosten zich goed verzekeren. Hiermee wordt voorkomen dat deze doelgroep door hoge zorgkosten schuldenproblematiek opbouwen. Menzis heeft echter de samenwerking opgezegd per 1 januari 2020. De gemeente heeft, ondanks een zorgvuldig en intensief traject om te komen tot een vervangende aanbieder voor een collectieve zorgverzekering, eind 2019 geen zorgverzekeraar kunnen vinden die in de gemeente Epe een aanbod wil realiseren. Inmiddels is er sinds 2021 echter een nieuwe aanbieder van de gemeentepolis gekomen: Avitae. De eerste gemeenten die deze polis hebben afgesloten zijn Lochem en Zutphen, maar de komende jaren wil deze zorgaanbieder in meer gemeenten een Gemeentepolis aanbieden.

Bereik gedeeltelijke kwijtschelding gemeentelijke belastingen Het bereik van de regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen is met 79% vrij goed te noemen. Op rijksniveau is onlangs een wijziging aangekondigd in de landelijk geldende Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke- en waterschapsbelastingen naar aanleiding van de tweede Motie Krol. Het kabinet heeft naar aanleiding van deze motie besloten voor de groep AOW-gerechtigden en volledig arbeidsongeschikten per 1 januari 2022 de mogelijkheid te creëren voor gemeenten en waterschappen om de vermogensnorm met maximaal € 2.000 op te hogen. Hiertoe zullen op landelijk niveau de Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke- en waterschapsbelastingen worden aangepast. Bereik individuele studietoeslag en voedselbank niet vast te stellen Er zijn twee regelingen waarvan we het bereik niet goed kunnen vaststellen of schatten. Dat is het bereik van de individuele studietoeslag en van de voedselbank. Bereik Individuele studietoeslag De individuele studietoeslag is niet in de bovenstaande grafieken opgenomen. Deze regeling heeft betrekking op een hele specifieke groep, namelijk mensen met een beperking die gaan studeren. We weten niet bij hoeveel inwoners van Epe dit het geval is en kunnen daarom niet nagaan welk percentage van deze doelgroep we bereiken met deze regeling.

In totaal hebben 15 mensen in 2020 gebruik gemaakt van deze regeling. Overigens gaat er een landelijke wijziging plaatsvinden in de individuele studietoeslag. Het mag in de toekomst voor de hoogte van de studietoeslag voor studenten met een beperking niet langer meer uitmaken in welke gemeente je woont. Dat had het rijk in 2019 besloten naar aanleiding van het Inspectie SZW rapport ‘Evaluatie individuele studietoeslag in de Participatiewet’ en de motie Raemakers (D66). Uitgangspunt zou worden: een landelijke harmonisatie van het normbedrag van circa 300 euro per maand. Dit is een vergelijkbare hoogte als bij de studieregeling in de Wajong2010 en is ook in lijn met de motie Raemakers. Uit de landelijke evaluatie bleek dat de bedragen per gemeente flink verschillen en het rijk wil deze bedragen landelijk gaan harmoniseren. Ook in onze regio zijn er grote verschillen. In Epe geldt een bedrag van bruto € 1000 per studiejaar, terwijl Apeldoorn een bedrag hanteert van 3420,- bruto per jaar. Gemeenten mochten vast vooruitlopen op deze wetswijziging die oorspronkelijk per 1 januari 2021 in zou gaan als onderdeel van de wijziging van de Participatiewet Uitvoeren Breed Offensief. Inmiddels heeft het demissionaire kabinet echter 11

het wetsvoorstel Breed Offensief controversieel verklaard en is de wetsbehandeling tot nader order uitgesteld. Bereik Voedselbank De inkomenseisen om in aanmerking te komen voor hulp van de Voedselbank zijn gebaseerd op landelijke normen van Voedselbanken Nederland. Dit betreft de onderstaande criteria, waarbij het inkomen dat netto overblijft om te besteden aan voedsel en kleding na aftrek van alle vaste lasten, gelijk aan of kleiner moet zijn dan: • Eén persoon: 230 Euro • Echtpaar/samenwonend: 325 Euro • Per kind: 95 Euro De gemeente toetst of dit het geval is bij mensen die gebruik maken van de Voedselbank. Deze normen zijn echter niet te vergelijken met CBS-gegevens, waardoor we geen zicht hebben op de totale omvang van de doelgroep in Epe die op basis van deze criteria gebruik zou mogen maken van de Voedselbank. In praktijk maakten in 2020 in totaal 31 huishoudens gebruik van de Voedselbank.

