1407961 5. Gebiedsbiografie Stedendriehoek - tijdsvensters (1)
Tekst van het document
Gebiedsbiografie Stedendriehoek
Concept, hoofdstuk 1 t/m 3 (onderdeel gebiedsbiografie) December 2025
Colofon Dit concept-document is gemaakt in opdracht van en in nauwe samenwerking met de Regio Stedendriehoek, door Strootman Landschapsarchitecten . Al het beeldmateriaal: ©Neder|land|schap en ©Strootman Landschapsarchitecten, tenzij anders aangegeven. Sommige beelden zijn afkomstig van internet, daarvan is het beeldrecht soms onduidelijk. Rechthebbenden kunnen contact opnemen met de Regio Stedendriehoek. Concept, hoofdstuk 1 t/m 3 (onderdeel gebiedsbiografie), december 2025
Strootman
Regio Stedendriehoek
Landschapsarchitecten
Zutphenseweg 6E
Funenpark 1D
7418AJ, Deventer
1018 AK Amsterdam
www.regiostedendriehoek.nl
bureau@strootman.net T. 020 419 41 69
Opdrachtgevende partijen:
Gebiedsbiografie Stedendriehoek
Concept, hoofdstuk 1 t/m 3 (onderdeel gebiedsbiografie) December 2025
INHOUDSOPGAVE De gebiedsbiografie: terugkijken, om richting te kiezen voor de toekomst
6
Tijdsvenster 1: Natuurlijke landschappen en prehistorische bewoning (<500 na Chr.)
10
—
12
1
Drie eilanden en één vallei als natuurlijke basis
—
Hoogtekaart
—
2
Een deken van zand en opvulling met veen
16
—
3
De Hunnepe en de Berkel als gescheiden watersystemen
20
—
4
Bewoningsdynamiek in de prehistorie 22
—
Intermezzo: De relatie tussen de prehistorische bewoners en hun landschap (1)
27
—
5
De IJssel breekt door de dekzandbarrière bij Voorst
28
—
6
Veldnamen als geologische gids 32
—
Veldnamenkaart
—
7
Natuurlijke afwatering in zeven stroomgebieden
—
Overzichtskaart A: ‘Natuurlijk systeem als basis’
14
34 36
38
Tijdsvenster 2: Middeleeuwse dorpslandschappen en de opkomst van de 40 steden (500-1800 na Chr.) —
1
Enkdorpen ontstaan en dorpslandschappen worden begrensd
42
—
2
Stadsontwikkeling met de Hanzesteden Deventer en Zutphen
52
—
Dorpslandschappenkaart 58
—
3
Doorgaande bedijking temt de IJssel 60
—
4
Veluwse en Sallandse weteringen ontwateren broekmoerassen
62
—
Intermezzo: De relatie tussen de middeleeuwse bewoners en hun landschap (2) 65
—
5
De Schipbeek onthoofdt de Regge en de Berkel wordt bevaarbaar
—
6
Oude landgoederenzones langs de Grift, rondom Twello- Deventer, bij Brummen en in de
66
Graafschap Zutphen 68 — —
7
Veluwse sprengenbeken en watermolens zorgen voor de eerste industrialisatie
71
Overzichtskaart B: ‘Identiteit als basis’ 74
4
Tijdsvenster 3: Moderne landschappen en verstedelijking (>1800 na Chr.)
76
—
1
Markedelingen, bebossing en landbouw op de woeste gronden
78
—
2
Het Apeldoorns Kanaal, Overijssels Kanaal en Twentekanaal in een internationaal netwerk
80
—
3
Ruilverkavelingen en schaalvergroting in het landschap
82
—
4
Stedelijke ontwikkeling van Deventer, Zutphen, Apeldoorn en Lochem
84
—
Stedelijke ontwikkelingskaart
—
5
Ontwikkelingen tussen stad en platteland 93
—
Intermezzo: De relatie tussen de moderne bewoners en hun landschap (3)
—
6
Natuur krijgt een eigen plek in het landschap
98
—
7
Nieuwe gemeenschappen in steden en dorpen
102
—
Overzichtskaart C: ‘Modern ruimtegebruik als basis’
104
Eindnoten
88
97
128
5
00 INTRODUCTIE
De uiterwaarden bij Diepenveen
6
DE GEBIEDSBIOGRAFIE: TERUGKIJKEN, OM RICHTING TE KIEZEN VOOR DE TOEKOMST Inleiding en uitvraag
uitgangspunt is. In haar Contourenschets heeft de
De Regio Stedendriehoek beschikt over een prettige
voor vastgelegd: 1. Natuurlijk systeem als basis, 2
woon-, werk- en leefomgeving die in balans is met een hoge landschappelijke kwaliteit. Toch zijn er ook zorgen richting de toekomst. Er is sprake van vergrijzing en ook het op orde houden van voorzieningen vraagt aandacht. De regio wil groeien qua inwoneraantal om een evenwichtige gezonde regio te blijven: een Regio in Balans. Dat vraagt om een goede inpassing van de juiste woningen en voorzieningen in de schaarse ruimte, waarbij de Regio Stedendriehoek waardevolle aspecten wil behouden. Om hierop meer zicht te krijgen heeft de Regio Stedendriehoek een gebiedsbiografie met ontwikkelprincipes op laten opstellen. Vragen die daarbij horen zijn: Welke grote ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en hoe is dat nu nog terug te zien in het hedendaagse landschap, de dorpen en steden? Waarom zijn bepaalde keuzes in het verleden gemaakt? En wat voor gevolgen heeft dat gehad op de inwoners en hun omgeving? En kunnen die ontwikkellijnen inspiratie of richting geven voor
Regio Stedendriehoek daar drie leidende principes Identiteit als basis en 3. Zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik. Deze drie leidende principes moeten de thematische lijnen worden in de gebiedsbiografie. In de ontwikkelprincipes komen de drie leidende principes weer terug en doen deze inspirerende en richtinggevende uitspraken over thema's als wonen, uitbreiding
van
‘water- en bodemleidende’ systeemgedachte en daarvoor worden concrete ideeën geschetst over hoe de Regio Stedendriehoek gebiedseigen invulling kan geven aan de grote opgaven.1
Nu uitgewerkt: gebiedsbiografie (h1 t/m 3) Om invulling te geven aan de uitvraag van de Regio
Stedendriehoek
Stedendriehoek
De gebiedsbiografie heeft dan ook als doel om
behandelt
te
begrijpen
en
dat
begrip
te benutten als inspiratiebron voor visie- en planvorming
voor
toekomstige
ontwikkelingen
in de leefomgeving. Daarom is er in de uitvraag van de Regio Stedendriehoek voor gekozen om de gebiedsbiografie op te stellen vanuit de ruimtelijke invalshoek. Het uitgangspunt is dat er dat er voor de Gebiedsbiografie zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van ‘dat wat er is’, zoals streekgidsen, cultuurhistorische
is
de
Gebiedsbiografie
opgesteld
op
basis
van
drie
chronologische tijdsvensters. Het eerste tijdsvenster
de historie, het heden van het gebied en hun beter
landschapselementen,
inpassingskeuzes. Dat alles vindt plaats vanuit een
toekomstige opgaven?
bewoners
steden,
groenblauwe dooradering en suggesties voor andere
waardenkaarten,
het
natuurlijke
landschap
en
de
prehistorische bewoning, het tweede tijdsvenster richt zich op de middeleeuwse dorpslandschappen en het derde tijdsvenster laat de ingrepen in het moderne landschap zien. Elk tijdsvenster wordt afgesloten met een overzichtskaart. De drie leidende principes van de Regio Stedendriehoek zijn gekoppeld aan de drie overzichtskaarten. Tijdens het opstellen van de gebiedsbiografie is op drie momenten input gevraagd aan ambtenaren, erfgoedorganisaties en historische verenigingen.
bestaande
beschikbare informatie.
