CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

339896 Strategische afweging omgevingsaspecten OV gemeente Epe HR

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente EpeBij agendapunt: Omgevingsvisie 'Natuurlijk goed leven'24.481 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

OMGEVINGSVISIE Strategische afweging omgevingsaspecten

Gemeente Epe 8 juni 2021

1/41

2/41

DATUM KENMERK

8 juni 2021 20210143

PROJECTLEIDER

Guido van Loenen

AUTEURS STATUS

Eric van der Aa / Mink Enthoven / Matthijs van der Meulen Eindconcept

INHOUDSOPGAVE 1. 2. 3. 4. 5.

Inleiding Aanpak en uitgangspunten Referentiesituatie Beoordeling scenario’s Strategische afweging

4 5 7 16 32

Bijlagen 1. Figuur scenario 1 2. Figuur scenario 2 3. Figuur scenario 3 4. Notitie benchmark voorzieningen 5. Deelonderzoek biodiversiteit 6. Nieuw bos beter bos

3/41

1. INLEIDING De gemeente Epe bereidt een omgevingsvisie voor waarin de gemeentelijke ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in één samenhangende visie op strategisch niveau worden vastgelegd. Bij het opstellen van de omgevingsvisie wordt gebruik gemaakt van de lagenbenadering. De eerste laag bevat een analyse van de belangrijke omgevingswaarden binnen de gemeente: de waardevolle leefomgeving. De tweede laag bestaat uit de maatschappelijke behoeftes en urgente opgaven binnen de gemeente. Binnen de derde laag staan de ruimtelijke keuzes centraal: hoe en waar gaat ontwikkeling plaatsvinden. Als bouwsteen voor de omgevingsvisie is deze strategische afweging omgevingsaspecten opgesteld. De strategische afweging helpt om keuzes te maken en de helpt de bij de wijze waarop kan worden gestuurd op het realiseren van de opgaven zoals die in de omgevingsvisie zijn geformuleerd. In de strategische afweging wordt niet alleen gekeken naar (fysieke) omgevingsaspecten, maar ook naar maatschappelijke en economische aspecten. Als onderdeel van de strategische afweging is een drietal ruimtelijke ontwikkelingsscenario’s uitgewerkt: • Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid • Scenario 2 – Natuur, water en recreatie • Scenario 3 – Energieplus en landbouw De strategische afweging heeft niet als doel om te komen tot de keuze voor één van de scenario’s.

Door een aantal sterk uiteenlopende scenario’s kan op basis van de effectbeoordeling input worden gegeven aan de keuzes die voorliggen in het kader van de visie en de wijze waarop kan worden gestuurd op de opgaven zoals die in de visie zijn geformuleerd. De strategische afweging vormt (samen met de uitkomsten van het participatieproces) een bouwsteen voor de uitwerking binnen de derde laag in de omgevingsvisie.

Leeswijzer

Deze notitie is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 bevat een toelichting op de aanpak en uitgangspunten, met een uitwerking van de ontwikkelingsscenario’s; Hoofdstuk 3 geeft voor alle relevante aspecten een beschrijving van de referentiesituatie; Hoofdstuk 4 geeft inzicht in de potentiële gevolgen van de ontwikkelingsscenario’s; Hoofdstuk 5 bevat de strategische afweging met de belangrijkste conclusies, als bouwsteen voor de omgevingsvisie.

4/41

2. AANPAK EN UITGANGSPUNTEN Intro Ten behoeve van deze strategische afweging is een drietal scenario’s uitgewerkt. Het gaat om sterk onderscheidende scenario’s waarbinnen steeds andere programmatische en ruimtelijke keuzes zijn gemaakt: • Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid • Scenario 2 – Natuur, water en recreatie • Scenario 3 – Energieplus en landbouw Doel is niet om te komen tot een keuze voor één van de scenario’s, maar om inzicht te krijgen in de bandbreedtes aan mogelijke ruimtelijke en maatschappelijke effecten van de keuzes die voorliggen in het kader van de omgevingsvisie. In het volgende hoofdstuk is eerst voor alle relevante omgevingsaspecten inzicht gegeven in de referentiesituatie. Het betreft de bestaande situatie, met (voor zover aan de orde) de bijbehorende waarden, bijzonderheden, aandachtspunten of knelpunten. Waar relevant wordt bij de beschrijving van de referentiesituatie ook ingegaan op autonome, te verwachten ontwikkelingen in de omgevingskwaliteit. Vervolgens zijn de mogelijke gevolgen scenario’s beschreven ten opzichte van deze referentiesituatie. Het gaat om een effectbeoordeling op hoofdlijnen die aansluit bij het detailniveau van de omgevingsvisie.

Voor de beoordeling van de scenario’s is gebruik gemaakt van de volgende schaal/klassen: een zeer negatief effect: -een negatief effect: een licht negatief effect: -/0 een neutraal effect: 0 een licht positief effect: 0/+ een positief effect: + een zeer positief effect: ++ Uitgangspunten scenario’s Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid • Wonen hoog -> 2000 woningen, binnen een beperkt aantal grote uitbreidingslocaties • Bedrijventerrein uitbreiding 15 hectare (tot maximaal milieucategorie 3.2) • Autonome groei recreatie In dit scenario worden 2000 woningen toegevoegd, verdeeld over meerdere uitbreidingslocaties (20 woningen per hectare) aan de bestaande kernen. Op deze wijze wordt optimaal gebruik gemaakt van bestaande voorzieningen en ontsluitingen. Het bestaande bedrijventerrein Eekterveld wordt uitgebreid met 15 ha. De daken van bestaande en nieuwe bedrijven worden voorzien van zonnepanelen. In het oostelijk deel van de gemeente is plaats voor een drietal windturbines.

5/41

Figuur 2.1 Scenario 1 (grote figuur in bijlage 1) In het agrarisch gebied wordt de transitie naar een duurzamere vorm van landbouw overgelaten aan hogere overheden en de markt. Naar verwachting zal dit leiden tot voortzetting van de trend naar minder, maar grotere bedrijven. In agrarisch gebied wordt geen ruimte geboden voor andere functies zoals nieuwe verblijfsrecreatie en zonneparken. Bestaande recreatieparken mogen vernieuwen en maximaal 10% uitbreiden, zolang dit niet ten koste gaat van het Gelders Natuurnetwerk / Natura 2000. Scenario 2 – Natuur, water en recreatie • 1000 hectare nieuw bos voor recreatie, natuur, waterberging, CO2-vastlegging en houtproductie • Water vasthouden aan randen Veluwe in combinatie met 75 hectare zonnevelden • Wonen laag -> 1000 waarvan 200 verspreid in het buitengebied • 30% meer overnachtingen (vooral door seizoensverlenging) + uitbreiding oppervlakte terreinen dag- en verblijfsrecreatie ten behoeve van kwaliteitsverbetering (ook met 30%) • Bedrijventerrein uitbreiding 3-4 hectare (tot maximaal milieucategorie 3.2) • 2 windturbines

Figuur 2.2 Scenario 2 (grote figuur in bijlage 2) In dit scenario wordt 1000 hectare nieuw bos gecreëerd, grotendeels langs de Veluwerand aangezien hier de grootste meerwaarde kan worden gerealiseerd ten aanzien van het tegengaan van vermesting, verzuring en verdroging en daarmee aan het behalen van de Natura 2000-doelstellingen voor de Veluwe. Ook wordt op deze wijze veel CO2 vastgelegd. Aan de oostrand van de bestaande kernen wordt een drietal nieuwe parkbossen gerealiseerd, zodat ook de nabijgelegen woonwijken op loopafstand een groot groen uitloopgebied hebben. De nieuwe parkbossen bieden tevens ruimte voor 800 nieuwe woningen. De nieuwe bossen langs de Veluwerand zijn dermate robuust dat functiecombinaties mogelijk zijn met nieuwe woonlocaties (totaal 200 woningen), verblijfsrecreatie en zonneparken. Bestaande recreatieterreinen kunnen vernieuwen en uitbreiden, mits voldoende landschappelijk ingepast. Het bestaande bedrijventerrein Eekterveld wordt uitgebreid met 2 hectare. Het punt waar de A50 en het Apeldoorns kanaal elkaar kruisen wordt landschappelijk gemarkeerd met 2 windturbines. Scenario 3 – Energieplus en landbouw • Wonen midden -> 1300 won in verspreide clusters • 10 windturbines en 200 hectare zon • Eekterveld als energiehub • Circulair bedrijventerrein 10 hectare • Schaalvergroting in combinatie met extensivering landbouw • Autonome groei recreatie

