Projectplan flora en fauna activiteit_Omgevingswet Cromhoffpark
Tekst van het document
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 27
10 Staat van instandhouding 10.1
Staat van instandhouding
10.1.1
Gewone grootoorvleermuis
De populatie omvang en verspreidingsgebied van gewone grootoorvleermuis zijn volgens WUR (2019) gunstig, echter het leefgebied en toekomstperspectief zijn als matig ongunstig beoordeeld, resulterend in een matig ongunstige totale SvI. De soort wordt tijdens onderzoek weinig aangetroffen vanwege de verborgen leefwijze en het moeilijk detecteren van de soort middels batdetectors. Tijdens het onderzoek in het Cromhoffpark zijn 5-10 individuen aangetroffen, de exacte populatiegrootte is niet bekend.
10.1.2
Steenmarter
De exacte getallen van de steenmarter populatie in Nederland zijn onbekend (kennislacune). Bekend is dat deze soort in onder andere Oost-Nederland in aanzienlijk aantal voorkomt. De huidige populatieomvang wordt dan ook als ‘gunstig’ beoordeeld. De steenmarter is vroeger zwaar bejaagd. Voor de verandering van de jachtwet in 1948 was de steenmarter nagenoeg uitgeroeid in Nederland. Tegenwoordig wordt de soort in het oosten en noorden van Nederland veel waargenomen en de populatie wordt hier gezien als stabiel. De soort breidt zijn areaal verder naar het westen uit, waardoor ook het aantal daar toeneemt (Broekhuizen et al., 2010). De beoordeling van de populatie trend is daarom ‘verbeterend’.
10.1.3
Egel
De landelijke staat van instandhouding van egel is onbekend door gebrek aan landelijk representatieve monitoring. Op de Rode Lijst van de Nederlandse zoogdieren is de status dan ook weergegeven als ‘onvoldoende gegevens’. Uit tellingen vanuit het Netwerk Ecologische Monitoring bleek dat de egelpopulatie over de periode 1994-2022 matig is afgenomen (Zoogdiervereniging, 2023).
Afbeelding 11: Indexen (stippen) en trend (lijn) van de aantalsontwikkeling van de egel in Nederland in de periode 19442022 (bron: ZV/CBS). Tevens is het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn weergegeven (blauwe band) (Zoogdiervereniging, 2023).
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 28
10.1.4
Bosuil
De staat van instandhouding van de bosuil als broedvogel in Nederland wordt beoordeeld als gunstig (SOVON, 2022). De landelijke trend laat een significante toename zien in de periode 1985-2021. De uitbreiding van havik en buizerd heeft in sommige streken geleid tot kleinere populaties van bosuil, maar echte bedreigingen kent de soort vooralsnog niet echt (Vogelbescherming Nederland, 2024).
Afbeelding 12. Overzicht van de verspreiding, broedvogeltrend en staat van instandhouding van de bosuil in Nederland (Bron: www.sovon.nl).
10.1.5
Eekhoorn
Er is geen landelijke staat van instandhouding van de eekhoorn (zie ook Norren et al 2019). In het basisrapport voor de Rode Lijst Zoogdieren (Zoogdiervereniging VZZ, 2007) worden wel aantalsschattingen gegeven. In dit rapport is een range gegeven van 30.000 tot 100.000 dieren in Nederland. De trend van de populatieontwikkeling in Nederland laat over de periode 1996-2022 een matige afname zien (Zoogdiervereniging, 2023)(Afbeelding 13). Dit is gebaseerd op de NEM tellingen dag actieve zoogdieren uitgevoerd door vogelaars tijdens bmp tellingen. Over het toekomstperspectief en kwaliteit van het leefgebied ontbreken de gegevens. Een grote afname heeft waarschijnlijk al tussen 1976 en 1996 plaatsgevonden. Dit nadat in de zestiger jaren van de vorige eeuw in nagenoeg geheel Europa een grote sterfte van eekhoorns plaatsvond, die waarschijnlijk veroorzaakt is door een parapokkenvirus. De aantallen eekhoorns schommelen door de jaren heen. Voor de eekhoorn is dit een normaal verschijnsel, wat grotendeels samenhangt met de beschikbaarheid van voedsel (vooral de hoeveelheid eikels en beukennootjes). Echter, eekhoorns kunnen niet altijd profiteren van een hoog voedselaanbod (Dijkstra & Montizaan, 2016), mogelijk speelt daarbij het optreden van ziekten een belangrijke rol.
