CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

339896 Strategische afweging omgevingsaspecten OV gemeente Epe HR

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente EpeBij agendapunt: Omgevingsvisie 'Natuurlijk goed leven'24.481 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De overmaat aan stikstof uit de lucht leidt namelijk tot onnatuurlijke verhoudingen van voedingsstoffen in de bodem. Door een andere beschikbaar‐ heid van chemische elementen maken bomen in hun bladeren andere aminozuren (de bouwstenen voor eiwitten) aan. De veranderde beschikbaarheid van aminozuren blijkt in de hele voedselketen door te werken, van ineengestorte rupsenpo‐ pulaties, jonge vogels met gebroken botten door mineralengebrek tot uitgemergelde sperwers als gevolg van een tekort aan eiwitten.

6

2.2. Overgangszone In de overgangszone naar de IJssel is een groot agrarisch areaal aangeduid als Leefgebieden Agrarisch Natuur‐ en Land‐ schapsbeheer (zie figuur ). Effectief natuur‐ en landschapsbeheer inpassen in een agrarische bedrijfsvoering die produ‐ ceert voor de wereldmarkt blijkt niet eenvoudig. Vooral naar de effectiviteit van agrarisch natuurbeheer is veel onderzoek verricht. Landelijk wordt al sinds de Relatienota uit 1975 getracht agrarische productie te combineren met natuurbeheer, al dan niet aangestuurd door subsidieprikkels. Ook natuurproductiebetaling in het kader van het Programma Beheer bleek niet te werken evenmin als vele convenanten in allerlei vrijblijvende vormen of het huidige provinciale Stelsel Natuur‐ en Landschapsbeheer (SNL). Een adviescommissie van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) concludeerde in 2013 dat agrarisch natuurbeheer de voorgaande twintig jaar een miljard euro heeft gekost en veel te weinig resultaat heeft opgeleverd. Voor dat bedrag had ook 20.000 hectare agrarisch grasland kunnen worden aangekocht en overgedragen aan een natuurbeschermingsorganisatie. Kringlooplandbouw krijgt de laatste tijd steeds meer aandacht, of dit een duurzame oplossing voor de agrarische sector oplevert is echter nog onvoldoende duidelijk.

Zeker zolang de sector voor de wereld‐ markt blijft produceren, zijn de kansen voor natuur in agrarisch gebied beperkt. De meest nauwkeurige en langjarige gegevens m.b.t. tot agrarisch natuurbeheer hebben betrekking op vogels. De boeren‐ landvogelpopulaties In Nederland zijn ondanks alle financiële en beleidsmatige inspanningen de laatste decennia sterk in aantal achteruitgegaan, ondanks jaarlijkse subsidies van tientallen miljoenen euro’s. Tussen 1990 en 2000 verdween jaar‐ lijks ruim 1% van de weidevogels uit het agrarisch gebied van Nederland. In Gelderland was deze trend niet anders. Figuur laat de populatietrends zien van enkele typische boerenlandvogels sinds 1990. De populaties in 1990 waren bovendien reeds een magere schaduw van de aantallen uit de zeventiger jaren. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat deze ontwikkeling in gemeente Epe hiervan afwijkt.

Figuur Ligging Leefgebieden Agrarisch Natuur‐ en Landschapsbeheer (bron: provincie Gelderland)

7

Figuur Populatietrends boerenlandvogels Gelderland

8

De oorzaken van de ineenstorting van deze vogelpopulaties zijn divers: 

1

Veranderingen waterhuishouding; vrijwel alle soorten reageren negatief op een waterpeil dat dieper is dan 20‐40 cm beneden maaiveld. Dit effect is deels indirect; een daling van het grondwaterpeil leidt veelal tot een intensivering van het graslandgebruik. Daarnaast zijn de afgelopen decennia vele sloten gedempt voor een efficiënter graslandgebruik met steeds grotere machines. Juist in de slootkanten was vaak nog sprake van enige kruiden‐ en insectenrijkdom en konden jonge vogels schuilen voor predatoren of de maaibalk. Het agrarisch natuurbeheer is te weinig effectief: dit beheer was lange tijd louter gericht op het beschermen van nesten en eieren. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat na het succesvol uitkomen van de nesten extra zorg nodig is. Het overlevingspercentage van de kuikens ligt te laag om de populaties op peil te houden. Deels is dit te wijten aan voedselgebrek (eenvormige, insectenarme graslanden) en deels een gevolg van predatie vanwege het ontbreken van schuilmogelijkheden in de gladgemaaide graslanden. Nestbescherming blijkt bovendien predatie te stimuleren door het veroorzaken van visuele en geursporen naar het nest (bron: Teunissen, 2005). Predatie vormt feitelijk alleen een probleem als het nest‐ en opgroeihabitat van onvoldoende kwaliteit is1. Openheid van het landschap wordt vaak genoemd als belangrijk voorwaarde voor de aanwezigheid van weidevogels.

Bebouwing, bomen en infrastructuur tasten deze openheid aan. Bomen bieden bovendien nestgelegenheid aan predatoren. Deze factor heeft echter van alle genoemde factoren het minste gewicht. Indien waterhuishouding en beheer op orde zijn en predatoren worden geweerd kunnen ook in halfopen landschappen zeer rijke weidevogelgebieden worden ontwikkeld. Ter indicatie: een van de beste weidevogelgebieden van Nederland ligt binnen de ring van Amsterdam; de Wilmkebreekpolder.

SOVON (2018): “Vogelatlas van Nederland” 9

Figuur Grutto’s (en andere soorten weidevogels) prefereren gevarieerde, kruidenrijke graslanden die niet te vroeg gemaaid worden. Graslanden zoals op de foto hierboven zijn buiten natuurgebieden zeer zeldzaam geworden, aangezien ze ver voordat het kruidenrijke stadium wordt bereikt, worden doodgespoten, gescheurd en opnieuw ingezaaid met slechts enkele hoogproductieve grassoorten (foto: Oudeland van Strijen, mei 2007).