6/41

Figuur 2.3 Scenario 3 (grote figuur in bijlage 3) In dit scenario worden 1300 woningen toegevoegd, verdeeld over meerdere uitbreidingslocaties (20 woningen per hectare) aan de bestaande kernen. Op deze wijze wordt optimaal gebruik gemaakt van bestaande voorzieningen en ontsluitingen. Het bestaande bedrijventerrein Eekterveld wordt uitgebreid met 10 ha circulair bedrijventerrein. Energyhub In noord zuid richting wordt een energie-as ontwikkeld gekoppeld aan de A50. Zo wordt de hoofdinfrastructuur landschappelijk gemarkeerd met 10 windturbines. In deze zone is tevens plaats voor 200 hectare zon. In samenhang ontworpen ontstaat een energielandschap. Via cable pooling worden de verschillende energiebronnen efficiënt ontsloten. Agrarische grondeigenaren kunnen participeren. Mogelijkheden voor deelname worden verruimd indien dit wordt gecombineerd met een meer extensieve, natuurinclusieve bedrijfsvoering op het hele bedrijf. In het agrarisch gebied wordt de transitie naar een duurzamere vorm van landbouw verder overgelaten aan hogere overheden en de markt. Naar verwachting zal dit leiden tot voortzetting van de trend naar minder, maar grotere bedrijven. In agrarisch gebied wordt geen ruimte geboden voor andere functies zoals nieuwe verblijfsrecreatie en zonneparken. Bestaande recreatieparken mogen vernieuwen en max.

10% uitbreiden zolang dit niet ten koste gaat van het Gelders Natuurnetwerk / Natura 2000.

3. REFERENTIESITUATIE Natuur De Veluwe en de Rijntakken zijn aangewezen als Natura 2000-gebied en tevens onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Daarnaast zijn er binnen de gemeente Epe ook andere natuurgebieden en zones die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren.

sprengen vestigde. Verschillende watermolens langs de Veluweflank zijn restanten van dit verleden. Ook zijn er landgoederen en buitens te vinden in dit gebied zoals Tongeren en Cannenburgh. De gehele zone kent een oost-west zonering van parallel aan de Veluweflank lopende infrastructuur (A50, Apeldoorns Kanaal, Grift, N794 en de Eper- en Apeldoornseweg). Haaks daarop de vaak verscholen beken en sprengen (“Verloren Beek”) en lokale wegen.

Het rapport in bijlage 5 geeft een beschrijving van de binnen de gemeente aanwezige natuurwaarden. Niet alleen binnen de natuurgebieden, maar ook daarbuiten. Daarbij wordt ingegaan op de ontwikkelingen die de afgelopen decennia hebben plaatsgevonden en de te verwachten (autonome) ontwikkelingen. Uit het rapport blijkt dat er sprake is van een aantal zorgelijke ontwikkelingen en trends. De ecologische kwaliteit van de natuurgebieden op schrale zandgronden, zoals de Veluwe, staan al decennia onder druk als gevolg van verzuring en vermesting. In de overgangszone richting de IJssel is sprake van sterk dalende populaties van boerenlandvogels. Voor een nadere beschouwing wordt verwezen naar bijlage 5.

Figuur 3.2 Landschapstypen Het huidige landschapsbeeld is het gevolg van zowel natuurlijke processen als het huidige gebruik. Binnen de natuurlijke gradiënt van Veluwe tot IJssel zijn opeenvolgend de volgende landschappen te onderscheiden:

Figuur 3.1 Natuurgebieden Landschap, cultuurhistorie en archeologie De gemeente Epe ligt op de overgang van het noordelijk deel van het Centraal Veluws Natuurgebied en de IJsselvallei. De kernen Epe, Emst en Vaassen zijn van oorsprong agrarische contactdorpen op de overgang van stuwwal naar IJsselvallei. Het schone water dat uit de Veluwse stuwwal opkwelt trok industrie aan die zich aan natuurlijke beken en gegraven

7/41

Veluwemassief Het Veluwemassief kenmerkt zich door gesloten bos op hoge droge zandgronden. De besloten rand vormt een contrast met de lager gelegen halfopen en open gebieden. In het gesloten bos komen grote open heidevelden voor. Er is weinig bebouwing. Overgangsgebied Het overgangsgebied bevindt zich op de overgang van hoog naar laag. In de flanken van het Veluwemassief zijn vele

sprengen gegraven. Het is een halfopen landschap met een afwisseling van uitlopers van bossen van de Veluwe, weide en akkerland, veengebieden, enken en vochtige graslanden langs beken. Het gebied heeft een oost-west gerichte structuur met een microreliëf van dekzandruggen met daartussen sprengbeken. De flanken zijn van oudsher bewoningsgebied. Er komt een diversiteit aan bebouwing voor in de vorm van dorpen, buurtschappen, lintbebouwing en verspreide bebouwing. De kernen Epe, Emst en Vaassen zijn gelegen in dit landschapstype. Rivierkommen –of veenontginningsgebied Dit deelgebied is een open agrarisch landschap. Het Apeldoorns kanaal markeert de overgang van halfopen naar een grootschalig open landschap. Kenmerkend voor dit gebied zijn de langgerekte weteringen. Bebouwing komt voor in de vorm van los staande boerderijen, de kern Oene en een aantal buurtschappen. Beplanting bestaat uit erfbeplanting en los staande bomen op perceelsgrenzen. In dit gebied staan op de erven historisch waardevolle beeldbepalende bomen zoals linde, plataan, kastanje, walnoot, (rode) beuken, esdoorn en fruitbomen.

Veranderend landschap Een levend landschap kenmerkt zich door voortdurende verandering. In het agrarisch gebied van Epe is dat niet anders. De afgelopen decennia is het aandeel mais sterk toegenomen, evenals de teelt van heesters. Daarnaast valt de sterke toename op van het agrarisch bouwvolume, waarbij vaak geen eisen werden gesteld aan de landschappelijke inpassing. Vooral in open landschappen heeft dit geleid tot een verstening van het landschap. De recente trend van steeds grotere megastallen zal dit alleen maar erger maken. Onderstaande kaartbeelden laten voor een tweetal deelgebieden de nieuwe bebouwingsclusters zien in 2020 ten opzichte van 1980. In het gebied rond Vemde lopen inmiddels procedures voor bedrijfsbeëindiging en de sloop van stallen of zijn

deze reeds doorlopen.

IJssel De IJssel heeft een grote maat en schaal. Kenmerkende elementen zijn de rivier, de uiterwaarden en de dijken. Bebouwing is vooral gekoppeld aan de dijk. Kenmerkende beplanting voor dit landschap zijn meidoornhagen, wilgen, populieren en oude fruitboomgaarden. Waardevol landschap Het landschap binnen de gemeente Epe kan als waardevol worden gekenschetst op grond van de volgende kenmerken: • Beleefbaar deel van de gradiënt van Veluwe naar de IJssel. • Fraai kleinschalig mozaïeklandschap: afwisseling van weide en akkerland, uitlopers van bossen van de Veluwe, bosschages. • Diversiteit aan bebouwingsvormen: dorpen langs de straatweg, buurtschappen, linten en verspreide agrarische bebouwing. • Microreliëf: oost-west gerichte smeltwaterruggen met ertussen beekjes, steilrandjes en bolliggende landbouwgronden. • De flank wordt doorsneden door talrijke west-oost stromende sprengen en beken. • Openheid van gave enken en veen-, broek- en heideontginningen. • Rijk cultuurhistorisch erfgoed, zoals de sprengen, watermolens, zichtbare prehistorische akkercomplexen, waardevolle open enken, landgoederen.

8/41

Figuur 3.3 Veranderend landschap (1)

Agrarisch erfgoed Het agrarisch systeem bestond in het verleden uit enken (akkerbouw), natte heidevelden (beweiding) en hooilanden (beweiding, hooien). Bewoning vond plaats op de randen van de enken en beekdalen. Op de topografische kaart 1850 is te zien dat de velden en hooilanden tamelijk nat en moerasachtig waren; de afvoer van het water over Grift (middeleeuwse oorsprong) stagneerde. Het verschil tussen hoog en droog en laag en nat was zeer groot, totdat de aanleg van het Apeldoorns Kanaal (1858-1868) de ontwatering sterk verbeterde en de productieomstandigheden een stuk gelijkmatiger werden en ontginning van de natte heide mogelijk maakte. De huidige waarde van het landschap is voor een belangrijk deel terug te voeren op deze periode.

