339896 Strategische afweging omgevingsaspecten OV gemeente Epe HR
Tekst van het document
Ook archeologische waarden kunnen op die manier worden ontzien. Samenvattend overzicht effectbeoordeling De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de effectbeoordeling in dit hoofdstuk.
Tabel 4.7 Samenvattende effectbeoordeling landschap, cultuurhistorie en archeologie
Herkenbaarheid
Scenario 1
Scenario
Scena-
land-
2
rio 3
-/0
0/+
-/0
oost-
0
+
0
-/0
+
-/0
-
+
-/0
-
-/0
-/0
schapstypen Herkenbaarheid weststructuur Verstening Herkenbaarheid
histori-
sche patronen / elementen Behoud
archeologische
waarden
4.3
Verkeer, woon- en leefklimaat
Beoordelingskader Tabel 4.8 geeft een samenvattend overzicht van de beoordelingscriteria voor de thema’s verkeer en woon- en leefklimaat. Tabel 4.8 Beoordelingscriteria verkeer, woon- en leefklimaat Thema’s
Criteria
Verkeer
-
verkeersafwikkeling verkeersveiligheid
Luchtkwaliteit
-
concentraties gende stoffen
Geluid
-
geluidbelasting kans op hinder / aantal gehinderden
Externe veiligheid
-
plaatsgebonden risico groepsrisico
Geur
-
geurbelasting kans op hinder / aantal gehinderden gezondheidsrisico’s gezondheidsbevordering
Gezondheid
-
luchtverontreini-
Effectbeoordeling Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid Verkeer Het forse woningbouwprogramma (2.000 woningen) en de uitbreiding van het bedrijventerrein (15 hectare) brengen een grote toename van verkeer met zich mee. Op basis van kentallen kan de totale verkeersgeneratie in dit scenario 15.000 – 20.000 mvt/etmaal bedragen. Ook als maximaal
24/41
wordt ingezet op het versterken van de fietsinfrastructuur en het openbaar vervoer om het aandeel autoverkeer te verlagen, zal sprake zijn van een aanzienlijke verkeersgeneratie. In potentie heeft dit scenario negatieve gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid (-). Om het extra verkeer op een goede en veilige manier af te kunnen wikkelen zijn naar verwachting plaatselijk aanpassingen noodzakelijk aan de bestaande infrastructuur. Luchtkwaliteit In de referentiesituatie is de luchtkwaliteit binnen de gemeente over het algemeen goed. Plaatselijk kan (met name op korte afstand van drukke wegen en veehouderijen) sprake zijn van verhoogde concentraties, maar worden desondanks de wettelijke grenswaarden niet overschreden. In dit scenario zal het extra verkeer leiden tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen, maar door de spreiding van de ontwikkelingslocaties blijven de effecten relatief beperkt. Ook de bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein kunnen leiden tot een toename van emissies. Over het algemeen zal het om relatief lichte bedrijvigheid gaan (uitgangspunt is maximaal milieucategorie 3.2) en zal geen sprake zijn van zware industriële activiteiten. Een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit is in dit scenario niet uit te sluiten, maar de gevolgen blijven beperkt (-/0).
Van een overschrijding van wettelijke grenswaarden zal geen sprake zijn. Geluid De realisatie van woningen vindt plaats in of aansluitend aan de bestaande woonkernen. Over het algemeen zijn de uitbreidingslocaties op enige afstand van de hoofdinfrastructuur gelegen. Er kan sprake zijn van lokale bronnen met een beperkte geluiduitstraling, maar over het algemeen is de akoestische situatie binnen de toekomstige woongebieden gunstig. Afhankelijk van de ontsluiting kan het extra verkeer in dit scenario wel gevolgen hebben voor de geluidbelasting ter plaatse van bestaande woningen langs de ontsluitende wegen. Zo nodig dienen maatregelen te worden getroffen om onaanvaardbare akoestische situaties te voorkomen. Daarnaast wordt in dit scenario het bestaande bedrijventerrein fors uitgebreid. Wanneer deze uitbreiding aan de zijde van de kern Vaassen worden gerealiseerd, dient kritisch te worden gekeken naar de indeling van het terrein en de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten. Ook relatief lichte bedrijvigheid kan cumulatief leiden tot relevante geluidbelastingen. Een toename van het aantal geluidgehinderden is in dit scenario niet uit te sluiten (-).
Tot slot worden binnen dit scenario drie windturbines gerealiseerd binnen het oostelijke deel van de gemeente. Gezien het beperkte aantal, de locaties en de afstand tot de woongebieden zal dit niet leiden tot een relevante toename van geluidgehinderden. Ook ter plaatse van verspreid liggende woningen in het buitengebied dient vanzelfsprekend te worden voldaan aan de geldende geluidnormen. Externe veiligheid De risicosituatie is in de referentiesituatie gunstig. Het plaatsgebonden risico leidt (gezien de beperkte omvang van de contouren) niet tot relevante ruimtelijke beperkingen of knelpunten. Een toename van het groepsrisico (bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van risicobronnen) is niet uit te sluiten, maar naar verwachting zal dit niet leiden tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of kan een overschrijding worden voorkomen door bij de inrichting van de nieuwe woongebieden en bedrijventerrein rekening te houden met de ligging ten opzichte van de risicobronnen. Het effect van dit scenario wordt als beperkt negatief beoordeeld (-/0). Uitgangspunt is dat binnen de uitbreiding van het bedrijventerrein geen ruimte wordt geboden voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Voor de drie windturbines in dit scenario kan zonder meer worden voldaan aan de geldende afstandseisen, zodat relevante risico’s kunnen worden uitgesloten.
Geurhinder In dit scenario worden uitbreidingslocaties met nieuwe woningen aangrenzend aan het bestaande stedelijk gebied gerealiseerd, veelal op gronden die nu een agrarische functie hebben. De realisatie van de nieuwe woongebieden kan leiden tot sanering van agrarische bouwvlakken / bestaande veehouderijen en daarmee positieve gevolgen hebben voor de geurbelasting. Afhankelijk van de begrenzing van de woongebieden kunnen veehouderijen in de omgeving van invloed zijn op de geurhindersituatie binnen de nieuwe woongebieden. Door bij de inrichting van de nieuwe woonwijken rekening te houden met de geurcontouren van omliggende bedrijven, zal per saldo geen sprake zijn van een relevante toename van het aantal geurgehinderden. Waar het gaat om de uitbreiding van het bedrijventerrein is van belang dat het gaat om relatief lichte bedrijvigheid en geen industriële activiteiten met een relevante geurbelasting. Gezondheid Uit de voorgaande effectbeoordeling voor de afzonderlijke omgevingsaspecten blijkt dat er vanuit het oogpunt van ge-
25/41
zondheidsbescherming in dit scenario geen sprake is van relevante risico’s. Weliswaar kan op onderdelen sprake zijn van beperkte negatieve effecten, maar waar het gaat om de luchtkwaliteit, de akoestische situatie, de geurhindersituatie en de risicosituatie (externe veiligheid) is geen sprake van knelpunten of (van gezondheidsoogpunt bezien) bijzonderheden. Bij de ontwikkeling van nieuwe woongebieden liggen er kansen om in te zetten op gezondheidsbevordering, zeker in dit scenario waar het gaat om woonwijken van forse omvang. Door bij de inrichting van het gebied en vormgeving van de openbare ruimte nadrukkelijk in te zetten op gezondheid (groen, uitnodigen tot bewegen en sociale interactie) kan sprake zijn van positieve gezondheidseffecten. Scenario 2 – Natuur, water en recreatie Verkeer Binnen dit scenario is de verkeerstoename aanzienlijk kleiner dan in het scenario 1. Op basis van kentallen bedraagt de verkeersgeneratie voor het woonprogramma en de uitbreiding van het bedrijventerrein in totaal 7.000 – 8.000 mvt/etmaal. Daarnaast is sprake van een grotere spreiding van de woningen over het gebied, waardoor de druk op de bestaande infrastructuur minder groot is. De recreatieve ontwikkelingen zullen een toename van verkeersbewegingen tot gevolg hebben, maar daar staat een forse afname van landbouwverkeer tegenover.