Latere uitwerking: opgaven en ontwikkelprincipes (PM)
Bij alle ontwikkelingen wil de Regio Stedendriehoek
Om de brug te slaan richting de ontwikkelprincipes
de identiteit van de regio meenemen naar de
en een vingeroefening te doen met de in de
toekomst. De opgave is daarbij ontwikkelingen
uitvraag gevraagde ‘water- en bodemleidende’
zodanig vorm te geven dat het natuurlijk systeem het
systeemgedachte worden later (nog geen onderdeel
gemeentelijke
landschapsbiografieën
en
andere
7
van deze versie) vijftig vrije denkrichtingen
drie natuurlijke eilanden en één vallei te ontwaren.
opgesteld. Het zijn grote of kleine kansen die
Deze drie eilanden zijn de Veluwe, de Sallandse
vertrekken vanuit de landschapsgeschiedenis van de
Heuvelrug en het plateau van Winterswijk. Daar
Regio Stedendriehoek en die mogelijke interessante
begint het water van de Regio Stedendriehoek te
oplossingen aandragen voor de opgaven van de
stromen. Zowel bovengronds vanuit natuurlijke
toekomst. Deze vijftig denkrichtingen zijn een
bronnen als ondergronds met kwelstromen. Dat
uitnodiging aan gebiedsprocessen om zelf verder aan
lijkt ogenschijnlijk ver weg te zijn, maar toch
de slag te gaan en om nog vele andere oplossingen te
ligt de Sallandse Heuvelrug slechts vier-en-een-
bedenken. De lijst met de vijftig vrije denkrichtingen
halve kilometer vanaf de bestuurlijke grenzen
zal in de bijlage terug zijn te vinden.
van de Regio Stedendriehoek en het plateau van Winterswijk slechts tien kilometer. Het is de vallei
Na de drie historische tijdsvensters wordt er
waarin al dat water samenkomt. In deze vallei liggen
later (nog geen onderdeel van deze versie)
de steden Deventer, Zutphen, Apeldoorn en Lochem,
gekeken naar de toekomstige opgaven voor de Regio
maar stroomt ook de IJssel en wordt er gewoond en
Stedendriehoek,
iets
gewerkt op dekzandkoppen en rivierduinen en zorgt
over moeten zeggen. De input van zowel de drie
stagnerend water voor moerassen en veengebieden.
tijdsvensters, de vijftig vrije denkrichtingen als
Het zijn de lange lijnen vanuit de vallei die de
de toekomstige opgavenanalyse zijn input voor de
gezamenlijke ontstaansgeschiedenis duidelijk maken:
ontwikkelprincipes. Daarin wordt later (nog geen
de Berkel, de Schipbeek, de Sallandse en Veluwse
onderdeel van deze versie) aangegeven op welke
weteringen, de IJssel en de Veluwse sprengenbeken.
manier aardkundige en cultuurhistorische waarden
Ze komen allemaal bij elkaar in de IJssel van de Regio
en relicten kunnen worden ingezet bij nieuwe
Stedendriehoek. Het maakt dat de landschappelijke
ontwikkelingen. Voor drie deelgebieden worden
samenhang van de Regio Stedendriehoek ontzettend
later (nog geen onderdeel van deze versie) de
groot is met lange lijnen naar buiten, maar ook met
ontwikkelprincipes getoetst en uitgewerkt. De focus
lange lijnen terug in de tijd en naar de toekomst.
waar
ontwikkelprincipes
in deze ontwikkelprincipes en de drie deelgebieden ligt op de opgaven vanuit het landschap, de geschiedenis van het gebied en het watersysteem.
Verder lezen
Omdat in de gebiedsprocessen van vandaag veel
Deze gebiedsbiografie is opgesteld met de gedachte
meer opgaven spelen is deze gebiedsbiografie vooral
dat het een beknopt document moet zijn voor een
het begin van het gesprek over de toekomst van deze
brede doelgroep. Daarom is voor een heldere opbouw
dynamische regio.
van de inhoudsopgave gekozen en tegelijkertijd diepgang gevonden in kaders, afbeeldingen en
De landschappelijke samenhang van de regio Stedendriehoek
kaarten. Voor wie deze gebiedsbiografie een aanzet is
In de Regio Stedendriehoek komen de identiteiten
meer recente literatuur te ontdekken.
tot verdere verdieping van de Regio Stedendriehoek is er in de voetnoten en de literatuurlijst nog veel
van Salland, Achterhoek, Veluwe en IJsselvallei bij elkaar. Dat roept soms de vraag op of er historisch gezien met zoveel identiteiten dan wel een gemene deler is terug te vinden in de regio. Het antwoord daarop is eenvoudig weg: ja. Wie vanuit het natuurlijke landschap naar de Regio Stedendriehoek gaat kijken, ziet dat deze gemene deler zelfs heel sterk aanwezig is. Iets uitgezoomd zijn namelijk
8
Overzichtskaart met de afbakening van de Regio Stedendriehoek, het onderwerp van deze gebiedsbiografie.
H1
H2
H3
Later uit te werken
Schematische opbouw van de gebiedsbiografie, hoofdstuk 1 t/m 3. De vrije denkrichtingen, opgaven, ontwikkelprincipes en voorbeeldgebieden worden later uitgewerkt (roze kader)
9
01 TIJDSVENSTER 1: NATUURLIJKE LANDSCHAPPEN EN PREHISTORISCHE BEWONING (<500 NA CHR.)
De opstuwing van de Lochemse Berg
10
TIJDSVENSTER 1
NATUURLIJKE LANDSCHAPPEN EN PREHISTORISCHE BEWONING (<500 NA CHR.) Het landschap van de Regio Stedendriehoek
de bewoners in de prehistorie er ook op deze
bestaat in de basis uit de invloed van drie
manier over na. Zij waren volledig afhankelijk
natuurlijke hoogtes, namelijk de stuwwallen
van wat de bodem en het watersysteem hen te
van de Veluwe en de Sallandse Heuvelrug en
bieden had.
het oudere plateau van Winterswijk. Vanaf deze hoogtes komt op vier plekken water de
Als wij dat ook weer willen doen, dan zien
Regio Stedendriehoek in. Bij Brummen en
we ons huidige landschap voor ons, maar dan
omgeving is dat het geval vanaf de Zuidoost-
met meer aandacht voor natuurlijke processen.
Veluwe, tussen Apeldoorn en Wapenveld vanaf
Helemaal
de Noordoost-Veluwe, in de Achterhoek vanaf
systeem kunnen we als samenleving niet meer,
het plateau van Winterswijk en het verder weg
maar in een gezond natuurlijk systeem in de
gelegen Baumgebergte en in het achterland van
Regio Stedendriehoek is de sponswerking in
Deventer veelal ondergronds vanaf de Sallandse
het landschap hersteld, bouwt het landgebruik
Heuvelrug. In het midden van deze hoogtes ligt de
voort op het natuurlijke watersysteem en is
voorloper van onze huidige IJsselvallei. Een dal
er genoeg ruimte voor het aanpassen aan de
dat is opgevuld met zand en klei van de Oerrijn,
effecten van klimaatverandering. Het landschap
met zand dat meekomt uit de smeltwaterdalen,
levert een rijk scala aan ecosysteemdiensten,
met dekzand dat verstuift in koude periodes,
waarvoor de basiscondities optimaal in orde
met de opkomst van veen als de regio vernat en
zijn. Daarvoor is de zoetwaterbel van de Veluwe
met zand en klei van de jonge rivier de IJssel.
gevuld, treed er kwel uit in de hangvenen aan
Deze gelaagdheid aan afzettingen zorgt ervoor
de rand, hebben de oude meanders van de IJssel
dat de bodem in de Regio Stedendriehoek
een eigen dynamiek, zijn de Lochemse Berg en
heel afwisselend is. Bovenop de Veluwe komen
het Lochemse Veen communicerende vaten en
bijvoorbeeld afwisselend witte en bruine zanden
zitten onze stroomgebieden logisch in elkaar.
voor, waarbij de eerste voedselarm zijn en de
Wellicht kunnen we met een aantal gerichte
tweede voedselrijker. In de IJsselvallei is er
gebiedsprocessen ons natuurlijk systeem zo
een afwisseling van hoge, zandige oeverwallen
goed als mogelijk nabootsen? Zodat het ons de
en lage, natte komkleigebieden. Maar ook onder
robuustheid van een natuurlijk systeem geeft,
het maaiveld komen verschillende afwisselende
maar tegelijkertijd ook ruimte geeft om onze
lagen voor. De afzettingen van de Oerrijn zijn
samenleving verder vorm te geven.
terug
naar
een
groot
natuurlijk
bijvoorbeeld kalkrijker dan anderen. In de huidige tijden van verzuring zijn dat belangrijke verschillen om over na te denken. Het ligt onder onze voeten, maar we zijn soms verleerd om er naar te kijken. Vanzelfsprekend dachten
11
de vorm heeft zoals wij nu kennen. Hemelsbreed zijn dat overigens geen grote afstanden. Vanaf de gemeentegrens van Lochem naar de rand van het plateau bedraagt de afstand slechts tien kilometer. De Sallandse Heuvelrug ligt op slecht vierenhalve kilometer van de gemeentegrens van Deventer.
