CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Hoge Boekelerweg 255_vastgesteld_3_Toelichting

Raadsvergadering 25 maart 2024, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Hoge Boekelerweg 255"17.186 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 7 van 25

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 8 van 25

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, bosuil, buizerd, havik, huismus, kerkuil, raaf, ransuil, roek, sperwer, steenuil en torenvalk. Van deze soorten kunnen de huismus, kerkuil, roek, steenuil en torenvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten broeden in bebouwing (huismus), speciale kasten (kerkuil, steenuil en torenvalk) of vrijstaande hoge groepen bomen langs wegen of kanalen (roek). Raaf De raaf is een vogel die voornamelijk voorkomt in uitgestrekte bosgebieden en extensieve landbouwgebieden in met name midden Nederland. Het nest bouwen zij hoog in een boom. De onderzoekslocatie is gelegen in een bosrijke omgeving en bestaat zelf deels uit bos. Daarmee vormt het geschikt leefgebied voor de soort. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon komt de soort in lage dichtheid in de omgeving voor. Tijdens het veldbezoek zijn geen raven of nesten daarvan waargenomen binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen meldingen van de raaf. Op basis van het ontbreken van nesten en waarnemingen zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de raaf uitgesloten.

Roofvogels (boomvalk, buizerd, havik en sperwer) Voor (de meeste) Nederlandse roofvogels geldt dat zij nestelen in bomen. Hierin maken zij zelf een nest of gebruiken een verlaten ekster- of kraaiennest. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn geschikte nestbomen aanwezig. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon komen de genoemde soorten in de omgeving voor. Gedurende het veldbezoek zijn in de bomen binnen de onderzoekslocatie geen nesten van roofvogels waargenomen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van roofvogels kan worden uitgesloten. Uilen (bosuil en ransuil) De bos- en ransuil nestelen in bomen. De bosuil nestelt daarnaast in speciale nestkasten. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon komen de genoemde soorten in de omgeving voor. Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten van de bos- en ransuil aangetroffen. In de nabije omgeving van onderzoekslocatie 1 is een bosuilenkast aanwezig. Verstoring als gevolg van de voorgenomen plannen is op voorhand niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 9 van 25

Categorie 5 soorten De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.2

Algemene broedvogels

De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals heggenmus, merel, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: baardvleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. In het NDFF Uitvoerportaal staan waarnemingen van de gewone dwergvleermuis in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Op en in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie zijn drie bomen aanwezig met holten die potentieel geschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen (zie figuren 10 en 11). In figuur 12 staan de locaties van bomen met potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats weergegeven. Er dient rekening gehouden te worden met verstorende verlichting (zie hoofdstuk 6).

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 10 van 25

Figuur 10. Holte in boom nabij te realiseren autogarage.

Figuur 11. Holte in boom nabij te realiseren houtopslag.

Figuur 12. Locatie van de bomen met potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen (rode punten).

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft het omringende bosgebied. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord. Alle bomen op en nabij de onderzoekslocatie blijven gehandhaafd bij de voorgenomen plannen.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 11 van 25

5.3

Grondgebonden zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, bunzing, das, eekhoorn, egel, grote bosmuis, hermelijn, otter, steenmarter, veldspitsmuis, waterspitsmuis en wezel. Boommarter De boommarter prefereert bosgebied als habitat en komt vrijwel niet buiten het bos voor. Zij maken voornamelijk gebruik van reeds bestaande rustplaatsen in boomholtes, dassen-, konijn- of vossenholen, tussen boomwortels of in rottingsholten. De verblijfplaatsen worden vaak maar één of enkele dagen achtereen gebruikt. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen meldingen van de boommarter binnen de onderzoekslocatie en omgeving sinds de afgelopen vijf jaar. Daarnaast zijn er op de onderzoekslocatie geen bomen met holten aangetroffen welke een geschikt habitat vormen voor de boommarter. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de boommarter als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Das De das heeft een rust- of verblijfplaats doorgaans in een beschutte omgeving met veel schuilmogelijkheden als het bos. Hun burcht ligt in een reliëfrijk gebied. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen.

Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. In het NDFF Uitvoerportaal staan daarnaast geen meldingen van de das in de omgeving van of binnen de onderzoekslocatie. Wegens het ontbreken van geschikt habitat en waarnemingen binnen de onderzoekslocatie is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep niet aan de orde. Eekhoorn De eekhoorn komt voornamelijk voor in bosrijke omgeving. De eekhoorn maakt daar een bolvormig nest op minstens vijf meter van de grond in een boom. De onderzoekslocatie vormt door de aanwezige bomen geschikt habitat voor de eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn twee eekhoorns waargenomen binnen de onderzoekslocatie. Echter zijn er op de onderzoekslocatie geen nesten van eekhoorns waargenomen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Egel De egel komt voornamelijk voor in bossen, parken en tuinen waar voldoende dekking aanwezig is. De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit bosrijke omgeving en vormt geschikt habitat voor de egel.

