CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Holterhofweg 255-255A_vastgesteld_1

Raadsvergadering 27 september 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan “Holterhofweg 255-255A”14.728 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Holterhofweg 255-255A

Inhoudsopgave

Toelichting

4

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldende juridische regelingen 1.4 Wettelijk kader 1.5 Adviezen, vooroverleg en procedure

4 4 4 5 6 6

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader 2.1 Ruimtelijk beleid en regels van het Rijk 2.2 Ladder Duurzame Verstedelijking 2.3 Ruimtelijk beleid en regels van de provincie Overijssel 2.4 Gemeentelijk ruimtelijk relevant strategisch beleid

8 8 9 9 12

Hoofdstuk 3 Bestaande en toekomstige situatie 3.1 Bestaande situatie plangebied en omgeving 3.2 Toekomstige situatie

15 15 16

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieu 4.2 Water 4.3 Natuur

19 19 22 24

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Algemeen 5.2 Indeling planregels 5.3 Beschrijving van het plan 5.4 Handhaving

27 27 27 28 34

Hoofdstuk 6

35

Economische uitvoerbaarheid

Bijlagen toelichting

36

Bijlage 1

Overzicht bijlagen en onderzoeksrapporten

37

Bijlage 2

Bodemonderzoek

38

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

39

Bijlage 4

Aeriusberekening

40

Bijlage 5

Quickscan flora en fauna

41

2

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

3

Toelichting Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding bestemmingsplan

Het bestemmingsplan “Holterhofweg 255-255A” heeft als doel de bestemming van de binnen het plan gelegen gronden en de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvan vast te leggen. Voorliggend plan betreft de twee percelen van de woningen aan de Hölterhofweg 255 en Hölterhofweg 255a. De eigenaren van Hölterhofweg 255a willen de bestaande woning slopen en elders op het perceel (een paar meter opschuiven) een nieuwe woning terugbouwen. Door deze verschuiving, staat de nieuwe woning deels buiten het bouwvlak. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Om de woning te kunnen verplaatsen en weer de bestemming Wonen te kunnen geven, moeten ook de agrarische activiteiten van Hölterhofweg 255 worden gestopt en de agrarische bestemming worden verwijderd. De activiteiten zijn gestopt, de milieuvergunning is ingetrokken en voorliggend bestemmingsplan zorgt voor de aanpassing van de bestemming "Agrarisch" naar "Wonen" voor het perceel Hölterhofweg 255. In deze toelichting wordt aangetoond dat voorliggend plan ruimtelijk planologisch verantwoord is.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied, ten zuidoosten van de kern Enschede. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Hölterhofweg aan de zuid- en zuidwest zijde. Aan de overige zijden wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden. Afbeelding 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 1.1: Ligging plangebied

4

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

1.3

Geldende juridische regelingen

1.3.1

Buitengebied Zuidoost

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidoost" zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 27 mei 2013. Binnen dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen Agrarisch en Wonen. Daarnaast heeft het plangebied de aanduidingen 'geluidzone - weg' en 'archeologische onderzoeksgebied b'. Afbeelding 1.2 geeft een uitsnede weer van het vigerende bestemmingsplan.

Afbeelding 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan Van het perceel Holterhofweg 255 wordt het agrarisch bouwblok verwijderd en dit perceel krijgt met voorliggend bestemmingsplan een woonbestemming. Het bestemmingsvlak en het bouwvlak van de bestaande woonbestemming wordt opgeschoven, zodat de locatie voor de nieuwe woning binnen het bouwvlak en binnen de bestemming Wonen ligt. De gronden rond de woonpercelen behouden de agrarische bestemming. Zo ook de paardenbak, deze wordt middels een functieaanduiding aangegeven. 1.3.2

Paraplubestemmingsplannen

Naast het bestemmingsplan Buitengebied Zuidoost, ligt het plangebied ook binnen een aantal paraplubestemmingsplannen. De regelingen van deze bestemmingsplannen worden (indien van toepassing op het plangebied) overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het plangebied ligt binnen de volgende paraplubestemmingsplannen. Bedrijven met milieuzones (vuurwerk, risicovol, geluid) Dit paraplubestemmingsplan, vastgesteld op 18 november 2014, sluit vestiging van risicovolle inrichtingen uit. In de regels van voorliggend bestemmingsplan zijn deze regels overgenomen. De werking van het paraplu-bestemmingsplan "Bedrijven met milieuzones" vervalt met de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan voor het plangebied. Cultuurhistorie Dit paraplubestemmingsplan is vastgesteld op 6 februari 2017. Het plan geldt als een aanvulling op alle geldende bestemmingsplannen binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Cultuurhistorie". Het plangebied van voorliggend plan valt daar binnen. Het plangebied valt geheel binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone cultuurhistorie'. Er zijn echter geen gebouwen aangeduid als 'karakteristiek'. Er zijn daarom geen regels door vertaald in voorliggend bestemmingsplan. Buitengebied - zonnepanelen Dit paraplubestemmingsplan maakt het mogelijk om zonnepanelen op het maaiveld te plaatsen. De relevante regels zijn door vertaald in voorliggend plan.

