CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan Begroting 2022_Eindversie

Stedelijke commissie 2 november 2021, gemeente enschedeBij agendapunt: Quickscan gemeentebegroting3.902 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quick Scan Begroting 2022

1 Inleiding De begroting 2022 is de laatste begroting die dit college aan de gemeenteraad voorlegt. Op verzoek van de rekeningencommissie is een korte terugblik aan deze quick scan toegevoegd over de bevindingen uit de quick scans bij eerdere P&C documenten die onder de verantwoordelijkheid van het huidige college zijn opgesteld. De gemeentefinanciën hebben de afgelopen jaren onder druk gestaan door de kostenontwikkeling in het sociaal domein. Daarnaast zorgen de discussie over de herverdeling, omvang en trap-op-trap-af systematiek van het gemeentefonds en de doorwerking van de gevolgen van de corona-pandemie nog voor onzekerheden over de beschikbare middelen. Tegelijkertijd lijkt er wel sprake van een kentering. In de afgelopen jaren was sprake van sturen op kostenbeheersing als gevolg van de problematiek in het sociaal domein. Voor de komende jaren lijkt investeren in het fysieke domein centraal te komen staan. Het woningtekort, maatregelen rondom energievoorziening en klimaatvraagstukken leiden tot een toename van investeringsbehoefte op lokaal niveau. Die veranderingen zijn terug te vinden in de Enschedese begroting voor 2022, bijvoorbeeld in een duidelijk hoger investeringsvolume dan de afgelopen jaren het geval was.

Deze accentverschuiving vraagt wellicht ook aanpassingen in de opzet van de begroting en de bijbehorende toelichtingen omdat sturing op investeringen andere dimensies kent dan sturing op lasten voor dienstverlening aan burgers en bedrijven. Zie hiervoor paragraaf 4.1 over investeringen. De opzet van deze quick scan is als volgt: paragraaf 2 bevat de kernpunten, gevolgd door een terugblik op eerdere bevindingen in paragraaf 3. In paragraaf 4 staan de belangrijkste bevindingen over de begroting 2022. Als laatste zijn in paragraaf 5 wat kleinere bevindingen opgenomen.

2 Kernpunten In deze paragraaf staan kernachtig de bevindingen op hoofdlijnen uit de begroting 2022. 1.

Thema’s die regelmatig terugkwamen in de quick scans de afgelopen jaren waren het weerstandsvermogen, de flexibele ruimte in de begroting, grondexploitatie, preventie, planoptimisme en personele bezetting. Er zijn stappen gezet, bij het ene onderwerp wat meer dan bij het andere.

2.

Investeringen zijn een belangrijk thema in deze begroting en zullen dat ook de komende jaren zijn. De vraag is of de ambities te realiseren zijn. Daarnaast zijn er verbeteringen mogelijk in de wijze waarop investeringen bij de programma’s inhoudelijk zijn toegelicht.

3.

Met de financiële afspraken over in het bijzonder de jeugdzorg, lijken de knelpunten in de begroting van het sociaal domein af te nemen. Daarbij past wel de kanttekening dat er diverse signalen zijn dat toenemend beroep op jeugdzorg en WMO denkbaar is. Of daar voldoende middelen voor zijn of komen is onzeker.

4.

Arbeidsmarkt en armoedebestrijding zijn regelmatig terugkerende thema’s. Vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt is het gegeven dat het aantal inwoners met HBO en universitaire opleiding in Enschede relatief laag is een argument om juist op die groep in te zetten. Tegelijkertijd is, gegeven de bevolkingssamenstelling, een kritische blik op de kansen voor het deel beroepsbevolking met een MBO of praktijkopleiding en de rol die de gemeente daar bij kan spelen ook van belang. In algemene zin valt verder op dat er weinig aandacht is voor schuldenproblematiek veroorzaakt door de rijksoverheid.

5.