12

Bijlagen bij Evaluatie gebruik van minimaregelingen in de gemeente Epe, Oktober 2021 Bijlage A: Overzicht type vergoedingen en maximale bedragen Leergeld Noord Veluwe in 2021 Type vergoeding

Sport: Contributie van sportclub Cultuur: Kosten van culturele cursus/activiteiten, bijvoorbeeld muziekles of balletles, of creatieve cursussen zoals schilderen, toneelspelen of pottenbakken. Zwemles Onderwijs: bijvoorbeeld ouderbijdrage, schoolreisje, schoolkamp of excursie Aanschaf fiets Aanschaf computer/laptop Overige welzijn, bijvoorbeeld deelname aan scouting, welke andere voorbeelden?

Is er een maximaal bedrag dat wordt vergoed of altijd 100% van de kosten ? Zo ja, welk maximaal bedrag geldt? € 350,00 per jaar/seizoen € 350,00 per jaar

€ 600,00 voor behalen diploma A € 100,00 per kind per jaar Voor schoolreizen/kampen vergoeden wij 1-malig per schoolperiode per kind (voortgezet onderwijs) max € 500,00 via NFK € 150,00 € 279,00 (dit zijn de kosten van “onze “laptops) Contributie voor scouting is € 350,00, voor kleding/sportkleding € 75,00 voor sportkampen/weekend vergoeden wij € 75,00 p/jaar

Bijlage B: Bronnenlijst en Tabellen waarop de grafieken in de evaluatie zijn gebaseerd. Bronnen: Centraal Bureau voor de Statistiek. (2020, 2 december). Laag en langdurig laag inkomen; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2020) [Dataset]. Geraadpleegd van https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/84868NED/table?dl=55AA5 Centraal Bureau voor de Statistiek. (z.d.). Dashboard armoede thuiswonende kinderen [Dataset]. Geraadpleegd van https://dashboards.cbs.nl/v2/armoedethuiswonendekinderen/

13

Tabellen met meer achtergrondinformatie Tabel 1. Gebruik per regeling in 2019 en 2020 met aangegeven of het gaat om huishoudens of personen

Regeling Bijzondere bijstand Meedoenregeling Vrijstelling wmo abonnementstarief (gedeeltelijke) kwijtschelding gemeentelijke belastingen Individuele inkomenstoeslag Kindpakket Leergeld compensatie eigen risico zorg Schoolfonds individuele studietoeslag Voedselbank

Jaar 2019 2019 2019 2019

Aantal 2019 Jaar Aantal 2020 709 2020 743 438 2020 541 nvt 2020 500 472 244 227 nvt 169 16 35

2019 2019 2019 2019 2019 2019

2020 2020 2020 2020 2020 2020 2020

492 282 257 248 194 15 31

huishoudens of personen personen huishoudens personen huishoudens huishoudens personen personen huishoudens personen huishoudens

Tabel 2. Gebruik van regelingen op 120% van sociaal minimum Regeling Kindpakket Leergeld Schoolfonds Bijzondere bijstand Meedoenregeling compensatie eigen risico zorg

Jaar Aantal 2019 227 2019 169 2019 2019 2020

709 438 248

Huishoudens maximaal Bereik in of personen bereik5 percentage kinderen 450 50% huishoudens met kinderen 450 38% personen 2400 30% huishoudens 1500 29% 75% van 2400= personen 18006 14%

Tabel 3. Gebruik regelingen met andere criteria Regeling Individuele inkomenstoeslag Vrijstelling wmo abonnementstarief (gedeeltelijke) kwijtschelding gemeentelijke belastingen

5

Huishoudens Maximaal Bereik in Jaar Aantal of personen bereik7 percentage 2019 244 huishoudens 249 98% 2020 500 personen 500 100% 2019 472 huishoudens 600 79%

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek (2020) en Centraal Bureau voor de Statistiek (z.d.) CBS Statline 2019,risico op armoede, laag inkomen, huishoudkenmerken. Menzis had aangegeven dat in de gemeente Epe gemiddeld 75% van de mensen aanspraak maakt op zorg uit de basisverzekering en daarmee gebruik maakt van het eigen risico. 7 Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek (2020) en Centraal Bureau voor de Statistiek (z.d.) 6

14

Bijlage 2: Minima-effectrapportage gemeente Epe 2021 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Sanne Lamers 12 augustus 2021

15

SAMENVATTING Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Het doel van het Nibud is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld, zoals gedragsaspecten. Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Epe. Met dit onderzoek wil de gemeente Epe inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Epe. In dit onderzoek is voor acht verschillende huishoudtypen op vier verschillende inkomensniveaus (100, 110, 120 en 130 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe de maandbegrotingen eruitzien.