Zo werd rond 2015 geconstateerd dat een groot aantal eekhoorns dood was gegaan door toxoplasmose (Dijkstra & Montizaan, 2016). Eekhoorns komen in Nederland met name voor in Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Daarnaast komen eekhoorns voor in de duinen, Flevoland, een deel van Zeeuws-Vlaanderen en bij Amsterdam. De verspreiding van de eekhoorn lijkt weinig veranderd in de afgelopen 50 jaar (van Norren, et al., 2019). Naast virussen speelt stikstofdepositie als mogelijke bedreiging voor de kwaliteit van het leefgebied. Een positieve ontwikkeling voor deze soort is het groeiende areaal bosoppervlak en de toenemende leeftijd en variatie in het bos.
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 29
Afbeelding 13: Indexen (stippen) en trend (lijn) van de aantalsontwikkeling van de eekhoorn in Nederland in de periode 1996-2022 (bron: ZV/CBS). Tevens is het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn weergegeven (blauwe band).
10.1.6
Teunisbloempijlstaart
De teunisbloempijlstaart breidt zich in Nederland de laatste jaren steeds verder uit. Vanaf 1996 wordt de soort met regelmaat waargenomen (Van Swaay & Hermans, 1999), maar tegenwoordig is de soort te vinden in het hele zuidoostelijke deel van Nederland. Waarschijnlijk heeft de snelle uitbreiding te maken met het mobiele karakter van de soort (Lange & Wenzel, 2005), in combinatie met klimaatopwarming. Door dit mobiele karakter is het lastig om aan de hand van een waarneming van een imago vast te stellen of een gebied ook daadwerkelijk geschikt leefgebied vormt voor de soort. De soort betreft echter geen kritische soort met meerdere zeer algemene waardplanten en leefgebied in verstoorde habitats. In stedelijk gebied wordt de soort waargenomen, zo ook in Enschede. Volgens WUR (2019) is het verspreidingsgebied, populatiegrootte en de totale SvI gunstig.
10.2
Afbreuk staat van instandhouding
10.2.1
Gewone grootoorvleermuis
De soort wordt zowel in boomholten als in gebouwen aangetroffen en is daarbij afhankelijk van een voldoende donkere omgeving. Met de ontwikkeling zonder maatregelen wordt een effect op de lokale populatie verwacht. Derhalve is het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting aan de orde, waar een effect op de soort wordt verwacht. Daarnaast dient het gebied vergroot te worden als buffer voor het verdwijnen van een gedeelte van de opgaande begroeiing in de oostelijke hoek. Het terugbrengen van een moerassig gebied met een ander type flora en solitaire bomen zal echter resulteren in een toename aan insecten en op deze wijze bijdragen aan de instandhouding van de populatie. Eventuele effecten op verblijfplaatsen worden ondervangen door het complete leefgebied te vergroten naar het zuiden en middels het aanbieden van vleermuiskasten.
10.2.2
Steenmarter
De steenmarter heeft in zijn territorium meerdere verblijfplaatsen. Tijdens het aanvullend onderzoek is niet eenduidig aangewezen waar het verblijf van steenmarter zich bevind. Derhalve wordt ervan uitgegaan dat er mogelijk een verblijfplaats verdwijnt als gevolg van de werkzaamheden in het oostelijke deel. Het wegvallen
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 30
van deze potentiële verblijfplaats wordt gecompenseerd door twee alternatieven aan te bieden in het parkbos. Daarnaast worden er diverse maatregelen getroffen waarmee leefgebied voor steenmarter geschikt blijft. Echter is de steenmarter niet gebonden aan het plangebied en heeft deze voldoende leefgebied buiten de begrenzing van het plangebied.