Figuur 3.4 Veranderend landschap (2) Archeologie Het landschap van de Veluweflank in het plangebied is opgebouwd uit vele historische laagjes, beginnend in de prehistorie; in Epe zijn vele archeologische vindplaatsen met grafheuvels, urnenvelden maar ook celtic fields, de oudst bekende agrarische ontginningen in Nederland. De gemeente Epe beschikt over een kaart met archeologische verwachtingswaarden. Een hogere verwachtingswaarde betekent dat de kans op oudheidkundige vondsten groter is. De kans is in het algemeen groter op hogere, drogere gronden. Een inschatting van deze waarde is vooral van belang bij de toetsing van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ook bekende archeologische vindplaatsen zijn op de kaart afgebeeld. Enerzijds van urnenvelden en grafheuvels: veel daarvan zijn lineiar geordend van zuidwestelijke in noordoostelijke richting. Min of meer haaks daarop, vanaf Emst in de richting Gortel en verder, zijn veel vondsten van agrarische activiteiten zoals celtic fields.

9/41

Industrieel erfgoed In de loop van de eeuwen is langs de flanken van de Veluwe een uitgestrekt stelsel van natuurlijke, half natuurlijke beken en sprengen ontstaan om wasserijen, watermolens (papierindustrie) van voldoende water te voorzien. Vaak werden deze beken opgeleid ten opzichte van het maaiveld om voldoende verval te krijgen om een watermolen aan te drijven. Ensembles van (deels) nog aanwezige watermolens en opgeleide beken zijn te vinden direct ten zuiden van Epe, ten noorden van Vaassen en tussen Epe en Heerde. Tussen Dieren en Apeldoorn rijdt nog de Veluwse Stoomtrein. Dit is een overblijfsel van de zg. “Baronnenlijn” die in 1889 gereed kwam. Het personenvervoer stopte in 1950 en het goederenvervoer in 1970. Tenslotte werd de rails gesloopt van het traject Apeldoorn-Hattem; een flink deel van dit traject is inmiddels geasfalteerd en in gebruik als fietspad met een belangrijke recreatieve waarde. Verkeer, woon- en leefklimaat Verkeer De gemeente wordt doorsneden door de autosnelweg A50. Er zijn plannen om deze weg (op termijn) te verbreden om de doorstroming te verbeteren. Verder is sprake van een aantal doorgaande wegen waaronder de provinciale wegen N309 (Epe-Elburg), N792 (Vaassen-Twello), N794 (Heerde-Apeldoorn) en N795 (Epe-Nunspeet). Epe beschikt over een goede busverbinding richting Apeldoorn-Zwolle.

Daarnaast is sprake van een busverbinding tussen Epe, Oene en Twello. Met name op de Veluwe is een goed netwerk van recreatieve fietspaden en -routes aanwezig. Langs de weteringen in de IJsselvallei en langs het Apeldoorns Kanaal loopt eveneens

een groot aantal fietspaden. De voormalige spoorlijn Apeldoorn-Hattemerbroek is omgevormd tot een fietspad. In met name de bosgebieden zijn parkeerplaatsen aangelegd die vaak als startpunt dienen voor wandel- en fietstochten. Luchtkwaliteit De concentraties luchtverontreinigende stoffen binnen de gemeente Epe zijn over het algemeen laag. De achtergrondwaarden van luchtverontreinigende stoffen zoals NO2 en PM10, 2.5 liggen ver onder de wettelijke grenswaarde. Over het algemeen zijn de waarden ook lager dan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Verhoogde concentraties treden met name op korte afstand van de A50 en veehouderijen (in het bijzonder pluimveehouderijen) op. Er is echter geen sprake van overschrijdingssituaties.

Figuur 3.6 Stiltegebieden (bron: provincie Gelderland) het westelijke deel van de gemeente en de daar aanwezige natuurgebieden dat deze door de provincie zijn aangewezen als stiltegebied.

Figuur 3.5 Uitsnede NSL-monitoringstool: concentraties NO2 en PM10 in 2020 (bron: nsl-monitoringstool) Geluid De geluidbelasting binnen de gemeente Epe wordt hoofdzakelijk bepaald door het wegverkeer, in het bijzonder op korte afstand van de A50 en de provinciale wegen is sprake van hoge geluidbelastingen. Ook in de directe omgeving van bedrijven(terreinen) kunnen relevante geluidbelastingen optreden. Het bedrijventerrein Kweekweg in Epe is een wettelijk gezoneerd terrein waarvoor een geluidzone is vastgesteld.

10/41

Figuur 3.7 Geluidbelasting provinciale wegen (bron: provincie Gelderland) Externe veiligheid Binnen de gemeente Epe zijn maar weinig grote risicobronnen aanwezig (professionele risicokaart) zoals inrichting en transportroutes. Op figuur 3.8 is te zien dat het voornamelijk gaat om het transport over de A50, de provinciale wegen, aardgasleidingen en lokale bronnen zoals tankstations en propaantanks. Alleen op korte afstand van deze risicobronnen is in sommige gevallen sprake van harde ruimtelijke beperkingen. Daarnaast is bij ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de risicobronnen een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Gezien de aard en

omvang van de risicobronnen en de bestaande personendichtheden in de omgeving is in de referentiesituatie naar verwachting geen sprake van knelpunten.

Figuur 3.8 Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl) Geur De veehouderijen in het buitengebied van de gemeente Epe brengen een zekere geurbelasting met zich mee. In het planMER Buitengebied (2014) is inzicht gegeven in de geurhindersituatie. Met name ter plaatse van de agrarische bedrijfswoningen en burgerwoningen binnen het buitengebied is in sommige gevallen sprake van hoge geurbelastingen. De geurhindersituatie binnen de kernen is over het algemeen gunstig. Bodem, water en klimaat Voor de informatie in deze paragraaf is onder andere gebruik gemaakt van de paragraaf water en bodem uit het planMER buitengebied (2014). Bodem Binnen de gemeente Epe zijn er drie grote variaties in de bodem te ontdekken die sterk samenhangen met de hiervoor beschreven landschappelijke deelgebieden: • De bodem ter plaatse van het Veluwemassief bestaat uit hooggelegen, droge zandgronden (podzolgronden), vaak met grof materiaal zoals grind en steen in de ondergrond. Door menselijke activiteiten zijn zandverstuivingen ontstaan, waardoor zich op enkele plaatsen duinvaaggronden ontwikkelden. • De bodem op de Veluwerand bestaat in gebieden met periodieke kwel uit laaggelegen zandgronden (beek- en gooreerdgronden). In gebieden met permanente kwel zijn moerige eerdgronden en veengronden ontstaan. De soms dikke veenpakketten zijn bijna overal vergraven of door oxidatie verdwenen.

Op de overgang tussen natte

1 hollandertechniek.nl/referenties/vitens-epe/ geraadpleegd op 31 mei 2021.

11/41

•

en droge gronden, langs beekdalen en op dekzandruggen, zijn door menselijke invloed bruine en zwarte enkeerdgronden ontstaan. De bodem in het rivierkleigebied kent een grote afwisseling in textuur en kalkrijkdom. De oeverwallen langs de IJssel bestaan uit vruchtbare ooivaaggronden. In de nattere, lager gelegen komgebieden liggen poldervaaggronden met zware klei (zie ook figuur 3.11).

Water Grondwater De invloeden van grondwater zijn sterk verbonden met het type bodem. Voor grondwater is daarom dezelfde onderverdeling te herkennen als beschreven in de paragraaf bodem. Het gaat om drie verschillende zones: • Zone 1 is het Veluwemassief, waar neerslag de bodem tot op behoorlijke diepte kan infiltreren. Het diepe grondwater stroomt oostwaarts en komt in de lager gelegen gebieden naar boven in de vorm van kwel. Ondiepere waterstromen komen al lokaler weer aan de oppervlakte. Bij veel kwelvorming kunnen zogenaamde kwelbeken ontstaan. Hierover meer onder het kopje ‘oppervlakte water’. • Zone 2 is de Veluwerand. Hier is het grondwater van lokale aard. Het regenwater voedt het relatief ondiep gelegen grondwater. De heersende grondwatertrappen zijn IV en VI (zie tabel 3.1). In de omliggende laag gelegen gebieden vindt, met name in het voorjaar en de winter, kwelvorming plaats. De laagten zijn vrij nat en kennen een grondwatertrap van III of V. Lokaal, in de dalen van de laagten, kan het nog natter zijn (grondwatertrap II). • Zone 3 bestaat uit de komgronden langs de IJssel. Hier is de bodem zeer nat (grondwatertrap I of II). Hier komen de diepe grondwaterstromen van de Veluwemassief en de ondiepere stromen vanuit de Veluwerand naar boven. Water wordt vanuit hier via weteringen en met bemaling op de IJssel geloosd.