De werking van het bestemmingsplan "zonnepanelen" vervalt met de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan voor het plangebied.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

5

Parkeren Enschede Dit paraplubestemmingsplan, zorgt ervoor dat de beleidsregel 'Parkeernormennota Enschede 2017' van toepassing is op (bijna) de hele gemeente, waaronder het plangebied. De relevante regels zijn door vertaald in voorliggend plan. De werking van het bestemmingsplan "Parkeren Enschede" vervalt met de in werkingtreding van voorliggend bestemmingsplan voor het plangebied.

1.4

Wettelijk kader

Het wettelijk kader van een bestemmingsplan is de Wet ruimtelijke ordening (hierna Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro).

Wet ruimtelijke ordening (Wro) De Wro schrijft voor dat de gemeenteraad "voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vaststelt, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in dat plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven". Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In het Bro is geregeld hoe een bestemmingsplan en andere ruimtelijke plannen er uit moeten zien, wat vastgelegd moet worden en wat meegewogen moet worden (artikelen 3.1.2 t/m 3.1.7 en artikelen 3.2.1 t/m 3.2.4 Bro). In artikel 3.1.6 van het Bro is bepaald dat elk bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. In de toelichting moet worden vermeld wat de uitkomsten zijn van onderzoeken over ecologie/flora/fauna, hoe het is gesteld met de waterhuishouding, of de Wet milieubeheer van toepassing is voor bijvoorbeeld een Milieu Effect Rapport (MER), of sprake is van archeologische/cultuurhistorische waarden, welke milieukwaliteitseisen wat betreft lucht, bodem, geluid bij het plan betrokken zijn en welk beleid van gemeente, provincie en Rijk een rol speelt.

Een bestemmingsplan is daarom een juridisch ruimtelijk beleidsdocument, waarin de bestemming van de gronden met inbegrip van de daarop van toepassing zijnde gebruiks- en bouwregels en de daarop aanwezige bebouwing worden vastgelegd, maar waarin ook ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden zijn opgenomen. Digitalisering Alle ruimtelijke plannen moeten voor iedereen digitaal beschikbaar en raadpleegbaar zijn. Daarvoor is een landelijke voorziening in het leven geroepen. Er moet gewerkt worden via landelijk vastgestelde regels (artikel 1.2.1 en 1.2.2 Bro, nader uitgewerkt in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening). Kosten In de wet is bepaald dat de kosten voor het maken van een bestemmingsplan verhaald kunnen worden op de aanvrager. Die kosten worden vastgesteld in een exploitatieplan, maar ze kunnen ook op een andere wijze verhaald worden bijvoorbeeld door het sluiten van een overeenkomst (afdeling 6.4 Wro).

1.5

Adviezen, vooroverleg en procedure

Adviezen Voorafgaand aan het in procedure brengen van een bestemmingsplan vragen burgemeester en wethouders aan het binnen het plangebied werkzame erkende wijkorgaan advies uit te brengen over het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Dit is geen wettelijke procedurestap maar een binnen de gemeente Enschede gehanteerde werkwijze, die is vastgelegd in de Regeling Wijkorganen 2008 en nader uitgewerkt in de notitie Wijkorganen en Adviesafspraken. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Holterhofweg 255-255A” is geen erkend wijkorgaan actief. Dit plan wordt daarom niet voor advisering voorgelegd.

6

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

Vooroverleg In het Bro is voorgeschreven (artikel 3.1.1) dat burgemeester en wethouders voorafgaand aan het in procedure brengen van een nieuw bestemmingsplan overleg moeten plegen met de besturen van eventueel betrokken andere gemeenten, het waterschap, de provincie en met die diensten van het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Van het wettelijke vooroverleg met Rijk en provincie kan in de praktijk in veel gevallen worden afgezien. De provincie Overijssel en het Rijk hebben beleid vastgesteld, waarin is bepaald dat zij een bestemmingsplan alleen nog voor vooroverleg willen ontvangen, indien dat bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk maakt die raken aan bepaalde ruimtelijke belangen van de provincie of het Rijk. Het bestemmingsplan “Holterhofweg 255-255A” maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarbij ruimtelijke belangen van andere gemeenten, het waterschap Vechtstromen, de provincie Overijssel of het Rijk in het geding zijn. Daarom is voor dit bestemmingsplan afgezien van het plegen van vooroverleg.

Procedure Vooraankondiging Burgemeester en wethouders moeten burgers en anderen informeren over het voornemen een bestemmingsplan voor te bereiden op verzoek van een derde of uit eigen beweging. Dat voornemen wordt gepubliceerd in het gemeentelijk huis-aan-huisblad en op internet. In Enschede wordt geen gelegenheid geboden om zienswijzen hieromtrent naar voren te brengen (artikel 1.3.1 Bro). In dit geval is het voornemen om een nieuw bestemmingsplan genaamd: “Holterhofweg 255-255A” in voorbereiding te nemen op 31 maart 2021 gepubliceerd in het gemeentelijk blad “Huis aan Huis" en op de website van de gemeente Enschede en in het Gemeenteblad.