Op een enkele plaats in de begroting is een verwijzing naar data-gedreven werken te vinden. Wellicht is een breder debat over de toegevoegde waarde van en grenzen aan datagebruik voor preventie en of beleidsevaluatie noodzakelijk.

1 van 7

Quick scan Begroting 2022

6.

In de bedrijfsvoering is veel aandacht voor het thema ICT. Er is veel volgens het college geld nodig om de ICT op peil te brengen en te houden. Bedenk dat bij sturing op kosten voor ICT het van is om ICT niet te zien als een mogelijkheid om besparingen in de organisatie te realiseren maar dat het ook gaat om borging van bedrijfsprocessen en dataveiligheid.

7.

Opvallend is dat het structureel saldo in de begroting in de loop van de tijd daalt. Logischer zou zijn dat juist aan het eind van de meerjarenperiode nog ruimte over is in de begroting om dan keuzes te kunnen maken die passen bij de ontwikkelingen op dat moment.

3 Terugblik Voor een terugblik op de afgelopen periode zijn de quick scans bij de begrotingen 2019, 2020 en 2021 en die bij de jaarstukken 2018, 2019 en 2020 gebruikt. Er zijn een aantal punten die regelmatig terugkomen en aandacht verdienen. In de eerste plaats het weerstandsvermogen. Er is ondanks toezeggingen daarover nog geen geactualiseerde nota weerstandsvermogen gemaakt. Daar staat tegenover dat het college de weerstandsratio’s weergeeft met scenario’s, over de langere termijn en met of zonder de inzet van de stille reserves. Daarmee geeft het college uitdrukking aan de bedoeling van de paragraaf weerstandsvermogen: inzicht geven in onzekerheden en daar past een absoluut getal als uitkomst niet heel goed bij. Een tweede punt dat een relatie heeft met het weerstandsvermogen is de vraag naar inzicht in de flexibele ruimte in de begroting. Dit punt is in de quick scan bij de jaarstukken 2018 expliciet benoemd. In de begroting 2022 komt dit punt ook terug. In paragraaf 2.3 van de begroting is het structureel saldo van het middelenkader benoemd, waarbij het beeld is dat het structureel saldo in 2025 nagenoeg nihil is. Bedenk daarbij dat in het structurele saldo ook het spaarprogramma van € 10 mln is opgenomen. Dat is in zekere zin ook een buffer voor tegenvallers.

Het college gaf destijds in de beantwoording van de quick scan aan dat inzicht in structurele lasten op productniveau lastig is. De vraag is of het voor de raad niet voldoende zou zijn om op programma-niveau inzicht te hebben in de beschikbare flexibele ruimte. Daarnaast zou het kunnen helpen wanneer in het financieel middelenkader in een overzicht zijn opgenomen: het totaal resultaat, de incidentele lasten, het spaarsaldo en het structureel saldo. Een derde vraagstuk gaat over de grondexploitatie. Door wijzigingen in de landelijke regelgeving moeten gemeenten eerder winst nemen. Het college kiest ervoor om de winst in eerste instantie aan de reserve van het grondbedrijf toe te voegen, totdat er voldoende zekerheid bestaat over de totale opbrengsten van de grondexploitatie van een gebied. De toelichtingen op de realisaties van de grondexploitatie in het Meerjarenperspectief Grondbeleid (MPG) die bij de jaarrekening verschijnen, zijn de afgelopen jaren verbeterd. Tegelijkertijd blijft grondexploitatie technisch ingewikkelde materie die door de lange looptijden van projecten met veel onzekerheid is omgeven. De verliezen die de afgelopen jaren zijn genomen, zowel bij woningbouw rond de financiële crisis, als recent nog rondom bedrijventerreinen hebben tot voorzichtig handelen en vooral faciliterend grondbeleid geleid.