In het noordoosten van de gemeente Epe ligt een grondwaterbeschermingsgebied. Hier wordt water gewonnen door Vitens. Naast het winnen van water wordt er ook gecompenseerd met kwalitatief vergelijkbaar water uit de Klaarbeek en de Grift. 1 Tabel 3.1: Grondwatertrappenverdeling

12/41

Oppervlaktewater Door kwelstromen binnen het Veluwemassief ontstaan kwelbeken. Voorbeelden hiervan zijn de Rode beek, de Geelmolense beek en de Paalbeek. Daarnaast kunnen lokale ondoordringbare lagen leiden tot oppervlaktelichamen in de vorm van vennen. Zowel beken als vennen kennen een bijzondere waterkwaliteit waardoor zij van grote ecologische waarde kunnen zijn. De oppervlaktewateren zijn daarom deels opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland. Het netwerk aan oppervlaktewateren stroomt uit op het Appeldoorns Kanaal die op zijn beurt ten hoogte van Hattem weer uitstroomt op de IJssel. Klimaat Klimaatverandering zal voor de gemeente Epe verschillende consequenties hebben. Met betrekking tot wateroverschot is de oostzijde van de gemeente relatief gevoeliger voor wateroverlast (figuur 3.9). Veranderingen in het klimaat kunnen nog meer druk uitoefenen op deze reeds overbelaste zones. In figuur 3.10 is hittestress voor Epe en de omgeving weergegeven. De stedelijke kern van Epe kent een maximale toename van de temperatuur (in verhouding tot de omgeving) tot 1,2 graden Celsius. Er is voor de stedelijke kern Epe sprake van een beperkt hitte-eiland effect. Daarnaast is er binnen de gemeente nog het aspect verdroging. In het Natura 2000-Beheerplan voor de Veluwe (2018) is daarover opgenomen dat verschillende verdrogingsgevoelige habitattypen onder druk komen te staan.

De grondwatervoorraad wordt onder andere door drinkwater, (papier)industrie en landbouw gebruikt waardoor deze krimpt. De kwelstromen die historisch gezien lager in het watersysteem naar boven komen nemen hierdoor af. Concreet effect hiervan is dat de bovenloop van diverse beken periodiek of permanent droog komen te staan. In figuur 3.11 is een kaart opgenomen met een overzicht van droogvallende watergangen.

Figuur 3.9 Wateroverlast (bron: waterschap Vallei en Veluwe)

Figuur 3.11 Hittestress (bron: www.atlasleefomgeving.nl)

13/41

Uit de informatie in bijlage 4 blijkt dat het aanbod in de kern Epe bovengemiddeld is. Dit geldt voor bijna alle branches, behalve voor de branches Detailhandel Overig en Cultuur & Ontspanning. Het aanbod in Vaassen is benedengemiddeld in bijna alle branches. Kijkend naar de hele gemeente is er met name een groot aanbod aan Mode & Luxe. Voor de overige detailhandelsbranches geldt dat de gemeente een iets ondergemiddeld aanbod heeft. Voor de overige commerciële voorzieningen is te zien dat met uitzondering van de horeca de gemeente een ondergemiddeld aanbod heeft. Het bovengemiddeld aanbod aan Mode en Luxe en Horeca is te verklaren door de toeristische functie van de kernen aan de rand van de Veluwe.

Figuur 3.11 Droogvallende watergangen (bron: waterschap Vallei en Veluwe) Economie en maatschappij Voor de informatie in deze paragraaf is gebruik gemaakt van CBS cijfers en de monitor Brede welvaart waaronder de gezondheidsmonitor. Economisch De economische structuur binnen de gemeente Epe is wat betreft belangrijke sectoren in hoofdzaak te verdelen in vier onderdelen: ondernemers in de kernen, bedrijven, agrariërs en recreatieondernemers. Kernen De centra van Vaassen en Epe voorzien niet alleen binnen de gemeente in een behoefte maar worden ook door recreanten en vanuit omliggende dorpen bezocht. De effecten van de Coronacrisis op het koopgedrag en de diensteneconomie zijn nog niet duidelijk. Voor de strategische afweging kijken we met name naar de effecten vanuit de scenario’s op werkgelegenheid, groei van sectoren en draagvlak voor voorzieningen. In de notitie in bijlage 4 wordt ingegaan op het huidige commerciële aanbod aan voorzieningen. De meeste voorzieningen zijn gevestigd in de twee grootste kernen. Er is een benchmark gemaakt van de twee grootste kernen Epe en Vaassen. Het huidige aanbod is vergeleken met het te verwachten aanbod in deze kernen op basis van het gemiddelde in vergelijkbare kernen qua inwonertal. In aanvulling daarop is ook gekeken naar het voorzieningenaanbod in de hele gemeente.

14/41

Bedrijventerreinen De bedrijventerreinen Kweekweg en Eekterveld vormen het hart van de bedrijvigheid in de gemeente. Op Eekterveld is nog uitbreidingsruimte. Dit gaat in kleine stappen. Op de Kweekweg zal kwaliteitsverbetering (en de druk daarop) de belangrijkste drijfveer zijn. Landelijk is een tiende van de bedrijven in Nederland gevestigd op een bedrijventerrein. Samen zorgen deze vestigingen voor 30 procent van het aantal banen. Binnen de gemeente Epe zijn ook enkele grote solitaire bedrijven gevestigd met veel arbeidsplaatsen. Tabel 3.2 geeft inzicht in het aantal banen binnen de gemeente Epe. Het aantal banen heeft betrekking op het totaal aantal fulltimers, parttimers en uitzendkrachten. Tabel 3.3 geeft inzicht in het aantal banen per sector. Tabel 3.2 Werkgelegenheid (Bron: Lisa) Gemeente Epe

Jaar 2019

Banen totaal 13480

Vestigingen totaal 2880

2019 Epe

Arbeid Banen van werknemers x 1 000

13,0

serij

x 1 000

0,2

B-F Nijverheid en energie

x 1 000

3,0

x 1 000

5,6

x 1 000

4,2

serij

aantal

225

B-F Nijverheid en energie

aantal

480

G+I Handel en horeca

aantal

720

aantal

165

rend goed

aantal

375

M-N Zakelijke dienstverlening

aantal

660

aantal

360

Totaal aantal banen A Landbouw, bosbouw en vis-

G-N Commerciële dienstverlening O-U Niet-commerciële dienstverlening Bedrijfsvestigingen Bedrijfsvestigingen naar activiteit A Landbouw, bosbouw en vis-

Afbeelding 3.12 Bedrijventerreinen Gelderland, gemeente Epe (bron: provincie Gelderland/ibis)

H+J Vervoer, informatie en communicatie K-L Financiële diensten, onroe-

R-U Cultuur, recreatie, overige diensten

Tabel 3.3 arbeidsplaatsen per sector (Bron: CBS statline) Bedrijventerrein

Oppervlak

Kweekweg

26,8 ha netto

Kweekweg VI

10,64 ha netto

Eekterveld 1

25,44 ha netto

Eekterveld 2

6,17 ha netto

Eekterveld 3

23,59 ha netto

Totaal

92,64 ha

Tabel 3.4 Netto hectare bedrijventerrein (Bron: provincie Gelderland)

15/41

Naar verwachting is ongeveer 30% van de werkgelegenheid in de gemeente Epe op de bedrijventerreinen geconcentreerd. In Epe zijn 13.480 banen, dus 4.044 banen op de bedrijventerreinen. In Epe is 92,94 ha netto bedrijventerrein, dus afgerond 43 banen per ha. Het toevoegen van 1 ha netto bedrijventerrein zou gemiddeld 43 banen op moeten leveren (uitgangspunt voor de beoordeling van de scenario’s in het volgende hoofdstuk). Agrarische ondernemers De toekomst voor agrarische ondernemers is onzeker. De veranderingen in deze sector hangen nauw samen met andere en nieuwe kansen. Kijkend naar het aantal bedrijven op basis van CBS-gegevens is met de name de veehouderij sterk vertegenwoordigd binnen de gemeente. Net als elders in Nederland blijkt uit gegevens van het CBS duidelijke de schaalvergroting die de afgelopen decennia binnen de agrarische sector heeft plaatsgevonden. Het aantal bedrijven is sterk afgenomen. De ontwikkeling in het aantal dieren verschilt per diercategorie. Ter illustratie in tabel 3.5 de ontwikkeling in het aantal dieren en bedrijven over de periode 2000 – 2020.