Terinzagelegging ontwerpplan In de Wro staat dat op de procedure van een bestemmingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit betekent dat het ontwerp van een bestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage moet worden gelegd. Deze terinzagelegging biedt iedereen de mogelijkheid om gedurende die periode zienswijzen naar voren te brengen bij de gemeenteraad. Die terinzagelegging wordt gepubliceerd in de Nederlandsche Staatscourant, het Gemeenteblad en in het gemeentelijk blad "Huis aan Huis" en langs “elektronische weg”, dus internet. De aankondiging van de terinzagelegging van dit ontwerpbestemmingsplan “Holterhofweg 255-255A” en de mogelijkheid om tijdens die periode een zienswijze naar voren te brengen is gepubliceerd in "Huis aan Huis", op de website van de gemeente Enschede, in de Staatscourant en het Gemeenteblad van 2 juni 2021.

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 3 juni tot en met 14 juli 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen op het plan naar voren gebracht.

Rechtsbescherming Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad staat voor belanghebbenden nog de mogelijkheid open om bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep in te stellen tegen het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

7

Hoofdstuk 2

Planologisch beleidskader

2.1

Ruimtelijk beleid en regels van het Rijk

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050.

Dit toekomstperspectief voor Nederland is:  Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit;  Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten. Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden;  Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan.  Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid).

De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven.  Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen. Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 1. Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie; 2. Naar een duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Naar sterke en gezonde steden en regio's; 4.

Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied; Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht als er aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. 2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening

De basis van juridische borging van de realisatie van de nationale belangen ligt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Bro. Het Barro is in werking sinds 2011 en bevat onderwerpen die van rijksbelang zijn, zoals defensie, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening en toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet. Per onderwerp bevat het Barro regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Binnen drie jaar moet het onderwerp zijn opgenomen in een bestemmingsplan.

8

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

2.1.3

Toetsing bestemmingsplan aan beleid en regels van het Rijk

Voorliggend plan raakt geen rijksbelangen en voldoet daarmee aan het rijksbeleid.

2.2

Ladder Duurzame Verstedelijking

Artikel 3.1.6, 2e tot en met 4e lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een stedelijke ontwikkeling die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, in de toelichting moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. Wanneer een bestemmingsplan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet in de toelichting tevens worden gemotiveerd waarom in die behoefte niet kan worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Bij iedere 'stedelijke ontwikkeling' moet inzichtelijk worden gemaakt of er, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. Dit wordt de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' genoemd. Deze zogenoemde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen en schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor. De 'Ladder' is alleen van toepassing als er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als 'stedelijke ontwikkeling' te kunnen worden aangemerkt.

Daarvan zal in beginsel geen sprake zijn indien het nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt. Dit kan anders zijn indien het bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande planologische regime in een vanuit ruimtelijk oogpunt ingrijpende nieuwe planologische functiewijziging voorziet. 'stedelijke ontwikkeling' Onder 'stedelijke ontwikkeling' wordt in het Bro (art. 1.1.1, 1e lid onder i) verstaan: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of in een bestemmingsplan sprake is van één of meer stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in het Bro is niet altijd even duidelijk. Dit dient per plan te worden getoetst en gemotiveerd. Uit jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling van 11 woningen niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). 2.2.1

Toetsing bestemmingsplan aan Ladder Duurzame Verstedelijking

In voorliggend bestemmingsplan wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Het betreft alleen het verplaatsen van een woning. In lijn met de jurisprudentie kan gesteld worden dat voorliggend plan niet wordt gezien als een nieuw stedelijke ontwikkelingsproject en dat de behoefte van voorliggend plan niet hoeft te worden gemotiveerd.

2.3

Ruimtelijk beleid en regels van de provincie Overijssel

2.3.1

Omgevingsvisie Overijssel

Het ruimtelijk beleid van de provincie Overijssel staat vooral in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel een herziening van de visie en verordening vastgesteld en op 1 mei 2017 zijn deze in werking getreden. De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De hoofdambitie van de visie is, net als in de oorspronkelijke omgevingsvisie van 2009, een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Deze benadert zij vanuit de drie overkoepelende 'rode draden': duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

9

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities, gebruikt de provincie het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is (generieke beleidskeuzes), waar het past (ontwikkelperspectieven) en hoe het uitgevoerd kan worden (gebiedskenmerken) In onderstaande afbeelding is het uitvoeringsmodel weergegeven. Vervolgens zijn de niveaus toegelicht. De '“vishaak” met de drie niveaus uit de Omgevingsvisie van 2009 is daarbij behouden gebleven. Boven het uitvoeringsmodel (in de paraplu) staan de rode draden en centrale beleidsambities weergegeven.

Generieke beleidskeuzes (of) Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit beleid van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalen of een ontwikkeling nodig is of mogelijk. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend. De herziene Omgevingsvisie maakt daarbij onderscheid in:  Generieke beleidskeuzes voor heel Overijssel. Dit heeft zij gevat onder de 'Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking'. Dit is een nadere invulling van de nationale Ladder voor duurzame verstedelijking, die voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' verplicht moet worden doorlopen. De Overijsselse ladder geeft onder andere aan dat alle belangen die bij een ontwikkeling betrokken zijn, zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen ('integraliteit'; is ook een eis uit het Bro). Ook wordt onder andere ingegaan op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (voorheen verwoord in de 'SER-ladder') en '(boven)regionale afstemming' (gemeenten moeten hun ruimtelijke ontwikkelingsplannen afstemmen met buurgemeenten om te voorkomen dat inefficiënte concurrentie tussen gemeenten ontstaat).  Gebiedsspecifieke beleidskeuzes, zoals aanduidingen voor grondwaterbeschermingsgebied, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Nationale Landschappen. Ontwikkelingsperspectieven (waar) Na de toetsing aan de generieke beleidskeuzes komen de ontwikkelingsperspectieven aan de orde.