In de begrotingen is rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: • Kwijtschelding van lokale lasten; • Tegemoetkoming van 50 procent van het verbruikte eigen risico zorgverzekering; • De Meedoenregeling; • Het Schoolfonds; • Het Kindpakket van Stichting Leergeld; • De individuele Inkomenstoeslag. Naast bovengenoemde regelingen, kent de gemeente Epe nog een aantal voorzieningen voor huishoudens met een laag inkomen. Deze regelingen zijn op verzoek van de gemeente niet meegenomen in de begrotingen, omdat deze sterk afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie of niet van toepassing zijn op de onderzochte huishoudtypen. Denk hierbij aan de individuele studietoeslag voor studerenden met een beperking of de bijzondere bijstand. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. Resultaten Alle onderzochte huishoudens met een laag inkomen (van bijstandsniveau tot en met 130 procent van de geldende bijstandsnorm) in de gemeente Epe zijn in staat om de noodzakelijke uitgaven uit het basispakket plus de uitgaven voor sociale participatie te bekostigen. Het basispakket bevat uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn.

Bij de uitgaven voor sociale participatie gaat het bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Paren met oudere kinderen financieel het meest kwetsbaar Paren met oudere kinderen (14 en 16 jaar) die van een laag inkomen moeten rondkomen zijn financieel het meest kwetsbaar. Als zij naast de noodzakelijke uitgaven ook alle uitgaven voor sociale participatie willen bekostigen, houden zij op bijstandsniveau slechts drie euro per maand over. Ook op 110 procent van de norm is de bestedingsruimte laag met 43 euro per maand. Dat maakt dit 16

huishouden erg kwetsbaar is. Als er sprake is van persoonlijk onvermijdbare uitgaven (extra zorgkosten, een hogere huur, schulden etc.) dan zal dit al snel leiden tot een tekort. Alleenstaande ouders met twee jonge kinderen en AOW-gerechtigden hebben de meeste bestedingsruimte Alleenstaande ouders met twee jonge kinderen hebben in de gemeente Epe de meeste bestedingsruimte. Dit kan voor een groot deel worden toegeschreven aan landelijke beleid; met name het hogere kindgebonden budget voor alleenstaande ouders heeft een positief effect op de financiële positie van deze huishoudens. Hoewel de kindgebonden toeslagen voor oudere kinderen hoger zijn dan voor jonge kinderen, heeft het eenouder gezin met oudere kinderen minder bestedingsruimte vanwege de hogere kosten voor onder meer onderwijs, voeding en vervoer. Ook AOW-gerechtigden (zowel alleenstaanden als paren) zijn financieel gezien goed af. Zij houden op alle onderzochte inkomensniveaus 250 euro of meer over. Dit is voornamelijk het gevolg van de hogere AOW-uitkering; een AOW-uitkering is ruim 200 euro hoger dan een bijstandsuitkering. Aandachtspunten De diverse vormen van inkomensondersteuning in de gemeente Epe hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners.

Zonder de kwijtschelding van de lokale lasten, de tegemoetkoming van 50 procent van het eigen risico, de Meedoenregeling, het Schoolfonds, het Kindpakket, en de Individuele Inkomenstoeslag zouden er wel tekorten zijn ontstaan. Het Nibud raadt de gemeente Epe aan om met name extra aandacht te hebben voor paren met kinderen. Paren met oudere kinderen hebben een zeer lage bestedingsruimte. Dit is voor een groot deel toe te schrijven aan het Rijksbeleid. Met de bijstandsnorm voor paren moeten de kosten voor twee volwassenen worden gedragen. Ter vergelijking, een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Als er kinderen in het gezin zijn, worden de tekorten hoger. De kosten van kinderen worden niet volledig gecompenseerd door kindgebonden toeslagen. Gemeenten kunnen via accenten in het eigen beleid trachten de gevolgen hiervan te repareren, maar gemeenten mogen geen inkomenspolitiek voeren.