Tabel 3.5 Ontwikkeling aantal dieren en bedrijven, 2000 – 2020(bron: CBS-statline) 2000 2020 Varkens Aantal dieren 31.807 27.147 Aantal bedrijven 40 12 Rundvee Aantal dieren 17.800 28.697 Aantal bedrijven 223 118 Kippen Aantal dieren 574770 463535 Aantal bedrijven 25 10 Recreatie en toerisme Recreatie en toerisme is belangrijk voor de gemeente. Kleinschaligheid en verblijfstoerisme staan voorop. Groei zou vanuit deze uitgangspunten moeten ontstaan. Binnen de gemeente Epe zijn er verhoudingsgewijs veel campings en minder bungalowparken. De campings en bungalowparken bevinden zich met name op en langs de randen van de Veluwe. Verder zijn er opvallend veel boeren campings gevestigd. Het totale aantal overnachtingen per jaar lag (voor de Corona crisis) rond de 750.000, waarvan ruim 400.000 op campings. Maatschappelijk Voor het thema maatschappelijk baseren we ons voor de referentiesituatie op de regionale monitor Brede Welvaart. Als het gaat over welzijn scoort de gemeente hoog ten opzichte van andere gemeenten. 90% van de inwoners geeft een 7-10 voor tevredenheid met het leven en 79,3% voor tevredenheid met vrije tijd. Epe eindigt daarmee als 39ste van de 250 regio’s voor het eerste aspect en 14 van de 246 op het tweede aspect. Wat betreft gezondheid valt op dat Epe op overgewicht laag scoort 308/388 en op personen met één of meerdere langdurige ziekte of aandoeningen 326/388.

Als het gaat over de woonkwaliteit scoren met name de afstand tot een sportterrein 281/3939) en afstand tot café e.d. (272/355) relatief minder. Op samenlevingsaspecten valt het aantal inwoners dat vrijwilligerswerk doet positief op (49/252). Verder onderscheid Epe zich in bijzondere mate op de hoeveelheid natuur per inwoner 224 ha per 1000 inwoner. Epe staat daarmee op plek 15 van de 381.

16/41

4. BEOORDELING SCENARIO’S 4.1

Natuur

Beoordelingskader Tabel 4.1 geeft een samenvattend overzicht van de beoordelingscriteria voor het thema natuur. Tabel 4.1 Beoordelingscriteria natuur Thema’s

Criteria

Areaalverandering

toe- of afname ecologisch waardevol gebied

Verdroging

toe- of afname verdroogd areaal binnen ecologisch waardevol gebied

Vermesting / verzuring

toe- of afname stikstofdepositie binnen ecologisch waardevol gebied

Vergiftiging

toe- of afname gifstoffen binnen ecologisch waardevol gebied

Verstoring

toe- of afname verstoring binnen ecologisch waardevol gebied

Toelichting : de huidige ongunstige staat van instandhouding van beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en/of GNN) is voor een belangrijk deel te wijten aan vier ecologische kernproblemen: verdroging, vermesting, verzuring en vergiftiging. Hetzelfde geldt voor veel beschermde soorten en voor de biodiversiteit in het algemeen. De oorzaak van deze knelpunten is in deze gemeente grotendeels de intensieve landbouw. In agrarisch gebied zijn deze ecologische knelpunten dan ook het grootst, maar de invloed strekt zich uit tot een groot deel van het beschermde natuurareaal. Areaalverandering speelt vooral in agrarisch gebied, waar de meeste functieveranderingen (zullen) plaatsvinden. Verstoring is in vergelijking met de andere thema’s een relatief ondergeschikt probleem; er is nog nooit een soort op de rode lijst terecht gekomen als gevolg van verstoring en veel soorten wennen snel aan verstoring. Voor de volledigheid wordt dit thema hier echter wel beschreven. Effectbeoordeling Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid Areaalverandering In dit scenario worden 2000 woningen gebouwd op 100 hectare agrarisch gebied, verdeeld over meerdere uitbreidingslocaties aan de bestaande kernen. Daarnaast biedt dit scenario ruimte voor 15 hectare nieuw bedrijventerrein. Deze emissie is gebaseerd op een gebruiksnorm van grasland met beweiding.

Indien sprake is van grasland met volledig maaien is de gebruiksnorm nog 28% hoger. 2

17/41

Langs de randen van deze nieuwe functies kan extra groen worden ontwikkeld in combinatie met landschappelijke inpassing. Bij een gevarieerd inheems sortiment en een natuurvriendelijk beheer kunnen dergelijke groengebieden ook in stedelijk gebied een hoge biodiversiteit ontwikkelen, die aanzienlijk groter is dan in intensief gebruikt agrarisch gebied. Uitgaande van 10% groene inpassing zullen de nieuwe functies leiden tot circa 11 ha nieuw ecologisch waardevol gebied ten opzichte van de agrarische uitgangsituatie. Verdroging De nieuwe functies bieden mogelijkheden om meer regenen kwelwater vast te houden dan in de agrarische uitgangsituatie. Ook zal er op deze hectares geen behoefte meer zijn aan beregening uit grondwater. De nieuwe woon- en werkgebieden zijn echter niet gekoppeld aan de verdrogingsgevoelige natuurgebieden, zoals de bovenloop van het bekensysteem. De ecologische meerwaarde is daardoor beperkt. In de nieuwe woon- en werkgebieden kan toename van het verhard oppervlak bovendien leiden tot verminderde infiltratie van het neerslagoverschot. Het is daarom van belang om in deze gebieden voldoende infiltratievoorzieningen aan te leggen en verharde oppervlakken af te koppelen van de riolering. Vermesting/verzuring Het agrarisch areaal neemt in dit scenario af met 115 ha hetgeen zal leiden tot een daling van de ammoniakemissies.

Daarentegen zullen de 2000 nieuwe woningen en 15 hectare nieuw bedrijventerrein leiden tot extra stikstofemissies (NOx) door met name verkeersbewegingen. Om het depositie-effect op Natura 2000 te bepalen zijn indicatieve berekeningen uitgevoerd op basis van de uitgangspunten zoals opgenomen in tabel 4.2. Tabel 4.2 Uitgangspunten stikstofdepositie scenario 1 Functie

Omvang

Verkeers-

Totaal

generatie Woongebied Bedrijventer-

2000

7 mvt/etm

woningen

per woning

15 ha

174 licht

2.610 mvt/etm

34 zwaar

510 mvt/etm

rein

14.000 mvt/etm

per hectare NH3-

Landbouw

emissie/ha/jr 50% grasland

57 ha

28 kg 2

1.596 kg NH3/jr

50% mais

58 ha

3 kg

174 kg NH3/jr

Per cluster is op basis van de stikstofgebruiksnormen voor grasland dan wel mais op zandgrond bepaald hoeveel dierlijke mest en kunstmest jaarlijks mag worden toegediend. De NH3- emissies zijn vervolgens per perceelscluster bepaald op basis van het TAN -gehalte van de mest, de mestaanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactoren. Dit scenario leidt tot een afname van de NH3-emissie uit het gebied van circa 1.750 kg/jaar door het opheffen van de bemesting van 115 ha agrarisch areaal. Dit getal is exclusief een eventuele afname van de stalemissies wanneer dit scenario zal leiden tot het opheffen van veehouderijbedrijven. Ook de afname van agrarische verkeersbewegingen (zaaien, ploegen, oogsten etc.) is niet meegerekend. Tegenover de afname van de NH3-emissies staat een toename van de NOxemissies met circa 3.600 kg/jaar door extra verkeersbewegingen door 2000 extra woningen en 15 ha extra bedrijventerrein 3. Deze verandering van emissies leidt per saldo tot een stikstofdepositiedaling op 43 Nederlands Natura 2000-gebieden, met de grootste daling op de Veluwe met lokaal circa 2 mol/ha/jr. Vergiftiging Het agrarisch areaal neemt in dit scenario af met 115 ha. Daarmee vervalt ook het intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (herbiciden, fungiciden, insecticiden). Op 96% van het agrarisch areaal in Nederland worden gewasbeschermingsmiddelen toegepast.

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de land- en tuinbouw bedroeg 7,7 kg per hectare landbouwgewas in 2016 (bron: Compendium voor de Leefomgeving). De functieverandering in dit scenario van 115 ha landbouwgrond naar bos, wonen en bedrijventerrein impliceert derhalve een afname van 0,96 x 115 x 7,7 = 850 kg/jr. Deze afname vindt op relatief grote afstand van beschermde natuurgebieden plaats en is niet gekoppeld aan de bovenloop van het bekensysteem De ecologische meerwaarde is daarom beperkt. Binnen de 115 ha met nieuwe functies kan de biodiversiteit (sterk) toenemen. Binnen de nieuwe woonen werkgebieden is deze meerwaarde sterk afhankelijk van de gebruikers en de beheerders en de mate waarin deze gebruik maken van gifstoffen bij beheer van privé- en openbaar

3 Als rekenjaar is 2021 gehanteerd, bij wijze van worst-case benadering. De komende 10 jaar zal het wagenpark naar verwachting aanzienlijk schoner worden.