Met de groei-ambities van de stad en de knelpunten op het gebied van volkshuisvesting zoals die nu op de agenda staan is er wellicht aanleiding om het grondbeleid in bredere zin te heroverwegen. Hierbij zouden ook de keuzes en ervaringen rondom gronduitgifte bij XL-businesspark een rol kunnen spelen. Een vierde thema gaat over preventie en vroegsignalering. Dit onderwerp speelt in het bijzonder in het sociaal domein, het onderwijs en bij veiligheid en ondermijning. Preventie is vanuit sturen op prestaties en doelen een moeilijk grijpbaar fenomeen. Waar het gaat om schuldhulpverlening is er wel wat informatie beschikbaar, maar op terreinen als de lokale educatieve agenda, de effecten van inspanningen in jeugdzorg of WMO of de regionale expertisecentra rondom criminaliteit (RIEC) is er weinig van terug te zien. Hier is ruimte om diepgaander vragen te stellen over waarom betrokken partijen de beoogde doelstellingen (nog) niet hebben bereikt.

2 van 7

Quick scan Begroting 2022

Ten vijfde zijn planoptimisme en investeringen een regelmatig terugkerend thema. Ook in de begroting 2022 zijn daar aanwijzingen voor te vinden. In paragraaf 4 is hier meer aandacht voor. Tot slot is het thema overhead en personele bezetting regelmatig in de quick scans onder de aandacht gebracht. In de notitie over 10 jaar bezuinigingsbeleid (29 oktober 2019) zijn daar ook opmerkingen over gemaakt. Hier volstaat de opmerking dat in de loop van oktober 2021 de rekenkamercommissie een rapport over het project Compacte en flexibele organisatie (CFO) publiceert.

Het college heeft in de reactie op de quick scan bij de jaarrekening 2020 aangegeven om voor de volgende raadsperiode te werken aan een betere koppeling tussen inzet van financiële instrumenten en de beoogde maatschappelijke effecten. Deze toezegging van het college valt buiten het directe bereik van de nu voorliggende quick scan. Tegelijkertijd is dit een onderwerp dat samen met de aanpassing van de financiële verordening op korte termijn waarschijnlijk terugkomt. Een aanvulling op deze bevinding is dat de relatie tussen maatschappelijke effecten en geld ook voor de bijdrage van verbonden partijen relevant is. De teksten die nu in de begroting staan hebben eerder een procesmatig karakter dan dat sprake is van beoogde maatschappelijke effecten (zie bijvoorbeeld p. 23).

4 Begroting 2022 Deze quick scan is gebaseerd op de concept teksten van 5 oktober 2022. In dit hoofdstuk staan zes grotere thema’s benoemd. In hoofdstuk 5 staan nog wat kleinere aandachtspunten vermeld.

4.1 Investeringen Het politieke begrip investeringen heeft een geheel andere lading dan het financieel technische begrip investeringen. In de politiek valt het woord investeringen in samenhang met extra inspanningen gericht op maatschappelijke doelen. Dat kan gaan om extra lasten voor onderwijs, veiligheid of elk ander beleidsthema. Financieel technisch is investeringen gekoppeld aan productiemiddelen die langdurig bruikbaar zijn. In deze paragraaf gaat het om de financieel technische interpretatie van het begrip investeringen, waarbij het investeringsoverzicht op pagina 168 van de begroting centraal staat. In de eerste plaats valt op dat het totaal van de geraamde investeringen over de periode 2022-2025 bijna € 230 mln bedraagt. Dat is ruim € 60 mln meer dan in de begroting 2021 voor de periode 2021-2024 was geraamd. Bovendien is de investeringsambitie voor het jaar 2022 hoger dan die voor 2021 respectievelijk 2020 in de vorige begrotingen. In algemene zin geldt al dat investeringen gepaard gaan met planningsoptimisme. Dat is ook terug te zien in de afgelopen jaren. Globaal is circa 60% van de geplande investeringsbudgetten vanaf 2015 daadwerkelijk geïnvesteerd. Figuur 1 laat zien hoeveel er in de begrotingen voor investeringen was geraamd, hoeveel gerealiseerd en wat de totale omvang van de geplande investeringen voor de vier-jaarsperiode van de desbetreffende begroting is.