Figuur Ontoereikend weidevogelbeheer; het nest is gemarkeerd en gespaard bij het maaien eind april (!), doch de kuikens vinden in de kale grasmat geen insecten en geen dekking tegen predatoren. Het opvallende plastic wimpeltje en de geursporen van de weidevogel‐ beschermers naar het nest wijzen de predatoren bovendien de weg. Het ontzien bij de eerste maaibeurt van een veel langere en bredere strook van de (op zich redelijk kruidenrijke) slootkant zou dit nest veel meer toekomst hebben geboden (foto: Stolwijk, april 2007).

Figuur Agrarische graslanden worden gemiddeld eens per vijf jaar doodgespoten met Roundup, gescheurd en heringezaaid met de ge‐ wenste hoogproductieve grassoorten. Voor de bodemfauna, kruiden‐ en insectenrijkdom is dit rampzalig en daarmee ook voor de wei‐ devogels (foto: Reeuwijk, augustus 2012). 10

Autonome ontwikkeling In de nabije toekomst zal vooral de trend tot verdere schaalvergroting en intensivering bepalend zijn voor de vogelpopu‐ laties in het agrarisch gebied. De vigerende bestemmingsplannen bieden deels ruimte voor verdere schaalvergroting en toename van het aantal dieren per bedrijf. Geen van de bestemmingsplannen regelen iets ten aanzien van de voortdu‐ rende intensivering gebruik van de bedrijfsvoering in de vorm van verdere ontwatering, hogere maaisnelheden, voortdu‐ rende graslandvernieuwing, grootschaliger maaien, gebruik van herbiciden, fungiciden en insecticiden, vermindering wei‐ degang en optimalisatie van percelen. Dit alles heeft sterk negatieve effecten op de biodiversiteit in het algemeen en de boerenlandvogels in het bijzonder2. Over het algemeen geldt, hoe groter het melkveehouderijbedrijf, hoe intensiever de productie en hoe lager de participa‐ tiegraad in agrarisch natuurbeheer. Ook blijkt uit recent onderzoek dat het medicijngebruik op intensieve bedrijven sporen nalaat in de mest, die daardoor arm is aan insecten en daardoor leidt tot een verdere afname van de weidevogels. Om die reden is het begrazen van natuurgebieden door jongvee van gangbare agrarische bedrijven schadelijk vanuit het oogpunt van biodiversiteit.

Figuur Ondanks een wettelijk verbod sinds 1979 op agrarische werkzaamheden in het broedseizoen gebeurt het op grote schaal en er is niemand die handhaaft (foto: Reeuwijk, april 2010).

2.3. Bebouwd gebied Stads‐ en dorpsgebieden onderscheiden zich van hun omgeving door een overvloed aan verharding: muren en daken, plaveisel, kaden enzovoort. Daarnaast kennen deze gebieden veel gebouwen met daarin allerlei ruimtes onder daken, in scheuren en spouwmuren waarin organismen zich kunnen verbergen, overwinteren en voortplanten. Stads‐ en dorpsge‐ bieden vormen daarom al eeuwenlang het leefgebied van soorten die van nature in stenige (berg)gebieden voorkomen, zoals muurplanten, gierzwaluw, zwarte roodstaart, slechtvalk en verschillende soorten vleermuizen. Ook is het stedelijke milieu warmer dan de landelijke omgeving hetgeen gunstig is voor vestiging van soorten uit het zuiden maar ook voor inheemse soorten die in de stad meer kans hebben de winter te overleven dan daarbuiten. Platte daken vormen steeds 2

Oevermans, P., Dijkman, W. en Runhaar, H. (2016); “Indirecte effecten van afschaffen melkquota op de weidevogels” in LANDWERK 1/2016

11

meer het broedgebied van scholeksters, met een hoger broedsucces dan in het agrarisch gebied. Tenslotte onderscheiden bebouwde gebieden zich ten opzichte van agrarische gebieden steeds meer door een grotere diversiteit in kruiden en insecten. Deels is dit een gevolg van de grote, fijnmazige diversiteit in particulier groen en in toenemende mate ook een gevolg van gericht natuurvriendelijk groenbeheer door gemeenten. Daarbij worden maaidata afgestemd op de levenscy‐ clus van kruiden en insecten en worden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. Ook worden in toenemende mate inheemse soorten bomen, struiken en kruiden toegepast die een veel hogere dichtheid aan schimmels, (korst)mossen en insecten kennen dan uitheemse soorten. Het belang van stads‐ en dorpsnatuur in de vorm van groen en water wordt steeds meer onderkend. Groen en water hebben positieve gezondheidseffecten door het tegengaan van hittestress en fijnstof en nodigen mensen uit om te bewe‐ gen, ontspannen en ontmoeten. Investeringen in groen en water in of rond de stad verdienen zich daarom ruimschoots terug door besparingen op zorgkosten en arbeidsverzuim. Groen en water in de woonomgeving leiden verder tot een stijging van huizenprijzen en dus ozb‐inkosten en een daling van rioleringskosten.

12

3 Bijzondere thema’s

De natuur in de regio heeft te maken met verschillende bedreigingen. Toekomstige ontwikkelingen op het gebeid van landbouw, woningbouw en infrastructuur kunnen een groot effect hebben op kwetsbare natuurgebieden en soorten. In deze paragraaf wordt een tweetal thema’s nader belicht vanwege de concrete of vermeende bedreiging die er vanuit gaat. Tenslotte worden enkele weinig bekende feiten over de economische waarde van natuur gegeven.

