Financiële verordening gemeente Enschede 2025
Tekst van het document
Financiële verordening gemeente Enschede 2025 De raad van de gemeente Enschede besluit, gelet op artikel 212 van de Gemeentewet; de Financiële verordening gemeente Enschede 2025 vast te stellen. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: -
accres: de jaarlijkse groei of krimp van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Het accres is vrij besteedbaar en wordt door het Rijk via circulaires bekendgemaakt.
-
administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;
-
afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college;
-
financiële foto: het document dat in een verkiezingsjaar in plaats van de zomernota wordt opgesteld en dat een actueel financieel beeld geeft van de gemeente, inclusief een meerjarige doorkijk.
-
gemeentebegroting: een output gerichte begroting die is opgezet langs de lijn van de producten / diensten die de gemeente aanbiedt / realiseert. Het politiek bestuur bepaalt daarbij welke producten worden onderkend en hoeveel middelen aan de verschillende producten worden gealloceerd. De gemeentebegroting dient voor allocatie, sturing en als basis voor verantwoording.
-
gemeenterekening: de jaarstukken, welke ten minste bestaan uit het jaarverslag en de jaarrekening (artikel 24 BBV);
-
inkomsten: totaal van de baten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves;
-
investering: een uitgave voor duurzame kapitaalgoederen of voorzieningen die meerdere jaren bijdragen aan de gemeentelijke taakuitoefening. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen investeringen. Vervangingsinvesteringen zijn gericht op het in stand houden van bestaande activa. Vervanging plus investeringen betreffen vervanging met verbetering of uitbreiding van functionaliteit. Strategische investeringen zijn gericht op versterking van de toekomstige positie en realiseren van (groei)ambities van de stad.
-
MeerjarenPerspectief Grondbedrijf (MPG): de verantwoordingsstukken over de uitkomsten van het grondbeleid (actualisatie grondexploitaties);
-
overheidsbedrijf: een onderneming waarin de gemeente, alleen of samen met andere overheden, bepalende invloed heeft op het beleid
-
planning & control cyclus: de producten binnen de planning & control-cyclus zijn: zomernota, gemeentebegroting (en meerjarenraming), tussenrapportage, slotwijziging en gemeenterekening. Bij de samenstelling van de gemeentebegroting en gemeenterekening worden de voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten volgens het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) opgevolgd.
-
product: een samenhangend geheel van activiteiten, voorzieningen of diensten van de gemeente dat bijdraagt aan het realiseren van maatschappelijke doelstellingen binnen een programma.
-
programma: een samenhangend geheel van producten
-
taakmutatie: een wijziging in het takenpakket van gemeenten die voortkomt uit nieuw of aangepast rijksbeleid. Als het Rijk besluit dat gemeenten een bepaalde taak erbij krijgen of juist verliezen, dan heeft dat financiële gevolgen die worden verwerkt via het gemeentefonds.
-
taakveld: de taken van een gemeente volgens een voorgeschreven indeling (ministeriële regeling vaststelling taakvelden en verstrekking informatie voor derden).
-
rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.
-
zomernota: de nota met kaders voor financiën en beleid voor de begroting van het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming.
Hoofdstuk 2. Begroten en verantwoorden Artikel 2. Programma-indeling, doelstellingen en beleidsindicatoren 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de producten per programma vast. 3. De raad stelt op voorstel van het college per programma de doelstellingen en beleidsindicatoren vast. Deze kunnen gedurende de raadsperiode nog aangepast worden. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Bij het bepalen van indicatoren is er aandacht voor dat over een voldoende lange tijdsperiode prestatie informatie beschikbaar is. 4. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen ze in extra paragrafen in de begroting en jaarrekening kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. Dit naast de vanuit de BBV verplicht gestelde paragrafen voor de begroting en de jaarstukken. 5. De raad kan nadere spelregels vaststellen voor sturing, begroting en verantwoording in de betreffende raadsperiode. Artikel 3. Planning & control cyclus 1. Het college biedt de raad elk jaar de volgende documenten aan: a. zomernota b. gemeentebegroting (inclusief meerjarenraming) c.