3 van 7

Quick scan Begroting 2022

€300.000 €250.000 €200.000 €150.000 €100.000 €50.000 €0

2010

2011

2012

2013

2014

4-jaren totaal

2015

2016 Begroot

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Rekening

Figuur 1: Investeringen vermeld in gemeentebegroting per jaar en meerjarige totalen Niet alleen het algemene idee van planningsoptimisme speelt een rol bij de realisatie van de investeringsplanning. In de paragraaf bedrijfsvoering staan opmerkingen (p. 148) over knelpunten in de personele bezetting en dat er kennelijk meer middelen nodig zijn om de kaderstellende fasen van projecten uit te werken (p. 227). Dat roept vragen op of het ambitieniveau dat het college heeft daadwerkelijk realiseerbaar is. Uit een vergelijking tussen de investeringsambities, zoals geformuleerd in de begroting 2021 en die van 2022, vallen twee clusters investeringen bijzonder op. In de eerste plaats zijn de investeringen in mobiliteit in 2022 ruim € 8 mln hoger en zijn de ramingen voor 2023 en 2024 in vergelijking met de vorige begroting respectievelijk € 12 en € 14 mln hoger. In de tekst van de begroting is geen directe relatie te vinden tussen deze investeringsniveaus en de beleidsvoornemens, behoudens wellicht de verwijzing naar de verbetering van de aansluiting Oostweg-N35 op pagina 38. Iets dergelijks geldt voor de investeringen in vastgoed die nu jaarlijks € 5 mln hoger liggen dan in de vorige begroting. In de teksten over het vastgoedbedrijf (p. 200) is hier geen verklaring voor te vinden. Rioleringen is een andere belangrijke post onder investeringen.

Ook vorig jaar is daar aandacht voor gevraagd en gaf het college aan dat een deel van de investeringen uit de voorziening rioolheffing is gefinancierd om de jaarlijkse lastenstijging van de rioolheffing te beperken. Dat lijkt in 2022 (staat voorzieningen, p. 177) nog een keer deels te gebeuren. Daarna niet meer, terwijl het investeringvolume voor riolering niet wezenlijk afneemt. Daarmee blijft de vraag naar de ontwikkeling van de rioolheffing in de toekomst als gevolg van de geplande aanpassingen open. Het laatste inhoudelijke onderwerp bij de investeringen is de jaarlijks terugkerende post van € 300.000 voor ‘investeringfondsen DCW’. Er zijn in de tekst geen aanwijzingen te vinden over het doel van deze investering, waarom die jaarlijks terugkeert en wat eventueel de relatie is met de verbonden partij Stichting Werkgeverszaken participatiewet (p. 157).

Vanuit het perspectief van het budgetrecht van de gemeenteraad ontbreekt de koppeling tussen de inhoudelijke tekst bij de programma’s en de bijbehorende investeringen. Sinds een paar jaar geldt dat gemeenten bij de programma’s ook inzicht moeten verschaffen in de relatie tussen programma’s en verbonden partijen. Iets dergelijks