In de Omgevingsvisie staan zes ontwikkelperspectieven beschreven: drie voor de groene en drie voor de stedelijke omgeving. Daarbinnen is nog een onderverdeling gemaakt. De ontwikkelperspectieven zijn flexibel voor de toekomst en geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden.

10

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

Gebiedskenmerken (hoe) Tot slot zijn de gebiedskenmerken van belang, die bestaan uit vier lagen (natuurlijke laag, laag van agrarische cultuurlandschappen, stedelijke laag en laag van de beleving. Voor elke laag gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. In het resterende deel van deze paragraaf wordt nader ingegaan op de generieke beleidskeuzes, de ontwikkelingsperspectieven en de gebiedskenmerken. 2.3.2

Omgevingsverordening Overijssel

De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd. In de verordening staan algemene regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, water en bodem. De verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen, is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening geeft regels aan gemeenten die bij het maken van bestemmingsplannen in acht genomen moeten worden. 2.3.3

Toetsing bestemmingsplan aan beleid en regels van de provincie Overijssel

Generieke beleidskeuzes De generieke beleidskeuzes zijn gericht op het toestaan van nieuwe ontwikkelingen en de voorwaarden waaraan voldaan moet worden bij de ontwikkelingen. Bij voorliggend plan worden geen nieuwe functies en/of extra bebouwing mogelijk gemaakt. Een bestaande woning wordt verplaatst en een agrarisch perceel krijgt de bestemming Wonen. Deze twee percelen worden landschappelijk ingepast waardoor een ontwikkeling met kwaliteit ontstaat. De algemene lijn van de generieke beleidskeuzes dat het plan moet passen in de omgeving en dat er geen extra verstening mag ontstaan, daar wordt aan voldaan.

Ontwikkelingsperspectieven Volgens de kaart Ontwikkelingsperspectieven ligt het plangebied binnen de aanduiding 'stads- en dorpsrandgebieden' en in het 'Ontwikkelingsperspectief wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. De stads- en dorpsrand is een overgangsgebied. In deze gebieden komen veel opgaven en belangen samen zoals dorps- en stadsuitbreidingen, infrastructuur, landbouw, landschapsontwikkeling, water en natuur. Als ambitie wordt uitgesproken om de ontwikkeling van woon-, werk- en recreatiemilieus te verbinden aan hun omgeving. Binnen het wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap staat de ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Bij voorliggend plan verdwijnt een agrarische bestemming. Dit perceel krijgt een woonbestemming en een bestaande woning op het naastgelegen perceel wordt verplaatst. Het agrarische erf blijft zijn huidige kenmerken behouden, daar wijzigt niets aan. Ook de huidige paardenbak, als onderdeel van de voormalige paardenhouderij, blijft behouden. De nieuwe woning wordt ingepast in het landschap. Bij deze inpassing wordt rekening gehouden met de reeds aanwezige kenmerken en kwaliteiten van het plangebied.

De openheid en het beeldbepalend groen blijven behouden. Waar mogelijk worden deze kwaliteiten versterkt. Met voorliggend plan blijven de karakteristieken en kwaliteiten van het gebied behouden waardoor het een aantrekkelijk buitengebied blijft.

Gebiedskenmerken Zoals hiervoor aangegeven zijn de gebiedskenmerken weergegeven in vier lagen. Doordat voorliggend plangebied in het buitengebied ligt, is er geen specifieke aanduiding op de stedelijke laag. Deze laag wordt dan ook niet besproken. Natuurlijke laag: Stuwwallen De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwallen te behouden en versterken. De inzet daarbij is het reliëf ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accentueren en door de zichten erop én er vanaf te versterken.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

11

Agrarisch cultuurlandschap: Jong heide- en ontginningslandschap De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen.

Laag van beleving: stads- en dorpsranden Deze verbindt ontwikkeling van woon-, werk- en recreatiemilieus in de stads- en dorpsranden aan hun omgeving met landschappelijke structuren en routes.

Bij voorliggend plan wordt een bestaande woning verplaatst en krijgt een voormalig agrarisch perceel een woonbestemming. Het plangebied heeft al landschappelijke kwaliteit door onder andere de bomenrij langs de oprit, de openheid die de paardenwei verzorgt. De huidige landschappelijke kwaliteit wordt waar mogelijk versterkt. De nieuwe woning wordt zodanig gesitueerd en beplanting wordt aangelegd dat deze ontwikkeling wordt ingepast in het plangebied.