1. Drie eilanden en één vallei als natuurlijke basis De
basis
van
het
landschap
van
de
Regio
Stedendriehoek ligt grotendeels net buiten de eigen bestuurlijke grenzen. Het zijn namelijk de hoogtes van het plateau van Winterswijk en de Sallandse Heuvelrug, die samen met de Veluwe de ruggengraat vormen van het natuurlijke landschap van de Regio Stedendriehoek. Daar, op het plateau, begint de Berkel haar reis door de Achterhoek richting Zutphen. Verderop, op de Sallandse Heuvelrug, zijgt het regenwater in dat bij Okkenbroek en Lettele als kwelwater weer uittreedt. In het zuiden zorgt het massief van de Veluwezoom ervoor dat de IJssel niet eerder zijn weg in het IJsseldal kan vervolgen, maar ‘de bocht om gaat’. Het zijn allemaal factoren die er mede voor zorgen dat de Regio Stedendriehoek
Het oudste eiland: het Plateau van Winterswijk Verreweg het oudste geologische landschap dat wij in Oost-Nederland kennen is dat van het Plateau van Winterswijk. Een plateau dat miljoenen jaren geleden is ontstaan toen dit gedeelte van Nederland nog een stuk lager lag en onderdeel was van de zeebodem. Een continue afzetting zorgt voor dikke lagen opeengepakte kalk- en zandsteen. Dat gaat door totdat rond 1,8 miljoen jaar geleden de zee uit Gelderland verdwijnt. De geleidelijke terugtrekking van de zee wordt veroorzaakt door twee processen. Aan de ene kant beginnen de ijskappen in de noordelijke poolstreken zich flink uit te breiden, wat een zeespiegeldaling van tientallen meters veroorzaakt. Het is de start van een periode waarin ijstijden worden afgewisseld met warmere tussenperioden. Aan de andere kant vormt het gebied een scharnierpunt van het dalende Noordzeebekken in het westen en het stijgende Münsterbekken in het oosten. Het zijn deze krachten in de aardkorst, die de oostelijke Achterhoek omhoog drukken, waardoor er een plateau ontstaat.2 Bovenop het plateau, in het Baumgebergte, ontspringen de Berkel en de Aa.
Berg (49 m +NAP) en de Needse Berg (35 m +NAP). Bij welke stuwing de zuidelijke Sallandse stuwwallen en beide Achterhoekse stuwwallen zijn ontstaan is
veel kwarts en zijn arm aan voedingsstoffen.
wetenschappelijk nog niet helemaal duidelijk.
Door de stuwing van de ondergrond kunnen beide gronden scheefgesteld naast elkaar komen te liggen. Op die manier ontstaat aan de oppervlakte
Witte en bruine zanden
een afwisseling van voedselarme en voedselrijke
Een opvallend kenmerk van de Veluwse stuwwal is
vinden. De stuwwallen ten zuiden van Epe bevatten
dat deze gronden bevat die voor de stuwing door een zuidelijk (de voorloper van de Rijn) en een oostelijk rivierenstelsel (Eridanos) zijn neergelegd. Ze zijn bodemkundig gemakkelijk te onderscheiden in ‘bruine’ en ‘witte’ zanden. De bruine zandgronden komen uit het zuiden en bevatten iets meer leem en zijn mineraalrijker. De witte zandgronden bevatten
gronden. De lagen zijn op korte afstand van elkaar te voornamelijk veel bruine zandgronden. De Woldberg in het noorden daarentegen bevat relatief veel witte gronden uit het oostelijke rivierenstelsel. Het veelvuldig voorkomen van deze arme zandgrond verklaart grotendeels waarom er op de Woldberg in de prehistorie een lagere dichtheid van grafheuvels en raatakkers is dan op de rest van de Veluwe en waarom er ten noorden van de grens Epe-Nunspeet bijna geen oude middeleeuwse bossen over zijn. Dat
12
De eerstgenoemde komt bij Zutphen in de IJssel uit. De laatstgenoemde stroomt in haar natuurlijke
in de Veluwse stuwwal. De noordkant van de Veluwe
watersysteem via de Regge naar de Vecht. De
wordt van oudsher de Woldberg genoemd. Het reliëf
gegraven aantakking van de Schipbeek zorgt ervoor
van de stuwingslagen bovenop de Woldberg is nog
dat ook dit water, bij Deventer, in de IJssel uitkomt.
goed herkenbaar. Plaatselijk heeft de stuwwal een hoogte van bijna zestig meter boven NAP. Op de
De vallei: het tongbekken onder de IJsselvallei
lijn tussen Epe en Nunspeet duikt de hoogte van de
De afwisseling van ijstijden en warmere
boven NAP. Het is onduidelijk wat deze laagte heeft
tussenperioden zorgt ervoor dat er een afwisselend klimaat heerst met een serie van oprukkende en terugtrekkende ijskappen. Het zijn grote gletsjers van soms wel enkele honderden meters dik ijs. In ons huidige landschap is de invloed van deze gletsjers nog steeds goed terug te zien. Halverwege Nederland komen de gletsjers namelijk tot stilstand en ze drukken met hun gewicht aan de zijkanten van hun ijslobben de lokale zanden grindpakketten omhoog. Deze stuwingen, uit met name de voorlaatste ijstijd, worden in de geologie ‘stuwwallen’ genoemd. Het dal dat achter blijft wordt een ‘tongbekken’ genoemd. De stuwing moet vooral vanuit het oosten zijn gekomen. Wetende dat in de ondergrond van de IJsselvallei een uitgesleten diepte van meer dan honderd meter is waargenomen, geeft aan dat de ijskap daadwerkelijk honderden meters dik moet zijn geweest. Na het smelten van het landijs wordt het tongbekken opgevuld met zand, grind, klei en later ook veen. Eerst met erosie van de stuwwallen, daarna met dekzand en tegelijkertijd ook met aanvoer vanuit de Rijn. Deze rivier kan namelijk nog niet zijn huidige loop volgen, want de stuwwallen tussen Nijmegen en Arnhem zitten nog aan elkaar. Bijzonder aan deze afzetting is dat het bestaat uit overwegend kalkhoudend zand met af en toe klei. In de geologie wordt dit ook wel de Formatie van Kreftenheye genoemd.
Een hoge grondwaterstand brengt de kalk in de wortelzone van bomen, struiken en gewassen. Het wisselt echter per plek hoe diep deze kalkhoudende afzettingen zitten. Soms is dat bijna aan het maaiveld, een andere keer kan dat wel meer dan
stuwwal naar beneden tot gemiddeld twintig meter veroorzaakt, maar het markeert geologische gezien de zuidelijke begrenzing van de Woldberg.4 Langs de rand van de Woldberg liggen de huidige dorpen Wapenveld en Heerde. De stad Hattem is gesitueerd op de noordelijke punt. Tussen Epe en Ugchelen ligt een volgende stuwingsfase. Dit gedeelte van de Veluwe heeft ten noorden van Hoog Soeren een duidelijk plateau. Het hoogste gedeelte is de Torenberg, die 107 meter boven NAP bereikt. Epe, Vaassen en Apeldoorn liggen op de flank, bovenop zijn Gortel, Niersen, Uddel en Hoog-Soeren terug te vinden. Vanaf Ugchelen tot Eerbeek sluit de volgende stuwing aan op de Veluwezoom. Ook hier is een plateau aanwezig, waarop de Waterberg met 96 meter boven NAP de hoogste berg is. Langs de flank liggen Beekbergen, Loenen en Eerbeek. Hoog Buurlo en Hoenderloo liggen op het plateau. Bovenop de Veluwse stuwwal ontstaan in de laatste ijstijd door snelstromend smelt- en regenwater zogenaamde ‘smeltwaterdalen’. Bij Wapenveld ligt een bijzonder kenmerkend smeltwaterdal op de flank van de Woldberg. Aan de voet van de stuwwal liggen de restanten van deze uitspoelingen. Geologisch worden ze ‘daluitspoelingswaaiers’ genoemd. Ze vormen een belangrijke landschappelijke zone waar een groot deel van de huidige buurtschappen en dorpen op de stuwwalflank van de Veluwe tot ontwikkeling is gekomen.
Apeldoorn is daar een goed voorbeeld van. Aan de andere kant van het tongbekken van de IJsselvallei ligt de stuwwal van de Sallandse Heuvelrug. Ook deze stuwwal is in meerdere fasen opgestuwd, waarbij gezegd moet worden dat de volgordelijkheid van de stuwingen minder goed is
vier meter diep zijn.
onderzocht dan de Veluwse stuwwal. Het hoogste punt
De twee jongere eilanden: Veluwse en Sallandse stuwwallen
de zuidkant liggen een aantal kleinere stuwwallen
De Veluwe is één van de zandeilanden die is
kilometer afstand daarvan liggen nog twee kleinere
3
opgestuwd tussen 170.000 en 130.000 jaar geleden.