10.2.3
Egel
De egel laat landelijk een matige afname zien. Redenen hiervoor zijn een afname in biodiversiteit en mogelijk te (lange periodes van droogte) droge zomers wat het moeilijker maakt om voedsel te vinden. Zodoende is het van belang dat het leefgebied dat met de ontwikkeling verdwijnt wordt gecompenseerd. Tijdens de ontwikkeling betreft het verdwijnen van dit leefgebied echter een tijdelijke situatie, omdat dit deel gesaneerd dient te worden. Daarna zal er weer geschikt leefgebied terugkomen. Dit betreft een moerassig gedeelte met een hogere waterstand. Hier zullen veel invertebraten te vinden zijn die dienen als voedsel voor de egel. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat er een vaste rust- of verblijfplaats zal verdwijnen en hiertoe worden er geschikte egelkasten aangeboden binnen het parkbos.
10.2.4
Bosuil
De landelijke staat van instandhouding van bosuil is gunstig. Evenmin wordt er verwacht dat als gevolg van de ontwikkeling de nestlocatie van bosuil binnen het parkbos komt te vervallen. Er worden vervangende nestkasten aangeboden zodat een nestlocatie ook in de toekomst duurzaam behouden kan blijven, bijvoorbeeld als de oude bomen met holten als gevolg van natuurlijk proces degraderen.
10.2.5
Eekhoorn
Er is van de eekhoorn geen duidelijke SvI te duiden. De totale populatiegrootte is onderhavig aan grote jaarlijkse verschillen als gevolg van voedselaanbod en ziekten. Het aanbod aan verblijfplaatsen lijkt voor de soort geen beperkende factor. Binnen het parkbos zijn voldoende nestgelegenheden aanwezig en deze worden met de aanbod van extra nestkasten vergroot om een voortplantingsfunctie in de toekomst duurzaam te behouden. In de te verdwijnen bomen in het oostelijke gedeelte van het plangebied zijn geen nesten van eekhoorn aangetroffen.
10.2.6
Teunisbloempijlstaart
De teunisbloempijlstaart is een Europees beschermde soort, maar laat binnen de grenzen van Nederland een toename zien. Vanwege klimaatverandering vergroot het leefgebied. Met name binnen het huidig braakliggende terrein zijn teunisbloemen aangetroffen, een van de vele waardplanten van de soort. Deze groeiplaatsen zullen als gevolg van de bouw gefaseerd en gedeeltelijk verdwijnen. Echter komen hier nieuwe voortplantingsplaatsen voor terug, in het oostelijke moerassige gedeelte zullen basterdwederik, harig wilgenroosje en grote kattenstaart tot uiting komen. De soort wordt verspreid door Enschede waargenomen en heeft een grote range. Een afname van de staat van instandhouding als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten.
10.3
Zorgvuldig handelen
Tijdens de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat alle handelingen die een nadelig effect zouden kunnen hebben op (beschermde en onbeschermde dieren en planten), achterwege worden gelaten. Hierbij kan gedacht worden aan het werken in één richting en het gefaseerd uitvoeren van de werkzaamheden, zodat dieren kunnen vluchten buiten het verstoringsgebied van de werkzaamheden. Globaal wordt ervoor gezorgd dat werkzaamheden niet na zonsondergang worden uitgevoerd, zodat verstoring op de nachtactieve soorten als vleermuizen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Ook worden zo weinig mogelijk verstoringsbronnen ingezet als aggregaten of verlichting.
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 31
Daarnaast worden maatregelen getroffen, zodat beschermde diersoorten niet negatief beïnvloed worden door de werkzaamheden. Er worden bijvoorbeeld geen werkzaamheden uitgevoerd tijdens het broedseizoen en de kraamperiode of het gebied wordt buiten deze kwetsbare perioden ongeschikt gemaakt voor de te verwachten soorten. Dit betekent dat voorafgaand aan de werkzaamheden maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dieren gebruik maken van de verblijfplaatsen. Zo wordt het oostelijk gelegen gebied voor egel en steenmarter ongeschikt gemaakt voor start van de winterrust en na het voortplantingsseizoen, dit wil zeggen dat het verwijderen van struweel en ondergroei plaats vindt in september-oktober en bij voorkeur in september, voordat ook de te verwachten algemene amfibieën een plek zoeken voor winterslaap (vanaf oktober). Maatregelen worden in een ecologisch werkprotocol opgenomen. Dit protocol is tijdens de werkzaamheden op de locatie aanwezig en onder betrokken medewerkers bekend. Tijdens de werkzaamheden staat een ter zake kundige paraat voor vragen en onvoorziene situaties.