Per saldo zal in dit scenario geen sprake zijn van relevante gevolgen voor de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. Luchtkwaliteit Binnen dit scenario kan langs de ontsluitende wegen sprake zijn van een beperkte toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen, maar zal het verdwijnen van agrarische functies positieve gevolgen hebben voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen (in het bijzonder waar het gaat om de fijn stof vanuit stallen).Ten opzichte van de referentiesituatie zullen zowel de positieve als de negatieve effecten plaatselijk en beperkt zijn. Per saldo wordt het effect van dit scenario als neutraal beoordeeld (0). Geluid In vergelijking met scenario 1 liggen de woningbouwlocaties meer verspreid over het gebied en over het algemeen op grotere afstand van de hoofdinfrastructuur. Ook heeft de uitbreiding van het bedrijventerrein in dit scenario een (veel) beperktere omvang. De totale verkeersgeneratie is beperkt en minder geconcentreerd, waardoor over het algemeen de gevolgen voor de akoestische situatie ter plaatse van bestaande woningen verwaarloosbaar zullen zijn. Wanneer bij de uitwerking van plannen enige aandacht wordt besteed aan het aspect geluid is in dit scenario geen sprake van een relevante toename van het aantal geluidgehinderden (0). Dat
geldt ook voor de inpassing van de twee windturbines die in dit scenario zijn voorzien nabij de A50. Externe veiligheid De risicobronnen bevinden zich met name in de oostelijke helft van de gemeente, terwijl in dit scenario de ruimtelijke dynamiek vooral binnen het westelijke deel plaatsvindt. Binnen dit scenario kunnen knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden risico worden uitgesloten en zal ook geen sprake zijn van relevante gevolgen voor het groepsrisico van de diverse risicobronnen. Het effect van dit scenario wordt als neutraal beoordeeld (0). Geur Binnen dit scenario verdwijnt een fors aantal agrarische bouwvlakken en daarmee ook geuremissiebronnen, waarmee in potentie sprake is van positieve gevolgen voor de geurbelasting ter plaatse van bestaande woningen. Nieuwe woningen worden in dit scenario veelal ingepast binnen groenstructuren en daarmee op enige afstand van agrarische bedrijven. De geurbelasting zal over het algemeen beperkt zijn. Per saldo is in dit scenario sprake van een beperkt positief effect op het aantal geurgehinderden. Gezondheid Vanuit gezondheidsbescherming is er binnen dit scenario geen sprake van nadelige effecten en op onderdelen positieve effecten, met name bij sanering van veehouderijen (minder geurhinder en andere diergerelateerde gezondheidsrisico’s).
Waar het gaat om de gezondheidsbevordering wordt dit scenario als zeer positief beoordeeld (++). De nieuwe parkbossen in dit scenario hebben niet alleen positieve gevolgen voor de gezondheid van de toekomstige bewoners, maar ook voor de bestaande bewoners in de omliggende woonwijken. Binnen dit scenario is sprake van een sterke vergroening van de leefomgeving, die uitnodigt tot een gezonde leefstijl. Scenario 3 – Energieplus en landbouw Verkeer De woningopgave gerealiseerd in clusters aansluitend aan de bestaande kernen. Op basis van de kentallen bedraagt de totale verkeersgeneratie in dit scenario (1.300 woningen en 10 ha bedrijventerrein) 9.000 – 11.000 mvt/etmaal. Doordat sprake is van verspreid liggende clusters woningen kan het extra verkeer naar verwachting op een goede en veilige manier worden afgewikkeld over de bestaande infrastructuur. Het effect wordt als neutraal beoordeeld. Luchtkwaliteit Ook in dit scenario zal het extra verkeer leiden tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen, maar door de spreiding van de ontwikkelingslocaties blijven
26/41
de effecten zeer beperkt. De 10 hectare circulair bedrijventerrein zal in dit scenario niet leiden tot een toename van concentraties luchtverontreinigende stoffen. De gevolgen van dit scenario voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden als neutraal beoordeeld (0). Geluid In dit scenario is sprake van verspreid liggende woonclusters. Afhankelijk van de ligging ten opzichte van de hoofdinfrastructuur zou in bepaalde gevallen sprake kunnen zijn van relevante geluidbelastingen door het wegverkeer. De totale verkeerstoenames door de woningbouwontwikkelingen zijn niet geconcentreerd, waardoor over het algemeen de gevolgen voor de akoestische situatie ter plaatse van bestaande woningen verwaarloosbaar zullen zijn. De inpassing van de 10 hectare nieuw bedrijventerrein en de akoestische gevolgen voor bestaande woningen vraagt wel enige aandacht. Binnen dit scenario worden 10 windturbines gerealiseerd in de zone langs de A50. Ter plaatse is reeds sprake van een relevante geluidbelasting door het wegverkeer. Daarnaast is de afstand tot de woonkernen aanzienlijk. Wel kunnen de windturbines van invloed zijn op de akoestische situatie ter plaatse van verspreid liggende woningen in het buitengebied. Binnen dit scenario is een beperkte toename van het aantal geluidgehinderden niet uit te sluiten (-/0).
Externe veiligheid Het plaatsgebonden risico leidt (gezien de beperkte omvang van de contouren) ook in dit scenario niet tot relevante ruimtelijke beperkingen of knelpunten. Een toename van het groepsrisico (bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van risicobronnen) is niet volledig uit te sluiten, maar naar verwachting zal dit niet leiden tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of kan een overschrijding worden voorkomen door bij de inrichting van de nieuwe woongebieden en bedrijventerrein rekening te houden met de ligging ten opzichte van de risicobronnen. Het maximale (potentiële) effect van dit scenario wordt als beperkt negatief beoordeeld. Uitgangspunt is dat binnen de uitbreiding van het bedrijventerrein geen ruimte wordt geboden voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Voor de tien windturbines dient te worden voldaan aan de geldende afstandseisen, zodat relevante risico’s kunnen worden uitgesloten. Geur De effecten van dit scenario zijn vergelijkbaar met scenario 1. Al is het woonprogramma kleiner en wordt dit gerealiseerd binnen verschillende clusters. De uitbreidingslocaties met
nieuwe woningen worden grenzend aan het bestaande stedelijk gebied gerealiseerd, veelal op gronden die nu een agrarische functie hebben. De realisatie van de nieuwe woongebieden kan leiden tot sanering van agrarische bouwvlakken / bestaande veehouderijen en daarmee positieve gevolgen hebben voor de geurbelasting al zullen deze positieve gevolgen kleiner zijn dan binnen scenario 1. Afhankelijk van de begrenzing van de woongebieden kunnen veehouderijen in de omgeving van invloed zijn op de geurhindersituatie binnen de nieuwe woongebieden. Door bij de inrichting van de nieuwe woonwijken rekening te houden met de geurcontouren van omliggende bedrijven, zal per saldo geen sprake zijn van een relevante toename of afname van het aantal geurgehinderden (0). Gezondheid Uit de voorgaande effectbeoordeling voor de afzonderlijke omgevingsaspecten blijkt dat er vanuit het oogpunt van gezondheidsbescherming in dit scenario geen sprake is van relevante risico’s. Weliswaar kan op onderdelen sprake zijn van beperkte negatieve effecten, maar waar het gaat om de luchtkwaliteit, de akoestische situatie, de geurhindersituatie en de risicosituatie (externe veiligheid) is geen sprake van knelpunten of (van gezondheidsoogpunt bezien) bijzonderheden. Bij de ontwikkeling van de woonclusters liggen er kansen om in te zetten op gezondheidsbevordering.