is de Grote Koningsbelt met 76 meter boven NAP. Aan met een hoogte van dertig tot vijftig meter. Op tien stuwwallen in de Achterhoek. Het zijn de Lochemse
Dat gebeurt echter niet in één keer. In meerdere fasen krijgt de Veluwse stuwwal zijn huidige vorm. Ook nu nog onderscheiden we meerdere onderdelen
13
Op deze hoogtekaart is goed te zien dat het natuurlijk (water)systeem van de Regio Stedendriehoek is ingeklemd tussen de stuwwallen van de Veluwe en de Sallandse Heuvelrug én van het Plateau van Winterswijk
14
15
alles heeft te maken met dat de witte zandgronden een minder groot regeneratievermogen hebben en daardoor eerder zijn uitgeput.5
dat de wind heeft als het zandkorrels vervoerd. Bij elke aanraking met het grondoppervlak en andere korrels slijt een stukje van de zandkorrel af en wordt
2. Een deken van zand en opvulling met veen
de vorm steeds meer rond. Dit in tegenstelling tot
Door het ontbreken van vegetatie in koude periodes
Rivierduinen langs de IJssel
kan in een groot aantal voorgaande ijstijden de wind
In het opgevulde tongbekken van de IJsselvallei komt
grote pakketten zand meevoeren. Dat gebeurt al vrij
in deze koude periode tevens zand bloot te liggen.
vroeg in de ijstijdenperiode, maar voor de vorming
Dat zand verstuift met een overwegend westenwind
van het huidige landschap is echter vooral de staart
richting de oostkant van het tongbekken. Op deze
van de laatste ijstijd, het Weichselien, belangrijk
manier ontstaat een reeks zandruggen bij Zutphen,
geweest. Dat is ongeveer 12.000 tot 15.000 jaar
Deventer en Rande. In de geomorfologie worden ze
geleden. Met een hoofdzakelijk zuidwestenwind
vaak rivierduinen genoemd, omdat het zand uit een
worden in heel Nederland tijdens deze droge en
droge rivierbedding is opgewaaid. Maar in feite
vegetatieloze periode metersdikke pakketten met
zijn ze in dezelfde (lange) periode als de rest van het
dekzand afgezet. Een dikte van één tot ongeveer
dekzand verstoven en is het onderscheid niet altijd
twee meter is gangbaar, maar in tongbekkens en
duidelijk. Ze zijn wisselend in grootte en omvang.
beekdalen is dit pakket vaak een stuk dikker met
De rivierduinen bij Rande steken bijvoorbeeld drie
diktes tot vijf meter. Dekzand is een verzamelnaam
meter boven hun omgeving uit. Het rivierduin van
voor allerlei fijne zandafzettingen. Onderzoek wijst
het Deventer Bergkwartier, waar de Bergkerk op is
uit dat het meeste dekzand vooral lokaal verstoven
gebouwd, is ongeveer acht meter hoog. Deze laatste
zanden
drooggevallen
laat overigens zien dat het verstuivenproces ook
rivierbeddingen, smeltwaterafzettingen en zandige
later nog plaats vindt. Wetenschappelijke datering
stuwwallen. Een opvallend kenmerk daarbij is dat
laat zien dat op de overgang van de bronstijd naar
deze verstoven zanden bestaan uit vooral fijne ronde
de ijzertijd, ongeveer 1.000 tot 500 voor Christus,
zandkorrels. Dat komt door het ‘salterende’ effect
daar nog steeds verstuiving plaatsvind.7
zijn
uit
bijvoorbeeld
rivierzand dat meer hoekige vormen kent.6
De rivierduinen bij Rande zijn goed te zien in de glooiingen van de asfaltweg. Links ligt de IJssel en aan de overkant is het Veluwse broekgebied te zien.
16
Een blokkade van dekzand in de IJsselvallei Tot ongeveer 40.000 jaar geleden stroomde de Rijn door de IJsselvallei richting de Noordzee. Maar nadat de Rijn vanaf dat moment bij Arnhem een directe verbinding naar het westen heeft doorgebroken, zorgt het stuivende dekzand voor een nieuwe blokkade in het tongbekken van de IJsselvallei. Ten noorden van Voorst wordt door de
wind vanaf de Veluwe een dekzandophoging gevormd die als een natuurlijke dam gaat fungeren. Water kan vanaf dat moment niet meer van zuid naar noord stromen. Daardoor wateren de lage dekzandvlaktes van Salland, een deel van de Achterhoek, en ook de Woldberg naar het noorden af richting het huidige Kampen. Ten zuiden van de blokkade wateren de Berkel en het kwelwater van de Veluwe af richting de Rijn. Millennia lang houdt deze waterscheiding stand.8
Ze liggen ten westen van Heerde en Epe, maar ook
Lengteduinen, dekzandkopjes en paraboolduinen in Salland en Achterhoek
in het Kroomdomein Het Loo tussen Wiesel-Uddel-
Wanneer dieper op de dekzandvorming van Salland
Loenen. Lokaal krijgen ze vaak de uitgang ‘-klippen’
en de Achterhoek wordt ingegaan dan valt op dat
mee. Zo zijn er bijvoorbeeld de Renderklippen en
het een gevarieerd zandlandschap is met veel
de Kamperklippen. In de geologie staan ze bekend
afwisseling in dekzandhoogtes en -laagtes. Dat komt
als een ‘pseudo-osar’. Het zijn paraboolvormige
doordat in de zomer via de laagtes het (sneeuwsmelt)
windduinen die over de Veluwe heen zijn geblazen
water kon worden afgevoerd. In het koude klimaat
tijdens de laatste fase van de laatste ijstijd. Ze liggen
komen echter in de winter deze laagtes droog
als dunne slierten in het landschap. Het dekzandlint
te liggen en wordt het kale zand door de wind
van de Render- en Kamperklippen is onderdeel van
meegenomen en verderop weer afgezet. Het reliëf in
een sliert die van Epe naar Wapenveld loopt en meer
het landschap wordt op deze manier extra aangezet
dan twintig kilometer lang is. Het lint tussen Wiesel-
en versterkt. Laagtes blijven laag en hoogtes
Uddel-Kootwijk heeft dezelfde lengte. Het fijne zand
kunnen uitgroeien tot grotere dekzandkoppen of
is lokaal verstoven en afkomstig van de stuwwal.10
Kootwijk. De meest zuidelijke liggen ten westen van
langere dekzandruggen. In Salland zijn in dit proces met name de afwisselingen van lange oost-west georiënteerde dekzandlaagtes- en dekzandhoogtes ontstaan.9 Deze vinden we bijvoorbeeld ten noorden van Schalkhaar. De dekzandruggen zijn daar soms een kilometer lang tot enkele die konden uitgroeien tot een lengte van wel zeven kilometer. De Achterhoek laat net een andere variatie zien. Ten oosten van Epse, Gorssel en Eefde ligt een vergelijkbaar landschap met Salland al zijn hier tevens meer ronde vormen aanwezig. Ten oosten van Harfsen ligt een zuid-noord georiënteerd dekzandlint van ongeveer vijf kilometer lengte. Zuidwestwaarts vanuit Lochem is ook zo'n kenmerkende langgerekte zandrug door de wind neergelegd. In de omgeving van Laren en Lochem zijn juist veel kleine dekzandkoppen en paraboolduinen te vinden.
Dekzandlinten op de Oost-Veluwe Een
bijzonder
fenomeen
zijn
de
langgerekte
dekzandlinten op de Oost-Veluwe. Op de gehele Veluwe komen deze bijzondere dekzandlinten voor.
Door het ontbreken van bebossing is het dekzandlint van de Renderklippen ten westen van Heerde nog steeds goed te zien. Eeuwenlang hebben de boeren op deze heidevelden hun schapen laten grazen en heideplaggen gestoken, maar door de grootte van het dekzandlint heeft dat de karakteristiek niet aangetast.
17
Neanderthalmensen in de vroegste prehistorie Al tijdens de laatste twee ijstijden is er bewijs
vooral van de jacht, maar ze verzamelen ook noten,
teruggevonden dat het oosten en noorden van
vruchten en knollen. In het landschap komen in die
Nederland bewoond zijn geweest. Net buiten de Regio
tijd nog diersoorten voor die tegenwoordig reeds
Stedendriehoek, in Rhenen en Wageningen, zijn de
sinds lange tijd zijn uitgestorven, zoals de mammoet,
oudste Nederlandse vondsten, van ongeveer 350-
het prehistorisch paard en de muskusos. Ze leiden
250.000 jaar geleden. In de Regio Stedendriehoek
een nomadisch bestaan en hebben gereedschap
dateren de oudst bekende werktuigen van zo’n
van vuursteen, waaronder vuistbijlen, schrabbers
100.000 jaar geleden. Het is de tijd dat de
en messen. Met name op de hogere, gestuwde
Neanderthalmensen leven. Hun lichaamsbouw is
plekken in het landschap worden veel werktuigen
gedrongen, ze zijn krachtig gebouwd, ongeveer 1,50
van
tot 1,70 meter lang en hebben een gemiddeld gewicht
Veluwe is daarbij een bekende vindplaats. De
van zeventig kilogram. De Neanderthalmensen leven
Neanderthalmensen zijn tussen ongeveer 40 tot
Neanderthalermensen
terug
gevonden.
De
30.000 jaar geleden uitgestorven.11
naar lagere gebieden. In het winterhalfjaar stonden
Doorstroommoerassen en veenvorming Ongeveer 12.000 jaar geleden treedt een sterke klimaatsverbetering
op.