Bij het verwijderen van de al aanwezige hout- en groenstapels zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de egel niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 12 van 25

Grote bosmuis De grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen, mits er enige dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggend hout of stenen. De soort heeft een voorkeur voor oude open eiken- en beukenbossen, met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei. De onderzoekslocatie bestaat voor een groot deel uit loofbos, wat geschikt habitat vormt voor de grote bosmuis. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen waarnemingen van de soort in de afgelopen vijf jaar. Echter, gezien de beperkte omvang van de ingreep in relatie tot de omvang van het aanwezige habitat in de omgeving zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote bosmuis uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel bevinden zich doorgaans in boomholtes, konijnen- of muizenholen. Binnen de onderzoekslocatie en de omgeving is geschikt habitat aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen als uitwerpselen of prooiresten aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. In het NDFF Uitvoerportaal geen waarnemingen van kleine marterachtigen binnen of in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen vijf jaar.

Vanwege de beperkte omvang van het eventuele verlies aan habitat en de aanwezigheid van geschikt habitat in de omgeving is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van kleine marterachtigen uit te sluiten. Otter De otter leeft langs de oevers van stromend, schoon en zoet water van bijvoorbeeld kanalen, meren en rivieren. Voldoende dekking, rust en voedsel is hierbij van belang. Binnen de onderzoekslocatie is geen water aanwezig. Daardoor is geen geschikt leefgebied aanwezig en zijn vaste rust- of verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de otter is uitgesloten. Steenmarter Steenmarters hebben hun verblijfplaatsen in stedelijk gebied vaak in menselijke bebouwing. Zij gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. De ingreep betreft een deel van het bosgebied en heeft geen invloed op de aanwezige menselijke bebouwing. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen.

Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Daarnaast staan in het NDFF Uitvoerportaal geen waarnemingen van de steenmarter in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenmarter is uitgesloten. Veldspitsmuis Veldspitsmuizen prefereren kleinschalig landschap met opgaande vrijstaande ruigtevegetaties rond bijvoorbeeld bosranden of overhoekjes. De vegetatie moet niet kort zijn, waarbij een vegetatie bestaande uit langhalmige grassen en kruidenvegetaties wordt geprefereerd. De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit erf, gazon en open bos met weinig ondergroei. Daarmee is geschikt habitat voor en aanwezigheid van de veldspitsmuis uitgesloten. Er is geen sprake van overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de veldspitsmuis als gevolg van de voorgenomen ingreep. Waterspitsmuis De waterspitsmuis is een spitsmuissoort die voorkomt langs oevers van beken, rivieren en sloten met een rijke oever- en watervegetatie. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen watergangen met een rijke over- en watervegetatie aangetroffen. Geschikt habitat voor de waterspitsmuis is daarmee niet aanwezig. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de waterspitsmuis de afgelopen vijf jaar niet waargeno-

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 13 van 25

men binnen of in de omgeving van de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van de waterspitsmuis is daarmee uitgesloten. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de waterspitsmuis zijn uitgesloten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn en diverse muis- en spitsmuissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van deze soorten worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4 5.4.1

Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen

Volgens de Verspreidingsatlas Reptielen van de NDFF en RAVON komt de beschermde levendbarende hagedis binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen meldingen van de levendbarende hagedis in de omgeving van de onderzoekslocatie. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen. Doordat het habitat binnen de onderzoekslocatie minder optimaal is, is het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie aanwezig is. Het is daarentegen niet uit te sluiten dat incidenteel een individu op of nabij de onderzoekslocatie kan voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.4.2

Amfibieën

Volgens de Verspreidingsatlas Amfibieën van de NDFF en RAVON komen de volgende amfibieënsoorten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor: bastaardkikker, boomkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen waarnemingen van amfibieën in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen vijf jaar. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting en onder de houtopslag. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Het is echter bij werkzaamheden wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.4.3

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 14 van 25

5.5 5.5.1

Ongewervelden Libellen

Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas Libellen komen de volgende beschermde libellen in de omgeving van de onderzoekslocatie voor: gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Voor libellen geldt daarnaast dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. 5.5.2

