CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Reactie Stadsbank op Quick scan gemeenschappelijke regelingen 2025

Stedelijke commissie - EWIO 23 juni 2025, gemeente enschedeBij agendapunt: Quick scan Gemeenschappelijke Regelingen1.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Reactie Stadsbank m.b.t. vragen in de Quick Scan Gemeenschappelijke Regelingen 2025 van de gezamenlijke Twentse rekenkamers

4.6 Stadsbank Oost Nederland (SON) 4.6.1 Financieel SON heeft een positief financieel resultaat van ruim € 0,6 mln. gerealiseerd in 2024. Het overgrote deel van het verschil zit in de onderbesteding van geraamde lasten in het programma Algemeen Bestuur en komt door vacatures en uitstel van projecten (p. 38 jaarverslag). Wat opvalt is dat er geen rente opbrengsten uit Schatkistbankieren zijn benoemd terwijl dat wel denkbaar zou kunnen zijn. Hier zit mogelijk nog ruimte om beperkt de bijdragen van gemeenten te verlagen. Of dat heel veel is zal moeten blijken omdat het voor burgers beheerde geld buiten die afspraken valt. Reactie: In de begroting is wel rekening gehouden met rente uit schatkistbankieren. De rente opbrengsten zijn in de begroting verantwoord onder de overige baten. De Stadsbank heeft de verplichting en het beleid om overtollige middelen boven de € 1.000.000 bij de schatkist aan te houden om een zo hoog mogelijke renteopbrengst te realiseren. Daarnaast wordt een groot gedeelte van onze middelen onder de € 1.000.000 aangehouden bij de schatkist (zie pagina 23 jaarverslag). De mogelijkheid om de bijdrage van gemeenten te verlagen, zoals hierboven geschetst, is dus zeer beperkt. Financieel relevanter is de vraag over het eigen vermogen. In de kaderbrief (p. 9) wordt gesteld te overwegen om de bovengrens van de weerstandsratio (nu 1,4) te verlagen.

Gegeven de benodigde weerstandscapaciteit van ongeveer 1,0 mln. (p. 21 jaarverslag) betekent de norm voor de weerstandsratio met 0,1 verlagen een eenmalige besparing van k 100. Dit is op dit moment een denkrichting. Toch valt vervolgens op dat het bestuur het volledige financiële resultaat van 2024 toevoegt aan de bestaande reserve die daarmee op 2,2 mln. uitkomt met als gevolg een weerstandsratio van 2,14 (p. 56 jaarverslag). Technisch mag dat volgens de eigen regels, want die stellen dat pas twee jaar na overschrijding van de norm tot afbouw kan worden overgegaan (p. 21 jaarverslag) en is het dus correct. De combinatie van nadenken over verlagen van de norm voor de weerstandsratio en tegelijkertijd met het financiële resultaat het eigen vermogen verder versterken kan aanleiding zijn voor een politieke discussie en mogelijk zienswijze. Reactie: We maken onderscheid in de formeel technische afhandeling van het resultaat 2024 volgens de vastgestelde regels en de in de Kaderbrief 2026 benoemde mogelijke overweging om vanaf het begrotingsjaar 2026 de bovengrens van de weerstandsratio te verlagen binnen de kwalificatie “voldoende” (tussen 1,0-1,4). Dit is één van de mogelijkheden die is geschetst op verzoek van gemeenten omdat zij voor 2026 keuzes moeten maken. Hier vindt nog

besluitvorming over plaats. Mocht hiervoor gekozen worden door het Algemeen Bestuur dan zal dit leiden tot een aanpassing van de regels. Overigens gaat dit om incidentele ruimte voor gemeenten en zal bij incidentele of structurele tegenvallers de ondergrens sneller bereikt worden. Dit brengt voor gemeenten meer mogelijke fluctuaties in de bijdrage met zich mee. De begroting geeft niet veel aanleiding tot opmerkingen. Wat wel opvalt is dat de onderbouwing van de personeelskosten meer zoekwerk vergt dan in de jaarrekening. De informatie staat over meerdere plaatsen in de tekst verspreid. Inhoudelijk is op de raming van personeelskosten in hoofdstuk 3 ingegaan. Tot slot een technische opmerking. Het voorstel over de concept begroting 2026 vraagt om goedkeuring van de (primitieve) begroting voor 2026 en de meerjarenraming 2027-2029. Dat dictum is onjuist omdat artikel 34, eerste lid van de WGR stelt dat het AB de begroting vaststelt en in de WGR niet over meerjarenramingen wordt gesproken. Daarvoor moet op grond van artikel 35, zevende lid worden teruggegrepen op de Gemeentewet. In artikel 190 van de Gemeentewet wordt de meerjarenraming wel genoemd, maar vervolgens staat in artikel 191 expliciet alleen vaststelling van de begroting. Omdat goedkeuren van een document ook bindende betekenis heeft, zou voor de meerjarenraming het minder bindende begrip instemmen beter passen.