Conclusie: Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

2.4

Gemeentelijk ruimtelijk relevant strategisch beleid

Deze paragraaf bevat een korte beschrijving van het algemene ruimtelijke relevante beleid van de gemeente Enschede. De inhoud van deze toelichting is zodanig opgebouwd dat eerst algemene informatie aan de orde komt en vervolgens onderwerpen die specifiek aan dit bestemmingsplan zijn toegeschreven. Het sectorale beleid wordt daarom verderop in deze toelichting behandeld. 2.4.1

Toekomstvisie Enschede 2020 en uitwerkingsvisies

De gemeenteraad heeft op 17 december 2007 de Toekomstvisie Enschede 2020 vastgesteld, waarin de hoofdlijnen en doelstellingen voor het gemeentelijke beleid tot 2020 staan. Het document geeft richting aan het beleid, dat nader uitgewerkt wordt in andere beleidsstukken. De ruimtelijk relevante aspecten van de hoofdlijnen en beleidsdoelstellingen in de Toekomstvisie zijn uitgewerkt in de Herijking van de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie, die op 22 juni 2009 door de gemeenteraad is vastgesteld. Integraal onderdeel hiervan is een visie op de binnenstad (Binnenstadsvisie) en mobiliteit (Mobiliteitsvisie). Vervolgens is de inhoud van het document Herijking RO-Visie, binnenstadsvisie inclusief mobiliteitsvisie ruimtelijk vertaald in de Structuurvisie Enschede, die in één van de volgende paragrafen aan de orde komt. 2.4.2

Stedelijke Koers

Onder de noemer "Stedelijke Koers" heeft de gemeenteraad op 24 september 2012 ingestemd met een andere koers voor Enschede. Dat was nodig omdat vraag en aanbod in de vastgoedmarkt op het gebied van wonen, bedrijventerreinen en kantoren flink uit balans zijn. De maatschappij is veranderd. Het aantal projecten, de ambities en de plannen in Enschede die werden voorbereid en uitgevoerd pasten niet meer bij de huidige en toekomstige vraag. Om dit terug te brengen naar een realistisch aanbod heeft de gemeenteraad gekozen voor de plannen en projecten die het meest waardevol zijn voor de toekomst van Enschede en die de economie van Enschede en de regio zoveel mogelijk stimuleren. De financiële uitwerking hiervan vond plaats tijdens de behandeling van de Programmabegroting op 12 november 2012. In Enschede zullen niet alleen minder woningen worden gebouwd, maar ook andere soorten: minder appartementen en meer woningen met een tuin. De prognose voor de verkoop van grond voor bedrijventerreinen wordt naar beneden bijgesteld. Voor de kantorensector wordt naast verlagen van het aantal te bouwen kantoren ook gekeken naar hergebruik van bestaande kantoren, omdat er sprake is van leegstand.

12

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

2.4.3

Richting aan Ruimte

Op 5 april 2016 hebben burgemeester en wethouders van Enschede 'Richting aan Ruimte' (RAR) vastgesteld. Dit is een richtinggevend ontwikkelingskader waarin wordt verduidelijkt hoe Enschede omgaat met de programmering. Niet langer de kwantitatieve aspecten staan centraal maar er wordt gestuurd op kwaliteit. Daarbij wordt gekeken naar de totale stedelijke programmering maar ook naar de behoefte van het gebied. Een integrale afweging van alle relevante belangen (o.a. ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid, economie, welzijn) op basis van het 'RAR-kompas' leidt uiteindelijk tot een besluit over de (on)wenselijkheid van een nieuw ruimtelijk initiatief. Ongewijzigd onderdeel van het integrale afwegingskader is het 'versterken vanuit het hart'.

afbeelding: het 'RAR kompas'

2.4.4

Structuurvisies

De Wro verplicht iedere gemeente om voor het hele grondgebied één of meer structuurvisies vast te stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Een soortgelijke verplichting geldt ook voor de provincies en het Rijk. In een gemeentelijke structuurvisie staan de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid. De structuurvisie bevat ook een uitvoeringsparagraaf waarin de raad aangeeft via welke instrumenten en bevoegdheden de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd zal kunnen worden.

Structuurvisie Enschede De gemeenteraad van Enschede heeft op 26 september 2011 de Structuurvisie vastgesteld. Hierin is het bestaande ruimtelijk beleid uit de hieronder genoemde gemeentelijke nota's opgenomen en met elkaar in relatie gebracht.  Groenstructuur Actieplan, bevat de belangrijkste gemeentelijke ambities op het gebied van behouden en versterken van parken en groenstructuren;  Beleidskader kleine windturbines, hierin zijn mogelijke locaties voor kleine windturbines aangewezen;  Mobiliteitsplan 2004-2015, bevat de gemeentelijke ambities voor de verkeerscirculatie en bereikbaarheid van de stad. Hieruit zijn de belangrijkste verkeersprojecten voor auto, openbaar vervoer en fiets in de Structuurvisie opgenomen;  Nieuwe Energie voor Enschede, bevat de gemeentelijke duurzaamheidsambities voor nieuwe ontwikkelingen, herstructurering en renovatie. Hierbij staat de reductie van CO 2 centraal.