4 van 7

Quick scan Begroting 2022

is ook voor investeringen denkbaar, zeker nu het er op lijkt dat investeringen een belangrijker thema in de komende begrotingen zullen zijn. Een gemeente als Amersfoort doet dat al en laat ook de koppeling tussen investeringen en bijbehorende kapitaallasten zien. Vanuit financieel technisch perspectief valt op dat voor straatverlichting sprake is van kapitaallasten en dus van investeringen. Zie hiervoor de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen op pagina 140-141. De financiële verordening zegt op dit moment dat investeringen van minder dan € 10.000 (art. 8 lid 3) in de lopende begroting worden opgenomen. Wellicht kost een verlichtingsarmatuur meer, maar het viel op dat de geplande uitbreiding van laadpalen (p. 11) niet als investering maar als lasten zijn opgenomen, terwijl het karakter van die installaties vergelijkbaar is met openbare verlichting en een samenhangend geheel van infrastructuur vormt. De vraag is waarom voor dit verschil in behandeling van infrastructuur is gekozen. Tot slot een opmerking over de relatie tussen investeringen en kasstromen. Bij de quick scan voor de jaarrekening 2020 is het kasstroom-overzicht genoemd als een instrument om meer inzicht te krijgen in geldstromen. Een kasstroom-overzicht is transparanter dan het wettelijk voorgeschreven overzicht voor het EMUsaldo.

Het college ging bij de beantwoording op de opmerkingen over kasstroom-overzicht en EMU-saldo alleen op het laatste thema in. Uit een kasstroom-overzicht is direct af te leiden of de gemeente voor de dagelijkse gang van zaken meer geld uitgeeft dan ze ontvangt, hoeveel is betaald voor investeringen en is ontvangen uit verkopen van kapitaalgoederen en hoe de financiering daarvan is opgebouwd. Kort gezegd: een compact overzicht van de ontwikkeling van de bankrekening van de gemeente van 1 januari naar 31 december. Met het toenemend belang van investeringen kan een kasstroomoverzicht u twee zaken bieden. Ten eerste inzicht in de feitelijke uitgaven voor investeringen en de daarbij benodigde financiering. In de tweede plaats kan het een aanleiding zijn om een debat te voeren over de vraag of u bereid bent om geld te lenen voor gewone uitgaven die een maatschappelijk doel beogen te bereiken. Anders dan bij een prive-huishouding hoeft geld lenen voor gewone uitgaven voor gemeenten niet direct problematisch te zijn, maar ook gemeenten kunnen niet onbeperkt lenen.

4.2 Jeugd en WMO Met de extra financiële middelen die het kabinet voor jeugdzorg beschikbaar stelt lijkt voor dit moment het sociaal domein minder problematisch te zijn. Het rapport van de arbitragecommissie over de jeugdzorg1 stelt in de aanbevelingen dat er meer nodig is om de kosten van jeugdzorg beheersbaar te houden. Aanbeveling 1 van dat rapport stelt dat beperkingen in het bereik van jeugdzorg nodig zijn. Dat vereist ingrijpen van de nationale overheid in de huidige wetgeving. Zolang de rijksoverheid geen keuzes maakt blijven de risico’s voor gemeenten aanwezig. In een recent rapport van de WRR is daarover gezegd dat voortzetting van de huidige volumeontwikkeling in de jeugdzorg er toe kan leiden dat een op de zes jongeren in 2027 een beroep op jeugdzorg doet tegenover ongeveer een op de acht in 2019/20202. In hetzelfde rapport (p. 46) staat dat, alhoewel zorgkosten en ook de WMO-kosten door de verhoogde levensverwachting opschuiven in de tijd, de groei van de zorgkosten voor mensen boven 65 jaar ongeveer 2½% per jaar zal zijn. Deze kanttekeningen gelden voor alle gemeenten. Voor Enschede, met een relatief vroege piek in de vergrijzing betekent dit dat ontwikkelingen in de WMO op de agenda blijven staan.