Vlinders

Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas Dagvlinders komen de volgende beschermde vlinders in de omgeving van de onderzoekslocatie voor: gentiaanblauwtje, grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder. In het NDFF Uitvoerportaal staan meerdere waarnemingen van de kleine ijsvogelvlinder in de omgeving van de onderzoekslocatie. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. De waardplant voor de beschermde kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) is op de onderzoekslocatie aanwezig, echter niet ter plaatse van de te realiseren autogarage en houtopslag. Het habitat voor de soort blijft daardoor behouden. Tevens is er in de omgeving voldoende alternatief habitat aanwezig. Het is uitgesloten dat er overtredingen van de Wet natuurbescherming plaatsvinden ten aanzien van de kleine ijsvogelvlinder als gevolg van de voorgenomen ingreep. 5.6

Overige soorten

Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, gazon/plantsoen en verharding, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen meldingen van beschermde plantensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn eveneens geen beschermde planten waargenomen. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten zeldzaam te noemen en vaak alleen in natuurterreinen te vinden.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 15 van 25

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Bosuil De bosuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De nesten van bosuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten: ‘zeer plaatstrouwe broedvogel die ieder jaar terugkeert naar specifiek nest of afhankelijk is van bebouwing’. Nabij onderzoekslocatie 1 is een bosuilenkast aangetroffen. Door de voorgenomen plannen zal, indien de nestkast in gebruik is, verstoord worden en mogelijk zijn functionaliteit verliezen. Om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd om de bosuilenkast buiten het broedseizoen (maart - half augustus) te verplaatsen naar een boom buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, zo’n 75 meter afstand van onderzoekslocatie 1. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het eventuele verwijderen van groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Met betrekking tot het eventuele verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 16 van 25

Gelet op de geschiktheid van enkele bomen (zie figuur 12) nabij de onderzoekslocatie als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen is bij de voorgenomen plannen overtreding van de Wet natuurbescherming te vermijden als er uitstralende verlichting naar de omgeving voorkomen wordt. 6.3

Streng beschermde grondgebonden zoogdieren

Egel De egel is een beschermde inheemse diersoort die valt onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De soort is tevens opgenomen in bijlage III van de Conventie van Bern. De egel staat met status ‘onvoldoende gegevens’ vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse Zoogdieren (2009). Het doden of verwonden van de egel dient te allen tijde voorkomen te worden. Egels maken geen gebruik van bebouwingen om er in te verblijven. Het is mogelijk dat het groen en de vegetatie binnen de onderzoekslocatie gebruikt wordt als verblijfplaats. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Gezien de aard en omvang van de ingreep en de omvang van het beschikbaar habitat in de omgeving is rekening houden met de zorgplicht afdoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. De zorgplicht houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijk dient te worden gedaan om schade en doden van egels te voorkomen. 6.4

Levendbarende hagedis

De levendbarende hagedis is een Nationaal beschermde diersoort en is opgenomen in onderdeel A, behorende bij artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Het habitat binnen de onderzoekslocatie is niet optimaal voor de levendbarende hagedis, waardoor de aanwezigheid van een bestaande populatie niet aannemelijk is. Het is daarentegen niet uit te sluiten dat incidenteel een individu op of nabij de onderzoekslocatie kan voorkomen. Het is mogelijk dat het groen en de vegetatie binnen de onderzoekslocatie gebruikt wordt als schuilplaats. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuillocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Gezien de aard en omvang van de ingreep en de omvang van het beschikbaar habitat in de omgeving is rekening houden met de zorgplicht afdoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. De zorgplicht houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijk dient te worden gedaan om schade en doden van de levendbarende hagedis te voorkomen. 6.5

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten algemene zoogdieren en amfibieënsoorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 17 van 25

Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.6

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 18 van 25

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Dinkelland, bevindt zich op circa 3 km afstand ten oosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 13).

Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van Natura 2000.

Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling. licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 3 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard en omvang van de plannen (nieuwbouw autogarage en houtopslag) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 19 van 25

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt deels onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 14 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. De onderzoekslocatie is aangeduid als beschermingsregime/gebiedscategorie ‘Bestaand’.

Figuur 14. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Binnen de provincie Overijssel geldt volgens de Geconsolideerde Verordening 2017 artikel 2.7.3 lid 2 dat de bestemming van de locatie uitsluitend gericht is op het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Volgens artikel 2.7.4 lid 5 is een afwijkingsmogelijkheid mogelijk voor kleinschalige ontwikkelingen. De gemeenteraad is op grond van artikel 2.7.4 lid 5 bevoegd om bij de vaststelling van bestemmingsplannen af te wijken ten behoeve van relatief kleinschalige ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan nodig is. Maatgevend is de impact van de gewenste ontwikkeling op de kwaliteit van het NNN ter plaatse. Daarbij spelen factoren als ecologische kwaliteit, samenhang, mate van verstoring en dergelijke mee in de beoordeling. Ook de maatschappelijke meerwaarde van de ontwikkeling kan daarbij een rol spelen. Een afwijkingsmogelijk voor kleinschalige ontwikkelingen is mogelijk indien het plan: a. de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast; b. per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het NNN; c. plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties. Bij een afwijking ten behoeve van kleinschalige ontwikkelingen dient aan alle hierboven genoemde voorwaarden te worden voldaan.