tussentijdse rapportage d. slotwijziging begroting e. gemeenterekening (jaarrekening en jaarverslag) 2. Het presidium stelt op voorstel van het college elk jaar de planning van de planning & control documenten vast in afstemming met de raadsgriffie. 3. We hebben één integraal afwegingsmoment per jaar, bij de zomernota. Zo kan bestuur en organisatie werken vanuit een helder financieel kader. De begroting is een uitwerking van de besluitvorming bij de zomernota en bevat enkel nog bijstellingen voor onvoorziene zaken die budgettair relevant zijn en zich na raadsbehandeling van de zomernota hebben voorgedaan. 4. Het Rijk brengt een aantal keren per jaar circulaires uit met daarin bijstellingen op de algemene uitkering. Ten aanzien van de verwerking van deze circulaires geldt: a. de financiële effecten voor het lopende jaar worden door het college verwerkt in de lopende begroting en zo mogelijk meegenomen in de tussenrapportages aan de raad. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen taakmutaties en mutaties in het algemene vrij inzetbare accres. Taakmutaties op het lopende jaar worden direct verwerkt met het product waarvoor ze gelden. Mutaties in het algemene accres worden verrekend met de algemene reserve.
b. op meerjarige financiële effecten uit circulaires wordt slechts op 1 moment per jaar bijgestuurd en wel bij de zomernota. Concreet betekent dit dat bij de zomernota worden betrokken de gesaldeerde meerjarige effecten van de september- en decembercirculaire van vorig jaar (jaar T-1) en de meicirculaire van het huidige jaar (jaar T). c. de raad wordt tijdig geïnformeerd over de gevolgen van circulaires voor de financiële huishouding. Artikel 4. Zomernota 1. Het college biedt aan de raad een zomernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders voor de begroting voor het volgende begrotingsjaar (T+1) en de meerjarenraming. In het jaar van gemeenteraadsverkiezingen wordt de zomernota vervangen door een financiële foto voor de raad. Deze kan worden gebruikt voor het opstellen van een raads- of coalitieakkoord met daarin de kaders voor de komende bestuursperiode. 2. De raad stelt de zomernota vast en geeft daarmee het college kaders op wat de komende jaren moet worden bereikt, wat daarvoor wordt gedaan en wat dat mag kosten. 3. De zomernota wordt voor het zomerreces in de raad behandeld zodat het college een tijdige vertaling kan maken naar de begroting. 4. Het college verwerkt de door de raad vastgestelde kaders uit de zomernota in de begroting. 5. Voorafgaand aan de zomernota wordt een strategische investeringsagenda opgesteld: a.
De strategische investeringsagenda geeft inzicht in het bedrag dat de gemeente de komende decennia moet reserveren om strategische investeringen te kunnen uitvoeren. b. De afweging om voor de investeringsagenda middelen te reserveren is onderdeel van de integrale afweging bij de zomernota. c. Het beschikbaar stellen van investeringskredieten voor investeringen in de projecten van de strategische investeringsagenda gaat via afzonderlijke raadsbesluiten. Artikel 5. Gemeentebegroting 1. De begroting is het opdrachtdocument van de raad aan het college en geeft aan wat raad en college komend jaar (T+1) willen bereiken, wat daarvoor wordt gedaan en wat dat mag kosten. De raad stelt met de begroting per programma, voor het betreffende begrotingsjaar, vast: a. de beoogde doelen en maatschappelijke effecten (wat) b. de wijze waarop ernaar gestreefd wordt die effecten te bereiken (hoe) c. de baten en lasten per programma (waarmee) d. toevoegingen en onttrekkingen aan reserves (waarmee) 2. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en lasten per product. In afwijking daarop kan de raad een specifieke activiteit welke onderdeel is van een product, als prioriteit aanwijzen en daarvoor de baten en lasten apart autoriseren. 3. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de in de begroting voorgelegde investeringskredieten.
Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: a. Bij nieuwe investeringen wordt het benodigde investeringskrediet getoond. Met het vaststellen van de begroting autoriseert de raad deze kredieten. Met uitzondering van de nieuwe investeringen waarvoor in de begroting is aangegeven dat autorisatie via een afzonderlijk voorstel aan de raad wordt voorgelegd. b. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel aan de raad voor. Bij investeringen informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de financiële positie van de gemeente. a. Investeringskredieten vervallen na 4 jaren tenzij anders benoemd in het raadsbesluit. b. Verschuiving tussen jaarschijven bij een meerjarig investeringskrediet zijn toegestaan, mits aannemelijk is dat het totaal van de uitgaven binnen het krediet blijft. Dit wordt toegelicht in de jaarrekening. Bij dreigende overschrijding van het meerjarig krediet doet het college voorstellen voor wijziging van geautoriseerde investeringskredieten op grond van geactualiseerde ramingen. Bij grondexploitaties gebeurt dit bij de jaarlijkse actualisatie van het MeerjarenPerspectief Grondbedrijf (MPG). 4.