Bij
de
opwarming
van het klimaat ontstaan in de dekzandlaagtes moerassen, vaak begroeid met elzenbroekbossen, wilgenstruwelen,
veenmosveen
of
open
zeggevegetaties. Niet al deze geulen zijn overigens echte beekdalen geworden, dat wil zeggen dat het oppervlaktewater grotendeels via een meanderende beek wordt afgevoerd. Door het dekzand raken veel oude smeltwatergeulen namelijk verstopt, waardoor de
afvoer
van
oppervlaktewater
sterk
wordt
belemmerd. Op veel andere plekken in Salland en de Achterhoek is de verstopping niet zodanig sterk dat oppervlaktewater in het geheel niet kan afstromen, maar treedt een sterk vertraagde afvoer op. Het water vloeit hier niet via een beekloop af, maar in de vorm van een doorstroommoeras. Daarbij stroomt het water via een veel breder oppervlak door de broekbossen en zeggenmoerassen geleidelijk aan
deze broekgebieden vrijwel permanent onder water, in de loop van het zomerhalfjaar droogden ze op en ontsprong in het broekbos een vrij rijke en grazige ondergroei van moerasplanten en grassen.12 Waar in Salland evenwijdig aan de oost-westelijke dekzandruggen in de laagtes doorstroommoerassen ontstaan, treedt tussen het huidige Apeldoorn en
Wapenveld
juist
zuid-noord
georiënteerde
veenvorming op. Bij Lochem ontstaat aan de voet van de Lochemse Berg het uitgestrekte Lochemse Veen. Ten oosten van Laren wordt het dekzandkopjesen paraboolduinenlandschap onderdeel van het uitgestrekte veengebied van het Markelose Broek. De later gegraven Schipbeek bestaat nog niet, waardoor het hele gebied een grote mate van waterstagnatie kent. Ook ten zuiden van Zutphen komt een groot veengebied tussen Bronsbergen en Ooijerhoek te liggen. Datzelfde geldt voor het natte gebied tussen Apeldoorn en Klarenbeek.
18
Hangvenen op de NoordoostVeluwe Op de flank van de Oost-Veluwe bij Wissel, Tongeren en
hoe lager op de flank het veen ligt, hoe kalkrijker
Vaassen zijn door continue aanvoer van grondwater
het grondwater is en hoe gevarieerder het veen kan
bijzondere kleinschalige veengebieden ontstaan. Ze
worden. Door de lagere ligging treedt er namelijk
staan bijvoorbeeld bekend als het Tongerense Veen,
ouder en mineraalrijker grondwater uit. Tussen 1800
het Pollense Veen, het Paalveen en het Wisselse Veen.
en 1960 zijn veel veengebieden echter voorzien van
Bij Vaassen krijgen deze gebieden juist -beeknamen
een fijnmazige detailontwatering en daardoor is de
mee, waaronder de Smallertse Beek en de Nijmolense
veenbodem tegenwoordig verdroogd en verzuurd.13
Beek, vernoemd naar de later gegraven beken door de veengebieden. Voor de veengebieden geldt dat
Voordat de ruilverkaveling na de Tweede Wereldoorlog worden opgestart, is er een bodemkaart van heel Nederland opgemaakt. Op deze kaart zijn de bijbehorende grondwatertrappen in de provincie Gelderland te zien. Hoe blauwer de kleur, hoe natter de bodem is. Het laat tevens zien waar vroeger de doorstroommoerassen hebben gelegen en waar de veenvorming op gang kon komen.
19
wellicht in die tijd groter is geweest. De verwachting
3. De Hunnepe en de Berkel als gescheiden watersystemen Door de dekzandblokkade in het tongbekken van de IJsselvallei bestaat er nog geen doorgaande IJssel tussen het huidige Westervoort en Kampen. In plaats daarvan liggen er twee gescheiden watersystemen met zowel doorstromend, maar vooral ook stagnerend water dat zich uit in doorstroommoerassen en veengebieden. De waterscheiding ligt in het midden van de Regio Stedendriehoek. Door het wegdenken van de Veluwse weteringen, het Apeldoorns Kanaal en de Sallandse weteringen is een voorstelling te
is dat ergens bij landgoed Kranengoor, ten oosten van Laren, de waterscheiding in het Achterhoekse achterland heeft gelegen. Ook de voorloper van de Schipbeek, de Markelse Beek, zal vanuit de moerasgebieden van het latere Markelose Broek, op dit watersysteem hebben afgewaterd. Samen met de Duurse Beek, die tussen Olst en Wijhe heeft gelopen, lijken dat de belangrijkste beken aan de noordelijke kant van het tongbekken van de IJsselvallei te zijn geweest.
De Berkel watert af richting het zuiden
maken hoe het nat het natuurlijk landschap moet zijn
Vanaf Voorst stroomt ook een beek stroomafwaarts,
geweest.
maar dan richting de zuidkant. Het is de tegenstelde richting dan nu het geval is. Dat begint met de
De Hunnepe watert af richting het noorden Stroomafwaarts van Deventer heeft de IJsselvallei in deze periode vooral het karakter van een laagveengebied met een forse beekloop. Vermoedelijk heeft deze beek vergelijkbare proporties als de Regge. Door het ontbreken van de latere oeverwallen van de IJssel heeft zowel het Sallandse achterland als het Veluwse achterland nog een vrij verval naar deze natte laagte. De beek wordt in eerste instantie gevoed met water uit het systeem van de Hunnepe. Een oude benaming voor de huidige Dortherbeek, die
Jagers-verzamelaars en hun gebruik van het landschap Met het warmer worden van het klimaat verandert ook het landschap steeds meer. Grotendeels kale poollandschappen maken steeds meer plaats voor uitbundig begroeide groene landschappen met dwergstruikvegetaties op de hogere gronden en zeggevegetaties in de dekzandlaagten. In OostNederland zijn enkele honderden vindplaatsen bekend van jagers-verzamelaars uit deze periode. Ze liggen voor het overgrote deel op overgangen van hoge naar lage delen van het landschap, zoals van de Veluwe naar de IJsselvallei. Ook meer afwisselende gebieden, zoals het landschap van de
voorloper van de Loenensche/Voorsterbeek aan de Veluwse kant. Vervolgens is de hypothese dat vanuit het Achterhoekse achterland een voorloper van de Eefse Beek ook heeft kunnen afwateren. Dat is echter lastig terug te beredeneren, want in latere tijden zijn veel stagnerende laagtes aan elkaar gegraven, waardoor sommige beken natuurlijk ogen, maar dat niet altijd zijn geweest. Vanuit het Baumgebergte sluit de Berkel aan bij de stroom. Deze beek wordt ook wel de Neder-Berkel genoemd. Stroomafwaarts komt daar als laatste ook nog de Oude IJssel bij om vervolgens uit te monden in de Rijn.14
dekzandkopjes en de paraboolduinen ten oosten van Laren en Lochem zijn geliefd bij deze jagers. In de loop van het steentijd groeit het landschap geleidelijk aan steeds meer dicht met bos, waardoor de jagers steeds meer overschakelen naar de jacht op kleinere bosdieren. Diersoorten zoals het zwijn, eland, oerrund, hert en ree komen vanaf dat moment hier voor en de beekdalen en moerassen vormen een rijke voedselbron voor waterwild. Grote delen van Oost-Nederlandse landschap zijn vanaf 8.000 voor Christus overdekt met een uitgestrekt oerwoud. Alleen ter plekke van hoogvenen en zeggenmoerassen is het landschap meer open.15
20
Op deze hoogtekaart staan de verwachte paleogeografische waterstromen van de Hunnepe (boven), die richting het noorden afwaterde, en de Berkel, die richting het zuiden afwaterde te zien.
21
geen hunebedden gebouwd, maar worden hun doden
4. Bewoningsdynamiek in de prehistorie
in normale vlakgraven bijgezet.18 Ten noorden van de Regio Stedendriehoek, bij Dalfsen in het Vechtdal,
Met de komst van de eerste boeren in het zuiden van ons land begint ongeveer 7.000 jaar geleden het leven van de nomadische jager-verzamelaars langzaam maar zeker te veranderen. De overgang naar landbouw gaat in verschillend tempo, maar
is één van de grootste Trechterbekernederzettingen teruggevonden. In de Regio Stedendriehoek is deze periode nog behoorlijk ongrijpbaar wat betreft bewoningslocaties.19
na verloop van tijd schakelen ook de laatste jagers-
Grafheuvelbouwers brengen een nieuw DNA
verzamelaars
en
Vanaf ongeveer 4.800 jaar geleden, komt er een
veeteelt. Deze ‘nieuwe steentijd’ is een periode van
plotselinge omslag in de samenleving van de
grote veranderingen en belangrijke uitvindingen.