1 Kamerstukken II 31839 nr. 777-blg982933 2 WWR: Kiezen voor houdbare zorg, p. 53

5 van 7

Quick scan Begroting 2022

4.3 Arbeidsmarkt en armoede Het college zet in op het aantrekken van talent met een accent op HBO en WO opgeleide mensen met als argument dat de samenstelling van de beroepsbevolking ten opzichte van andere universiteitssteden scheef is (p. 44). Bij die benadering zijn kanttekeningen te maken. In de eerste plaats maken de veranderingen in de economie MBO- en praktijkgeschoolden kwetsbaarder. Wat kan de gemeente zelf doen om te voorkomen dat die groep alleen nog terecht kan in de onzekere, laagbetaalde banen van de platform-economie met alle risico’s voor de ontwikkeling van het bijstandsvolume? In dit verband spreekt het college ook over risico’s op bijstand die nog voortvloeien uit de nawerking van de coronacrisis (p. 89). En welke rol ziet het college nog voor het onderwijs, zeker nu de middelen voor de Lokale Educatieve Agenda de afgelopen jaren onderuitputting vertoonden en uw raad deze budgetten heeft verlaagd (p. 10). In de analyse van de beroepsbevolking is het gebruikelijk om uit te gaan van een definitie van beroepsbevolking als de groep mensen tussen 15 en 74 die werken of beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.

Maar past die analyse wel bij Enschede: van MBO- en praktijkgeschoolden is bekend dat de levensverwachting lager is en dat zou kunnen betekenen dat voor een lokale analyse van de arbeidsmarkt voor die groep arbeidsparticipatie tussen 15 en pensioenleeftijd relevanter is. Tot slot een opmerking over het thema schuldhulpverlening en armoedebestrijding. In de begroting is nergens een verwijzing te vinden naar slachtoffers van de toeslagenaffaire of anderen die door schulden bij de rijksoverheid in de problemen zijn gekomen. Wellicht is dat te specifiek, maar het valt wel op. In meer algemene zin is aanpak en preventie van armoede mogelijk te verbinden met aandacht voor levensloop van mensen (scheiding, overlijden, werkloosheid etc). Of er een dergelijke aanpak is, is niet uit de begroting af te leiden. Hetzelfde geldt voor aandacht voor werkende armen en inkomensondersteuning (p. 87-88).

4.4 Data gedreven werken In de tekst over openbare orde staan passages over het belang van gebruik van interne en externe data. Enschede is in de afgelopen periode door de Autoriteit Persoonsgegevens aangesproken op datagebruik om verkeersstromen in het winkelgebied te monitoren. Maar in bredere zin is datagebruik een thema dat aandacht van de raad verdient. Hoe ver bent u bereid te gaan om data preventief of evaluatief in te zetten om maatschappelijke doeleinden te bereiken of te beoordelen? Wellicht is er aanleiding om in uw raad hier op enig moment een fundamenteel debat te voeren.

4.5 Bedrijfsvoering In de inleiding is verwezen naar overhead en personele bezetting. Het college gaat op diverse plaatsen in de tekst in op de noodzaak om de ICT-voorzieningen van de gemeente aan te passen aan de eisen van de tijd. Dat gaat gepaard met de nodige extra investeringen en lasten. Bij het denken over ICT is het vanuit bestuurlijk perspectief relevant om u te realiseren dat ICT niet zondermeer tot kostenbesparingen leidt. Verder verdient de doorwerking van ICT-toepassingen op het gebruik door burgers die minder digitaal vaardig zijn aandacht. Zie hiervoor ook het rekenkamerrapport uit 2019 over digitale dienstverlening. Welke borgingsmechanismen zijn er om burgers te helpen en fouten te voorkomen. Vanuit risicoperspectief zijn afhankelijkheidsrelaties met leveranciers een thema, zeker wanneer cloud-oplossingen een grotere rol krijgen.