De raad ziet erop toe dat de begroting voor het betreffende begrotingsjaar structureel en reëel in evenwicht is. Hiervan kan de raad afwijken indien aannemelijk is dat het structureel en reëel evenwicht binnen de meerjarenraming tot stand wordt gebracht.
5. Bij het opstellen van de meerjarenraming is voor sommige posten nog niet te bepalen wat de omvang meerjarig is. In dat geval kan een stelpost opgenomen worden om er in het algemene begrotingsbeeld al rekening mee te houden. De feitelijke concretisering en toekenning vindt dan plaats in het betreffende begrotingsjaar. 6. De meerjarenbegroting bevat in ieder geval een stelpost voor loon- en prijsindexatie. Daarmee kunnen de stijgingen van prijzen en lonen voor de eigen organisatie, die van gesubsidieerde instellingen en verbonden partijen worden opgevangen. a. Deze stelpost wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de ontwikkeling van de loonvoet overheid en de index prijs materiële overheidsconsumptie (imoc). Voor elk van de jaarschijven (T+1, T+2, T+3 en T+4) wordt een actuele bijstelling van de stelpost opgenomen. b. Voor het eerstvolgende begrotingsjaar (T+1) wordt de stelpost toegerekend aan de betreffende budgetten. Loongevoelige budgetten worden aangepast op basis van de geldende cao-afspraken. Indien deze nog niet bekend zijn, wordt uitgegaan van de loonvoet sector overheid zoals opgenomen in het Centraal Economisch Plan (CEP) voorjaar. Prijsgevoelige budgetten worden aangepast op basis van index prijs materiële overheidsconsumptie (IMOC), zoals opgenomen in het CEP voorjaar. c.
De reserveringen voor de daaropvolgende jaren (T+2, T+3 en T+4) blijven in de stelpost en worden in die jaren telkens opnieuw geactualiseerd. Deze reserveringen worden niet meerjarig vooruit toegerekend aan afzonderlijke budgetten. 7. In de begroting moet vanuit het BBV verplicht een post onvoorzien opgenomen worden. In Enschede wordt als werkwijze gehanteerd dat onvoorziene tegenvallers in eerste instantie binnen het betreffende begrotingsproduct worden opgevangen. Mocht dat onvoldoende kunnen dan wordt een negatief jaarresultaat op het begrotingsproduct gerapporteerd. De algemene reserve dient als weerstandsvermogen indien het jaarresultaat gemeentebreed negatief is. Daarmee is de post onvoorzien in de begroting in principe 0 euro. Artikel 6. Wijzigingen op de begroting in het lopende jaar 1. De raad kan besluiten tot wijziging van de begroting in het lopende jaar. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen inhoudelijke en technische wijzigingen. 2. Onder inhoudelijke wijzigingen worden verstaan: a. een mutatie in reserves, tenzij hiervoor reeds een raadsbesluit is genomen; b. een overheveling van middelen tussen producten waarbij het bestedingsdoel wijzigt; c. een voorgenomen investering. 3. Onder technische wijzigingen worden verstaan: a.
een ophoging van lasten en baten als gevolg van de ontvangst van een gebonden subsidie, waarbij de raad geen zeggenschap heeft over de besteding b. een overheveling van budget tussen producten binnen een begrotingsprogramma, mits de output en de bijbehorende werkzaamheden ongewijzigd blijven c. wijzigingen die voortvloeien uit een eerder door de raad genomen besluit d. verwerking van de loon- en prijscompensatie op basis van de in de Zomernota vastgestelde indexatiepercentages. Artikel 7. Tussenrapportage en informatieplicht 1. Het college informeert de raad door middel van één tussenrapportage over de voortgang van de realisatie van de begroting (financieel en beleidsmatig) van de gemeente over het lopende boekjaar; 2. De raad stelt de tussenrapportage vast. 3. De tussenrapportage is een afwijkingenrapportage. Deze bevat: a. een toelichting op afwijkingen op beleidsdoelen en acties zoals opgenomen in de begroting b. het verwachte gemeenteresultaat aan het einde van het jaar; c. de verwachte afwijkingen op het saldo van baten en de lasten per programma d. de verwachte afwijkingen op het saldo van baten en lasten per product; 4. In de tussenrapportage worden relevante afwijkingen op de actuele ramingen van het saldo van de baten en lasten van producten of door de raad benoemde prioriteiten toegelicht.