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 32
11 Maatregelen In deze paragraaf worden de voorgenomen werkzaamheden in relatie tot de aangetroffen beschermde soorten besproken. Belangrijk is dat gedurende de gehele ontwikkeling altijd voldoende geschikt en bereikbaar leefgebied voor beschermde soorten beschikbaar is. Om dit te bereiken wordt de vierfasen strategie van Lenders (1996) gebruikt. De vier fasen betreffen herstel en behoud van leefgebied voor soorten bestaande uit de volgende strategieën: 1. Veiligstellen (het wegnemen van potentiële bedreigingen); 2. Versterken (uitbreiding leefgebied in directe omgeving); 3. Verbinden (geïsoleerd gelegen leefgebieden verbinden); 4. Verbreiden (nieuwe leefgebieden aan laten sluiten bij bestaande complexen van leefgebieden). Deze strategieën worden door elkaar ingezet en zijn niet chronologisch op te volgen.
11.1
Het dichte parkbos
Als gevolg van de woningbouw kan de antropogene druk in het gebied toenemen. Het bosperceel is in de huidige staat moeilijk toegankelijk. De toegang bevindt zich momenteel met name aan de zijde van het zorghuis, waarvan de bewoners voor weinig verstoring zorgen. De overige zijden zijn afgezet met hekwerk. Verstoring met name als gevolg van spelende kinderen en aanwezigheid van honden heeft effect op (rustende en overwinterende) egels, eekhoorn en steenmarter. Een van de eerste doelen betreft het behoud van het dichte parkbos. Het aanwezige bosperceel met de oude bomen dient zoveel mogelijk behouden te worden door toegang voor publiek te beperken. Dit kan door het parkbos niet te ontsluiten en eventuele bramen en andere ondergroei niet terug te zetten. De functie voor de beschermde soorten in het aanwezige bosperceel dient versterkt te worden door het bladoppervlak van inheemse bomen en struiken die veel insecten aantrekken zoals zomereik, boswilg, ruwe berk, fladder iep ratelpopulier, beuk winterlinde, eenstijlige meidoorn, hazelaar en sleedoorn te vergroten. Door dominante exoten (zonder holten of andere verblijfplaatsen) te verwijderen, zodat wordt deze ruimte voor inheemse soorten gecreëerd. Denk aan het verwijderen van de aanwezige vleugelnoot en Japanse duizendknoop.
De noordelijke rand van het parkbos dient na sanering van de teersloot versterkt te worden met mantel-en zoomvegetatie. Op deze wijze wordt lichtuitstraling naar de het kern bosgebied geminimaliseerd en hebben grondgebonden dieren en vogels een voldoende dekking. Voortplantings- en rustplaatsen • Het aanbieden van extra verblijfplaatsen voor grootoorvleermuizen binnen het kern bosgebied (in 2013 zijn reeds 4 vleermuiskasten opgehangen, deze dienen verder aangevuld te worden); • Voor de egel en steenmarter worden op rustige plekken takkenhopen/rillen en faunakasten neergelegd en behouden; • Voor de bosuil, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, groene specht, grote bonte specht, spreeuw en zwarte roodstaart worden op geschikte locaties extra nestvoorzieningen aangebracht. Soort bosuil bonte vliegenvanger boomklever
Type nestkast UK BO 01 NK SE 04/05/06 idem
Aantal 1 4 4
Dichte parkbos x x (rand) x
Nieuwbouw
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 33
boomkruiper groene specht, grote bonte specht spreeuw zwarte roodstaart steenmarter eekhoorn egel
11.2
NK BK 01 NK BS 01 NK SP 02 NK BA 01/02/03 ZK MA 01 ZK EE 01 Egelhuis XXL
4 2 12 3 2 2 2
x x x
x x
x onder begroeiing x in boom x onder begroeiing
Het open (moeras) gebied
In het natte deel worden zwarte els, zachte berk en wilgen als schietwilg en grauwe wilg de dominante boomsoorten. Basterd wederik en teunisbloemen zijn al aanwezig in het plangebied. Ook de grote kattenstaart en harig wilgenroosje worden van nature verwacht in het gebied en zeker in het toekomstige natte moerasgebied. Dit levert een uitbreiding en meer variatie op in het leefgebied van de teunisbloempijlstaart. Ook het open gebied zal bijdragen aan een hogere insectenrijkdom door ontwikkeling van gevarieerde insectenrijke graslanden, ondiep water en moeras (zonder vis) en gevarieerde, geleidelijke overgangen van bos naar grasland en van droog naar nat. Door aanplant van bomen en struiken langs de randen van het toekomstige moerasgebied worden licht- en geluidseffecten van omringende openbare wegen en het nieuw te bouwen Houten Eiland gedempt en extra luwe foerageermogelijkheden geboden. Ook leidt dit tot een toename in structuur, hetgeen vaak leidt tot een hogere soortenrijkdom.