Reactie: Dit zullen wij aanpassen in het voorstel aan het Algemeen Bestuur over de begroting voor het komende jaar (2026). We leggen in het definitieve voorstel aan het Algemeen Bestuur de begroting 2026 ter goedkeuring en de meerjarenraming 2027-2029 ter instemming voor. Deze werkwijze zullen we ook in de toekomst hanteren. 4.6.2 Inhoudelijk De opvallendste tekst in het jaarverslag (p. 9) gaat over schuldhulp en detentie. Een tekst als deze is in de jaarrekeningen vanaf 2019 niet eerder voorgekomen. Iemand die gedetineerd is verliest vrijwel onmiddellijk het recht op uitkering. Maar als een kort gestrafte een woning aanhoudt, lopen de huur of hypotheek en de energiekosten wel door. Kan het zijn dat het verlies van een uitkering mede oorzaak is van schuldenproblematiek bij gedetineerden? Met andere woorden: zorgt rijksbeleid over uitkeringen voor een lokaal op te lossen schuldenprobleem en is er aanleiding om dit politiek te agenderen? Reactie: Schuldenproblematiek kan een gevolg zijn van rijksbeleid over inkomen en uitkeringen. Dat geldt overigens niet alleen voor situaties van detentie. De aandacht voor schuldhulp en detentie komt voort uit een politieke agenda voor het verbeteren van de aanpak van schulden vanuit detentie. Door het Ministerie van SZW is dit onder meer uiteengezet in een Tweede Kamer brief.

Er komt meer aandacht voor schuldhulpverlening tijdens en na detentie. De meerderheid (54 tot 80%) van de gedetineerden heeft schulden. Uit de praktijk blijkt dat schulden verder oplopen tijdens detentie. Diverse onderzoeken en ervaringsdeskundigen onderstrepen het belang van schuldhulpverlening tijdens detentie met

als doel de schulden niet verder te laten oplopen. Tegelijkertijd is dit in de praktijk vaak ingewikkeld en/of is hier weinig tijd voor, waardoor bekeken wordt of het regionaal oppakken van deze problematiek een deel van de uitkomst kan zijn. SON laat in het jaarverslag prestatie-indicatoren zien. Die indicatoren zijn al jaren in gebruik. Er is op basis van de jaarstukken geen aanleiding om te denken dat andere indicatoren nodig zijn. Twee indicatoren (p. 14 jaarverslag) vragen dit jaar om aandacht. Het gaat om de wachttijd tot eerste gesprek (PI-1) die duidelijk verslechterd en het percentage klanten dat na een regeling binnen een jaar terugkomt (PI-6a). Dat percentage is op zichzelf laag. Dat kan betekenen dat een of twee klanten die terugkomen het verschil maken. Duiding over de hier genoemde indicatoren ontbreekt. Reactie: De wachttijd tot het eerste gesprek is overall enigszins gedaald in 2024. Dit kan echter wel per gemeente verschillen. Overigens is het ook mogelijk dat de wachttijd langer duurt doordat de inwoner afspraken opschuift of afzegt. De stap naar schuldhulp wordt in Nederland nog vaak als een drempel ervaren. We doen er alles aan om, o.a.

door de samenwerking met vrijwilligersorganisaties, het maatschappelijk veld en gemeenten, het op locatie afspreken, algemene voorlichting en het niet onnodig vragen om veel stukken voor het eerste contact, deze drempel weg te nemen. Het percentage klanten dat binnen een jaar terugvalt is laag. Het percentage gaat over klanten die terugkomen bij de Stadsbank. Dat wil niet persé zeggen dat meer terugval niet plaatsvindt. In de bijlagen zijn overzichten opgenomen van onder andere per gemeente uitstaande leningen (p. 66). Een aantal gemeenten heeft in 2024 minder dan 10 leningen uitstaan. Dat roept de vraag op of de gemeente voldoende zicht heeft op mogelijk problematische schulden of dat er iets anders speelt. De schaalgrootte van gemeenten, los van Almelo, Enschede en Hengelo, geeft geen aanleiding om te denken dat inwoneraantallen de verschillen tussen gemeenten kunnen verklaren. Wanneer de vijf gemeenten waar minder dan 10 leningen uitstaan worden weggelaten, is de gemiddelde uitstaande schuld ruim 2.700. Vanaf een gemiddelde schuld van € 3.200 in een gemeente is de afwijking meer dan 20% van het algemene gemiddelde. Dat kan aanleiding zijn om lokaal vragen te stellen over vroegsignalering van schulden. Reactie: Het overzicht gaat over verschillende typen leningen. Sociale leningen, herfinancieringen en saneringskredieten. Dit gaat niet allemaal over schuldensituaties.

Sociale leningen verstrekken we met name voor huishoudelijke apparatuur en woninginrichting voor inwoners met een inkomen tot 130% van het minimumloon. Van schulden hoeft dan geen sprake te zijn. Bij herfinancieringen (volledige schuld wordt betaald) en saneringskredieten (het regelen/afkopen van een schuld) gaat het om schulden. Bij saneringskredieten is de oorspronkelijke schuld vaak vele malen hoger dan de lening bij de Stadsbank. Sommige gemeenten verstrekken leenbijstand in plaats van een sociale lening bij de Stadsbank waarvoor de gemeente borg staat. Dat is een gemeentelijke keuze en kan de verschillen verklaren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=797d96ef-b82a-4ae4-b39c-6baa43f2ed2b