Door bij de inrichting van het gebied en vormgeving van de openbare ruimte nadrukkelijk in te zetten op gezondheid (groen, uitnodigen tot bewegen en sociale interactie) kan sprake zijn van positieve gezondheidseffecten. Samenvattend overzicht effectbeoordeling De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de effectbeoordeling in dit hoofdstuk. Tabel 4.9 Samenvattende effectbeoordeling verkeer, woonen leefklimaat Thema’s en criteria
2
3
Verkeer -
Verkeersafwikkeling
-
0
0
-
verkeersveiligheid
-
0
0
concentraties lucht-
-
0
0
verontreinigende
/0
-
0
-/0
-
0
-/0
Luchtkwaliteit
stoffen Geluid -
27/41
geluidbelasting
kans op hinder / aantal gehinderden
Externe veiligheid -
plaatsgebonden ri-
0
0
0
-/0
0
-/0
sico -
groepsrisico
Geur -
Geurbelasting
+
+
0/
-
kans op hinder /
0
+
+
aantal gehinderden
0
Gezondheid -
gezondheidsrisico’s
0
0
0
-
gezondheidsbevor-
+
++
+
dering
4.4
Klimaat
Beoordelingskader Tabel 4.10 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor het thema klimaat. Tabel 4.10 Beoordelingscriteria klimaat Thema’s Uitstoot
Criteria
broeikasgas-
sen Opwekking energie
Verandering
uitstoot
/vastlegging
CO2 groene
• Opbrengst Kwh/jr • Aantal huishoudens met groene stroom
Veenoxidatie
Verandering emissies broeikasgassen
Scenario
1
-
-
Toelichting Uitstoot broeikasgassen Landbouw De landbouw in het plangebied bestaat overwegend uit veehouderij. De uitstoot van broeikasgassen door de veehouderij betreft ingewikkelde materie. Hieronder wordt als voorbeeld de situatie in de melkveehouderij op hoofdlijnen toegelicht. In de melkveehouderij worden meerdere soorten broeikasgassen uitgestoten. Naast koolstofdioxide (CO2) betreft dit methaan (CH4) en lachgas (N2O). Een eenheid CH4 of N20 draagt respectievelijk 34 en 298 keer meer bij aan het broeikaseffect dan een eenheid koolstofdioxide. 91 procent van alle broeikasgassen wordt uitgestoten voordat de melk naar
de fabriek wordt gebracht. Dit is inclusief ongeveer 26 procent uitstoot van het produceren van aangekochte producten zoals krachtvoer en kunstmest. De uitstoot van broeikasgassen in de melkveehouderij is divers (bron: Kennisdocument-DZK-broeikasgassen.pdf (duurzamezuivelketen.nl) en betreft de volgende factoren; • • • • • •
Vastleggen CO2 door bos In Nederland legt bos gemiddeld 8 ton CO2/ha/jr vast. Daarbij is er een aanzienlijk verschil per boomsoort, zoals onderstaande tabel laat zien. Tabel 4.11 CO2-vastlegging per boomsoort in Nederland
CO2-, N2O- en CH4-uitstoot door productie en aankoop voer, kunstmest en overige aankopen CH4-uitstoot door pens- en darmfermentatie in de koe CH4- en N2O-uitstoot door bemesting N2O- en CH4- uitstoot door mest uit stal- en buitenopslag CO2-uitstoot door brandstoffen voor melktransport naar en tussen productielocaties Uitstoot en vastlegging door omzetting van koolstof in de bodem
Onder de huidige teeltomstandigheden (gras en bouwland) bestaat er in Nederland een evenwicht tussen uitstoot en vastlegging van koolstof in de bodem, behalve op veengrond. Door het toevoegen van organische stof aan de bodem, stijgt het koolstofgehalte. Bodemorganismen gebruiken dit als voedsel, waarbij een deel van de koolstof wordt omgezet naar CO2. Daarnaast wordt een deel van de koolstof vastgelegd in de bodem, Dit komt weer vrij als de bodem bewerkt wordt (scheuren; gemiddeld eens per 6 jaar).
Bron; Feiten en cijfers | Klimaatslim Bos- en Natuurbeheer (vbne.nl)
Verder is het denkbaar dat bij een afname van de productie van melk en vlees in Nederland, deze productie zich verplaatst naar het (verre) buitenland waar de broeikasgasemissie per eenheid product hoger is dan in Nederland. De transportemissies naar de buitenlandse consument zijn dan echter weer lager.
Qua biodiversiteit gezien zijn vooral inheemse (loofhout)soorten wenselijk, hetgeen bij de aanleg van nieuw bos (maar ook de omvorming van bestaand bos met exoten) pleit voor de toepassing van met name beuk, zomereik en gewone esdoorn op droge gronden en vooral es en zwarte els op meer vochtige groeiplaatsen. Bebossing van akkerland biedt de meeste meerwaarde qua CO2-vastlegging. Bij bebossing van grasland (niet op veengrond) is er een kleinere netto vastlegging door nieuw bos. Bebossing van veengrond is alleen zinvol indien dit samengaat met een flinke verhoging van het waterpeil en toepassing van zwarte elzen.
Vanwege deze complexiteit kan de afname van het landbouwareaal per scenario niet eenvoudig vertaald worden naar veranderingen in broeikasgasemissies. Deze vertaling blijft hier daarom geheel achterwege, ook kwalitatief.
De gemeente Epe heeft 8.760 ha bos (55%) (bron: Epe, Gelderland, Netherlands Interactive Forest Map | GFW (globalforestwatch.org). Dit bos legt jaarlijks circa 70.000 ton CO2 vast.
Huishoudens Een huishouden stoot jaarlijks gemiddeld direct 7,5 ton CO2 uit door energie in huis en vervoer. Daarbovenop komt nog eens 12,5 ton aan indirecte CO2-uitstoot voor onder meer voeding, spullen en kleding (bron: www.milieucentraal.nl). Op basis van het aantal nieuwe woningen per scenario kan derhalve een inschatting gemaakt worden van de toename in CO2-emissies.
Epe telde in 2020 14.212 huishoudens (bron: www.allecijfers.nl) die gezamenlijk circa 284.000 ton CO2 emitteren. Zelfs in een zeer bosrijke gemeente als Epe stoten dus alleen al de huishoudens 4 keer meer CO2 uit dan wordt vastgelegd door het bos.
28/41
Opwekking groene energie Eén hectare met zonnepanelen wekt ongeveer 1 á 1,3 miljoen kWh per jaar op. Dit is evenveel als circa 400 á 520 huishoudens per jaar gemiddeld gebruiken. Voor de onderstaande effectbeschrijving wordt uitgegaan van 1 miljoen kWh per hectare per jaar.
De energieopbrengst van een windturbine is evenredig met het kwadraat van de rotordiameter en de derde macht van de gemiddelde windsnelheid. Voor de onderstaande effectbeschrijving wordt uitgegaan van een ashoogte van 85 meter, een rotordiameter van 92 meter en een tiphoogte van 131 meter. Per jaar wekken deze ongeveer 4,25 miljoen kWh op, genoeg om circa 1.700 huishoudens één jaar lang van groene stroom te voorzien. Op basis van het aantal windturbines of hectares zonnepark per scenario kan derhalve een inschatting gemaakt worden van de opwekking van groene energie. Veenoxidatie Het plangebied kent een klein areaal veengrond dat agrarisch gebruikt wordt. Gemiddeld komt er in Nederland jaarlijks 30 ton CO2 vrij per hectare agrarisch veenweidegebied, afhankelijk van de dikte van het veenpakket en de ontwateringsdiepte (bron: CLM Onderzoek en Advies 2018). Omdat de exacte omvang, dikte en ontwatering van het veenpakket in het plangebied niet bekend is, wordt in deze effectbeschrijving alleen een kwalitatieve beschrijving gegeven van de verwachte verandering van veenoxidatie per scenario. Effectbeoordeling Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid In dit scenario worden 2.000 woningen gebouwd. Daarnaast biedt dit scenario ruimte voor 3 windturbines en 15 hectare nieuw zonnepanelen op daken van bedrijven.
Tevens wordt 11 hectare opgaand groen gerealiseerd als landschappelijke inpassing van nieuwe functies. In onderstaande tabel zijn de CO2-emissies en opgewekte groene stroom weergegeven. Toename areaal bos/groen Vastlegging CO2 Aantal nieuwe woningen CO2-emissietoename huishoudens Opwekking groene energie Zon Wind Totaal
11 ha -88 ton/jr 2000 + 40.000 ton/jr
15 miljoen kWh 12,75 miljoen kWh 27,75 miljoen kWh (= 11.100 huishoudens)
In dit scenario wordt dus veel meer CO2 geëmitteerd dan vastgelegd door de nieuwe woongebieden. Epe telde in 2020 14.212 huishoudens (bron: www.allecijfers.nl). Samen met de 2.000 nieuwe huishoudens in dit scenario maakt dit 16.212 huishoudens. Deze kunnen in dit scenario voor 68% voorzien worden van groene stroom uit eigen gemeente.