Daarbij wordt als grens gehanteerd een afwijking van 250.000 euro ten opzichte van het begrote saldo op productniveau.
5. Indien in de tussenrapportage een negatief jaarresultaat wordt geprognosticeerd geeft het college aan wat daarvan de impact is op de financiële positie. Het college geeft daarbij een advies of het verstandig is om direct bij te sturen of de bijsturing uit te stellen tot de volgende zomernota. De raad bepaalt of het college met een bijsturingspakket zal komen. Artikel 8. Slotwijziging begroting 1. In de laatste raadsvergadering van het jaar stelt de raad de slotwijziging van de begroting vast. 2. Onder de slotwijziging begroting verstaan we de jaarlijkse wijziging van de begroting waarmee uitsluitend technische aanpassingen worden doorgevoerd. Het gaat hierbij om correcties, actualisaties en overboekingen die geen nieuw beleid bevatten, geen wijziging van bestaande beleidsinhoud betekenen en geen politieke afweging vragen. Artikel 9. Gemeenterekening 1. Voorafgaand aan de gemeenterekening stelt de raad het MeerjarenPerspectief Grondbedrijf (MPG) vast. Het MPG bevat de uitkomsten van de jaarlijkse actualisatie van de grondexploitatiebegrotingen, kredieten, parameters en risicoanalyses. Daarnaast is ook een project view omgeving beschikbaar voor de raad. Tweemaal per jaar wordt daarin geactualiseerde informatie verstrekt over de status van grondexploitaties. 2.
In de gemeenterekening legt het college aan de raad verantwoording af over de beleidsmatige en financiële uitvoering in het voorgaande jaar (T-1). Dit door overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. De jaarstukken bevatten minstens: a. de programmaverantwoording waarin wordt stilgestaan bij de vraag of bereikt en gedaan is wat beoogd was en of dat gekost heeft wat het mocht kosten. b. de door het BBV verplicht gestelde paragrafen en de door raad vastgestelde additionele paragrafen en bijlagen c. het overzicht van baten en lasten inclusief een toelichting d. de balans inclusief een toelichting e. verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen f. het overzicht van de gerealiseerde baten en lasten per taakveld g. de rechtmatigheidsverantwoording door het college 3. In de gemeenterekening worden relevante afwijkingen op productniveau toegelicht. Dit gebeurd afzonderlijk voor lasten, baten en reservemutaties. Daarbij wordt als grens gehanteerd een afwijking van 250.000 euro ten opzichte van de begroting. 4. Met vaststelling van de gemeenterekening verleent de raad decharge aan de leden van het college ten aanzien van het verantwoorde financieel beheer. De raad betrekt daarbij de uitkomst van de controleverklaring van de accountant. 5.
Het college stort per jaareinde bij specifieke exploitatiebudgetten, het restant budget in een bestemmingsreserve “nog uit te voeren werkzaamheden” voor zover deze nog benodigd zijn voor uitvoering/afronding van afgesproken activiteiten. Dit geldt alleen voor projecten, die: a. door onvoorziene omstandigheden niet tijdig zijn uitgevoerd; b. in de eerstvolgende jaren tot afronding komen; c. niet uit het komende jaarbudget kunnen worden bekostigd; d. die door een raadsbesluit tot stand zijn gekomen. Het college legt hierover verantwoording af bij de Gemeenterekening. 6. De raad kan besluiten om een deel van het financiële jaarresultaat specifiek te bestemmen. Dan moet het gaan om incidentele middelen voor voorstellen die voortkomen uit wetgeving, raadsbesluiten, aangenomen moties of amendementen. Het minimum bedrag voor een specifieke bestemmingsvoorstel om budget over te hevelen is 50.000 euro. Het jaarresultaat wordt niet bestemd voor nieuwe beleidswensen omdat een integrale afweging van beleidswensen plaatvindt bij de zomernota. 7. Het resultaat na bestemming, zoals bedoeld in lid 6, wordt toegevoegd of onttrokken aan de algemene reserve. 8. Bij het overzicht incidentele lasten en baten in de jaarrekening worden incidentele baten en lasten groter dan 100.000 euro afzonderlijk gespecificeerd. 9.