11.3
Verlichting (en geluid)
Het versterken van de directe omgeving van (+/- 50 meter rondom) het parkbos en toekomstige moeras door het aanpassen en/of het verwijderen van bestaande verlichting die uitstraalt op het Cromhoffpark en de directe omgeving. Het aanbrengen van extra beplanting van inheemse bomen en struiken in de omgeving van het Cromhoffpark. Dit om schadelijke randeffecten zoveel mogelijk weg te nemen en de kern van het leefgebied zo robuust mogelijk te maken. Aan de noordzijde van het parkbos wordt de zoomvegetatie na sanering versterkt om lichtuitstraling vanuit de nieuwbouw te beperken. Behalve te kiezen voor vleermuisvriendelijke lampen kan lichtverstoring vermeden worden door het nemen van maatregelen om de hoeveelheid licht te beperken tot het moment dat het strikt nodig is, zoals: • Dynamische verlichting die reageert op aanwezigheid van mensen of voertuigen om zo het branden van de verlichting en de intensiteit te regelen. Hierbij moet voorkomen worden dat door de afstelling van de sensors de verlichting te vaak aan- en uitgaat door bijvoorbeeld voorbij vliegende dieren. • Tijdens de kwetsbare periode moet bij voorkeur geen verlichting worden toegepast tussen zonsondergang en zonsopkomst. Als dit niet mogelijk is, moet de intensiteit en richting van de verlichting zodanig worden aangepast, dat de vliegroute onverlicht blijft.
• Er kan worden gewerkt met verlichtingsregimes (hoeveelheid brandende lampen, aan/uit, intensiteit) die op bepaalde momenten in de nacht en in het seizoen de vleermuizen ontzien.
11.4
Overhoeken en bermen
Als gevolg van de sanering verdwijnt in de eerste fase 8337,8 m2 leefgebied met jonge bomen en veel ondergroei van onder andere braam. Met het saneren van de teersloot verdwijnt tijdelijk 1412,8 m2. Het is van belang dat deze gebieden voor sanering ruim voldoende zijn gecompenseerd. Dit bestaat gedeeltelijk uit het compenseren in de vorm van oppervlak. Hiertoe wordt het huidige gazon rond het zorgcentrum en de beschikbare bermen langs de Wethouder Beverstraat en Zuiderval ingezet.
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 34
Reeds aanwezige grasvelden worden in de nieuwe situatie zodanig beheert dat deze soortenrijker worden. Het ontwikkelen van bloemrijke graslanden, zoomvegetaties en/of borders met inheemse kruiden en ecologisch beheer dat gericht is op het vergroten van de soortenrijkdom en aantallen insecten en kleine zoogdieren binnen het leefgebied. Door te streven naar een bloemrijke vegetatie wordt er bijgedragen aan een verbeterde voedselvoorziening voor diverse dieren, waaronder vleermuizen, vogels maar ook egel en steenmarter. Op termijn kan er een verbinding worden gemaakt tussen het oostelijke deel van het plangebied met groene restgebieden in het meest westelijke deel van plangebied. Dit zal pas na sanering van de teersloot plaatsvinden omdat de noordelijke rand van het Parkbos hierin een belangrijke schakel is.