4.6 Structureel saldo Het college geeft aan dat men terughoudend is geweest met het uitwerken van de meerjarenbegroting. Het accent ligt op 2022/2023 (p. 6). Aan het slot van het financieel middelenkader staat het structureel saldo van de begroting

6 van 7

Quick scan Begroting 2022

(p.14). In algemene zin zou het logisch zijn dat met onzekerheden in de toekomst er aan het eind van de meerjarenperiode nog wat ruimte in de begroting zit om toekomstige keuzes te maken. Het beeld is hier omgekeerd: er is een structureel positief saldo in 2022 dat geleidelijk afneemt naar nihil in 2025. Leggen de huidige beleidsvoornemens zoveel beslag op toekomstige ruimte dat daarmee de flexibiliteit in de toekomst is ingeperkt? Uit de financiële begroting (p. 159 e.v.) valt overigens wel af te leiden dat het saldo van baten en lasten voor inzet van reserves in 2022 en 2023 vrijwel sluitend is en in de jaren daarna licht negatief. In voorgaande jaren waren de negatieve saldi van baten en lasten veelal groter.

5 Kleinere onderwerpen In dit laatste hoofdstuk zijn een paar kleinere aandachtpunten opgenomen. In de eerste plaats rondom volkshuisvesting en energietransitie. Opvallend is dat er bij duurzaam wonen geen aandacht is voor het verschijnsel energie-armoede wat in Enschede bovengemiddeld voorkomt (zie de TNO-kaart). Daarbij is de eigenaar-bewoner met een woning van een wat lagere kwaliteit een doelgroep om niet te vergeten. Daarnaast valt op dat er geen aandacht is voor middeldure huur- of koopwoningen, terwijl dat juist de woningen zijn voor de startende doelgroepen. Als laatste op dit thema is er in algemene zin sprake van het verschijnsel daklozen als een maatschappelijk probleem, maar niet expliciet van de zogenaamde economisch daklozen waarvoor niet werk, maar het vinden van een woning het probleem is. Ten tweede is bij openbare orde en veiligheid sprake van het wegvallen van RIEC middelen (p. 32). Tegelijkertijd wil het college meer inzetten op de aanpak van ondermijning. Onduidelijk is daarbij waar de bekostiging van de ambities van het college (p. 28) vandaan moet komen. Ten derde roept de formulering van de tekst op p. 75 (‘we investeren met schoolbesturen…’) vragen op over de ambities en rolopvatting van het college. Deze tekst is als voorbeeld aangehaald.

Waar het om gaat is dat hier de suggestie van uitgaat dat het college actief kan sturen op partijen in de samenleving terwijl de rol van de gemeente wellicht eerder faciliterend is. Met de in de rekeningencommissie gepresenteerde denkrichtingen over rolopvattingen richting verbonden partijen is er wellicht aanleiding om ook de verhoudingen met andere partijen in de samenleving nog eens kritisch te bezien. Ten vierde een opmerking over de wijkcentra (p. 105). Het college geeft aan te onderzoeken hoe de exploitatie van wijk- en buurtcentra in te vullen. Een deel van die gebouwen is nu nog in eigendom. Wellicht is verkoop een optie, maar in de praktijk blijkt vaak dat sale- en lease back3 constructies duurder uitvallen. Dat geldt zeker wanneer gebouwen eigenlijk niet geschikt zijn voor gedeeld gebruik. Ten vijfde is te overwegen om het overzicht ‘inkomsten lokale heffingen’ (p. 118) zodanig te structureren dat de vrij besteedbare belastinginkomsten en de meer vraag-gedreven lokale heffingen (zoals burgerzaken) wat meer van elkaar zijn gescheiden. De laatste opmerking gaat over de inzet van de reserve grondexploitatie voor het strategisch investeringsprogramma. Uit de teksten is af te leiden (p. 127) dat de reserve grondbedrijf na uitname voor Richting aan Ruimte (RAR) € 9,7 mln is en dat het risico grondbedrijf € 10,2 mln is.

Alhoewel het gaat om een verschuiving van de uitnames uit de reserves en het totaal van de reserves niet verandert: was het niet beter geweest om de weerstandsratio van het grondbedrijf ook op tenminste 1 en dus een reservepositie van € 10,2 mln te handhaven?

3 Verkopen van vastgoed en vervolgens weer volledig huren.

7 van 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=1b59be7f-75b5-422b-bbfa-4716defc704d