3.1. Vermesting en verzuring Een belangrijk deel van het Nederlandse natuurareaal heeft te lijden onder een te hoge stikstofdepositie vanuit de lucht die leidt tot vermesting en verzuring van bodem en water. Veel habitats en leefgebied van soorten zijn in dit opzicht over‐ belast; de achtergronddepositie is in veel gebieden (veel) hoger dan de kritische depositie (de depositie waarbij het ecolo‐ gisch functioneren in gevaar komt). Dit probleem wordt al ruim 50 jaar onderkend doch de afgelopen 10 jaar heeft dit thema een scherpe juridische rand gekregen; op grond van de Europese Habitatrichtlijn is een toename van de stikstofde‐ positie op reeds overbelaste Natura 2000‐gebieden niet toegestaan. Vele plannen bleken niet uitvoerbaar en veel vergun‐ ningen zijn geweigerd of vernietigd. Deze juridische rand werd nog scherper op 29 mei 2019 toen de Raad van State oor‐ deelde dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis mag dienen voor vergunningverlening voor activiteiten die leiden tot een verhoogde stikstofdepositie op reeds overbelaste Natura 2000‐locaties. Op basis van een verwachte daling van de stikstofdepositie als gevolg van bronmaatregelen, werd in het PAS een deel van deze verwachte daling op voorhand uitgedeeld als zogenaamde ontwikkelruimte zodat economische ontwikkelingen mo‐ gelijk blijven.

Circa 95% van deze ontwikkelingsruimte is sinds de inwerkingtreding in juli 2015 toegekend aan een sector die landelijk 1,3% van onze economie vertegenwoordigt; de veehouderij. Van de voorgenomen bronmaatregelen is echter weinig terecht gekomen en de inwerkingtreding van het PAS viel bovendien vrijwel samen met het beëindigen van de melkquotering waardoor de melkveehouderij sterk is gegroeid, gefaciliteerd door de niet bestaande ontwikkelingsruimte. De afgelopen jaren is ook een forse mestfraude aan het licht gekomen met voor de hand liggende gevolgen voor de am‐ moniakemissies vanuit de landbouw. Figuur laat de gemeten jaargemiddelde ammoniakconcentraties van de afzonderlijke meetpunten en het gebiedsgemiddelde. Duidelijk is dat deze ammoniakconcentraties sinds 2015 (het begin van het PAS) allerminst gedaald zijn. Figuur Gemeten trend ammoniakconcentratie Veluwe (bron: Veluwe Algemeen ‐ Meetresultaten MAN (rivm.nl))

13

3.2. Verstoring Veel natuurgebieden zijn recreatief ontsloten en voorzien daarmee in een grote maatschappelijke behoefte. De waarde van natuur als recreatief uitloopgebied wordt ook algemeen erkend en de grote terreinbeheerders (Vereniging Natuurmo‐ numenten, Staatsbosbeheer, de Landschappen zoals Goois Natuurreservaat) voelen zich behalve natuurbeschermer ook gastheer voor miljoenen recreanten. Zo is 78% van alle terreinen van Natuurmonumenten recreatief toegankelijk en bij Staatsbosbeheer gaat het zelfs om 92% van alle terreinen. De Corona‐crisis heeft het enorme maatschappelijke belang van groene uitloopgebieden op korte afstand nog eens extra geaccentueerd. De grote recreatiedruk op sommige natuurgebieden wordt vaak als een probleem ervaren. Verstoring is (samen met ver‐ nietiging) zeker voor leken een van de meest herkenbare vormen van natuuraantasting. Waar effecten van andere zoge‐ noemde ‘ver’‐thema’s, zoals verdroging, vergiftiging, versnippering, vermesting en verzuring, tamelijk abstract zijn en al‐ leen voor kenners in het veld herkenbaar (en vaak pas na enige tijd), kan iedereen zich meteen iets voorstellen bij versto‐ ring. De herkenbaarheid en betrokkenheid bij dit thema wordt vergroot doordat verstoring vaak ook voor de recreant zelf een bron van hinder en ergernis is.

Vervolgens bestaat vaak de neiging om de eigen menselijke ervaring te projecteren op de natuur: “Wat hinderlijk is voor mij als natuurliefhebber, is dat zeker ook voor de natuur.” Verstoring krijgt daarom veel aandacht in ecologische effectstudies, hetgeen de indruk wekt dat het een belangrijk probleem is. Er zijn echter geen soorten die als mede gevolg van verstoring op de rode lijst van bedreigde soorten terecht zijn gekomen. Dergelijke rode lijsten voor broedvogels, planten, amfibieën, reptielen, libellen, vlinders, bijen, paddenstoelen etc. omvatten in Nederland duizenden soorten, worden vrijwel geheel bepaald door de thema’s verdroging, vermesting, verzuring, vergiftiging en ver‐ nietiging en zijn grotendeels herleidbaar tot de agrarische intensivering van de afgelopen decennia. De weinige degelijk opgezette verstoringsonderzoeken wijzen uit dat de tolerantie van dieren tegenover verstoringsbron‐ nen veel groter is dan veelal wordt gedacht. Zo bleek uit onderzoek3 in duin‐ en bosgebieden pas sprake van significante effecten op vogeldichtheden bij een recreatie‐intensiteitswaarde met een maximaal momentaan bezoek van 25 bezoekers per ha op de 5e drukste dag van het jaar. Dit is een zeer hoge dichtheid die in veel natuurgebieden nooit wordt bereikt, behalve rond horeca en parkeerplaatsen op een mooie zondagmiddag.

Gewenning van vogels aan ongevaarlijke recreatiestromen is een vaak voorkomend verschijnsel4. In gebieden waar een bepaalde verstoringsbron geen werkelijke dreiging vormt en daarnaast ook voorspelbaar is, zullen vogels steeds minder reageren op de verstoringsbron. Het type verstoring is daarbij bepalend voor de verstoringsafstand:  

voorspelbaarheid: voorspelbare gebeurtenissen of gedrag leiden tot minder verstoring en kortere verstoringsafstanden; gedrag verstoorder: richting (langs versus naderend), gedrag (rustig doorgaand versus alternerend stilhoudend en roepen), vervoer (lopend met hond versus fiets, roeiboot versus motorboot) van verstoorder beïnvloeden de verstoringsafstand; duur en frequentie: Continue verstoring heeft ernstiger gevolgen dan infrequente verstoring. Bij verstoring zijn onverstoorde perioden waarin de vogels kunnen compenseren voor verloren tijd essentieel.