Trechterbekerboeren. Sinds kort is door DNA-
In eerste plaats met geslepen bijlen, die al bij de
onderzoek bekend dat grote groepen mensen vanuit
vroege landbouwers bekend zijn, maar later ook met
de Oekraïense steppen richting West-Europa zijn
de introductie van het wiel. In Drenthe is vooralsnog
getrokken. Wetenschappers weten niet precies
het oudste wiel van Nederland teruggevonden en
wat er gebeurt, maar het lijkt er sterk op dat
gedateerd op ongeveer 4.700 jaar geleden. Het
beide culturen in elkaar opgaan. Want de nieuwe
eergetouw, een primitieve ploeg, raakt in gebruik
bevolkingsgroep brengt een nieuwe samenleving
16
en wordt een belangrijk hulpmiddel bij akkerbouw.
met zich mee. Het belangrijkste kenmerk van hun
Bossen waarin de aanleg van kleinschalige akkers
samenleving zijn de grafheuvels die met name op de
en bosbeweiding van vee mogelijk zijn, worden
Veluwe nog veelvuldig terug te zien is én de manier
belangrijker dan de directe nabijheid van water of
van het begraven van hun doden, namelijk gehurkt
moeras. Vooral de Veluwe en de hogere en grotere
op de linker- of rechterzijde. De samenleving van
dekzandeilanden en rivierduinen zijn in die tijd
deze grafheuvelbouwers vinden we verspreid door
bewoond. Het zijn gebieden waar nederzettingen en
een groot deel van Europa: van de Oekraïne tot aan
akkers op gezette tijden kunnen worden verplaatst
Groot Brittannië en van Nederland tot Rusland. De
binnen het eigen territorium. Kleinere dekzandruggen
vele honderden grafheuvels uit die tijd tonen aan
worden alleen voor seizoensgebonden activiteiten
dat de Veluwe intensief is bewoond. De grafheuvels
gebruikt zoals jacht.
bestaan uit zand en plaggen en worden over het
volledig
over
op
akkerbouw
17
graf van de overledene opgeworpen. Vaak worden
De Trechterbekerboeren en het ontbreken van hunebedden
ook urnen bijgeplaatst. De laatste jaren komen we
Ongeveer 5.400 jaar geleden zijn de boerenjagers
bij elkaar op één lijn liggen. Op de Oost-Veluwe is
definitief omgeschakeld naar het boerenbestaan. Deze boeren worden vanwege hun kenmerkende aardewerk Trechterbekerboeren genoemd. Het is een samenleving die in het gehele noorden en oosten van ons land voor komt, maar het zijn vooral de hunebedden op het Drents Plateau die nog herinneren aan hun aanwezigheid. In de Regio Stedendriehoek zijn
geen
hunebedden
gebouwd,
maar
hun
samenleving is hier wel aanwezig. Het ontbreken van hunebedden heeft te maken met de beschikbaarheid van grote keien in de laatste fase van de voorlaatste ijstijd
zijn
achtergebleven.
Doordat
deze
keienvelden in de IJsselvallei dieper onder de grond liggen dan in Drenthe, zijn deze voor de bewoners niet bereikbaar. Op de Veluwe, in Salland en de Achterhoek hebben de Trechterbekerboeren dan ook
er steeds meer achter dat meerdere grafheuvels dat bijvoorbeeld tussen Niersen en Schaveren het geval. Daar loopt een grafheuvellijn van ongeveer vier kilometer in lengte, die ook vanaf de flank van de Veluwe nog door lijkt te lopen. Wanneer de lijn wordt doorgetrokken, komt na negen kilometer de middeleeuwse plaats van de kerk in Epe in zicht. Wat het verband tussen beiden is, is vooralsnog niet duidelijk. Het is tevens niet duidelijk of deze grafheuvels bijvoorbeeld in één lijn langs oude wegen zijn neergelegd of dat ze een andere functie, zoals een onderdeel van een grote zonneen maankalender, hebben gehad. Door nieuwe technieken, zoals het gebruik van hoogtekaarten en door het publieksproject Erfgoed Gezocht, zijn nu veel meer, waarschijnlijke, grafheuvels gevonden en worden de lijnen steeds beter zichtbaar.20
22
Grafheuvels op de Veluwe
23
Wat wel duidelijk is, is dat rondom de grafheuvels kransen van houten palen staan en dat lange palenallees de route naar het graf markeren. Markeringen met greppels en kransen van keien komen ook voor. Het is een bijzonder betekenisvol en ritueel landschap geweest, waar nu nog de spaarzame restanten van te zien zijn. Ook rondom Hoog-Soeren en Ugchelen zijn deze grafheuvels veelvuldig
aanwezig.
Landgoed
Beekzicht
bij
Voorst heeft buiten de Veluwe tevens een hoge concentratie van grafheuvels. Opvallend is dat in het hele verspreidingsgebied van de grafheuvels overal dezelfde grafvondsten naar boven komen. In de mannengraven worden aardewerken bekers, stenen bijlen en vuurstenen messen aangetroffen. De vrouwen krijgen aardewerk, barnstenen en, later in de tijd, koperen kralen mee. Het laat zien dat binnen de wijdverspreide samenleving ook over grotere afstand veel contact moet zijn geweest.21 Vanaf de midden-bronstijd, ongeveer 1.500 voor Christus, wordt de plaatsvastheid op de hoge en grote dekzandeilanden nog sterker. Daarnaast zien we dat ongeveer 1.200 voor Christus de grafheuvelbouwers overgaan op het begraven van hun overledenen in kleinere heuveltjes, die dichterbij elkaar worden gelegd. Het zijn de zogenaamde ‘urnenvelden’ waarin de crematieresten van de overledene in een urn worden bijgezet. Veel van deze bewoningsgebieden zijn tot op de dag van vandaag bewoond en in gebruik gebleven. Tegenwoordig liggen daar onze grotere bouwlandcomplexen, zoals de enken en de essen, waardoor deze gebieden als het ware archeologische schatkamers zijn.22
Raatakkercomplexen uit de late bronstijd en ijzertijd Weer iets later, vanaf 2.800 jaar geleden en mogelijk al een paar honderd jaar eerder, verandert ook de landbouw. Er worden landbouwcomplexen van kleine, omwalde akkertjes aangelegd. Meestal tientallen en soms wel honderden akkertjes bij elkaar met een gemiddelde afmeting van 30 bij 40 meter. Doordat de structuur van de akkers op een honingraat lijkt, worden ze in de archeologie ‘raatakkers’ genoemd. Ze zijn ook bekend als ‘Celtic fields’, al hebben ze niets met de Kelten te maken. In het landschap zelf zijn deze akkerbouwsystemen niet goed te zien, maar met de introductie van de Actueel
In de bronstijd moet het landschap al vrij open zijn geweest. Daar lagen de grafheuvels met hun palenkransen en palenallees. Gewoond wordt er in grote boerderijen met kleinere spiekers om het graan in op te slaan.
Hoogtebestand Nederland zijn de overgebleven
24
raatakkers tegenwoordig goed terug te vinden.
dat er nog veel meer van deze raatakkercomplexen
Ze blijken een link te hebben met de opgestuwde
in de Regio Stedendriehoek moeten zijn geweest.
bruine zanden van de Rijn, die mineraalrijker zijn
Meestal liggen ze onder latere cultuurgronden of zijn
dan de opgestuwde witte zanden. De akkers zelf
ze met ontginningswerkzaamheden weggeploegd.24
blijven door gebrek aan dierlijk mest slechts kort jaren braak. Vervolgens worden ze weer ontdaan van
Germaanse samenlevingen tot aan de kerstening
bosopslag en zode. Dit materiaal wordt op de randen
Doordat de Romeinen de Rijn als de noordgrens van
in gebruik. Verlaten akkertjes liggen tientallen
van de veldjes gegooid, zodat de walletjes steeds hoger worden. Het systeem van raatakkers blijft lang in gebruik. Soms wel tot 200 na Christus.23 Een van de grootste raatakkercomplexen van Nederland is dichtbij Vaassen terug te vinden. Ten noorden van de Motketel liggen raatakkers die samen meer dan zeventig hectare beslaan. De grafheuvellijn begint 500 meter ten westen van dit raatakkercomplex. En alhoewel we de namen van deze buurtschappen en plekken niet meer kennen, kunnen we wel een goede voorstelling maken van hoe dat geweest moet zijn: een grote prehistorische samenleving aan de flank van de Veluwe, de natte omstandigheden van de Motketel waar schoon kwelwater uittreedt en het begin van een grafheuvellijn die over kilometers lengte een fantastisch uitzicht moet hebben gegeven. Tussen Klarenbeek en Voorst zijn dichtbij de grafheuvels op landgoed Beekzicht tevens restanten van een
hun rijk beschouwen, is het noorden van Nederland altijd vrij van een invasie gebleven. Archeologen spreken dan ook van de Germaanse samenlevingen of van een ‘inheems Romeinse’ bevolking.25 Het is de Romeinse tijd, maar met de inheemse bevolking die al eeuwen op dezelfde plek zit. Voor deze Germanen verandert er met de komst van de Romeinen in eerste instantie niet zoveel. Ze behouden hun eigen samenleving en veel vondsten laten een welvarende groei van de bevolking zien. In de loop van de derde eeuw verandert de relatie tussen de Germanen en de Romeinen. Beide groepen gaan intensiever samenwerken.