29/41
Veenoxidatie In dit scenario vinden in beginsel geen functieveranderingen op veengrond plaats, zodat er geen verandering is in de CO2emissie van deze ontwaterde gronden. Indien de nieuwe zonneparken worden gerealiseerd op veengrond kan in combinatie met verhoging van het waterpeil wel sprake zijn van een afname van de emissies. Scenario 2 - Natuur, water en recreatie In dit scenario worden 1.000 woningen gebouwd en 1.000 ha nieuw bos aangelegd. Daarnaast biedt dit scenario ruimte voor 2 windturbines en 75 hectare nieuwe zonneparken. Tevens wordt 13 hectare opgaand groen gerealiseerd als landschappelijke inpassing van nieuwe functies. In onderstaande tabel zijn de CO2-emissies en opgewekte groene stroom weergegeven. Toename areaal bos/groen Vastlegging CO2 Aantal nieuwe woningen CO2-emissietoename huishoudens Opwekking groene energie Zon Wind Totaal
1.013 ha -8.104 ton/jr 1000 + 20.000 ton/jr
75 miljoen kWh 8,5 miljoen kWh 83,5 miljoen kWh (= 33.400 huishoudens)
In dit scenario wordt 2,5 x meer CO2 geëmitteerd dan vastgelegd door de nieuwe bossen en woongebieden. Epe telde in 2020 14.212 huishoudens (bron: www.allecijfers.nl). Samen met de 1.000 nieuwe huishoudens in dit scenario maakt dit 15.212 huishoudens. Deze kunnen in dit scenario voor 100% voorzien worden van groene stroom uit eigen gemeente. Veenoxidatie De ruim 1.000 ha nieuwe functies kunnen deels gecombineerd worden met opzetten van het waterpeil. Wanneer dit gebeurt ter plaatse van de momenteel ontwaterde veengronden, dan kan veel extra CO2-emissie worden vermeden. Scenario 3 - Energieplus en landbouw In dit scenario worden 1.300 woningen gebouwd. Daarnaast biedt dit scenario ruimte voor 10 windturbines en 200 hectare nieuw zonnepanelen op daken van bedrijven. Tevens wordt 27 hectare opgaand groen gerealiseerd als landschappelijke inpassing van nieuwe functies.
Toename areaal bos/groen Vastlegging CO2 Aantal nieuwe woningen CO2-emissietoename huishoudens Opwekking groene energie Zon Wind Totaal
4.5
27 ha -216 ton/jr 1300 + 26.000 ton/jr
Economie en maatschappij
Beoordelingskader
200 miljoen kWh 42,5 miljoen kWh 242,5 miljoen kWh (= 97.000 huishoudens)
Tabel 4.13 geeft een overzicht van de beoordelingscriteria voor de thema’s die samenhangen met economie en maatschappij. Tabel 4.13 Beoordelingscriteria economie en maatschappij Thema’s Criteria Economie
Werkgelegenheid -> Ontwikkeling arbeidsplaatsen
In dit scenario wordt dus veel meer CO2 geëmitteerd dan vastgelegd door de nieuwe woongebieden. Epe telde in 2020 14.212 huishoudens (bron: www.allecijfers.nl). Samen met de 1300 nieuwe huishoudens in dit scenario maakt dit 15.512 huishoudens. Deze kunnen in dit scenario voor 100% voorzien worden van groene stroom uit eigen gemeente. Veenoxidatie In dit scenario vinden in beginsel geen functieveranderingen op veengrond plaats, zodat er geen verandering is in de CO2emissie van deze ontwaterde gronden. Indien de 200 ha nieuwe zonneparken worden gerealiseerd op veengrond kan in combinatie met verhoging van het waterpeil wel sprake zijn van een afname van de emissies. Samenvattend overzicht effectbeoordeling De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de effectbeoordeling in dit hoofdstuk. Tabel 4.12 Samenvattende effectbeoordeling klimaat Criteria Vastlegging CO2 (toename bosareaal) CO2-emissietoename huishoudens Opwekking groene energie (totaal) Veenoxidatie
30/41
Scenario 1
Scenario 2
Scenario 3
0/+
++
0/+
-
-/0
-/0
+
+
++
0
+
0/+
Kansen ontwikkeling stuwende sectoren Vitaliteit en kansrijkheid voor de lange termijn Maatschappij
Prettig wonen Waardering voor de woonomgeving Welzijn. Gevoel van welbevinden
Effectbeoordeling Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid Economie Binnen scenario 1 is sprake van een forse toename van het aantal arbeidsplaatsen als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein Eekterveld (645 extra arbeidsplaatsen, ++). Waar het gaat om de kansen voor de ontwikkeling van stuwende sectoren, is van belang dat het omvangrijke woningbouwprogramma in dit scenario tot meer draagvlak voor de voorzieningen binnen de centra van de kernen leidt(+). Ook de uitbreiding van het bedrijventerrein biedt in deze omvang kansen (+). Binnen scenario 1 is geen sprake van ontwikkelingen of uitgangspunten die in een relevante bijdrage leveren aan de vitaliteit en kansrijkheid op de lange termijn. Maatschappij Het woonprogramma binnen dit scenario leidt, uitgaande van verschillende woningtypes met aandacht voor de omgevingskwaliteit, tot prettig wonen met waardering voor de woonomgeving (+). Wel staat in dit scenario door de grote uitbreiding binnen de kernen de (als positief ervaren) dorpse schaal onder druk (-).
Scenario 2 - Natuur, water en recreatie Economie Binnen dit scenario is sprake van een beperkte toename van het aantal arbeidsplaatsen als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein Eekterveld (150 extra arbeidsplaatsen). Binnen scenario 2 liggen er grote kansen voor de recreatieve sector en horeca (++). Door het beperktere woningbouwprogramma is geen sprake van een groter draagvlak voor voorzieningen (0). De kansen voor het agrarisch ondernemen worden in dit scenario beperkt ten opzichte van de referentiesituatie (-). Maatschappij De toename van bos, natuur en recreatiemogelijkheden binnen dit scenario heeft positieve gevolgen voor de waardering van de woonomgeving (++) en ook voor het gevoel van welbevinden (+). De toename van het aantal bezoekers van buitenaf kan daarentegen als negatief worden ervaren (-). Scenario 3 - Energieplus en landbouw Economie De toename aan werkgelegenheid op het bedrijventerrein bedraagt in dit scenario 430 arbeidsplaatsen (+). In het weteringengebied liggen er kansen voor versterking van de agrarische structuur (++). Het circulaire bedrijventerrein (uitbreiding 10 ha) wordt positief beoordeeld vanuit het oogpunt van vitaliteit en kansrijkheid voor de lange termijn (++).
Maatschappij De grootschalige hernieuwbare energie binnen dit scenario kan leiden tot maatschappelijke onrust en daarmee een negatief effect hebben op de waardering van de woonomgeving (-). Anderzijds kan het opwekken van eigen energie (lokaal eigendom) ook juist positief bijdragen aan het welzijn / gevoel van welbevinden (+).
Samenvattend overzicht effectbeoordeling De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de effectbeoordeling in dit hoofdstuk.
31/41
Tabel 4.13 Samenvattende effectbeoordeling economie en klimaat Criteria Scenario Scenario 2 Scenario 3 1 Werkgelegen-
++
0/+
+
+
++
+
++ recreatie en centra 0 draagvlak voorz. - agrarisch ++
+
++ recreatie
-
heid Kansen ontwikkeling stuwende sectoren Vitaliteit
en
++
kansrijkheid voor de lange termijn Prettig wonen
- bezoekers van buitenaf
Waardering voor de woonomgeving
Welzijn / gevoel van welbevinden
-
+
+
Samenvattend overzicht Tabel 4.14 geeft een samenvattend overzicht van de effectbeoordeling uit het voorgaande hoofdstuk. Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat scenario’s op onderdelen aanmerkelijk verschillen. Daarnaast zijn er relevante verschillen tussen de scenario’s per deelgebied (Veluwe, Veluweflank, IJsselvallei) die leiden tot verschillende ruimtelijke en milieueffecten. Uit de analyse per aspect in dit hoofdstuk en de samenvattende tabel 4.14 blijkt dat scenario 2 op onderdelen aanzienlijk gunstiger wordt beoordeeld dan de beide andere scenario’s. De positieve gevolgen binnen scenario 2 worden voor een belangrijk deel veroorzaakt door de grootschalige veranderingen in het buitengebied. Door omzetting van agrarische functies in andere functies is sprake van aanzienlijke milieuvoordelen en wordt tegelijkertijd ruimte geboden voor nieuwe woningen in een aantrekkelijk groen, gezond milieu met een hoge biodiversiteit. Vanuit het grijze milieu (geluid, geur, luchtkwaliteit, externe veiligheid) zijn er binnen scenario 2 weinig tot geen belemmeringen. Binnen dit scenario ontstaan er nieuwe mogelijkheden voor hoogwaardige recreatie, terwijl tegelijkertijd de recreatiedruk op de Veluwe gelijk blijft of zelfs afneemt. Tevens biedt dit scenario ruimte voor opwekking van duurzame energie , conform het RES.