Recreanten in natuurgebieden vormen veelal een voorspelbare, veelal rustige, continue, en ongevaarlijk gebleken versto‐ ringsbron waaraan de aanwezige vogels reeds lang gewend zijn. Alleen op piekdagen is de recreatiedruk weliswaar hoog, maar zelfs op dergelijke piekdagen is het grootste deel van de dag rustig, zodat de vogels ongestoord kunnen foerageren. Het rapport van Krijgsveld komt ondanks bovenstaande nuanceringen wel tot verstoringsafstanden per soort die in veel

3 Zande, A. van der (1984): “Outdoor recreation and birds; conflict of symbiosis?” 4 Krijgsveld, K.L. et al (2008): “Verstoringsgevoeligheid van vogels, update van literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie”

14

gevallen absurd groot zijn (vele honderden meters), zonder nadere onderbouwing. Recenter en veel uitgebreider onder‐ zoek5 wijst voor dezelfde of nauw verwante vogelsoorten daarentegen op verstoringsafstanden van maximaal enkele tien‐ tallen meters. Ook zoogdieren die voorheen als uiterst verstoringsgevoelig werden beschouwd, worden in toenemende mate in stedelijke gebieden aangetroffen, zoals dassen6, vossen, steenmarters en bevers, naast de al langer bekende aanwezigheid van vleer‐ muizen in stedelijk gebied. De laatste jaren is gedetailleerd onderzoek verricht naar de verstoringsgevoeligheid van vleer‐ muizen en vogels voor evenementen als motorraces en openlucht‐popconcerten7. Verstoringseffecten bleken hier vrijwel afwezig hetgeen voor een belangrijk deel verklaard wordt door de geringe gevoeligheid van het gehoor van vogels en vooral vleermuizen voor lage tonen. Ook de aanwezigheid van grote mensenmassa’s in een klein parkgebied, in het voort‐ plantingseizoen en tot ver na zonsondergang bleek niet tot verstoring van vogels of vleermuizen te leiden. Conclusie: verstoring blijft een relevant thema bij ecologische effectstudies doch blijkt op grond van recent onderzoek een factor van (zeer) gering belang. De menselijke beleving van verstoring door geluid en andere recreanten kan beslist niet geprojecteerd worden op die van dieren.

3.3. De waarde van natuur Recreëren in aantrekkelijke natuurgebieden maakt mensen blijer en gezonder en bespaart landelijk jaarlijks vele miljarden op zorgkosten en arbeidsverzuim. Groene recreatiemogelijkheden dragen verder in belangrijke mate bij aan de omzet van de toeristisch‐recreatieve sector, het vestigingsklimaat voor bedrijven en leiden tot hogere huizenprijzen, ozb‐inkomsten, overdrachtsbelastingen en lagere kosten voor waterberging en –zuivering. Natuur in Nederland genereert op deze wijze jaarlijks tientallen miljarden euro’s voor onze economie. het CBS heeft samen met Wageningen University & Research een analyse gemaakt van het economisch saldo/ha/jaar van enerzijds de agrarische sector en anderzijds de natuur‐gere‐ lateerde inkomsten uit toerisme en recreatie. De kaartbeelden hieronder tonen de resultaten voor de Veluwe. Duidelijk is de enorme economische waarde van een hectare natuur ten opzichte van een hectare landbouw. De tweede figuur laat bovendien alleen nog maar de toeristisch‐recreatieve meerwaarde zien. Wanneer ook de financiële voordelen m.b.t. de reductie van zorgkosten en ziekteverzuim worden gekapitaliseerd is die meerwaarde ongetwijfeld nog veel hoger

5 Kent B. Livezey (2016): “Database of Bird Flight Initiation Distances to Assist in Estimating Effects from Human Disturbance and Delin‐

eating Buffer Areas” 6 Zekhuis, M. en G. Gerrits (2015): “Sterke toename van de das in Overijssel: toont Meles meles een ander gezicht?” in De Levende Natuur nr.5, 2015) 7

‐ Janssen R, R. Delbroek & T. Molenaar (2017): ‘Vleermuizen op de Lonnekerberg mede in relatie tot het Airforce Festival. Monitoring en analyse van het gedrag van de passieve luisteraars gewone grootoorvleermuis, vale vleermuis en Bechsteins vleermuis’ Bionet Natuuronderzoek ‐ TAUW, 2012: “Verstoring door muziekfestivals Wijthmenerplas bij Zwolle” ‐ Henkens (2012): “Storen broedvogels zich aan het geluid van race‐evenementen? Effect van de in 2010/2011 op het TT‐Circuit Assen gehouden Superbike‐ en Superleague‐evenementen op broedvogels in het Natura 2000‐gebied Witterveld” (Alterra‐rapport 2288/SOVON‐rapport 2012/05). ‐ Krijgsveld, K. e.a. (2012): “Effecten van dancefestival Amsterdam Open Air op broedvogels” Bureau Waardenburgrapport 12‐115.