11.5
Vliegroute voor vleermuizen
Om voldoende leefgebied te borgen is het van belang dat eerst de verbinding met het Zweringbeekpark wordt gemaakt. Op deze wijze ontstaat veel extra leefgebied voor de gewone grootoorvleermuizen in het Cromhoffpark. Het onderdeel van het Zweringbeekpark ten oosten van de Burg. Van Veenlaan is meer dan 5 hectare, waarbij reeds een buffer rondom de randen is aangehouden om randeffecten (licht en geluid) te beperken. Daarnaast zijn kansen voor extra leefgebied in de verbindingzone zelf en in het groene deel binnen de wijk Boswinkel. Om deze verbinding te realiseren zijn extra stappen noodzakelijk: • Het aanplanten of bij planten en laten doorschieten van de huidige (wilgen)opslag in het deel ten zuiden van het Cromhoffpark waar de aansluiting met de Utrechtlaan wordt gelegd; • Het aanpassen van de verlichting voor vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleur en de armaturen onder de boomkronen) langs de Wethouder Beverstraat (50 meter aan weerszijden van de Utrechtlaan) en de verlichting aan de Utrechtlaan zelf; • Het opvullen/versterken van de gaten in de beplanting zodat een voor gewone grootoorvleermuizen aaneengesloten, donkere vliegroute ontstaat.
Essentieel is de hop-over bij de Wethouder Beversstraat en de locaties bij de Terschellinglaan en Vlielandlaan; • Het versterken van de variatie in de vliegroute en het foerageergebied door het toevoegen van inheemse boom- en struiksoorten zodat meer luwte ontstaat en de insectenpopulatie toeneemt. Om het Cromhoffpark te verbinden met het Zweringbeekpark dient deze vliegroute versterkt te worden door een goed oversteekpunt (hop-over) te maken over de Wet. Beverstraat en de reeds aanwezige vliegroute te versterken door gaten hierin op te vullen. Om als vliegroute te fungeren is het voor de gewone grootoorvleermuis het noodzakelijk dat de boomkronen elkaar raken, hierdoor moet voor de gewone grootoorvleermuis in veel gevallen een kunstmatige hop- over robuuster worden uitgevoerd dan voor andere vleermuissoorten. De maatvoering van hop-overs is afhankelijk van breedte van de weg, de verkeersnelheid en intensiteit in combinatie met de eigenschappen van de lijnvorm en het gebruik door vleermuizen. Die komen voor de gewone grootoorvleermuis op het volgende neer (vuistregels): • Opsnoeien van de bomen tot tenminste 1,5 à 2 meter boven vrachtwagen hoogte • Wegen tot 15 meter breed: – Hop-over > 4,5 meter hoog: 50% van de op vliegroute gevonden dieren zal de hopover gebruiken. Alleen voor wegen met lage verkeersdruk en/of lage snelheden (<50 km/u)
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 35
Afbeelding 14. Inrichtingsvoorstel Wethouder Beverstraat met een hopover voor vleermuizen (BIJ12, 2017)
11.6
Natuurvrij maken
Voor start van een aantal werkzaamheden is een ecologische inspectie op soorten aan de orde. Oostelijk gedeelte sanering Het ongeschikt maken van het oostelijk gelegen gebied betreft het verwijderen van de ondergroei en de klimop aan de bomen in één richting binnen een beperkte periode van het jaar (september met een mogelijke uitloop in oktober). Dit zal onder toezicht van een ecoloog worden uitgevoerd. Nadat het gebied is kaal gemaakt kunnen in de winter de bomen worden gekapt en verwijderd. Sanering teersloot De teersloot dient gesaneerd te worden buiten het broedseizoen. In de kleine boompjes en ondergroei zijn enkel algemene broedvogels te verwachten. In het geval tevens het hekwerk met braamstruweel in deze fase dient te verdwijnen, dan dient dit met het oostelijke gedeelte natuurvrij gemaakt te worden in september-oktober. Bedrijfshallen De sloop van de bedrijfshallen dient buiten de voortplantingsperiode van de steenmarter en buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd of het pand wordt buiten deze periode ongeschikt gemaakt voor steenmarter en broedvogels zoals de zwarte roodstaart. Braakliggend terrein Voor het vergraven of bebouwen van het braakliggende terrein.