Tenslotte ontstaat veel stikstofruimte waar de lokale economie van kan profiteren. Zoals toegelicht is het doel van de strategische afweging echter niet het maken van een keuze voor één van de scenario’s. Het gaat om het in beeld brengen van de potentiële milieugevolgen van de keuzes die voorliggen in het kader van de omgevingsvisie, de noodzakelijke transities en de daarmee samenhangende kansen en eventuele knelpunten. Scenario 1 en 3 worden in algemene zin minder positief beoordeeld dan scenario 2. Dat is enerzijds het gevolg van het omvangrijke programma aan wonen en werken (zeker in scenario 1) in combinatie met de bescheiden groene ambities en anderzijds door de locaties van nieuwe functies en de ruimtelijke uitgangspunten die daarbij zijn gehanteerd. Tabel 4.14 Totaaloverzicht effectbeoordeling scenario’s
32/41
Ook scenario 1 en 3 bevatten echter elementen en uitgangspunten die uiteindelijk een plek moeten krijgen in de omgevingsvisie. Bijvoorbeeld waar het gaat om het voorzien in de woningbehoefte en de opwekking van duurzame energie. Door een zorgvuldige locatiekeuze en ontwerp kunnen voordelen worden gemaximeerd of nadelen worden gereduceerd. Hier wordt nader op ingegaan in de analyse per zone aan het slot van dit hoofdstuk.
5. STRATEGISCHE AFWEGING Inleiding In dit hoofdstuk wordt op basis van de effectbeoordelingen inzicht gegeven in de bouwstenen voor de omgevingsvisie, waarbij de resultaten worden bekeken in het licht van de opgaven zoals die in hoofdstuk 3 van de omgevingsvisie zijn beschreven. Per zone wordt vervolgens richting gegeven aan de ontwikkelingsmogelijkheden en de daaraan gekoppelde voorwaarden. Dit vormt input voor de ruimtelijke keuzes in hoofdstuk 4 van de omgevingsvisie. Opgaven omgevingsvisie In de omgevingsvisie is een viertal opgaven beschreven en geconcretiseerd: • Duurzame toekomst • Gezondheid, zorg en welzijn • Goed wonen • Ondernemen Deze paragraaf geeft een samenvatting van de belangrijkste punten uit deze vier opgaven. Duurzame toekomst Een duurzame toekomst is een overkoepelende opgave en hangt samen met de andere drie opgaven. Daarbij gaat het om grote vraagstukken zoals de klimaatverandering, de biodiversiteitscrisis, het stikstofprobleem en op langere termijn het tekort aan grondstoffen zoals hout. In de omgevingsvisie is de opgave geconcretiseerd. Belangrijke onderdelen zijn het verbeteren van de biodiversiteit en benutten van de kansen voor natuur, het inspelen op klimaatverandering (tegengaan van droogte, maar ook opvangen van piekbuien) en de wijze waarop binnen de gemeente invulling wordt geven aan de beoogde energietransitie.
Gezondheid, zorg en welzijn Belangrijk binnen deze opgave is het vergroten van de toegankelijkheid van het buitengebied, met mogelijkheden voor actieve recreatie. Met het oog op de vergrijzing zijn het behoud van voorzieningen en het realiseren van slimme combinaties van wonen en zorg en bevorderen van doorstroming van belang. Inzet is het stimuleren van bewegen, ontmoeten, een schone leefomgeving, vergroenen van de woonomgeving en werklocaties. Goed wonen Het bouwen van voldoende woningen voor de juiste doelgroep en op de juiste plek is een uitdaging. Er wordt gestreefd naar een diversiteit aan woonvormen om een goed
33/41
balans te creëren in de behoefte van de verschillende doelgroepen. Daarbij is voortdurend aandacht voor de kwaliteit van de woonomgeving vereist: het in stand houden van voorzieningen en de goede bereikbaarheid, het behouden van rust / natuur en het aanpassen van de woonomgeving aan de nieuwe tijd. Naast de uitbreidingslocaties bij de grote dorpen Epe en Vaassen, moet ook binnen de kleine dorpen ruimte zijn voor kleinschalig bouwen om te voorzien in de eigen behoefte. Ondernemen Het ontwikkelen en uitbouwen van kwaliteitstoerisme vormt de opgave voor recreatie en toerisme. De opgave voor bestaande vakantieparken is onder andere het verlengen van het seizoen. Opgave voor de centra van Epe en Vaassen is het compact en daarmee levendig houden. Waar het gaat om het buitengebied ligt er voor de agrarische sector een grote transitie-opgave. Aan de rand van de Veluwe is stikstof het grootste probleem en heeft het intensieve agrarische gebruik geleid tot uitputting van de bodem en verschraling van de biodiversiteit. Hier is een heel nieuw type agrarisch ondernemen nodig gericht op verbreding door recreatie, zorgfuncties, bosontwikkeling etc. In de IJsselvallei is meer ruimte voor productielandbouw en is de opgave om tot een meer natuur-inclusieve landbouw te komen, in evenwicht met bodem en water.
Voor de bestaande bedrijventerreinen en eventuele uitbreidingen is extra aandacht nodig voor een aantrekkelijk werkklimaat en toekomstbestendigheid. Hierbij staan naast opgaven als energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en energietransitie ook veiligheid en een goede samenwerking centraal. en nieuwe Afweging per deelgebied Op basis van de effectbeoordeling van de scenario’s in hoofdstuk 4 en de opgaven uit de omgevingsvisie wordt in deze paragraaf richting gegeven aan de ruimtelijke keuzes die in de omgevingsvisie worden vastgelegd. De strategische afweging vormt (samen met de uitkomsten van het participatieproces) een bouwsteen voor de uitwerking binnen de derde laag in de omgevingsvisie. De energietransitie, grote woningbehoefte, klimaat-, stikstof-, verdrogings- en biodiversiteitscrisis vergen ingrijpende veranderingen in de inrichting en het grondgebruik binnen de gemeente Epe. De transitie binnen het buitengebied speelt daarbij een grote rol. Uit de beoordeling van de scenario’s blijkt dat het onttrekken van landbouwareaal en het vergroten van natuurlijke en landschappelijke waarden belangrijk zijn voor het realiseren van de opgaven uit de omgevingsvisie. Een groot deel van de agrarische bedrijfshoofden is ouder dan 60 en daarvan heeft een aanzienlijk deel geen opvolger.
Dit proces is al langer gaande en heeft de afgelopen decennia altijd geleid tot minder, steeds grotere en steeds intensievere agrarische bedrijven. Voortgaan op deze weg is echter geen optie. De grenzen van natuur, milieu, landschap en volksgezondheid zijn reeds (lang) overschreden en de stikstofcrisis zet de sector juridisch op slot. De omgevingsvisie voor de gemeente Epe biedt ruimte voor nieuwe functies in de vorm van wonen, natuur, recreatie en duurzame energie. Uit de beoordeling van de scenario’s blijkt dat, zeker wanneer bestaande agrarische activiteiten worden beëindigd om deze nieuwe functies mogelijk te maken, toekomstige initiatieven een belangrijke bijdrage kunnen leveren bij het realiseren van de in de omgevingsvisie geformuleerde opgaven. Bij elke functieverandering zullen dan wel hoge eisen worden gesteld aan het landschapsontwerp, waterhuishouding, biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Daarbij dienen per deelgebied andere accenten te worden gelegd. Hierna volgt een analyse per deelgebied waarbij wordt aangesloten bij de deelgebieden zoals die in de omgevingsvisie worden onderscheiden: Veluwe, Veluweflank en IJsselvallei. Veluwe De Veluwe is geheel Natura 2000 en Gelders Natuurnetwerk.
zorgvuldige uitvoering een belangrijke bijdrage aan het vergroten van de biodiversiteit, opheffen van verdroging, buffering van verzuring en vermesting, verhoging van de houtproductie en vastlegging van CO2 (zie notitie in bijlage 6). Veluweflank De functiewijziging van bestaande landbouwgebieden langs de rand van de Veluwe naar nieuw bos kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de geformuleerde opgaven. Hier is het gunstige stikstofeffect op de Veluwe het grootst en in de bovenloop van het hydrologisch systeem kan de verdroging aanzienlijk worden teruggedrongen. Deze bosontwikkeling kan worden gefinancierd door nieuw wonen en verblijfsrecreatie. Op korte afstand van de Veluwe kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van een verhouding 1 hectare rood voor 20 hectare nieuw groen en een maximale bebouwingsdichtheid van 10 woningen per hectare. Op iets grotere afstand van de Veluwe 1 hectare rood voor 10 hectare nieuw groen en een maximale bebouwingsdichtheid van 20 woningen per hectare. Bosontwikkeling in combinatie met woningbouw wordt hier bij voorkeur geconcentreerd langs het bekensysteem en rondom de bestaande kernen. Hier ontstaan dan gezonde nieuwe woonmilieus met een hoge biodiversiteit die tevens bijdragen aan het terugdringen van verdroging, vermesting en verzuring.