18/41

groen, verzorging van huisdieren etc. Met voorlichting kan op dit punt veel gifgebruik worden voorkomen. Verstoring In dit scenario neemt het aantal bewoners toe met enkele duizenden. Daarnaast zal er in het zomerhalfjaar sprake zijn van nog eens duizenden extra recreanten door de capaciteitstoename van 10%. Deze nieuwe bewoners en recreanten zullen vooral gebruik maken van de bestaande bossen op de Veluwe. Hier zal de recreatiedruk daarom licht toenemen ten opzichte van de huidige recreatiedruk. Verstoring is in vergelijking met de andere ecologische thema’s een relatief ondergeschikt probleem; er is nog nooit een soort op de rode lijst terecht gekomen als gevolg van verstoring en veel soorten wennen hier snel aan. Verstoring van natuurwaarden door recreatie is het best onderzocht met betrekking tot vogels (o.a. van der Zande, 1984, Krijgsveld, K.L. et al, 2008, Livezey, 2016). Het onderzoek van Krijgsveld heeft enkele kwalitatieve “vuistregels” geformuleerd. In gebieden waar een bepaalde verstoringsbron geen werkelijke dreiging vormt en daarnaast ook voorspelbaar is, reageren vogels steeds minder op de verstoringsbron. Windturbines Dit scenario biedt ruimte voor 3 windturbines.

De afstand tot de Veluwe is hier weliswaar groot (4 - 5 km), doch recent onderzoek laat zien dat ook op deze afstand aanvaringsrisico’s kunnen bestaan voor de wespendief, een kwalificerende broedvogel van het Natura 2000-gebied Veluwe (A&W-rapport 20-140). Ook binnen de gemeente Epe wordt deze soort regelmatig waargenomen buiten de Veluwe (zie figuur 4.1). Grote aantallen turbines, zoals 75 of 100, zijn zonder effectieve mitigerende maatregelen juridisch gezien niet mogelijk binnen een afstand van 8 km van de Veluwe. De meest effectieve maatregel is het stilzetten van de turbines in augustus, hetgeen echter afbreuk doet aan de opbrengst. Daarnaast kunnen windturbines leiden tot slachtoffers onder vele andere vogelsoorten en ook onder vleermuizen. De beoogde 3 turbines in dit scenario vallen uiteraard niet onder de definitie van “grote aantallen” maar moeten worden bezien in samenhang met vergelijkbare plannen rondom de hele Veluwe.

In de nieuwe woon- en werkgebieden en zonnevelden kan toename van het verhard oppervlak leiden tot verminderde infiltratie van het neerslagoverschot. Het is daarom van belang om in deze gebieden voldoende infiltratievoorzieningen aan te leggen en verharde oppervlakken af te koppelen van de riolering. Vermesting/verzuring Het agrarisch areaal neemt in dit scenario af met ongeveer 1130 ha hetgeen zal leiden tot een sterke daling van de ammoniakemissies. Daarentegen zullen de 1000 nieuwe woningen en max 4 hectare nieuw bedrijventerrein leiden tot extra stikstofemissies (NOx) door met name verkeersbewegingen. Om het depositie-effect op Natura 2000 te bepalen zijn indicatieve berekeningen uitgevoerd op basis van de uitgangspunten zoals opgenomen in tabel 4.3. Tabel 4.3 Uitgangspunten stikstofdepositie scenario 2 Figuur 4.1 Waarnemingen (bron:www.waarneming.nl)

wespendief

sinds

2010

Scenario 2 – Natuur, water en recreatie Areaalverandering De ontwikkeling van 1000 ha nieuw bos op landbouwgrond zal leiden tot een toename met 1000 hectare ecologisch waardevol gebied. Bos met inheemse soorten zal daarbij de grootste ecologische meerwaarde genereren. De realisering van 1.000 woningen, 75 ha zonnevelden en maximaal 4 ha bedrijventerrein zal eveneens leiden tot extra natuurareaal ten opzichte van de agrarische uitgangssituatie. Deze nieuwe natuur zal vooral langs de randen van de nieuwe functies worden ontwikkeld in combinatie met landschappelijke inpassing. Uitgaande van 20 woningen per ha en 10% groen zullen deze nieuwe functies leiden tot circa 13 ha nieuw ecologisch waardevol gebied ten opzichte van de agrarische uitgangsituatie. In totaal is er derhalve sprake van een toename van ecologisch waardevol gebied met circa 1013 hectare. Verdroging De nieuwe functies bieden mogelijkheden om veel meer regen- en kwelwater vast te houden dan in de agrarische uitgangsituatie. Ook zal er op deze hectares geen behoefte meer zijn aan beregening uit grondwater. Vooral de nieuwe bosgebieden in de bovenloop van het bekensysteem hebben in dat opzicht een grote ecologische meerwaarde. De ecologische kwaliteit van het bekensysteem (deels onderdeel van het Natura 2000-gebied Veluwe) zal daardoor merkbaar verbeteren door minder droogval in de zomer.

19/41

Functie

Omvang

Verkeersgeneratie

Totaal

Woongebied

1000 woningen

7 mvt/etm per woning

7000 mvt/etm

Bedrijven-terrein

4 hectare

174 licht 34 zwaar Per hectare

696 mvt/etm 136 mvt/etm

NH3-Emissie/ha/jr

Landbouw 50% grasland 50% mais

565 ha 565 ha

28 kg 3 kg

15.820 kg NH3/jr 1.695 kg NH3/jr

Per cluster is op basis van de stikstofgebruiksnormen voor grasland dan wel mais op zandgrond bepaald hoeveel dierlijke mest en kunstmest jaarlijks mag worden toegediend. De NH3- emissies zijn vervolgens per perceelscluster bepaald op basis van het TAN -gehalte van de mest, de mestaanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactoren. Dit scenario leidt tot een afname van de NH3-emissie uit het gebied van circa 17.300 kg/jaar door het opheffen van de bemesting van 1.130 ha agrarisch areaal. Dit getal is exclusief een afname van de stalemissies doordat dit scenario zal leiden tot het opheffen van vele veehouderijbedrijven. Ook de afname van agrarische verkeersbewegingen (zaaien, ploegen, oogsten etc.) is niet meegerekend. Tegenover de afname van de NH3-emissies staat een toename van de NOxemissies met 1.100 kg/jaar door extra verkeersbewegingen door 1000 extra woningen en 4 ha extra bedrijventerrein. De afname van emissies leidt tot een depositiedaling op alle Nederlandse Natura 2000-gebieden, met de grootste daling op de Veluwe met lokaal meer dan 100 mol/ha/jr. Uit de literatuur blijkt bovendien dat NH3 meer schade toebrengt aan

de natuur dan NOx als het gaat om de directe bijdrage aan afnemende biodiversiteit, de verschuiving naar stikstofminnende plantensoorten en bodemverzuring. Dit komt door de grotere bijdrage aan bodemverzuring, de boven- en ondergrondse bemestingseffecten, de toxische effecten door bovengrondse blootstelling en omdat stikstofminnende planten harder groeien van NH3 (bron: Louis Bolk-instituut, 2020). De afname van de NH3 –emissie in combinatie met de veel kleinere toename van de NOx-emissie is ecologisch dus gunstiger dan alleen de getalsmatige verhouding van 15: 1.

plaats op bestaande routes en tijdstippen waarop reeds sprake is van bestaand recreatief gebruik. De ecologische effecten van deze toename zijn daarom zeer gering en niet significant.

Vergiftiging Het agrarisch areaal neemt in dit scenario af met ongeveer 1.130 ha. Daarmee vervalt ook het intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (herbiciden, fungiciden, insecticiden). Op 96% van het agrarisch areaal in Nederland worden gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de land- en tuinbouw bedroeg 7,7 kg per hectare landbouwgewas in 2016 (bron: Compendium voor de Leefomgeving). De functieverandering in dit scenario van 1130 ha landbouwgrond naar bos, wonen en bedrijventerrein impliceert derhalve een afname van 0,96 x 1130 x 7,7 = 8.353 kg/jr.