15

Figuur Economische waarde landbouw versus natuur

Toch staat het beheer van natuur (en breder, het landschap) onder druk door onvoldoende middelen en oplopende kosten voor recreatieve voorzieningen. In 2016 verscheen de “Evaluation Study to support the Fitness Check of the Birds‐ and Habitats Directive” die verslag doet van de fitness‐check van de Vogel‐ en Habitatrichtlijn. De beide richtlijnen worden getoetst op effectiviteit, efficiency, relevantie, coherentie en op de toegevoegde waarde voor de Europese Unie. Met harde cijfers wordt aangetoond dat de Vogel‐ en Habitatrichtlijn kunnen bogen op een zeer groot maatschappelijk draagvlak en dat de economische meerwaarde van deze richtlijnen enorm is. Enkele uitkomsten: 

   

De online‐consultatie leverde maar liefst 552.472 reacties op, de grootste respons die de Europese commissie ooit heeft ontvangen. Van deze respondenten was 94% van mening dat de beide richtlijnen van grote betekenis zijn voor natuurbehoud. De directe kosten van bescherming en beheer van Natura 2000 bedragen in de hele EU 5,8 miljard euro per jaar; Bescherming van Natura 2000 levert ecosysteemdiensten (waterzuivering, grondwaterbescherming, productie van vis en hout, bestuiving van gewassen etc) ter waarde van 200 – 300 miljard euro per jaar; Bescherming van Natura 2000 levert vele banen in recreatie en toerisme door jaarlijkse recreatieve bestedingen van 50 tot 85 miljard euro; De administratieve last van Natura 2000 wordt door velen als fors ervaren maar men is het er grotendeels over eens dat deze last veelal wordt veroorzaakt door inefficiënte implementatie van de Europese regels op nationaal, regionaal en lokaal niveau. De grootste bedreiging van Natura 2000 bestaat uit areaal‐ en kwaliteitsverlies en versnippering van habitats als gevolg van veranderd grondgebruik, in het bijzonder als gevolg van landbouw.

In de Europese fitness‐check zijn de effecten op gezondheid, zorgkosten en arbeidsverzuim nog niet meegenomen. De conclusie is hoe dan ook dat natuur geen kostenpost is, maar een kip die gouden eieren legt. Op dit moment kunnen de genoemde enorme financiële opbrengsten van bos en natuur nog niet worden omgebogen richting de eigenaren en be‐ heerders van deze gebieden. Er is geen verdienmodel van te maken op bedrijfsniveau. Om die reden wordt er ook nauwe‐ lijks geïnvesteerd in nieuwe natuur.

16

Bijlage 6 Nieuw bos beter bos

41/41

Nieuw bos, beter bos Inleiding Het huidige bosareaal in het plangebied dateert voor een groot deel van het begin van de 20e eeuw en is aangeplant om te voorzien in de destijds grote vraag naar mijnhout. Grove den (Pinus sylvestris) was op deze schrale gronden de ideale boomsoort en bovendien ideaal mijnhout. Het genoot de voorkeur (voor de kompels zelfs boven metaal) omdat het de eigenschap heeft eerst een krakend geluid te produceren alvorens te breken. Hierdoor werden de mijnwerkers gewaarschuwd tegen een spoedige instorting van de schacht. Het huidige naaldbos heeft in ruim een eeuw een belangrijke ecologische en landschappelijk waarde opgebouwd, maar deze waarden staan onder druk. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe een geleidelijke omvorming van het bestaande naaldbos grote voordelen heeft uit het oogpunt van biodiversiteit, waterhuishouding en CO2‐vastlegging. Daarnaast is een belangrijke uitdaging om bossen weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering (denk daarbij aan meer kans op stormen, branden, insectenplagen en droogte) zodat ze ook op lange termijn de belangrijke functies (houtproductie, natuur, recreatie) kunnen blijven vervullen en een belangrijke CO2‐sink kunnen blijven. Tenslotte worden aan het eind van dit hoofdstuk de grote voordelen toegelicht van de ontwikkeling van geheel nieuw bos.

De houteconomie De Nederlandse houtsector is in omvang vergelijkbaar met het tuinbouwcomplex. De totale jaarlijkse omzet wordt geraamd op € 15 à 20 miljard. Hiervan komt maar liefst 97% op conto van de verwerking en slechts 3% uit de primaire productie. De houtverwerking in Nederland is voor 90% afhankelijk van houtlevering uit het buitenland. De binnenlandse productie van hout is nu 2,25 miljoen m3, afkomstig uit bos (51%), landschap (15%) en bebouwde omgeving (33%). Momenteel wordt hiervan 1,3 miljoen, oftewel 60%, direct gebruikt in compost, de open haard en kleinschalige kachels. In de levenscyclus van hout zijn dit laagwaardige eindstations: de opslagcapaciteit voor koolstof verdwijnt uit de keten. Daarnaast geldt dat ons bosbeheer nog niet is ingericht op optimale houtproductie. Er is ruimte voor meer areaal en voor hogere productiviteit – slechts de helft van de jaarlijkse bijgroei wordt nu geoogst voor gebruik. Nederland gebruikt hout in veel toepassingen, zoals te zien in de figuur hieronder.

De vraag naar hout stijgt snel, ingegeven door het klimaatprobleem. Uit een studie van Alterra blijkt dat het houtgebruik in Nederland waarschijnlijk gaat verdubbelen van 0,9 m3 per inwoner nu naar 1,5‐2 m3 in 2030; internationale bronnen spreken zelfs van verdrievoudiging van de mondiale vraag. De houtmarkt koerst derhalve af op schaarste en zeer waarschijnlijk prijsverhogingen. Naast de klimaatopgave noopt dus ook de grote afhankelijkheid (90%) van buitenlands hout ons om per direct te investeren in meer bos, meer houtproductie en een slimmer houtgebruik. De maatschappelijke en economische meerwaarde van bos is echter veel groter dan alleen hout. Verderop in dit hoofdstuk wordt dit nader uitgewerkt. Bos als klimaatmaatregel Nieuw bos Bos kent een aanzienlijk grotere CO2‐vastlegging dan andere vormen van landgebruik. In het Actieplan Bos en Hout is de ambitie uitgesproken om 100.000 ha nieuwe bosaanplant in Nederland te realiseren. In onderstaande tabel is weergegeven wat de bijdrage kan zijn van 100.000 ha bosuitbreiding in Nederland aan klimaatmitigatie.