Idealiter wordt hier gebouwd met hout uit Veluwse bossen waardoor CO2 voor decennia of zelfs eeuwen wordt vastgelegd. De bosontwikkeling in combinatie met wonen levert ook een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de opgaven met betrekking tot gezondheid en goed wonen. Met name langs de randen van de Veluwe vormt de ontsluiting voorautoverkeer op sommige locaties een aandachtspunt. Niet alle wegen zijn geschikt voor het afwikkelen van extra autoverkeer. Afhankelijk van de locatie, de bestaande ontsluitingsstructuur en het programma dient te worden voorzien in een goed, veilige ontsluiting. De Veluweflank biedt tevens ruimte voor zonneparken, mits voorzien van een groene inpassing van minimaal 10% van het areaal. In de Veluweflank is geen ruimte voor windturbines. Tevens biedt deze zone ruimte voor uitbreiding van het bedrijventerrein bij het Eekterveld. Gezien de ligging van het bedrijventerrein ten opzichte van de woongebieden is een uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk zonder dat dit leidt tot hindersituaties (verkeer, geluid, geur en gevaar).
Figuur 5.1 Deelgebied Veluwe De ruimte voor functieveranderingen is hier zeer gering. Geleidelijke omvorming van uitheemse naaldbossen naar inheemse loofbossen is hier echter gewenst en kan bij een
34/41
Bestaande recreatieterreinen binnen de Veluweflank kunnen vernieuwen en uitbreiden, mits voldoende landschappelijk ingepast en goed ontsloten. Voor elke hectare nieuw recreatieterrein dient 2 hectare nieuw groen te worden gerealiseerd.
Nieuwvestiging, uitbreiding of intensivering van agrarische bedrijven is in deze zone niet toegestaan. Omvorming van bestaande bedrijven naar extensievere vormen (bijvoorbeeld biologisch, voedselbossen, agroforestry, herenboeren) zijn hier wel mogelijk, al dan niet in combinatie met recreatie, zorgfuncties etc.
etc. In deze zone kunnen tevens agrarische bedrijven worden geplaatst die afkomstig zijn uit de overige zones.
Figuur 5.3 Deelgebied IJsselvallei
Figuur 5.2 Deelgebied Veluweflank IJsselvallei Binnen dit deelgebied liggen kansen voor realisatie van de opgaven voor de opwekking van duurzame energie. Langs de A50 en het Apeldoorns kanaal kunnen windturbines worden gerealiseerd, voor zover dit niet strijdig is met de instandhoudingsdoelen van de omliggende Natura 2000-gebieden (Veluwe en Rijntakken) en ter plaatse van omliggende (bedrijfs)woningen wordt voldaan aan de geldende normen en richtwaarden (geluid, gevaar, slagschaduw). Tevens biedt deze zone ruimte voor nieuwe zonneparken, voorzien van een groene inpassing. Uitbreiding of intensivering van agrarische bedrijven is in deze zone niet toegestaan. Omvorming van bestaande bedrijven naar extensievere vormen (bijvoorbeeld biologisch, voedselbossen, agroforestry, herenboeren) zijn hier wel mogelijk, al dan niet in combinatie met recreatie, zorgfuncties
35/41
Bijlage 1 Figuur scenario 1
36/41
Bijlage 2 Figuur scenario 2
37/41
Bijlage 3 Figuur scenario 3
38/41
Bijlage 4 Notitie benchmark voorzieningen
39/41
‐ NOTITIE Notitie
DATUM KENMERK VAN AAN
20 mei 2021 02320_20210143JB Julia Breukelman en Joost Jansen gemeente Epe
PROJECT OPDRACHTGEVER
Omgevingsvisie Epe gemeente Epe
INDICATIE DRAAGVLAK VOORZIENINGEN EPE Er zijn drie scenario’s opgesteld voor het toevoegen van woningen in de gemeente (een laag, midden en een hoog scena‐ rio). De vraag is wat de effecten van de toename van woningen zijn voor de behoefte aan voorzieningen. Meer woningen betekent immers ook meer inwoners, mits er voldoende woningbehoefte is. In tabel 1 zijn de toevoegingen aan woningen in de verschillende scenario’s weergegeven. In combinatie met de gemid‐ delde huishoudensgrootte in de gemeente Epe van 2,3 kan de toevoeging van het aantal inwoners ingeschat worden. Gelet op de druk op de woningmarkt is het ook realistisch dat er behoefte is aan deze nieuwe woningen. Tabel 1 Toevoeging aantal inwoners per scenario aantal woningen aantal inwoners stand 1‐1‐ 2021 14.212 33.197 scenario laag 1.000 2.300 scenario midden 1.300 2.990 scenario hoog 2.000 4.600
COMMERCIËLE VOORZIENINGEN Het huidige commerciële aanbod is onderzocht op basis van gegevens van Locatus. De meeste voorzieningen zijn gevestigd in de twee grootste kernen (figuur 1). 50.000
47.179
40.000 30.000
21.539
20.000 11.028 10.000
3.514
0 Epe
Emst
Vaassen
Oene
omvang (m² wvo)
Figuur 1 Omvang commercieel aanbod gemeente Epe per woonplaats (bron: Locatus, 2021) Er is een benchmark gemaakt van de twee grootste kernen. Het huidige aanbod is vergeleken met het te verwachten aan‐ bod in deze kernen op basis van het gemiddelde in vergelijkbare kernen qua inwonertal. Daarbij is uitgegaan van het ge‐ middelde van de inwonersklassen 10.000 tot 15.000 inwoners en van 15.000 tot 20.000 inwoners. Epe en Vaassen liggen
namelijk net op het grensgebied tussen deze twee inwonersklassen, ook gelet op de toename van inwoners in de verschil‐ lende scenario’s. Bij de benchmarks is per kern onderzocht wat het effect is van een toevoeging van woningen in de band‐ breedte van het lage en hoge scenario. De extra marktruimte in de twee benchmarks kan dus niet bij elkaar worden opge‐ teld. De gemeente Epe heeft vier kernen, maar de inwoners maken gebruik van de voorzieningen binnen de gemeente en niet enkel hun eigen kern. Daarom is ook het voorzieningenaanbod in de hele gemeente vergeleken met kernen met een verge‐ lijkbaar inwonertal (30.000 ‐50.000 inwoners). Hoewel de omvang en verhouding detailhandel in 1 kern van een dergelijke omvang afwijkt van 4 kernen in 1 gemeente met een dergelijk inwonertal, geeft het wel een indicatie van het te verwach‐ ten aanbod. Benchmark kern Epe De kern Epe heeft 15.690 inwoners (CBS, 2021; gegevens over 2020). In figuur 2 en 3 is het huidige commerciële aanbod in Epe vergeleken met het gemiddelde in kernen van een vergelijkbare omvang. Daaruit blijkt dat het aanbod in Epe bovenge‐ middeld is. Dit geldt voor bijna alle branches, behalve voor de branches Detailhandel Overig (figuur 2) en Cultuur & Ont‐ spanning (figuur 3). Daarnaast is in beeld gebracht wat de effecten zijn van het toevoegen van inwoners aan de kernen op basis van het lage en hoge scenario.