Windturbines Dit scenario biedt ruimte voor 2 windturbines langs de A50. De afstand tot de Veluwe is hier weliswaar groot (bijna 4 km), doch recent onderzoek laat zien dat ook op deze afstand aanvaringsrisico’s kunnen bestaan voor de wespendief, een kwalificerende broedvogel van het Natura 2000-gebied Veluwe (A&W-rapport 20-140). Grote aantallen turbines, zoals 75 of 100, zijn zonder effectieve mitigerende maatregelen juridisch gezien niet mogelijk binnen een afstand van 8 km van de Veluwe. De meest effectieve maatregel is het stilzetten van de turbines in augustus, hetgeen echter afbreuk doet aan de opbrengst. Daarnaast kunnen windturbines leiden tot slachtoffers onder vele andere vogelsoorten en ook onder vleermuizen. De beoogde 2 turbines in dit scenario vallen uiteraard niet onder de definitie van “grote aantallen” maar moeten worden bezien in samenhang met vergelijkbare plannen rondom de hele Veluwe.

Deze afname vindt met name plaats in de bovenloop van het bekensysteem waar de 1000 ha nieuw bos is geconcentreerd. De ecologische kwaliteit van het bekensysteem (deels onderdeel van het Natura 2000-gebied Veluwe) zal daardoor merkbaar verbeteren en benedenstrooms zal ook het Natura 2000-gebied Rijntakken hier licht van profiteren. Daarnaast zal binnen de overige 130 ha met nieuwe functies de biodiversiteit (sterk) toenemen. De grootste meerwaarde zal optreden binnen de nieuwe zonneparken indien de exploitanten op dit punt strikte eisen worden opgelegd. Binnen de nieuwe woon- en werkgebieden is deze meerwaarde sterk afhankelijk van de gebruikers en de beheerders en de mate waarin deze gebruik maken van gifstoffen bij beheer van privé- en openbaar groen, verzorging van huisdieren etc. Met voorlichting kan op dit punt veel gifgebruik worden voorkomen. Verstoring In dit scenario neemt het aantal bewoners toe met enkele duizenden. Daarnaast zal er in het zomerhalfjaar sprake zijn van nog eens duizenden extra recreanten door de toename van 30% extra recreatieve overnachtingen. Voor een deel zullen deze nieuwe bewoners en recreanten gebruik maken van de 1000 hectare nieuw bos op loopafstand die in samenhang met deze nieuwe functies zal worden ontwikkeld.

Zeker de eerste 20 jaar heeft dit nieuwe bos echter nog niet de aantrekkingskracht van de bestaande, volwassen bossen op de Veluwe. Hier zal de recreatiedruk daarom licht toenemen ten opzichte van de huidige recreatiedruk. Deze toename vindt

20/41

De 1000 hectare nieuw bos kan bovendien gebruikt worden om bestaande recreatieterreinen op de Veluwe te verplaatsen naar nieuwe locaties met uitbreidingsmogelijkheden. Per saldo kan daarbij de recreatiedruk binnen het Natura 2000gebied Veluwe gelijk blijven of zelfs afnemen.

Scenario 3 – Energieplus en landbouw Areaalverandering In dit scenario worden 1.300 woningen gebouwd op 65 hectare agrarisch gebied, verdeeld over meerdere uitbreidingslocaties aan de bestaande kernen. Daarnaast biedt dit scenario ruimte voor 10 hectare nieuw bedrijventerrein en 200 ha zonnevelden. Langs de randen van deze nieuwe functies kan extra groen worden ontwikkeld in combinatie met landschappelijke inpassing. Uitgaande van 10% groene inpassing zullen de 275 ha nieuwe functies leiden tot circa 27 ha nieuw ecologisch waardevol gebied ten opzichte van de agrarische uitgangsituatie. Verdroging De nieuwe functies bieden mogelijkheden om meer regenen kwelwater vast te houden dan in de agrarische uitgangsituatie. Ook zal er op deze hectares geen behoefte meer zijn aan beregening uit grondwater. De nieuwe woon- en werkgebieden en zonnevelden zijn echter niet gekoppeld aan de verdrogingsgevoelige natuurgebieden, zoals de bovenloop van het bekensysteem. De ecologische meerwaarde is daardoor beperkt. In de nieuwe woon- en werkgebieden en zonnevelden kan toename van het verhard oppervlak bovendien

leiden tot verminderde infiltratie van het neerslagoverschot. Het is daarom van belang om in deze gebieden voldoende infiltratievoorzieningen aan te leggen en verharde oppervlakken af te koppelen van de riolering.

Deze verandering van emissies leidt per saldo tot een stikstofdepositiedaling op 69 Nederlands Natura 2000-gebieden, met de grootste daling op de Veluwe met lokaal circa 2 mol/ha/jr.

Vermesting/verzuring Het agrarisch areaal neemt in dit scenario af met 275 ha hetgeen zal leiden tot een daling van de ammoniakemissies. Daarentegen zullen de 1300 nieuwe woningen en 10 hectare nieuw bedrijventerrein leiden tot extra stikstofemissies (NOx) door met name verkeersbewegingen. Om het depositie-effect op Natura 2000 te bepalen zijn indicatieve berekeningen uitgevoerd op basis van de uitgangspunten zoals opgenomen in tabel 4.4.

Vergiftiging Het agrarisch areaal neemt in dit scenario af met 275 ha. Daarmee vervalt ook het intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (herbiciden, fungiciden, insecticiden). Op 96% van het agrarisch areaal in Nederland worden gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de land- en tuinbouw bedroeg 7,7 kg per hectare landbouwgewas in 2016 (bron: Compendium voor de Leefomgeving). De functieverandering in dit scenario van 275 ha landbouwgrond naar bos, wonen en bedrijventerrein impliceert derhalve een afname van 0,96 x 275 x 7,7 = 2.033 kg/jr.

Tabel 4.4 Uitgangspunten stikstofdepositie scenario 3 Functie

Omvang

Verkeersgene-

Totaal

ratie Woongebied

1300 wo-

7 mvt/etm per

9.100 mvt/etm

ningen

woning

Bedrijventer-

10 hec-

174 licht

1.740 mvt/etm

rein

tare

34 zwaar

340 mvt/etm

Per hectare NH3-Emis-

Landbouw

sie/ha/jr 50% grasland

137 ha

28 kg 4

3.836 kg NH3/jr

50% mais

138 ha

3 kg

414 kg NH3/jr

Per cluster is op basis van de stikstofgebruiksnormen voor grasland dan wel mais op zandgrond bepaald hoeveel dierlijke mest en kunstmest jaarlijks mag worden toegediend. De NH3- emissies zijn vervolgens per perceelscluster bepaald op basis van het TAN -gehalte van de mest, de mestaanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactoren. Dit scenario leidt tot een afname van de NH3-emissie uit het gebied van circa 4.250 kg/jaar door het opheffen van de bemesting van 275 ha agrarisch areaal. Dit getal is exclusief een eventuele afname van de stalemissies wanneer dit scenario zal leiden tot het opheffen van veehouderijbedrijven. Ook de afname van agrarische verkeersbewegingen (zaaien, ploegen, oogsten etc.) zijn niet meegerekend. Tegenover de afname van de NH3-emissies staat een toename van de NOxemissies met 2.461 kg/jaar door extra verkeersbewegingen door 1.300 extra woningen en 10 ha extra bedrijventerrein 5.

4 Deze emissie is gebaseerd op een gebruiksnorm van grasland met beweiding. Indien sprake is van grasland met volledig maaien is de gebruiksnorm nog 28% hoger.

21/41

Deze afname vindt op relatief grote afstand van beschermde natuurgebieden plaats en is niet gekoppeld aan de bovenloop van het bekensysteem De ecologische meerwaarde is daarom beperkt. Binnen de 275 ha met nieuwe functies kan de biodiversiteit (sterk) toenemen. Binnen de nieuwe woonen werkgebieden is deze meerwaarde sterk afhankelijk van de gebruikers en de beheerders en de mate waarin deze gebruik maken van gifstoffen bij beheer van privé- en openbaar groen, verzorging van huisdieren etc. Met voorlichting kan op dit punt veel gifgebruik worden voorkomen. Verstoring In dit scenario neemt het aantal bewoners toe met enkele duizenden. Daarnaast zal er in het zomerhalfjaar sprake zijn van nog eens duizenden extra recreanten door de capaciteitstoename van 10%. Deze nieuwe bewoners en recreanten zullen vooral gebruik maken van de bestaande bossen op de Veluwe. Hier zal de recreatiedruk daarom licht toenemen ten opzichte van de huidige recreatiedruk. Windturbines Dit scenario biedt ruimte voor 10 windturbines. De afstand tot de Veluwe is hier weliswaar groot (4 - 5 km), doch recent onderzoek laat zien dat ook op deze afstand aanvaringsrisico’s kunnen bestaan voor de wespendief, een kwalificerende broedvogel van het Natura 2000-gebied Veluwe (A&W-rapport 20-140). Ook binnen de gemeente Epe wordt deze soort regelmatig waargenomen buiten de Veluwe (zie figuur 4.1).