Voordat teunisbloemen worden verwijderd is in het lopende jaar daarvoor een functie voor teunisbloempijlstaart aangetoond dan wel uitgesloten en is hierop actie ondernomen (zoals het verplaatsen van de begroeiing en strooisel naar buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden).
11.7
Afhankelijkheid derden
De initiatiefnemer is eigenaar van het terrein waarbinnen de ontwikkeling zal plaatsvinden en de verlichting langs de openbare wegen en is daarvoor niet afhankelijk van andere partijen. Voor het aanpassen van het maaibeheer en de verlichting rond het zorgcentrum is zij afhankelijk van Livio.
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 36
11.8
Monitoring
Indien aan de orde kan de vergunningverlener een monitoringsplicht opleggen.
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 37
Literatuur Altringham, J., Kerth, J. (2016). Bats and roads. Bats in the Anthropocene: conservation of bats in a changing world. Coles, R.B., A. Guppy, M.E. Anderson & P. Schlegel (1989). Frequency sensitivity and directional hearing in the gleaning bat, Plecotus auritus (Linnaeus 1758). Journal Eelerwoude (2013). Flora- en faunaonderzoek Cromhoffsbleekpark, Enschede. P5757 d.d. 29-03-2013. Eelerwoude (2021). Nader onderzoek beschermde soorten. Cromhoffpark, Enschede. P200365 d.d. 18-05-2021. Eelerwoude (2022). Toetsing Wet natuurbescherming. Saneringslocaties Getfertsingel, Enschede. P203735 d.d. 14-10-2022. Haarsma, A.J., Twisk, P., van der Graaf, C. (2016). Welke bomen kiezen vleermuizen in een bos? Zoogdier 28-1, Zoogdiervereniging, Nijmegen. Lenders, H.J.R. (1996). Poelenplannen. De Levende natuur 97, Ravon, Nijmegen. Dijkstra, V., & Montizaan, M. (2016). Toxoplasmose bij de eekhoorn. Lange, A., & Wenzel, A. (2005). Schmetterlinge der Anhänge II und IV der FFHRichtlinie in Hessen. Arten des Anhanges IV. Proserpinus proserpina (PALLAS 1772), Nachtkerzenschwärmer. Hessiches Dienstleistungszentrum für Landwirtschaft, Gartebau und Naturschutz, Kassel. Meijer. (2018). Wat horen vleermuizen van door mensen geproduceerde geluiden? Lutra. Schut, J. (2011). Wegpassages van vleermuizen : veldonderzoek naar het gebruik van infrastructuur over wegen door vleermuizen. SOVON. (2022).
Staat van instandhouding van soorten van de Vogelrichtlijn zonder instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden. Spoelstra, K., Grunsven van, R., Ramakers, J., Ferguson, K., Raap, T., Donners, M., . . . Visser, M. (2017). Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bt presence is affected by wite and green, but not red light. Proc. R. Soc. B. van Norren, E., van Adrichem, M., Bekker, D., Bos, G., Bosman, W., Creemers, R., . . . Smit, J. (2019). 2019 Svi Gelderland – factsheets voor 24 soorten. Zoogdiervereniging rapport. Van Swaay, C., & Hermans, J. (1999). Let op: De Teunisbloempijlstaart komt eraan. Vogelbescherming Nederland. (2024, maart). Vogelbescherming. Opgehaald van Bosuil. Zoogdiervereniging. (2021). wezel. Opgehaald van zoogdiervereniging.nl: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel Zoogdiervereniging VZZ. (2007). Basisrapport Rode lijst Zoogdieren.
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 38
Soorteninformatie BIJ12 (2017). Kennisdocument gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus. BIJ12, Utrecht. www.zoogdiervereniging.nl www.sovon.nl
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 39
Bijlagen
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 40
Cromhoffpark Enschede | Eelerwoude | 41
www.eelerwoude.nl