De gemeente Epe heeft al diverse beleidskeuzes gemaakt die de bestedingsruimte voor paren met kinderen verruimen, zoals de Meedoenregeling, het Schoolfonds en het Kindpakket van Stichting Leergeld. Een structurele oplossing zal, indien politiek gewenst, vanuit het Rijk moeten komen. Om de bestedingsruimte van paren met kinderen te vergroten, kan de gemeente: • inzetten op begeleiding naar werk van tenminste één van de partners; • het verhogen van de bijdrage vanuit de Meedoenregeling; • het verhogen van de vergoedingen in het Schoolfonds; • individuele bijzondere bijstand extra onder de aandacht brengen; • de Individuele Inkomenstoeslag verder differentiëren waarbij rekening wordt gehouden met het aantal kinderen, bijvoorbeeld door een basisbedrag vast te stellen en daar bovenop een extra bedrag toe te kennen voor elk ten laste komend kind.

17

Aanbevelingen Voor elk van de regelingen in de gemeente Epe benoemt het Nibud in dit rapport de positieve aspecten en diverse aanbevelingen. Zo adviseert het Nibud: 1. Verminder niet-gebruik regelingen In de gemeente Epe kunnen alle onderzochte huishoudtypen op papier de maandbegroting rond krijgen. Zonder gemeentelijke ondersteuning zou dit niet altijd lukken. Hierbij moet de gemeente het volgende goed ik het oog houden. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen zijn aangevraagd en ontvangen. Dat is echter niet voor ieder huishouden een vanzelfsprekendheid. De gemeente Epe kan het gebruik van lokale regelingen stimuleren door hieraan publiciteit te geven en de toegang tot deze regelingen te vereenvoudigen. Ook voorlichting door intermediairs is vaak doeltreffend. Het is daarbij belangrijk dat de intermediairs bekend zijn met alle regelingen die de gemeente Epe te bieden heeft (naast de landelijke regelingen) en dat zij ook continu op de hoogte worden gebracht van veranderingen in inkomensondersteunende maatregelen. Hetzelfde geldt voor de vrijwilligers die worden ingezet bij thuisadministratie en bij beginnende schulden. Ook zij moeten bekend zijn met het volledige pakket.

2. Behoud de tegemoetkoming eigen risico en de voorlichting over de keuze voor een zorgverzekering Behoud van de tegemoetkoming van 50 procent van het verbruikte eigen risico voor zorgkosten met een maximum van 192,50 euro per kalenderjaar. De gemeente Epe biedt inwoners een vergelijkingstool aan om onder- of oververzekering te voorkomen. Daarnaast zijn er inloopspreekuren voor inwoners die moeite hebben om zelfstandig een gedegen afweging te maken. Het Nibud beoordeelt deze mogelijkheden als positief en adviseert deze in stand te houden. 3. Overweeg een ongedeeld budget voor de kosten van kinderen De gemeente Epe kent diverse regelingen voor kinderen tot 18 jaar. Via deze regelingen kunnen diverse kostensoorten vergoed worden, zoals schoolkosten en kosten sociale participatie. Het Nibud adviseert om niet voor de diverse kostensoorten een aparte regeling te hanteren, maar om te werken met een ongedeeld budget. In een dergelijke situatie zijn huishoudens vrij in de keuze in welke mate zij de tegemoetkoming willen besteden aan schoolkosten en in welke mate aan sport- en culturele activiteiten. Behalve dat een ongedeeld budget de bestedingsvrijheid vergroot, kan dit ook het niet-gebruik tegengaan.

Teveel verschillende losse regelingen kan het voor inwoners onoverzichtelijk maken, met als ongewenst effect dat een groep huishoudens onterecht geen gebruik maakt van de mogelijkheden die er zijn. 4. Help energielasten verlagen Het is te verwachten dat de energielasten een groter deel van de woonlasten en daarmee van de totale begroting van minima gaan innemen. Bovendien blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen, waardoor ze ook een hoger verbruik dan gemiddeld hebben. Ook de toekomstige energietransitie zal de nodige kosten met zich meebrengen. Voor bewoners van een huurwoning is nog onduidelijk hoe de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen in de huur. Het Nibud adviseert de gemeente hier aandacht voor te hebben en vanuit het sociaal domein hierover directe afspraken te maken met het met de afdeling klimaat en energie. Daarnaast zouden huishoudens met een laag inkomen hulp van energieadviseurs of gratis/ goedkope energieboxen aangeboden kunnen krijgen. 18