Daarnaast
verschijnen
nieuwe
bevolkingsgroepen op het toneel. Het zijn stammen als de Franci (Franken), Salii (de naamgevers van Salland) en Tvihanti (Twenten). Het onderlinge verkeer
brengt
nieuwe
technieken,
producten
raatakkercomplex teruggevonden. De verwachting is
Belangrijkste prehistorische vondsten in de Regio Stedendriehoek
25
en gewassen met zich mee. Maar er is ook sprake
van de bevolking, maar van een verschuiving en
van religieuze beïnvloeding: in Colmschate is een
soms juist toename van bevolking door migrerende
beeldje van Victoria, de Romeinse godin van de
stammen. Het zijn deze stammen die met het gebruik
overwinning, gevonden en in Dalfsen, dat buiten
van het potstalsysteem en de enken een volledig
het onderzoeksgebied in Salland ligt, is een bronzen
nieuw landbouwsysteem introduceren. Een systeem
beeldje gevonden van de Romeinse handelsgod
dat vandaag de dag in ons huidige cultuurlandschap
Mercurius. Het klassieke beeld dat wij hebben van
nog steeds goed terug te zien is.26
de grote volksverhuizingen in deze periode en de bijbehorende afname van de bevolking klopt overigens voor een groot gedeelte niet. Op veel plekken is namelijk geen sprake van een afname
Op de Veluwe lagen de grafheuvels en raatakkers eeuwenlang in de open heide.
Romeins marskamp bij Hoog Buurlo Bij Hoog Buurlo, ten westen van Apeldoorn, hebben archeologen resten blootgelegd van een tijdelijk marskamp van het Romeinse leger uit de tweede eeuw na Christus. Dat is bijzonder, omdat de formele grens van het Romeinse rijk ruim twintig kilometer zuidelijker langs de Rijn lag. Het kamp is circa negen hectare groot, meet 365 bij 255 meter en bestond uit een drie meter brede verdedigingswal, een
gracht van twee meter diep en meerdere toegangen. Dergelijke
kampen
worden
troepenverplaatsingen
en
opgebouwd zijn
meestal
tijdens slechts
enkele dagen of weken als onderkomen in gebruik. Een dagmars verderop is bij Ermelo, dat buiten de Regio Stedendriehoek ligt, decennia geleden tevens een Romeins marskamp ontdekt. Het marskamp bij Hoog Buurlo kan een halte zijn geweest op weg naar het kamp bij Ermelo. In dat geval lijkt het er op dat de Romeinen hier regelmatig langs moeten zijn gekomen.27
26
i
INTERMEZZO: DE RELATIE TUSSEN DE PREHISTORISCHE BEWONERS EN HUN LANDSCHAP IN TIJDSVENSTER 1
Voedselproductie en landschap De verschillen in de hoogtes en laagtes van de stuwwallen, dekzandkoppen- en vlaktes en de rivierduinen zijn bepalend voor de beschikbaarheid van water, de ontwikkeling van vegetatie en de locaties waar de eerste mensen zich vestigen. Dat is belangrijk voor de jagers-verzamelaars, maar wordt nog belangrijker vanaf het moment dat de eerste boeren zich vestigen. De jagers-verzamelaars verzamelen paddenstoelen, knollen en bessen. Eikels worden verhit en bewerkt om ze geschikt te maken voor consumptie. Op herten, kleine zoogdieren, vogels en vissen wordt gejaagd. Als in de steentijd de omslag naar landbouw plaatsvindt worden op kleine schaal granen verbouwd. Dat zijn in die tijd bijvoorbeeld emmertarwe, pluimgierst, gerst en huttentut. In de late bronstijd verandert het landbouwsysteem met de invoering van raatakkers. Haver doet aan het einde van de ijzertijd zijn intrede. Het aandeel heide neemt in deze periode, waarschijnlijk door begrazing met vee, aanzienlijk toe. Dat zien we in pollenanalyses bij Bathmen en Colmschate.28 Koeien, varkens, schapen en geiten slapen in deze tijd onder hetzelfde dak als de mensen. Aan het begin van de
in verbinding hebben gestaan met de Sallandse Heuvelrug en het plateau van Winterswijk heeft een verbinding heeft met het Münsterlandse achterland. De rivieren moeten daarbij de handelsaders zijn geweest. Het is lastig om het rivierennetwerk exact te reconstrueren, maar we kunnen aannemen dat vanaf de Veluwe de Rijn een belangrijke handelsader richting Duitsland is geweest. Overstappen op de Maas moet ook al mogelijk zijn geweest. De IJssel is in zijn huidige vorm nog niet aanwezig, maar wellicht kan vanuit Salland en de Achterhoek via de voorlopers van de Regge, Berkel en Slinge het Baumgebergte worden bereikt. Van daaruit kunnen de Vecht en de Eems worden gebruikt om nog weer verder te komen. De meeste handelsgoederen uit die tijd zijn lastig te achterhalen. We zien met name aardewerk, brons en ijzer terug in archeologische analyses. Waarschijnlijk is er ook een grote kennisuitwisseling over sterrenstanden en interpretatie van de zon- en maancyclus. Dat geeft een beeld van een wijdverbreid netwerk van Frankrijk tot Engeland en van Oostenrijk tot Denemarken. De Regio Stedendriehoek is daar, met name door de Veluwe, een belangrijk onderdeel van geweest.
jaartelling wordt rogge noordwaarts gebracht door
Sociale netwerken
de Romeinen. Ook peulvruchten als erwten worden
Met deze wijdverspreide samenleving van de
verbouwd en vlas voor de productie van olie.29
grafheuvelbouwers ontstaat in de bronstijd en ijzertijd tevens een wijdverbreid sociaal netwerk.
Mobiliteit en economische relaties
Met DNA-onderzoek en sieradenvergelijking wordt
De mobiliteit is in de prehistorie behoorlijk groot.
duidelijk dat mensen ver reizen en dat met name
Dat is opvallend, want doordat in heel Oost-Nederland
vrouwen soms ook enkele honderden kilometers
nog uitgebreide moerassen en veengebieden liggen,
verderop gaan wonen. Dat geldt met name voor
is het niet gemakkelijk om te reizen. De stuwwallen,
jonge vrouwen vanaf een jaar of zeventien. Mannen
dekzandruggen en het plateau van Winterswijk
vertrekken op dezelfde leeftijd ook uit hun dorp,
liggen als grote eilanden in deze moerassen. Met
maar komen na enkele jaren weer terug. De sociale
name na de komst van de grafheuvelbouwers wordt
netwerken op de Veluwe en de dekzandkoppen in
inzichtelijk op welke manier er handel wordt
Salland en de Achterhoek moeten daardoor groot
gedreven en welke routes daarbij gevolgd kunnen
zijn geweest.
zijn. Zij hebben hun samenleving verspreid over grote delen van Europa en goederen vinden dan ook hun weg door heel Europa. De Veluwe moet daarbij
27
5. De IJssel breekt door de dekzandbarrière bij Voorst De IJssel, zoals wij haar nu kennen, is één van
wist de Rijn steeds meer klei en zand af te zetten.
de
jongste
Regio
geologische
Stedendriehoek.
landschappen Dat
komt
in
de
Archeologen zien dan ook dat de bevolking in deze
doordat
de
streek vanaf de derde eeuw naar hogere gronden
dekzandbarrière ten noorden van Voorst millennia
begint te trekken. In de Romeinse tijd begint het
lang voorkomt dat de Rijn weer watervoerend wordt
Rijnwater zich steeds meer een weg noordwaarts
in het tongbekken van de IJsselvallei. Pas als in de
door het IJsseldal te banen. De grote overstromingen
zesde eeuw na Christus de dekzandrug door het
hebben daarbij niet alleen de Liemers en het Oude
water weer is opgeruimd ontstaat de huidige IJssel.
IJsseldal regelmatig onder water gezet, maar hebben
Vanaf dan stroomt het water vanaf Westervoort
het rivierwater van de Berkel ook zover opgestuwd
naar Kampen en begint de geologische opbouw van
dat de dekzandbarrière bij Voorst wordt aangetast.
de IJssel met haar oeverwallen, komkleigronden en
Het proces van overstroming tijdens extreem
ooibossen. De IJssel is daarmee ongeveer 1500 jaar
hoogwater herhaalde zich waarschijnlijk enkele
oud. Welsum, Marle en Werven zijn later op de hogere
malen, waarna de Rijn zichzelf, na duizenden jaren
en zandige oeverwallen van de IJssel gebouwd.30
van afwezigheid, uiteindelijk opnieuw een route noordwaarts had gebaand. Dit hele wordingsproces
De dekzandbarrière wordt opgeruimd
zal zich tussen 350 en 600 hebben voltrokken.