 Gids Buitenkans, bevat op basis van landschapstypologieën en -plekken het kwalitatieve kader voor ontwikkelingen in het buitengebied;  Hotelnota, hierin zijn de ontwikkellocaties voor hotels aangewezen;  Structuurvisie Luchthaven Twente en omgeving, bevat het ruimtelijke ontwikkelingskader voor de herontwikkeling van het terrein van de voormalige militaire vliegbasis Twente;  Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie 2001, bevat belangrijke gemeentelijke ontwikkellocaties en infrastructuurprojecten. Hieruit zijn de nog actuele projecten en locaties in de Structuurvisie opgenomen;

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

13

Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie en Binnenstadsvisie 2009, bevat het actuele integrale kader voor ruimtelijke ontwikkeling, verkeer, economie en de ontwikkeling van de binnenstad;  Ontwikkelingskader Horeca 2005-2015, hierin zijn de horecaconcentratiegebieden en horeca-ontwikkellocaties aangewezen. Met uitzondering van de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie 2001 zijn de individuele beleidsnota's nog steeds van kracht omdat deze meer bevatten dan wat is opgenomen in de Structuurvisie. In de Structuurvisie gaat het om de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de toekomst op het gebied van wonen, groen, economie, verkeer, milieu en gebiedsontwikkeling. Het doel van de Structuurvisie is het in samenhang presenteren van de hoofdlijnen van sectoraal of gebiedsgericht beleid. Het gaat om de hoofdlijnen van ruimtelijk beleid op de lange termijn, zodat er op projectniveau voldoende flexibiliteit is om in te kunnen spelen op veranderingen. De Structuurvisie is continu in ontwikkeling. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen en nieuw stedelijk beleid wordt de Structuurvisie aangevuld of nader uitgewerkt, zodat het een actueel strategisch en integraal kader vormt.

Sectorale en gebiedsgerichte structuurvisies In aanvulling op de eerder genoemde integrale Structuurvisie, heeft de gemeenteraad van Enschede ook diverse sectorale structuurvisies en een gebiedsgerichte structuurvisie vastgesteld. Hierin worden specifieke onderwerpen geregeld. Woonvisie Op 12 maart 2012 is de Woonvisie Enschede 2025 vastgesteld. De Woonvisie vormt een nadere uitwerking van de Structuurvisie, specifiek toegespitst op de gemeentelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van het wonen. Watervisie Op 27 mei 2013 is de Watervisie 2013-2025 vastgesteld. Deze sectorale structuurvisie richt zich op het samen met partners in de waterketen aanpakken van waterknelpunten in Enschede op het gebied van hemelwateroverlast, grondwateroverlast, grondwaterverontreiniging en waterkwaliteit. De Watervisie heeft twee sporen, het oplossen van knelpunten en het realiseren van een zestal waterambities. De op te lossen knelpunten zijn:  Overbelasting van het rioolstelsel.  Grondwateroverlast.  Problemen met waterkwaliteit. De Enschedese waterambities zijn:  Daar waar het kan is het regenwater afgekoppeld van het gemengde riool.  De beleving van de groene en blauwe kwaliteit van Enschede versterken door water zichtbaar te maken.  Water in de buitenruimte wordt zoveel mogelijk benut voor het opvangen van extreme regenbuien en om bij warme perioden de stad te verkoelen.

 De watergerelateerde component van de (woon)lasten blijft beheersbaar.  Enschedeërs gaan bewuster met water om en zijn meer betrokken bij de watervoorzieningen in de stad.  De waterpartners zorgen samen voor een goede waterkwaliteit en – kwantiteit in Enschede. 2.4.5

Toetsing bestemmingsplan aan het gemeentelijk ruimtelijk relevant strategisch beleid

In de strategische beleidsdocumenten Toekomstvisie, Stedelijke Koers en de diverse structuurvisies zijn voor het plangebied van het bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A" geen specifieke beleidsdoelstellingen of ontwikkelingsrichtingen benoemd. In zijn algemeenheid zorgt voorliggend plan voor behoud van de kwaliteiten van het plangebied en wordt het waar mogelijk versterkt door de realisatie van een nieuwe woning en de landschappelijke inpassing. Het plan past hiermee binnen het gemeentelijk beleid.

14

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

Hoofdstuk 3

Bestaande en toekomstige situatie

Zoals eerder al aangegeven vinden er geen wijzigingen plaats op het perceel Holterhofweg 255. Voorliggend plan zorgt alleen voor een planologische wijziging van Agrarisch naar Wonen voor dat perceel. De paardenbak blijft behouden. Deze krijgt de bestemming Agrarisch met de aanduiding 'paardenbak'. Dit hoofdstuk en dan met name paragraaf 3.2 gaat voornamelijk over het perceel Holterhofweg 255a waar de verplaatsing van de woning plaatsvindt.

3.1

Bestaande situatie plangebied en omgeving

Het plangebied ligt in het buitengebied van Enschede, ten oosten van de kern Enschede. Het erf betreft een oud erf genaamd 'Reef' dat ooit is ontstaan op de zuidelijke punt van de stuwwal die zich van Enschede richting Denekamp strekt. Het ligt hiermee op de overgang van hoger gelegen delen naar lager gelegen delen. Dit gebied kenmerkte zich door 'woestegronden' en heidevelden. De locatie van het erf Reef is hierdoor opmerkelijk, de oorspronkelijke reden van het stichten van een erf op deze locatie is niet bekend. Op de kaart van 1850 is het erf al aangegeven en mogelijk zelfs al in 1700. Ten westen van het plangebied ligt een essenlandschap met aan de rand bebouwd. Hier is later de stad Enschede gebouwd. Het plangebied zelf lag op woeste gronden tegen het heidegebied aan. Vanaf 1930 is te zien dat de heidegronden ontgonnen worden en langzaam veranderen in agrarische gronden, hier ontstaat het veldontginningenlandschap. Op de kaart van 1950 is te zien dat de bebouwing rond het plangebied toeneemt. Vanaf 2005 is te zien dat ten noorden van het plangebied de N35 is aangelegd op een afstand van ongeveer 150 meter van het plangebied. In de huidige situatie wordt het plangebied omgeven door agrarische gronden, het plangebied ligt in een veldontginningenlandschap. Aan de zuidzijde van de Holterhofweg staan woningen als een lint aan deze weg.