5. Verstrek een vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer De Individuele Inkomenstoeslag is een goede voorziening voor huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen en die geen zicht hebben op inkomensverbetering. Wanneer het inwoners wél zou lukken het inkomen te verhogen naar 110 procent van de geldende bijstandsnorm, leidt dit in veel gevallen tot een armoedeval (ten opzichte van bijstandsniveau). Dit wordt onder meer veroorzaakt door werkgerelateerde kosten: bij een inkomen boven het minimum wordt er in deze rapportage van uitgegaan dat er sprake is van een (parttime) baan die extra (vervoers)kosten met zich meebrengt. Het Nibud adviseert de gemeente een vergoeding te verstrekken voor vervoerskosten of andere werkgerelateerde kosten, als dit niet door de werkgever wordt aangeboden, net zolang totdat het inkomen hoog genoeg is om de extra kosten zelf te betalen. Op deze manier vallen de extra vervoerskosten voor de uitstromer naar werk weg, waarmee een uitstroomval bij dit inkomensniveau kan worden verkleind of zelfs voorkómen. 6. Differentieer de individuele inkomenstoeslag Bij de hoogte van de IIT wordt geen onderscheid gemaakt tussen paren met en zonder kinderen. Ook het aantal kinderen heeft geen invloed op de hoogte van de inkomenstoeslag.

Aangezien de kosten van (oudere) kinderen niet volledig gecompenseerd worden door kindgebonden toeslagen, kan de gemeente ervoor kiezen om één basisbedrag vast te stellen en daar bovenop een extra bedrag toe te kennen voor elk ten laste komend kind. Omdat oudere kinderen zwaarder op de begroting drukken dan jonge kinderen, zou de gemeente deze toeslag alleen voor oudere kinderen kunnen toekennen of voor oudere kinderen een hogere toeslag kunnen verstrekken dan voor jonge kinderen. 7. Kleine armoedeval van 120% naar 130% is eigenlijk niet te voorkomen De diverse regelingen voor kinderen kennen allemaal een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Hierdoor hebben de paren met kinderen en eenoudergezinnen met oudere kinderen te maken met een beperkte doorstroomval op 130 procent. Het verhogen van de inkomensgrens lost het probleem echter niet op, er ontstaat dan een doorstroomval op 140 procent. Werken met verschillende inkomensgrenzen voor verschillende regelingen, of het getrapt afbouwen van regelingen, zou mogelijk een doorstroomval kunnen voorkomen, maar is voor de uitvoering veel ingewikkelder en voor inwoners niet altijd gemakkelijk te begrijpen. Dit laatste kan leiden tot nietgebruik, wat als gevolg kan hebben dat huishoudens de begroting niet (meer) rond krijgen.

Dit kan als een groter probleem worden beschouwd dan de lagere bestedingsruimte op 130 procent (ten opzichte van 120 procent van de bijstandsnorm). Verder is het goed om voor ogen te houden dat in de huidige situatie, de lagere bestedingsruimte op 130 procent slechts een ‘tijdelijk probleem’ is. Bij een inkomensniveau hoger, op 140 procent, neemt de bestedingsruimte weer toe: Alle onderzochte huishoudtypen met kinderen hebben bij een inkomensniveau van 140 procent van de geldende bijstandsnorm een hoger saldo dan op 130 procent. Alleen paren met oudere kinderen hebben op 140 procent nog steeds minder bestedingsruimte dan op 120 procent.

19

Bijlage: Resultaten van het Nibud onderzoek Deze bijlage bevat de resultaten van het onderzoek. Deze worden schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). Een aanname bij de uitkomsten van tabel 1 is dat huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. In praktijk is dit niet het geval. Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval).

o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 156 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een bestedingsruimte van 63 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Bestedingsruimte Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen.