Per hectare zal nieuw bos in 2030 5,5 ton CO2/ha vastleggen. In 2050 is dat opgelopen tot 14 ton/ha. Verder zal bosuitbreiding op landbouwgrond leiden tot het verminderen van de emissies van de sterke broeikasgassen methaan en lachgas door de landbouw. Deze bijdrage zal omgerekend zeker even groot zijn als de CO2 vastlegging. De totale kosten voor 100.000 hectare nieuw bos bedragen ruim drie miljard euro, deels bestaand uit afwaardering van grondwaarden en deels uit aanlegkosten. Een realistische doorlooptijd is dertig jaar, van 2020 tot 2050, wat neerkomt op een jaarlijkse investering van € 101 miljoen, waarvan € 61 miljoen door het Rijk. Die € 61 miljoen is ongeveer het bedrag dat jaarlijks wordt uitgegeven aan

agrarisch natuurbeheer en dat vrijwel nergens het totaal verdwijnen van natuur in agrarisch gebied heeft voorkomen. Beheer bestaand bos Bos is een belangrijke opslag van CO2, zowel in de biomassa als in de bodem, waarbij de bijgroei zorgt voor een voortdurende opname van CO2 uit de atmosfeer. Indien een bos eenmaal is volgroeid neemt het geen extra CO2 meer op. Uit rottingsprocessen komt dan evenveel CO2 vrij als de jonge bomen weer opnemen. Een bos kan echter blijvend nieuwe CO2 opnemen indien voortdurend op kleine schaal volwassen bomen uit het bos wordt geoogst en verwerkt in houtproducten die lang meegaan. Hoe meer houtproducten in omloop zijn en hoe langer de levensduur (denk met name aan hout in woningen), hoe meer koolstof opgeslagen blijft. Tenslotte is er het belangrijke substitutie‐ effect. Door het gebruik van hout in bijvoorbeeld woningen wordt het gebruik van andere, meer energie‐intensieve materialen (beton, staal) voorkomen, en daarmee wordt de uitstoot vermeden die nodig is om deze producten te maken. Een industrieel gebouwde woning van hout betekent op die manier gemiddeld 50% minder CO2‐emissie per woning ten opzichte van traditionele bouw.

Het Nederlandse bosareaal legde in 2015 2,4 Mton CO2 vast. In het Uitvoeringsplan Actieplan Bos en Hout (2018‐2020)3 wordt gesteld dat de natuurlijke bijgroei in het ouder wordende bos steeds verder afneemt, waarmee de jaarlijkse CO2‐vastlegging ook zal terugnemen. In het Actieplan Bos en Hout wordt er daarom gepleit voor maatregelen waarmee de CO2‐vastlegging in bossen op peil kan worden gehouden en bij voorkeur wordt vergroot. Het optimaliseren van de bijgroei door gericht te oogsten en te verjongen wanneer de bijgroei van oude bomen afneemt is daarmee een belangrijke klimaatslimme maatregel . Een hogere koolstofvastlegging in het landschap wordt extra aantrekkelijk als daar voor de eigenaar/beheerder een financiële tegemoetkoming tegenover staat. Er zijn al diverse private partijen (bedrijven), zoals Greenchoice, die bereid zijn om te investeren in koolstofvastlegging van

bossen en beplantingen door het financieren van bosaanleg of aanplant van duurzamere boomsoorten. Ook is er een Green Deal Nationale Koolstofmarkt die hier een rol in kan spelen. Bosbeheer tegen verdroging Naaldbos is 12 maanden per jaar groen en onderschept daarom jaarrond neerslag die in veel gevallen weer snel verdampt zonder ooit de bodem te bereiken, laat staan de grondwatervoorraad aan te vullen. Omvorming naar loofbos impliceert daarom dat de winterse neerslag wel grotendeels de bodem bereikt en het grondwater aanvult. Daarnaast verdampt loofbos slechts zo’n half jaar water terwijl naaldbos dat bijna jaarrond doet, zeker in zachte winters. Omvorming van het bestaande naaldbos naar loofbos draagt daarom bij aan het tegengaan van verdroging, een belangrijk beleidsuitgangspunt voor dit gebied. Uiteraard heeft deze verbetering van de waterhuishouding weinig zin indien dit water afstroomt naar het omliggende agrarisch gebied en vervolgens wordt afgevoerd. Waterconservering in het agrarisch gebied is daarom ook een belangrijke maatregel tegen verdroging. Biodiversiteit en bodem Soortenrijke en structuurrijke bossen zijn beter bestand tegen plagen en ziektes door insecten, schimmels etc, dan monotone bossen van één soort en één leeftijd.

Gevarieerde bossen zijn ook beter bestand tegen bosbrand, een factor die bij een opwarmend klimaat en drogere zomers steeds zwaarder gaat wegen. De huidige bossen op zandgrond zijn veelal jong en staan op bodems met een verleden als heide of stuifzand. De aangeplante naaldbomen leveren allemaal een humus die slecht verteert. In de loop van decennia wordt een dik, zuur strooiselpakket opgebouwd waarin bomen trager groeien. De bosbodems op de Nederlandse zandgronden zijn bovendien ernstig verzuurd door een jarenlange overmaat aan stikstofneerslag. Daardoor zijn cruciale mineralen als calcium, kalium en magnesium uitgespoeld naar diepten waar de boomwortels ze moeilijk meer kunnen bereiken. Na langdurige verzuring en uitspoeling komt bovendien het giftige aluminium vrij met ernstige gevolgen voor de bodemfauna en daarmee voor het hele bosecosysteem. Door het aanplanten van inheemse soorten met mineraalrijk (hoog gehalte aan basische kationen) en goed afbreekbaar blad (lage C/N‐ratio) als linde, esdoorn en Europese vogelkers (zie ook figuur ) kan de verstoorde mineralenbalans in sterk verzuurde bosbodems worden hersteld. Deze soorten zijn met hun diepe wortelstelsel in staat om uitgeloogde mineralen als kalium, kalk en magnesium op te nemen en terug te brengen in de mineralenkringloop van het bos.