Voor een aantal branches waar momenteel een overaanbod is betekent het toevoegen van inwoners dat er meer draagvlak ontstaat voor de bestaande functies, en meer naar een gemiddeld, of zelfs benedengemiddeld aanbod gaat. Voor de branche Mode & Luxe blijft ook met een groter inwonertal een bovengemiddeld aanbod bestaan, net als voor de horeca. 20.000
18.100
18.000
16.050 15.523 14.000
16.000 14.000 12.000 10.000 8.000
8.950 7.940 6.997 6.920
6.000
8.915 6.610 5.860 5.110
4.000 1.354
2.000
1.680 1.490 960 1.300
1.640 1.450 1.260
0 Dagelijks
Mode & Luxe
Vrije Tijd
In/Om Huis
Detailhandel Overig
Epe te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners te verwachten aanbod op basis van scenario laag te verwachten aanbod op basis van scenario hoog
Figuur 2 Vergelijking detailhandelsaanbod in m2 wvo in Epe met het te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners en op basis van het scenario laag en scenario hoog (bron: Locatus, 2021)
2/7
6.000 5.080
4.730
5.000
4.200 3.750
4.000
3.320 2.900
3.000
2.680
3.070
3.660
3.460
1.801 1.750 2.000
1.960
2.000
2.260
1.054 1.000 0 Transport & Brandstoffen
Cultuur & Ontspanning
Horeca
Diensten
Epe te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners te verwachten aanbod op basis van scenario laag te verwachten aanbod op basis van scenario hoog
Figuur 3 Vergelijking commercieel aanbod in m2 wvo in Epe met het te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners en op basis van de het scenario laag en scenario hoog (bron: Locatus, 2021) Benchmark kern Vaassen De kern Vaassen heeft 12.665 inwoners (CBS, 2021; gegevens over 2020). Het aanbod in Vaassen is benedengemiddeld in bijna alle branches. Op basis van het gemiddelde in de inwonersklasse wordt een groter aanbod verwacht (met uitzonde‐ ring van Detailhandel Overig). Het toevoegen van de woningen in Vaassen, conform het lage en hoge scenario zorgt voor een groter onderaanbod. 18.000
15.400
16.000
13.340
14.000
11.290
12.000 10.000 8.000 6.000
7.620 6.600 5.590 4.829
4.000
5.620 4.870 4.120 3.440
5.570
3461.020
2.000
1.2101.390
1.372
1.430 1.0501.240
0 Dagelijks
Mode & Luxe
Vrije Tijd
In/Om Huis
Detailhandel Overig
Vaassen te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners te verwachten aanbod op basis van scenario laag te verwachten aanbod op basis van scenario hoog
Figuur 4 Vergelijking detailhandelsaanbod in m2 wvo in Vaassen met het te verwachten aanbod op basis van het gemid‐ delde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners en op basis van het scenario laag en scenario hoog (bron: Locatus, 2021)
3/7
4.500 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0
4.020 3.490
3.190
2.950
2.760 2.135
2.950
2.550
2.340
2.160 1.433
1.410
913
Transport & Brandstoffen
Cultuur & Ontspanning
1.670
1.920
556
Horeca
Diensten
Vaassen te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners te verwachten aanbod op basis van scenario laag te verwachten aanbod op basis van scenario hoog
Figuur 5 Vergelijking commercieel aanbod in m2 wvo in Vaassen met het te verwachten aanbod op basis van het gemid‐ delde in kernen met 10.000 tot 20.000 inwoners en op basis van de het scenario laag en scenario hoog (bron: Locatus, 2021) Benchmark gemeente Epe Om in beeld te brengen wat de scenario’s voor de gehele gemeente betekenen is met een benchmark in beeld gebracht wat het aanbod van alle 4 de dorpen samen is, in relatie tot kernen met een omvang van 30.000 tot 50.000 inwoners (fi‐ guur 6 en 7). In figuur 6 is te zien dat in de gemeente met name een groot aanbod aan Mode & Luxe is, dit aanbod is vooral in Epe gevestigd. Voor de overige detailhandelsbranches geldt dat de gemeente een iets ondergemiddeld aanbod heeft en dat met het toevoegen van inwoners het draagvlak voor uitbreiding van het aanbod groter wordt. Voor de overige com‐ merciële voorzieningen (figuur 7) is te zien dat met uitzondering van de horeca de gemeente een ondergemiddeld aanbod heeft. Het bovengemiddeld aanbod aan Mode en Luxe en Horeca is te verklaren door de toeristische functie van de kernen aan de rand van de Veluwe.
4/7
40.000 34.280 32.190 30.110
35.000 30.000
22.949
25.000 20.000 15.000
20.262 15.300 14.360 13.430 12.603
13.47014.350 12.600
10.000 3.480 3.250 1.810
5.000
3.700
3.250 3.050 2.332 2.860
0 Dagelijks
Mode & Luxe
Vrije Tijd
In/Om Huis
Detailhandel Overig
gemeente Epe te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 30.000 tot 50.000 inwoners te verwachten aanbod op basis van scenario laag te verwachten aanbod op basis van scenario hoog
Figuur 6 Vergelijking detailhandelsaanbod in m2 wvo in gemeente Epe met het te verwachten aanbod op basis van het ge‐ middelde in kernen met 30.000 tot 50.000 inwoners en op basis van de het scenario laag en scenario hoog (bron: Locatus, 2021) 10.000 9.000
8.063
8.000 7.000 6.000
6.250
6.690
7.120 5.550
5.015
5.930
7.650
8.180
8.710
6.320
5.000
4.020 4.300
4.580
4.000 2.567
3.000
2.495
2.000 1.000 0 Transport & Brandstoffen
Cultuur & Ontspanning
Horeca
Diensten
gemeente Epe te verwachten aanbod op basis van het gemiddelde in kernen met 30.000 tot 50.000 inwoners te verwachten aanbod op basis van scenario laag te verwachten aanbod op basis van scenario hoog
Figuur 7 Vergelijking commercieel aanbod in m2 wvo in gemeente Epe met het te verwachten aanbod op basis van het ge‐ middelde in kernen met 30.000 tot 50.000 inwoners en op basis van de het scenario laag en scenario hoog (bron: Locatus, 2021)
5/7
Effect toevoeging Het toevoegen van woningen en inwoners in de kern Epe zorgt voor een vergroting van het draagvlak voor de huidige func‐ ties. In het hoge scenario kan dit voor een aantal branches ook zorgen voor ruimte voor uitbreiding (er ontstaat dan een benedengemiddeld aanbod). Het toevoegen van de woningen en inwoners in Vaassen zorgt voor het ontstaan van een groter onderaanbod. Dit betekent niet gelijk dat het commerciële aanbod hierop volgend uit zal moeten breiden in Vaassen. In de huidige situatie heeft Epe al het meeste aanbod, waar ook inwoners uit Vaassen gebruik van maken. Dit verandert naar verwachting niet met het toe‐ voegen van maximaal 4.600 inwoners. Het verschil tussen Epe en Vaassen geeft aan dat het zwaartepunt van de detailhandelsfuncties, horeca en diensten in de kern Epe ligt, en deze kern dus een bovenlokale verzorgingsfunctie heeft. Het aanbod in Vaassen is juist benedengemid‐ deld. De verwachting is dat met het toevoegen van woningen in de gemeente de meeste inwoners georiënteerd blijven op Epe. De inwoners van Emst en Oene zullen immers ook gebruik maken van het voorzieningenaanbod in de grootste kernen. Het toevoegen van inwoners leidt tot meer draagvlak voor de bestaande functies en voor een aantal branches mogelijk draagvlak voor uitbreiding van functies.
NIET‐COMMERCIËLE / MAATSCHAPPELIJKE VOORZIENINGEN Op basis van de voorzieningenscan (Stipo, 2013) is een inschatting gemaakt van het aantal m2 per voorziening per 1.000 inwoners. Het huidige aanbod in de gemeente Epe is niet bekend. Wel kan op basis van het gemiddelde aanbod aan voor‐ zieningen per 1.000 inwoners een grove indicatie worden gegeven wat het te verwachten voorzieningenaanbod is in de gemeente op basis van het inwonertal en in de drie verschillende scenario’s (tabel 2). Ook hier geldt dat het zwaartepunt waarschijnlijk in Epe en Vaassen zal liggen als grootste kernen. Of er behoefte is aan toevoeging van verschillende voorzie‐ ningen is afhankelijk van het huidige aanbod. Tabel 2 Indicatie mogelijke toevoeging voorzieningen per scenario o.b.v.