20

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% €

saldo na basispakket 159 169 276 346

b. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) saldo na basispakket 100% € 362 110% € 349 120% € 446 130% € 513

saldo na basispakket en participatie € 66 € 75 € 183 € 246

saldo na basispakket 188 169 276 346

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 94 € 75 € 183 € 246

saldo na basispakket

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie

€ € € €

saldo na basispakket 520 521 590 633

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 348 € 349 € 417 € 442

€ € € €

saldo na basispakket 369 334 435 450

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 192 € 157 € 258 € 229

€ € € €

saldo na basispakket 261 262 349 371

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 113 € 115 € 201 € 211

€ € € €

saldo na basispakket en participatie € 268 € 256 € 352 € 413

c. eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 & 5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 484 € 312 110% € 521 € 349 120% € 590 € 417 130% € 633 € 442 d. eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 333 € 156 110% € 334 € 157 120% € 435 € 258 130% € 450 € 229 e. Paar zonder kinderen

100% € 110% € 120% € 130% €

saldo na basispakket 220 262 349 371

saldo na basispakket en participatie € 73 € 115 € 201 € 211

f. Ouder paar (AOW-gerechtigd) saldo na basispakket 435 412 529 612

saldo na basispakket en participatie € 287 € 265 € 381 € 452

saldo na basispakket

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie

g. paar met 2 jonge kinderen (3 & 5 jaar) saldo na basispakket 100% € 351 110% € 391 120% € 471 130% € 468

saldo na basispakket en participatie € 125 € 165 € 245 € 217

€ € € €

saldo na basispakket 391 391 471 468

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 165 € 165 € 245 € 217

h. paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na basispakket 100% € 234 110% € 274 120% € 362 130% € 308

saldo na basispakket en participatie € 3 € 43 € 131 € 27

€ € € €

saldo na basispakket 274 274 362 308

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 43 € 43 € 131 € 27

100% € 110% € 120% € 130% €

Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 21

a. Alleenstaande Een alleenstaande heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van 66 euro per maand. Dit loopt op naar 246 euro bij een inkomen van 130 procent. b. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) Wanneer iemand de leeftijd bereikt waarop hij of zij AOW kan krijgen, stopt de bijstandsuitkering. Het maandelijkse bedrag van de AOW-uitkering is hoger dan die van een bijstandsuitkering. Daarom wordt het saldo van uitgaven versus inkomsten gunstiger bij de overgang van een alleenstaande van de bijstand naar de AOW. We gaan voor ouderen in de AOW-leeftijd weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en niet-vergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar die worden enigszins gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen heeft ruim voldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Ook het eenoudergezin met kinderen van 14 en 16 jaar kan zowel het basispakket als de kosten voor sociale participatie bekostigen.

De bestedingsruimte per maand is lager dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget). e. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van 73 euro. Dit is lager dan het saldo van alleenstaande ouders, die ook kosten van kinderen hebben. Een belangrijke oorzaak van de lagere bestedingsruimte ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). f. Ouder paar (AOW-gerechtigd) Het oudere paar heeft niet met tekorten op de begroting te maken. Met alleen een AOW-uitkering is er een bestedingsruimte van 287 euro per maand, dit loopt op naar 452 euro op 130 procent van de geldende bijstandsnorm. g. Paar met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het paar met twee jonge kinderen heeft op geen van de onderzochte inkomensniveaus te maken met een tekort.

Met alleen een bijstandsuitkering is er een bestedingsruimte van 125 euro per maand, dit loopt op naar 217 euro op 130 procent van de geldende bijstandsnorm.

22

h. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen kan op bijstandsniveau de maandbegroting net rondkrijgen. Nadat alle basisuitgaven en de uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan, resteert er een saldo van 3 euro. De bestedingsruimte is op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan voor het paar met jonge kinderen. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen, aan onder meer onderwijs, voeding en kleding. Ook de hogere (schoolgerelateerde) vergoedingen voor oudere kinderen uit het minimabeleid kunnen dit niet compenseren. Conclusie De drie typen huishoudens waar de bestedingsruimte het meest krap is zijn: > Paar met oudere kinderen > Alleenstaande > Paar zonder kinderen De bestedingsruimte is het allerkleinste bij het paar met oudere kinderen op bijstandsniveau of op 110 procent van het bijstandsniveau. Daarna volgt de bestedingsruimte van de alleenstaande op bijstandsniveau of op 110 procent en als derde volgt het paar zonder kinderen in de bijstand of op 110 procent van het bijstandsniveau. Armoedeval Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In dit onderzoek zien we een doorstroomval bij drie groepen: 1.