Het plangebied zelf betreft een agrarisch erf dat was gelegen nabij deze woningen. Het agrarische erf bestaat uit diverse gebouwen die een duidelijk erf vormen. Dit erf is naar de weg toe uitgebreid waarbij één gebouw verder van het erf ligt, nabij de Holterhofweg. Dit betreft een meer recent gebouw. Tussen dit gebouw en de andere bebouwing ligt een paardenbak. Tussen het agrarische erf en de Holterhofweg ligt een weiland als open structuur tussen deze bebouwing. Dit weiland vormt een kwaliteit voor deze omgeving. In het totale plangebied staan diverse volwassen en beeldbepalende bomen. Deze bomen staan onder andere aan beide zijden van de oprit, langs een deel van de paardenwei en ten noorden van de nieuw te realiseren woning. Langs de Holterhofweg staat een rij hazelaars. De rand van de paardenwei is niet geheel omzoomd door bomen. De plaatsen waar geen bomen staan, bieden een waardevolle doorkijk op de boerderij. Afbeelding 3.1 geeft de huidige situatie van het plangebied weer.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

15

Afbeelding 3.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied

3.2

Toekomstige situatie

Zoals hiervoor aangegeven, heeft het perceel al een goede basis en een waardevolle inpassing. Met voorliggend plan wordt hierop voortgebouwd. Alleen de bungalow, de huidige woning op het perceel Holterhofweg 255A, wordt gesloopt en daarvoor in de plaats wordt ten westen van de te slopen bungalow een nieuwe woning gebouwd. De overige bebouwing op het perceel blijft behouden. Afbeelding 3.2 geeft de situering van de bebouwing weer.

16

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

Afbeelding 3.2: toekomstige situering bebouwing De nieuwe woning staat parallel aan de schuren nabij de Holterhofweg. Hiermee volgt de nieuwe woning het aanwezige patroon van bebouwing in het plangebied. Deze woning staat parallel aan de bestaande oprit. Beide percelen maken straks gebruik van een eigen oprit. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast. Zoals kenmerkend in een veldontginningenlandschap is er een zichtrelatie tussen de nieuw te bouwen woning en de weg. Om te zorgen voor privacy bij de woning, wordt het bosje hazelaars aan de Holterhofweg versterkt. Hiermee wordt privacy gerealiseerd, maar het bosje wordt zodanig aangelegd, dat ook openheid behouden blijft. Verder wordt ten noorden van de nieuwe woning, tussen de beide percelen een fruitboomgaard aangelegd. De paardenweide blijft als belangrijke open ruimte behouden tegenover de rij woningen aan de overzijde van de Holterhofweg. Hierdoor blijft de zichtrelatie met het hoofdgebouw van het erf Reef (de oude woonboerderij) behouden. De paardenweide wordt afgerasterd met een houten hekwerk. De tuin rond de nieuwe woning blijft eenvoudig. Afbeelding 3.3 geeft de toekomstige inrichting van het plangebied weer.

Afbeelding 3.3: Toekomstige situatie plangebied

Ruimtelijk en visueel gezien vormen de twee gedeeltes van het plangebied (het voormalig agrarisch bedrijf en de nieuwe woning met bijbehorend perceel) één geheel. De paardenweide en de fruitboomgaard vormen hierin de verbindende elementen. Het ontwerp van de nieuwe woning bestaat uit twee delen aan elkaar gebouwd. Het hoofddeel, krijgt een bouwhoogte van ruim 8 meter, het aangebouwde deel krijgt een bouwhoogte van bijna 7 meter. De goothoogte verschilt aan twee zijden waar de goothoogte aan één kant ruim 2,5 meter bedraagt en aan de andere kant ruim 2 meter. Afbeelding 3.4 geeft een impressie van de gewenste woning weer.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

17

Afbeelding 3.4: Impressie gewenste woning

18

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding. Hierbij wordt voornamelijk ingegaan op het perceel Holterhofweg 255A, omdat daar de ontwikkeling plaatsvindt.

4.1

Milieu

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de volgende aspecten: mer, bedrijven- en milieu inventarisatie, bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. 4.1.1

Milieueffectrapportage

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. 2. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; 3. m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; 4.

vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen. Toetsing bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A" aan het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A' heeft tot doel de verplaatsing van een woning en het omzetten van de bestemming Agrarisch naar de bestemming Wonen. Deze beoogde ontwikkeling is geen activiteit / project als genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r. of m.e.r. beoordeling dient te worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven. 4.1.2

Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het plangebied volgens de toetsing aan de milieuhinder van bedrijven en voorzieningen kan worden gezien als 'een rustige woonwijk'. Toetsing bestemmingsplan aan milieuhinder Rond het plangebied zijn voornamelijk woonpercelen gesitueerd. Op een afstand van ruim 140 meter van de woningen ligt het agrarisch bedrijf Holterhofweg 280. Deze afstand tussen het agrarische bedrijf en de woningen is ruim voldoende om niet te zorgen voor belemmeringen. Het agrarisch bedrijf zorgt niet voor een slecht woonen leefklimaat in het plangebied en andersom zorgen de woningen niet voor een belemmering in de bedrijfsontwikkeling.