Het ontstaan van de nieuwe IJsselloop hing samen
Fossiele boomstammen van een plotseling verdronken
met het geleidelijk opslibben van de Betuwe met
eikenbos in de Zwolse wijk Stadshagen dateren de
rivierklei. Gebieden als de Liemers en de Ooijpolder
eerste overstromingen van de Rijn door het IJsseldal
veranderden hierdoor in de loop van de ijzertijd en
nog preciezer, namelijk halverwege de zesde eeuw
de Romeinse tijd in een vrij vlak kleigebied. Ook in de
(540-550).31
rivierdalen van de Oude IJssel en de Beneden-Berkel
De IJssel in historische bronnen Het ontstaan van de IJssel is op grond van middeleeuwse
Wrachari uit 797 is de eerste expliciete vermelding
historische bronnen tot op een paar eeuwen
van de rivier de IJssel (iuxta Hisla: ‘aan de IJssel’).
nauwkeurig te plaatsen in de vroege middeleeuwen.
Ook Zutphen moet enige eeuwen voor de kerstening
Het moet kort na het einde van de Romeinse tijd
al een Saksische versterking zijn geweest. De IJssel
(450 na Christus) en kort voor de stichting van de
blijkt al ten tijde van Lebuinus (ca. 765-774) langs
eerste kerken in de oudste IJsselsteden Zutphen en
Deventer te hebben gestroomd. Het is een gunstig
Deventer (rond 800 na Christus) zijn geweest. Tussen
gelegen nederzetting. Daar wordt in 768 na Chr. door
794 en 797 bouwde de monnik Ludger, later de eerste
Lebuinus een kerk gesticht. De komst van Lebuinus is
bisschop van Münster, zijn Sint Salvatorkerk nabij
de kiemcel dat Deventer in de eeuw daarna uitgroeit
Wichmond, aan de oostzijde van de IJssel tegenover
tot een handelsnederzetting waar onder andere
Brummen. De schenkingsakte van het stuk grond
tufsteen uit de Eiffel wordt verhandeld.32
aan de Achterhoekse kant van de IJssel door graaf
28
Op deze ‘Schoolkaart der Natuurkunde’ van Staring uit 1860 is de nieuwe loop van de IJssel tussen Voorst en Gorssel goed te zien. Alhoewel Staring nog niet op de hoogte was van de hedendaagse theorieën komen de richtingen van de Berkel en de Hunnepe (Dortherbeek) nog goed overeen met de oorspronkelijke afvoer.
29
De drie landschappelijke gebieden van de IJssel Waarschijnlijk is de IJssel in het begin van haar bestaan begonnen met het afvoeren van een klein deel van het Rijnwater. Gedurende de middeleeuwen moet dit aandeel steeds groter zijn geworden, waarbij na het jaar 1000 de afvoer haar hoogtepunt bereikte.33 Het verhang van de rivier, dat wil zeggen het aantal centimeters per kilometer dat de rivier daalt, zorgt daarbij voor meer of minder bochten in de loop van de rivier. De IJssel is daardoor grofweg in drie landschappelijke gebieden in te delen. Tussen Westervoort en Deventer heeft de IJssel een gering verhang en daardoor een zeer bochtig verloop met talrijke meanders. Door afkalving van de buitenbochten en afzetting van zand in de binnenbochten verplaatst de IJssel zich langzaam door het landschap. Tussen Deventer en Zwolle is het verhang twee keer zo groot, waardoor de IJssel van nature minder bochten maakt en een rechtere loop kent. Kenmerkend daarbij is dat de rivier tot aan Deventer binnen een redelijk smal dal moet blijven, terwijl het vanaf Deventer een brede vallei in duikt. Vanaf Zwolle krijgt de IJssel het karakter van een rivierdelta. Bij hoge waterstand van de Zuiderzee wordt het rivierwater van de IJssel daar opgestuwd. Ook hier is het verhang gering, waardoor er weer meer meanders en zandbanken ontstaan.34
Tussen Westervoort en Deventer is er minder verhang, waardoor het meandergedrag van de IJssel groter is. Vanaf Deventer wordt het verhang groter, waardoor het brede meanderen afneemt.
30
Cornelis von Frijtag Drabbe heeft tussen 1945 en 1954 voor heel Nederland een ‘natte en droge plekkenkaart’ gemaakt. Hij maakt daarvoor gebruik van luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog. Op deze kaart is de omgeving van de IJssel tussen Brummen en Deventer te zien.
31
6. Veldnamen als geologische gids
over de -slagen, de -moaten en de -velden. Deze
De oude veldnamen die eerdere samenlevingen
vaak geen directe link meer met de veldnaam die
aan delen van ons landschap gaven, worden
daarvoor in gebruik was. Elk buurtschap en dorp
tegenwoordig nog steeds dagelijks gebruikt. Het
heeft binnen zijn eigen grenzen een aantal van deze
gaat dan bijvoorbeeld over de -broeken, de -moaten
landschappelijke veldnamen. Daarmee markeren de
en de -marsen. Maar ook over de -venen, -goren en
veldnamen aan de ene kant de overeenkomsten tussen
-vennen. En de -horsten, de -haren en de -belten.
de dorpslandschappen, aan de andere vergroot het
Het zijn woorden waarvan de meeste mensen de
juist de verschillen uit
veldnamen geven wel aan wat het gebruik in ons huidige cultuurlandschap is of was, maar hebben
betekenis niet meer letterlijk weten. Tegelijkertijd is het voor een ieder die de betekenis wel begrijpt
Onze latere ontginningsnamen vegen de oude
een poort naar het verleden. Het verklaart waarom
landschapsnamen
op welke plek een ontwikkeling wel of juist niet kon
-stukken, -akkers). Een -broek wordt bijvoorbeeld
plaatsvinden. Te droog, te nat, te veel kwelwater of
een -maat, een -veen wordt een -slag. Het is
rivierdynamiek. In de Regio Stedendriehoek komen
vooral de veldnaam -veld die eerdere veldnamen
tientallen van dit soort veldnamen voor. Ze zijn in
vervangt en een soort mist optrekt. Een -veld wordt
de eerste plaats landschappelijk onder te verdelen
later gebruikt voor een uitgestrekt, heideveld,
in terraniemen, plekken die hoog en droog zijn, en
veengebied of broeklanden waar wordt geweid. De
in hydroniemen, plekken die laag en nat zijn.
uitgangen -landen en -stukken vertroebelen ook de
gedeeltelijk
uit
(-slagen,
oorspronkelijke betekenis van het landschap. Het is In de tweede plaats kunnen ze worden onderverdeeld
de kunst om de gebiedsnaam voor de ingebruikname
in een tijdsperiode. Er bestaan veldnamen die
van deze nieuwe gebiedsnamen te achterhalen. Dat
behoorlijk oud zijn en terug gaan tot bijvoorbeeld
is lastig, omdat er van de periode daarvoor vaak
de vroege middeleeuwen. Deze veldnamen komen
geen gedetailleerde kaarten zijn overgeleverd.
het dichtst bij het oude natuurlijke landschap,
Voor de Regio Stedendriehoek zijn zes belangrijke
zoals -broek, -horst en -gunne. Tegelijkertijd
veldnamen op een rij gezet, waarbij gekeken is naar
heeft de ontginning van het natuurlijke landschap
drie terraniemen en drie hydroniemen.
tot ons huidige cultuurlandschap ook weer nieuwe veldnamen opgeleverd. Dan gaat het bijvoorbeeld
Ten zuiden van Brummen is de oude rivierdynamiek goed terug te zien. De IJssel loopt nu rechtdoor, terwijl de heggen de oude rivierlopen accentueren. Deze plek krijgt de veldnaam de Brummense Waarden mee.
32
Terraniemen op de hoge gronden
Hydroniemen op de lage gronden
-horst, -haar
-broek
Veel gebruikte veldnamen voor zandige hoge koppen
Laag in het natuurlijke systeem liggen, in de natte
in een moerassige omgeving zijn de -horsten en de
dekzandlaagtes in Salland en de lage komkleigronden
-haren. Het zijn meestal kleine dekzandkoppen die
langs de IJssel, de -broeken. Het zijn gebieden
een paar meter boven het omringende maaiveld
met vaak stagnerend water en in het natuurlijke
uitsteken. Boerderijen die op deze dekzandkoppen
landschap zijn ze begroeit met elzenbroekbossen.
staan krijgen vaak de uitgang -horst mee. Het
Nadat in de late middeleeuwen deze bossen worden
oorspronkelijke verschil tussen een -horst en een
ontgonnen en ontwatert tot hooilanden behouden ze