Alleenstaande ouders met oudere kinderen 2. Paren met jonge kinderen 3. Paren met oudere kinderen In al deze gevallen is de bestedingsruimte op 130 procent lager dan op 120 procent. Dit komt bij de paren met kinderen door het wegvallen van de zorg- en de huurtoeslag bij de overgang van 120 naar 130 procent, in combinatie met het wegvallen van een aantal lokale minimaregelingen, zoals de regelingen van Leergeld, het Schoolfonds en de Meedoenregeling. Deze regelingen gelden tot aan de grens van 120 procent en niet daarboven. Bij het eenoudergezin zorgt alleen het wegvallen van de lokale regelingen voor minder bestedingsruimte op 130 procent dan op 120 procent. Deze groep blijft namelijk wel recht houden op volledige zorg- en huurtoeslag bij de overgang van 120 procent naar 130 procent. Alleenstaande ouders met jonge kinderen (in dit onderzoek 3 en 5 jaar) hebben op 130 procent niet met een doorstroomval te maken, maar alleenstaande ouders met oudere kinderen kennen wél een doorstroomval. Dit verschil komt doordat het bedrag aan tegemoetkomingen dat “wegvalt” op 130 procent voor oudere kinderen hoger is dan voor jonge kinderen. Paren met jonge kinderen krijgen wel met een doorstroomval te maken op 130 procent. Dit komt door de afbouw van de landelijke toeslagen op 130 procent, waar eenoudergezinnen niet mee te maken krijgen.

23

Het is goed om voor ogen te houden dat in de huidige situatie, de lagere bestedingsruimte op 130 procent slechts een ‘tijdelijk probleem’ is. Bij een inkomensniveau hoger, op 140 procent, neemt de bestedingsruimte weer toe: alle onderzochte huishoudtypen met kinderen hebben bij een inkomensniveau van 140 procent van de geldende bijstandsnorm een hoger saldo dan op 130 procent. Wel zien we dat paren met oudere kinderen op 140 procent nog steeds minder bestedingsruimte hebben dan op 120 procent. Een en ander is weergegeven in tabel 2. Tabel 2. Vergelijking saldo inkomsten min uitgaven bij gezinnen met kinderen tot en met een inkomensniveau van 140 procent c. eenoudergezin m et 2 jonge kinderen (3 & 5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 484 € 312 110% € 521 € 349 120% € 590 € 417 130% € 633 € 442 140% € 740 € 550 d. eenoudergezin m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 333 € 156 110% € 334 € 157 120% € 435 € 258 130% € 450 € 229 140% € 557 € 337 g. paar m et 2 jonge kinderen (3 & 5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 351 € 125 110% € 391 € 165 120% € 471 € 245 130% € 468 € 217 140% € 543 € 292 h.

paar m et 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 234 € 3 110% € 274 € 43 120% € 362 € 131 130% € 308 € 27 140% € 355 € 75

24

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 520 € 348 521 € 349 590 € 417 633 € 442 740 € 550

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 369 € 192 334 € 157 435 € 258 450 € 229 557 € 337

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 391 € 165 391 € 165 471 € 245 468 € 217 543 € 292

€ € € € €

inclusief inkom enstoeslag saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 274 € 43 274 € 43 362 € 131 308 € 27 355 € 75

Huishoudens met langdurig een laag inkomen Huishoudens in de gemeente Epe die drie jaar of langer van een inkomen moeten leven dat niet hoger is dan 100 procent van de geldende bijstandsnorm, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag hangt af van het huishoudtype. In tabel 1 staan in de laatste 2 kolommen de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT. De IIT kan een extra armoedeval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. In de gemeente Epe doet dit verschijnsel zich voor bij bijna alle onderzochte huishoudens die recht hebben op IIT. Wanneer deze huishoudens het inkomen verhogen van bijstandsniveau (inclusief IIT) naar 110 procent van de bijstandsnorm, krijgen zij te maken met een uitstroomval. Uitzonderingen zijn het eenoudergezin met jonge kinderen en het paar zonder kinderen. Hier is geen sprake van een uitstroomval, maar de bestedingsruimte neemt niet evenredig toe. Het verschil tussen een inkomen op bijstandsniveau inclusief IIT en een inkomen op 110 procent van de norm, zonder IIT, bedraagt slechts een euro. Deze situatie, waarin de bestedingsruimte niet of nauwelijks toeneemt, wordt niet alléén veroorzaakt door het wegvallen van de IIT.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10663835/1