Grote aantallen windturbines zijn zonder effectieve mitigerende maatregelen juridisch gezien niet mogelijk binnen een afstand van 8 km van de Veluwe. De meest effectieve maatregel is het stilzetten van de turbines in augustus, 5 Als rekenjaar is 2021 gehanteerd, bij wijze van worst-case benadering. De komende 10 jaar zal het wagenpark naar verwachting aanzienlijk schoner worden.

hetgeen echter afbreuk doet aan de opbrengst. Daarnaast kunnen windturbines leiden tot slachtoffers onder vele andere vogelsoorten en ook onder vleermuizen.

Tabel 4.6 Beoordelingscriteria landschap, cultuurhistorie en archeologie Thema’s

Criteria

De beoogde 10 turbines in dit scenario vallen uiteraard niet onder de definitie van “grote aantallen” maar moeten worden bezien in samenhang met vergelijkbare plannen rondom de hele Veluwe.

Landschap

•

Herkenbaarheid landschapstypen

•

Herkenbaarheid oost-weststructuur

•

Verstening

•

Herkenbaarheid historische patronen

Cultuurhistorie

Samenvattend overzicht effectbeoordeling De navolgende tabel geeft een samenvattend overzicht van de effectbeoordeling in dit hoofdstuk. Tabel 4.5 Samenvattende effectbeoordeling natuur Criteria Toename gisch

ecolo-

Scenario 1

Scenario 2

Scenario 3

11 ha

1013 ha

27 ha

115 ha

1079 ha

275 ha

1.750 kg/jr

17.300

4.250

kg/jaar

kg/jaar

123

69

100

2 mol/ha/jr

waardevol

areaal Afname agrarisch areaal Afname

NH3-

emissie Natura 2000-ge-

43

bieden met depositie-afname Max. depositieaf-

2 mol/ha/jr

name Veluwe Toename

NOx-

mol/ha/jr 3.600

1.100

2.461

kg/jaar

kg/jaar

kg/jaar

850 kg/jr

8.353 kg/jr

2.033 kg/jr

Verdroging

0/+

++

0/+

Verstoring

-/0

-/0

-/0

emissie Afname

gifge-

bruik landbouw

4.2

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Beoordelingskader Tabel 4.6 geeft een samenvattend overzicht van de beoordelingscriteria voor de thema’s landschap, cultuurhistorie en archeologie.

en elementen Archeologie

•

Behoud waarden

Toelichting : het huidige landschap kent een herkenbaar onderscheid tussen het beboste Veluwemassief, het open agrarische IJsseldal en de diverse, halfopen overgangszone. Deze overgangszone kent een karakteristieke oost-weststructuur, gekoppeld aan het patroon van beken en dekzandruggen. De verschillende scenario’s kunnen van invloed zijn op de herkenbaarheid van deze landschapstypen en de oost-weststructuur. De visuele verstening van het landschap is de afgelopen decennia sterk toegenomen door nieuwe woon- en (agrarische) bedrijfsbebouwing in het buitengebied. De verschillende scenario’s kunnen van invloed zijn op deze visuele verstening. Het plangebied kent een rijk cultuurhistorisch erfgoed in de vorm van onder meer sprengen, watermolens, zichtbare prehistorische akkercomplexen, grafheuvels, waardevolle open enken, landgoederen etc. Daarnaast zijn er vele gebieden met hoge archeologische (verwachtings)waarden. De verschillende scenario’s kunnen van invloed zijn op deze waarden. Effectbeoordeling Scenario 1 – Maximaal wonen en werkgelegenheid Landschap In dit scenario worden 2000 woningen gebouwd op 100 hectare agrarisch gebied, verdeeld over meerdere uitbreidingslocaties aan de bestaande kernen. Daarnaast biedt dit scenario ruimte voor 15 hectare nieuw bedrijventerrein.

Deze ontwikkelingen vinden vrijwel volledig plaats in het halfopen middengebied en hebben geen effect op de herkenbaarheid van de afzonderlijke deellandschappen of de oostweststructuur in dit middengebied. De visuele verstedelijking neemt bij dit scenario toe, maar kan worden verzacht bij een adequate groene inpassing. Windturbines Dit scenario biedt ruimte voor 3 windturbines in het open, oostelijk deel van het gebied. Deze turbines vergroten de

22/41

herkenbaarheid van het IJssellandschap maar tasten dit landschap ook aan, aangezien dergelijke grote elementen op geen enkele wijze aansluiten bij de schaal van de aanwezige structuren, patronen en elementen. Cultuurhistorie en archeologie De beoogde uitbreidingen van woon- en werkgebieden zullen vrijwel zeker ten koste gaan van (de herkenbaarheid van) cultuurhistorische patronen en elementen. Deels kunnen deze worden ingepast in de stedenbouwkundige ontwerpen maar de landschappelijke context zal in veel gevallen verloren gaan. Ook archeologische waarden zullen in veel gevallen niet kunnen worden ingepast in het stedenbouwkundig ontwerp van de relatief grote uitbreidingslocaties. Scenario 2 – Natuur, water en recreatie Landschap De realisering van 1000 ha nieuw bos, 1000 woningen, 75 ha zonnevelden en maximaal 4 ha bedrijventerrein, alles op landbouwgrond, zal leiden tot een ingrijpende verandering van het landschap. Afhankelijk van het uiteindelijke landschapsontwerp kan het onderscheid tussen de beboste Veluwe en het halfopen middengebied worden versterkt. De oost-weststructuur in het landschap wordt hier versterkt door de nieuwe bossen te koppelen aan de beken en dekzandruggen. De visuele verstedelijking wordt sterk gereduceerd door de groene verdichting in het relatief dichtbebouwde middengebied.

Windturbines Dit scenario biedt ruimte voor 2 windturbines langs de A50 waar deze het Apeldoorns kanaal kruist. Deze turbines accentueren daarmee dit knooppunt in het landschap, maar tasten dit landschap ook aan, aangezien dergelijke grote elementen op geen enkele wijze aansluiten bij de schaal van de aanwezige structuren, patronen en elementen. Cultuurhistorie en archeologie De beoogde nieuwe bossen kunnen de herkenbaarheid van cultuurhistorische patronen en elementen vergroten, zeker waar deze zijn gekoppeld aan het bekenpatroon. Daarentegen kan bebossing van historische open akkercomplexen deze elementen geheel verloren doen gaan. Deze complexen vergen daarom bijzondere aandacht bij het landschapsontwerp. Dit scenario biedt verder vele kansen voor nieuwe landgoederen, karakteristiek voor de (randen van) de Veluwe. Nieuwe woongebieden en bedrijventerreinen kunnen ten koste gaan van archeologische waarden. Bij nieuwe bossen is dit risico aanwezig indien gekozen wordt voor diepwortelende gewassen zoals eiken en lindes. Op lange termijn zullen dergelijke soorten zich sowieso spontaan vestigen in de

23/41

nieuwe bossen. Zonnevelden leveren geen risico op voor archeologische waarden, gezien de lichte constructies. Bij de aanleg van de bijbehorende stroomkabels dient dan niet dieper gegraven te worden dan de bestaande bouwvoor (veelal 20-30 cm diep).

Scenario 3 – Energieplus en landbouw Landschap In dit scenario worden 1300 woningen gebouwd op 65 hectare agrarisch gebied, verdeeld over verspreide clusters. Daarnaast biedt dit scenario ruimte voor 10 hectare nieuw bedrijventerrein en 200 ha zonnevelden. De nieuwe woonen werkgebieden worden vrijwel volledig gerealiseerd in het halfopen middengebied en hebben geen effect op de herkenbaarheid van de afzonderlijke deellandschappen of de oostweststructuur in dit middengebied. De nieuwe zonnevelden worden vooral in het open IJsseldal gerealiseerd en doen daar afbreuk aan de karakteristieke openheid van dit landschap. De visuele verstedelijking neemt bij dit scenario toe, maar kan worden verzacht bij een adequate groene inpassing. Vanwege de vele verspreide clusters vergt dit wel veel meer groene randlengte. Windturbines Dit scenario biedt ruimte voor 10 windturbines langs de A50 en het Apeldoorns kanaal. Deze lijnopstelling accentueert beide infrastructuurlijnen en markeert tevens de overgang naar het open IJsseldal. Anderzijds wordt hiermee ook de karakteristieke openheid van dit landschap aangetast. Cultuurhistorie en archeologie De beoogde nieuwe woon- en werkgebieden zullen mogelijk ten koste gaan van (de herkenbaarheid van) cultuurhistorische patronen en elementen. Doordat het relatief kleine clusters zijn kan veel schade worden voorkomen door een goede locatiekeuze.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10555567/1