Voorzieningenscan Stipo, 2013 gemiddeld te verwachten aan‐ aanbod per bod in gemeente Scenario 1 Scenario 2 Scenario 3 1.000 inwo‐ Epe (33.178 inwo‐ (2.300 inwo‐ (2.990 inwo‐ (4.600 inwo‐ functie/voorziening ners in m² ners) ners) ners) ners) apotheek 31 1.030 70 90 140 basisonderwijs* 5.800 9.200 640 830 1.280 basisonderwijs speciaal onderwijs* 1.000 1.590 110 140 220 bibliotheek 60 1.990 140 180 280 buitenschoolse opvang* 585 930 60 80 130 buurt‐ en wijkpark 4.000 132.710 9.200 11.960 18.400 buurthuis, dorpshuis en wijkcentrum 70 2.320 160 210 320 consultatiebureaus** 195 290 20 30 40 fysio‐ ergo‐ en oefentherapeuten 54 1.790 120 160 250 gymzaal 140 4.640 320 420 640 huisarts 56 1.860 130 170 260 jongerencentra*** 110 410 30 40 60 kinderdagverblijf**** 2.025 3.060 210 280 420 maatschappelijk werk 25 830 60 70 120
6/7
muziekschool en creativiteitscentra peuterspeelzaal***** speelveld sporthal tandarts tennisbanen onoverdekt velden voor hockey, korfbal, handbal, honkbal, softbal, cricket en kaatsen verloskundigen****** verpleeghuis******* verzorgingshuis******* voetbalveld voortgezet onderwijs******* volkstuin zwembad
10 2.650 150 165 57 200
330 4.000 4.980 5.470 1.890 6.640
20 280 350 380 130 460
30 360 450 490 170 600
50 550 690 760 260 920
1.800 39 1.760 2.440 4.000 5.200 2.400 45 indicatie totaal
59.720 200 14.880 20.630 33.820 19.540 79.630 1.490 415.870
4.140 10 1.030 1.430 2.340 1.350 5.520 100 28.810
5.380 20 1.340 1.860 3.050 1.760 7.180 130 37.480
8.280 30 2.060 2.860 4.690 2.710 11.040 210 57.670
* per 1.000 4‐ tot 11‐jarigen (CBS leeftijdsgroep 5‐10 jaar) ** per 1.000 0‐4‐jarigen (CBS leeftijdsgroep 0‐5 jaar) *** per 1.000 12‐ tot 19‐jarigen (CBS leeftijdsgroep 10‐15 en 15‐20 jaar) **** per 1.000 2‐ en 3‐jarigen (CBS leeftijdsgroep 0‐5 jaar) ***** per 1.000 0 tot 3‐jarigen (CBS leeftijdsgroep 0‐5 jaar) ****** per 1.000 vrouwen 15‐39 jaar (CBS leeftijdsgroep 15‐20, 20‐25 en 25‐45 jaar) ******* per 1.000 65+'ers (CBS leeftijdsgroep 65‐80 en 90+ jaar) ******* per 1.000 12‐ tot 18‐jarigen (CBS leeftijdsgroep 10‐15 en 15‐20 jaar)
7/7
Bijlage 5 Deelonderzoek biodiversiteit
40/41
Deelonderzoek Biodiversiteit
Inhoud 1
Inleiding
3
2
Beschrijving per deelgebied 2.1. Stuwwal 2.2. Overgangszone 2.3. Bebouwd gebied
5 5 7 11
3
Bijzondere thema’s 3.1. Vermesting en verzuring 3.2. Verstoring 3.3. De waarde van natuur
13 13 14 15
2
1 Inleiding
Er worden twee soorten beschermde gebieden onderscheiden; Natura 2000 en het Natuurnetwerk (voorheen de Ecolo‐ gische hoofdstructuur). Natura 2000 wordt beschermd door de Europese Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992). Beide richtlijnen zijn na vele jaren uiteindelijk volledig geïmplementeerd in de Nederlandse Wet natuurbescherming (2017). Voor elk Natura 2000 gebied is / wordt een beheerplan opgesteld, waarin onder meer wordt bepaald welk beheer en welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de Natura 2000‐doelen te behalen. Voor Natura 2000 geldt een externe werking; ook plannen en projecten buiten Natura 2000 moeten worden beoordeeld op hun effecten op de instandhou‐ dingsdoelen. De Natura 2000‐gebieden liggen voor een groot deel in het NatuurNetwerk Nederland (NNN). De NNN‐gebieden zijn niet beschermd via de Wet Natuurbescherming, maar wel via de provinciale ruimtelijke verordening. Voor het NNN geldt geen externe werking. Het voorliggende onderzoek gaat behalve op deze beschermde gebieden ook in op de niet beschermde gebieden. Ontwik‐ kelingen en effecten op biodiversiteit worden vanuit diverse bronnen beschreven en geanalyseerd. Natuur heeft zowel een intrinsieke waarde als een waarde in relatie tot andere sectoren. Ook hier wordt bij stilgestaan. Figuur 1 Natura 2000‐gebieden
3
Figuur Gelders Natuurnetwerk
Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone
4
2 Beschrijving per deelgebied
De ecologische kenmerken van de gemeente Epe worden hieronder beschreven aan de hand van een aantal deelgebieden die zich onderscheiden op grond van bodem, waterhuishouding en grondgebruik. Het betreft achtereenvolgens de stuw‐ wal van de Veluwe, de overgangszone naar de IJssel en de dorpsgebieden.
2.1. Stuwwal Het stuwwallenlandschap van de Veluwe is een hoog gelegen zandgebied met bossen, heiden, akkers en dorpen. De na‐ tuurgebieden van dit deelgebied behoren allen tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Natura 2000. Op de Veluwe do‐ mineert heide en bos van arme zandgrond. Verder liggen er restanten van hakhoutbosjes, vennen, engen en stuifzanden. Ondanks het hoge inrichtingsniveau en de intensiteit van het recreatieve gebruik is er sprake van rijk geschakeerde natuur. Langs de randen van de Veluwe neemt de variatie in bodem en vochtgehalte toe en verandert de samenstelling van flora en fauna. De bossen van de Veluwe bestaan grotendeels uit naaldbos (grove den, lariks, fijnspar, douglas) afgewisseld met meer diverse, gemende bossen rond woon‐ en recreatiegebieden. Dit betreft een relatief soortenrijk bostype hetgeen vooral wordt veroorzaakt door de combinatie met villawijken die een veel diversere begroeiing kennen dan de veelal monotone naaldbossen. Onderstaande figuur laat zien welke vogelsoorten voorkomen in de verschillende delen van de bosgebieden op de droge zandgronden van de Veluwe (bron: Ruitenbeek et al, 1990).
5
Berkenop‐ slag en jonge naaldhout‐ aanplant
Jong naaldbos
Oud sparren‐ bos
Oud dennen‐ bos
Oud gemengd bos en villawijken
Heggemus Fitis
Houtduif Heggemus Roodborst Merel Zanglijster Zwartkop Tjiftjaf Fitis Goudhaan Staartmees Matkop Gaai Goudvink
Houtduif Roodborst Merel Goudhaan Zwarte mees Koolmees Gaai Zwarte kraai
Houtduif Grote bonte specht Winterkoning Heggemus Roodborst Gekraagde roodstaart Merel Zanglijster Kuifmees Zwarte mees Koolmees Gaai Zwarte kraai Vink
Houtduif Holenduif Turkse tortel Grote bonte specht Winterkoning Heggemus Roodborst Gekraagde rood‐ staart Merel Zanglijster Zwartkop Tjiftjaf Fitis Goudhaan Bonte vliegen‐ vanger Staartmees Glanskop Matkop Koolmees Pimpelmees Boomklever Boomkruiper
Gaai Ekster Kauw Zwarte kraai Vink Spreeuw Huismus Ringmus Groenling Goudvink
De ecologische kwaliteit van de natuurgebieden op schrale zandgronden, zoals de Veluwe, staan al decennia onder druk als gevolg van verzuring en vermesting. De laatste jaren blijkt vooral de combinatie met de afvoer van mineralen uit na‐ tuurgebieden fataal, juist op de schrale zandgronden waar het overgrote deel van het Nederlandse bosareaal zich bevindt. Snoeiafval uit het natuurbeheer wordt namelijk in toenemende mate gebruikt om bij te stoken als biomassa. Dit “afval” van het bosbeheer bleef tot voor kort achter in de terreinen waar onmisbare mineralen als kalium, calcium en magnesium weer geleidelijk werden opgenomen in de bodem. Door subsidies op het gebruik van biomassa voor warmte‐ en energie‐ opwekking kwam er echter een nieuwe markt voor dit groen. Het leek een welkome nieuwe inkomstenbron voor de na‐ tuurorganisaties, die door de enthousiaste bezuinigingen van CDA‐staatsecretaris Henk Bleker (kabinet Rutte‐1) financieel steeds krapper waren komen te zitten. Aanvankelijk dacht men dat met de afvoer van mineralen uit het bos ook veel overtollige stikstof werd afgevoerd (juist op de stikstofgevoelige schrale zandgronden relevant) maar het middel bleek veel erger dan de kwaal. De echte oplossing voor de bossen in de Veluwe is een sterke reductie van de stikstofdepositie.