Conclusie milieuhinder bedrijven en voorzieningen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

19

4.1.3

Bodemkwaliteit

Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.

Toetsing bestemmingsplan aan de bodemkwaliteit onclusie bodemkwaliteit In totaal zijn er 6 grondboringen verricht en handmatig 14 inspectiegaten gegraven. Drie gaten zijn doorgeboord tot in de ongeroerde ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn zand en klei. Zintuiglijk zijn plaatselijk bodemvreemde materiaal waargenomen. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem en in de puinverharding. Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op gemiddeld 0.50 meter min maaiveld. In een deel van de mengmonsters is de aangetoonde asbestgehalte hoger dan de toetsingswaarde. Een nader onderzoek zal inzicht geven in de omvang van de asbestverontreiniging. Echter dit ligt rond de voormalige veeschuur waar op dit moment geen activiteiten gaan plaatsvinden. De gemeten gehalten ter plaatse van de nieuw te realiseren woning overschrijden geen toetsingswaarden en vormen daarmee geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 4.1.4

Wet geluidhinder

In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen of terreinen en/of de transformatie van bestaande panden naar wonen of een andere geluidgevoelige functie mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en terreinen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het ook noodzakelijk zijn dat akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is.

Wegverkeerslawaai Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Holterhofweg 255-255A” zijn geen op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde wegen aanwezig. Het plangebied is wel gelegen binnen de onderzoekszone van de N35. De te verplaatsen woning ligt binnen deze onderzoekszone, daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Geluid plus adviseurs (Bijlage 3). Op basis van dit onderzoek kan worden gesteld dat voor de geluidbelasting op de nieuwe woning met huisnummer 255a voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. De geluidbelasting op de bestaande woning aan de Holterhofweg 255 bedraagt 50 dB en overschrijdt hiermee de voorkeursgrenswaarde. Voor deze woning wordt wel voldaan aan de maximale grenswaarde. Omdat het hier alleen een wijziging betreft van een agrarische bedrijfswoning naar een gewone woning en er verder geen uitbreidingsmogelijkheden richting de N35 worden geboden, hoeft hier geen hogere grenswaarde te worden verleend.

20

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

Railverkeerslawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A" is niet gelegen aan of in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijn. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder vanwege railverkeerslawaai kan daarom achterwege blijven. Industrielawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A" is niet gelegen in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het bestemmingsplan "Holterhofweg 255-255A" niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder vanwege industrielawaai kan daarom achterwege blijven. Conclusie Wet geluidhinder Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 4.1.5

Luchtkwaliteit

Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; b. een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; d. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); e. een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg. Toetsing bestemmingsplan aan luchtkwaliteit Voorliggend plan betreft de verplaatsing van één woning en het omzetten van een agrarische bestemming naar de bestemming Wonen. Er wordt geen woning toegevoegd. Gesteld kan worden dat voorliggend plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Mogelijk treedt er zelfs een verbetering op nu er geen agrarische bedrijf meer is gevestigd in het plangebied.

Conclusie luchtkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 4.1.6

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.

Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden.

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

21

De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.

Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen en in de nabijheid van het plangebied van het bestemmingsplan "Hölterhofweg 255 - 255A" zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi van toepassing is. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Hölterhofweg 255 - 255A" zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Op ca. 150 meter ten noorden van het plangebied is een buisleiding (A-670) van de Gasunie gelegen die onder Bevb valt. De leiding kent geen 10-6 contour voor wat betreft het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt binnen de 100% letaalzone van 185 meter en de 1% letaalzone van 470 meter. Het plan heeft, omdat een bestaande woning plaats maakt voor een nieuwe woning, geen invloed op het groepsrisico ten gevolge van de leiding. Conclusie: De ligging van deze aardgasleiding vormt op grond van het BevB geen belemmering voor onderhavig plan.

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water zijn de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Circulaire Vervoer Gevaarlijke Stoffen het wettelijk kader. Momenteel is nieuwe wet- en regelgeving in voorbereiding voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van die nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.

Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Hölterhofweg 255 - 255A" zijn geen wegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. De N35, met een indicatieve zone van 200 meter, ligt op een afstand van ruim 225 meter vanaf de nieuwe woning en is daardoor niet relevant.

Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Hölterhofweg 255 - 255A" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen vaarwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de water.

Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Hölterhofweg 255 - 255A" of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor.

Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande en het gegeven dat het plan geen toename van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen risicocontouren kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding.

22

bestemmingsplan Holterhofweg 255-255A (vastgesteld)

Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buien. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is als beleidsuitgangspunt vastgelegd dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet op doelmatige wijze mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt tenminste 40 millimeter, oftewel 40 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Om een goede en doelmatige afvoer naar voorzieningen in de openbare ruimte te kunnen garanderen hanteert het waterschap Vechtstromen een maximum norm van 2,4 liter per seconde per hectare.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=a330e45c-5ea0-4357-905f-cb27dfb5378a