Overigens kunnen er vanuit andere wet- en regelgeving beperkingen gelden aan de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid. In de toelichting op het bestemmingsplan dat de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt, zal moeten worden aangetoond dat aan bovenstaande punten wordt voldaan. Voor kleinschalige ontwikkelingen is geen compensatieplan vereist. Wel zullen onderzoeken en onderzoeksgegevens, waarmee wordt aangetoond dat de effecten van de ingreep inderdaad beperkt zijn, als bijlage bij de toelichting moeten worden gevoegd. Naar verwachting is een “Nee, tenzij” toets benodigd om te toetsen of de voor-

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 20 van 25

genomen plannen de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN gebied significant aantasten. Dit kan eventueel nagevraagd worden bij bevoegd gezag.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 21 van 25

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Er zullen geen bomen gekapt gaan worden ten aanzien van de voorgenomen plannen.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 22 van 25

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van de hee voerd aan de Hoge Boekelerweg 255 te Enschede.

een quickscan Wet natuurbescherming uitge-

De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van en nieuwbouw op de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie beschermde planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe autogarage en houtopslag te realiseren. In dat kader worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd: -

realiseren van een autogarage; realiseren van een nieuwe houtopslag.

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

Bosuilenkast verplaatsen buiten broedseizoen op een verstoringsafstand van 75 meter van de onderzoekslocatie.

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

Het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige.

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

nee

nee

Uitstralende verlichting dient voorkomen te worden in de toekomstige situatie.

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Streng beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

Zorgplicht en het verwijderen van de materialen buiten de winterrust ten aanzien van de egel.

Licht beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene muis- en spitsmuissoorten.

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën als bruine kikker en gewone pad.

Reptielen

minimaal

mogelijk

nee

nee

Zorgplicht en het verwijderen ven materialen buiten de winterrust ten aanzien van de levendbarende hagedis.

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 23 van 25

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Gebiedsbescherming

Natura 2000

3 km

nee

nee

nee

Natuurnetwerk Nederland

0m

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

Houtopstanden

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Bijzonderheden / opmerkingen*

Nee, tenzij toets benodigd.

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Aangezien de locatie binnen een bosgebied ligt wordt aangeraden om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Gelet op de geschiktheid van enkele bomen nabij de onderzoekslocatie als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen is bij de voorgenomen plannen overtreding van de Wet natuurbescherming te vermijden als uitstralende verlichting voorkomen wordt in de toekomstige situatie. Gelet op het aanwezige habitat is een vaste voortplantings- of rustplaats van de egel of een schuilplaats van de levendbarende hagedis niet op voorhand uit te sluiten. Gezien de aard en omvang van de ingreep en de omvang van het beschikbaar habitat in de omgeving is rekening houden met de zorgplicht afdoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Verder dient het verwijderen van de materialen buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden en de beschermde houtopstanden worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Daarentegen wordt met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren middels een “Nee, tenzij” toets om te kunnen bepalen of de voorgenomen plannen de wezenlijke kenmerken of waarden van het Natuurnetwerk Nederland gebied significant aantasten.

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 24 van 25

Econsultancy Boxmeer, 9 oktober 2020

Rapport 13473.001 versie D2

Pagina 25 van 25

GERAADPLEEGDE BRONNEN Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Enschede, periode 2015-2020. Algemene websites www.bij12.nl www.kadastralekaart.com www.nationaalgeoregister.nl www.overheid.nl www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën en reptielen) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vogelbescherming.nl (soortgegevens vogels) www.wetten.overheid.nl (Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.geoportaaloverijssel.nl www.overijssel.nl (NNB en beschermde gebieden in Overijssel)

Rapport 13473.001 versie D2

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht. Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 13473.001 versie D2

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming. Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 13473.001 versie D2

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Planten

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

vlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

Rapport 13473.001 versie D2

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming. Artikel 4.1

De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij Gedeputeerde Staten. 3. Gedeputeerde Staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 4.3 lid 1 en 2

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.

Artikel 4.4 lid 1

De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer

Artikel 4.5

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.

Rapport 13473.001 versie D2

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst

Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.

Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.

Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=f87142fc-40a0-4c1e-8649-5b0f6334c8a3