Hun goed verterende strooisel leidt vervolgens tot een sterke verbetering van het bodemleven. Dit heeft weer gunstige effecten op de diversiteit qua planten en insecten en leidt tevens tot beter groeiende bomen en daarmee een verhoogde CO2‐vastlegging.

Figuur

Bladchemie meest voorkomende boomsoorten (bron: Desie et al., 2020)

Inheemse struiken als hazelaar en haagbeuk hebben eenzelfde positief effect op de bodem maar deze soorten produceren te weinig strooisel om een reeds verzuurd naaldbos in kwaliteit te doen verbeteren. Overigens weegt het gehalte aan basische kationen (bovenste helft van de grafiek) zwaarder dan de C/N‐ratio. Een goed ontwikkelde bodemflora en ‐fauna kan ook strooisel met een hoge C/N‐ratio verteren, maar een dergelijke ecosysteem kan zich niet ontwikkelen bij een te laag basisch kationen‐niveau. Dit pleit eens te meer voor het toepassen van loofbomen in plaats van naaldbomen. Agroforestry Aanleg van nieuwe bossen wordt beschouwd al een zeer effectieve maatregel om CO2 vast te leggen. De meeste kansen voor bosaanleg liggen in Nederland wanneer er meerdere functies kunnen worden gecombineerd. Een van de opties is agroforestry, een vorm van landgebruik waarbij bosbouw en landbouw worden gecombineerd. Agroforestry heeft grote potentie om de doelstellingen van het Actieplan te realiseren. Wanneer maar 1% van het huidige landbouwareaal een substantiële houtopstand krijgt, kan daarmee al bijna 25.000 ha ‘bos’ worden gerealiseerd.

Bovendien blijft de agrarische productiviteit van dit areaal grotendeels gehandhaafd, of kan zelfs toenemen doordat de bomen het microklimaat verbeteren, extreme weersomstandigheden bufferen, de waterbeschikbaarheid en nutriëntenbeschikbaarheid kunnen verhogen en de functionele agrobiodiversiteit kunnen versterken, bijvoorbeeld ter bestrijding of vermijden van ziekten en plagen. Dit leidt weer tot een reductie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In Nederland wordt agroforestry nog maar op zeer kleine schaal toegepast. Agroforestry‐teelten zijn vaak complexer dan ‘reguliere’ landbouw of houtteelt. Bovendien vergt het beheer van deze

systemen specifieke vakkennis die de meeste landbouwers nog niet hebben. Voor veel van de combinaties liggen geen kant‐en‐klare ontwerpen en beheerplannen klaar. Ook de positieve wisselwerkingen tussen bomen en landbouwgewassen zijn nog onvoldoende in de Nederlandse praktijk onderzocht. De meeste agrariërs zullen daarom aanvankelijk terughoudend zijn in toepassen van agroforestry. Toch is er onder zowel agrariërs, als natuurbeheerders een groeiende interesse in dit onderwerp merkbaar. In het kader van kennisontwikkeling en voorlichting is het nodig om op korte termijn in Nederland meer pilots te realiseren met agroforestry. Deze pilots moeten niet alleen dienen als onderzoeksobject om de wederzijdse effecten van bomen op landbouwgewassen of vee te onderzoeken. Ze dienen tevens als voorbeeldbedrijf waar boeren in de praktijk kunnen zien wat agroforestry inhoud. Bomen in bebouwd gebied en langs wegen Landschappelijke beplantingen zoals houtwallen, singels, lanen, hakhoutpercelen, kleine bosjes, infrastructurele beplantingen, etc., bepalen in samenhang met open ruimten het beeld in het landelijk gebied en langs wegen en andere infrastructuur. De hoeveelheid gemeentelijk groen die wordt beheerd is aanzienlijk. Naar schatting staan er in Nederland binnen de bebouwde kom ruim 7 miljoen individueel beheerde (vooral straat‐) bomen, en is er ca.

6.400 ha bos en 16.000 ha struikbeplantingen. Deze worden zelden beheerd met het oog op het produceren van grondstoffen of het vastleggen van CO2. Hier valt nog veel te winnen. De gemiddelde levensduur van een boom in de stad of bij infrastructurele beplantingen is 30 jaar. Dit is veel korter dan in bossen. Deze levensduur kan worden verlengd door een slimmer ontwerp bijv. ruimere plantafstanden en meer (ondergrondse) groeiruimte en een betere soortkeuze, zodat bomen langer overleven. Meer diversiteit qua bomen en een meer kruidenrijke omgeving is bovendien effectief tegen de overlast van eikenprocessierupsen. Deze soort gedijt immers het best in monotone eikenlanen in een omgeving zonder struiken en kruiden, zodat natuurlijke vijanden (denk aan roofmijten, sluipwespen, spinnen etc) vrijwel ontbreken. Meerwaarde groen in en nabij woongebieden; het verdienmodel In een land met hoge grondprijzen is bosuitbreiding niet eenvoudig. Aan het maatschappelijk belang van bossen wordt nauwelijks getwijfeld, gezien het belang van bossen in relatie tot klimaatverandering, de biobased economie, het belang van schoon water, schone lucht en biodiversiteit en de bijdrage die bossen leveren aan de gezondheid (o.a. tegengaan hittestress en fijnstof, stimuleren van een actieve levenswijze) en recreatiemogelijkheden dicht bij huis.

De corona‐ crisis en record‐droogte en hitte van de afgelopen 3 jaar hebben die laatste argumenten alleen maar benadrukt. Wel is er veel verschil van inzicht over de plaats waar deze bossen moeten komen en wie de rekening daarvoor moet betalen. Met betrekking tot dat laatste wordt vaak gekeken naar de (rijks)overheid. Voor private financiers geldt dat het financieel rendement en liquiditeit belangrijk zijn. Zij vinden, ook voor maatschappelijke beleggingen, een rendement van tenminste 4% een minimum. Dit kan niet worden gerealiseerd met uitsluitend houtopbrengst uit aan te planten bos. De liquiditeit vereist dat er eerder (dan pas na enkele decennia) opbrengsten kunnen worden gegenereerd, bijvoorbeeld door

het creëren van een fonds waarin naast nieuwe bossen ook bestaande bossen worden ingebracht. Met het oog op het vereiste rendement zijn naast de houtopbrengsten ook nieuwe inkomstenbronnen nodig, zoals een vergoeding voor de CO2‐vastlegging, vergoeding recreatieve diensten, hogere ozb‐inkomsten, verminderen zorgkosten en arbeidsverzuim etc. Ter indicatie; In 2016 verscheen de “Evaluation Study to support the Fitness Check of the Birds‐ and Habitats Directive” Met harde cijfers wordt aangetoond dat de economische meerwaarde van de beschermde natuurgebieden enorm is. Enkele resultaten:  Bescherming van Natura 2000 levert ecosysteemdiensten (waterzuivering, grondwater‐ bescherming, productie van vis en hout, bestuiving van gewassen etc) ter waarde van 200 – 300 miljard euro per jaar;  Bescherming van Natura 2000 levert vele banen in recreatie en toerisme door jaarlijkse recreatieve bestedingen van 50 tot 85 miljard euro;  De directe kosten van bescherming en beheer van Natura 2000 bedragen in de hele EU slechts 5,8 miljard euro per jaar; Het CBS heeft samen met Wageningen University & Research een analyse gemaakt van het economisch saldo/ha/jaar van enerzijds de agrarische sector en anderzijds de natuur‐gerelateerde inkomsten uit toerisme en recreatie.

Uit onderstaande kaartbeelden blijkt dat de bossen in de Veluwe een jaarlijkse opbrengst genereren uit recreatie en toerisme van minimaal € 10.000 per ha. De opbrengsten van de naastgelegen agrarische gronden komen niet verder dan € 750 per ha per jaar.

En de tweede figuur laat alleen nog maar de toeristisch‐recreatieve meerwaarde zien. In bovenstaande getallen zijn nog niet de grote gezondheidsvoordelen van robuuste natuurgebieden meegenomen, aangezien er nog geen methode is om die nauwkeurig te bepalen. Alleen al voor Nederland gaat het waarschijnlijk om nog eens vele miljarden euro’s per jaar.

Op dit moment kunnen de genoemde enorme financiële opbrengsten van bos en natuur nog niet worden omgebogen richting de eigenaren en beheerders van deze gebieden. Er is geen verdienmodel van te maken op bedrijfsniveau. Om die reden wordt er ook nauwelijks geïnvesteerd in nieuwe natuur. In deze regio zou hierin een pilot kunnen worden gestart, bijvoorbeeld door het terugsluizen van hogere huizenprijzen en ozb‐inkomsten en lagere rioollasten naar de eigenaren van natuur nabij bestaande en nieuwe woningen. Ook zorgverzekeraars zouden een deel van de vermeden zorgkosten en arbeidsverzuim als gevolg van nieuwe natuur moeten terugsluizen naar deze eigenaren. Berekenen gezondheidswinst van groen Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een groene omgeving leidt tot een betere gezondheid van mensen. Groen heeft een positief effect op de luchtkwaliteit, stressreductie, verkoeling, gemoedstoestand, concentratie en nodigt uit tot gezonde levensstijl met meer bewegen. In 2013 werd de TEEB‐stad‐tool gelanceerd op initiatief van onder andere het ministerie van Economische Zaken. Het instrument geeft de gebruiker inzicht in de baten van groen zoals de waarde van woningen en gezondheid.

TEEB staat voor the Economics of Ecosystems and Biodiversity (TEEB) en is gebaseerd op een uitgebreide internationale studie naar de economische betekenis van biodiversiteit en ecosysteemdiensten geïnitieerd door de Verenigde Naties. De TEEB‐stad tool beperkt zich (vooralsnog) tot de tien meest voorkomende (en generiek berekenbare) maatschappelijke baten van groene en blauwe maatregelen in en rond woongebieden. De tool kan gebruikt worden als eerste stap om na te gaan welke baten er optreden binnen en rond een project. Wanneer bijvoorbeeld direct aansluitend aan een bestaand woongebied 5 hectare recreatief toegankelijk bos wordt aangelegd, met 1200 bewoners binnen 1000 meter van het nieuwe bos, dan berekent TEEB‐stad de volgende gezondheidswinst: ‐ ‐ ‐ ‐

50 minder patiënten lijdend aan o.a. migraine, diabetes, astma & COPD, bovenste luchtweginfectie, nek‐ en rugklachten, depressie, angststoornissen en coronaire hartziekten. Besparing op zorgkosten over 30 jaar: € 900.000 33 minder zieke werknemers Besparing op arbeidsverzuim over 30 jaar: € 4.300.000

Bij een grondprijs van € 65.000 per hectare verdient 5 ha nieuw bos zich dus al na enkele jaren terug qua gezondheidswinst. Het model kan verder ook de meerwaarde van nieuw groen berekenen voor de WOZ‐waarde van woningen (en dus de OZB‐inkomsten), het energiegebruik van woningen (zowel ’s winters als zomers) en de kosten van waterberging. Tenslotte Zowel het aanplanten als het kappen van bomen roepen vaak vragen, zo niet weerstand op bij bewoners en gebruikers van een gebied. Goede, tijdige voorlichting is daarom essentieel om bovenbeschreven veranderingsprocessen succesvol te laten zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10555567/1