In de jaarrekening is een overzicht opgenomen van de lopende taakstellingen en wordt de voortgang op deze taakstellingen toegelicht. Deze inzichten worden vervolgens betrokken bij het opstellen van de volgende zomernota en begroting.
Artikel 10. EMU-saldo 1. Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1. Met ingang van de jaarrekening over boekjaar 2023 legt het college zelf een verantwoording af over de rechtmatigheid van in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten en de balansmutaties. De rechtmatigheidsverantwoording wordt opgenomen in de jaarrekening en toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van het lastentotaal (exclusief toevoegingen aan de reserves). 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan 10% van de verantwoordingsgrens nader toegelicht. Hierbij worden de maatregelen vermeld, die worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen. Artikel 12. Voorwaardencriterium 1.
Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Het college biedt de raad jaarlijks voor 1 januari ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Artikel 13. Begrotingscriterium 1. Het begrotingscriterium gaat over rechtmatigheid in relatie tot de begroting. Het houdt in dat alle baten en lasten passen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde begroting en investeringskredieten. Financiële beheershandelingen zijn alleen rechtmatig als ze binnen deze door de raad geautoriseerde kaders plaatsvinden. 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het programmaniveau waarop de begroting door de raad is vastgesteld, zoals is opgenomen in artikel 5, lid 1. 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal geautoriseerde kredietbedrag.
Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 4. Uitgangspunt is dat iedere overschrijding van lasten- en investeringsbudget ten opzichte van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Overschrijdingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties: a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren. b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. c. De overschrijding is tijdig aan de raad gemeld via een toelichting in de gemeenterekening. 5. Andere begrotingsafwijkingen zoals overschrijdingen van baten en/of onderschrijdingen van lasten en baten zijn op zichzelf niet onrechtmatig. Deze kunnen alleen onrechtmatig zijn als die niet tijdig tot een begrotingswijziging hebben geleid of te laat aan de raad zijn gemeld. 6. Overschrijdingen van lasten- en investeringsbudgetten die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. In de jaarrekening worden deze begrotingsonrechtmatigheden verklaard en toegelicht. Dit is een onderdeel van de toelichting op het overzicht van baten en lasten.
Artikel 14. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2. Het college zorgt voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Hoofdstuk 4. Financieel beleid Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. 2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 3. Uitgangspunt is dat uitgaven met een meerjarig nut worden geactiveerd. Daarbij gelden de volgende criteria: a. Voor activa met economisch nut geldt: bij een verkrijgings- of vervaardigingsprijs van minder dan 50.000 euro worden goederen c.q. diensten niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. b. Voor activa met maatschappelijk nut (met name openbare ruimte) geldt: bij een verkrijgings- of vervaardigingsprijs van minder dan 100.000 euro worden goederen c.q. diensten niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. c.
Identieke goederen die binnen een boekjaar op verschillende momenten worden aangeschaft en gezamenlijk meer dan bovengenoemde activeringsgrenzen omvatten dienen als cluster te worden geactiveerd. d. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Artikel 16. Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. 2. Voor openstaande publiekrechtelijke vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van het historische percentage van oninbaarheid. Artikel 17. Reserves en voorziening groot onderhoud 1. Het instellen, toevoegen, onttrekken of opheffen van een reserve is de bevoegdheid van de raad en dient bij afzonderlijk raadsbesluit (apart beslispunt) plaats te vinden. 2. Het algemene uitgangspunt is het, in alle redelijkheid, zo veel mogelijk beperken van reserves, zowel qua aantal als qua omvang. 3. Bij een voorstel voor de instelling van een reserve wordt minimaal aangegeven: a. de functie (dekking- en besteding, buffer- en egalisatie, financiering, inkomen) en het specifieke doel van de reserve; b. de omvang en de wijze van stortingen en onttrekkingen, inclusief de onderbouwing hierbij; c. de minimale en/of maximale hoogte van de reserve; d. de maximale looptijd van de reserve; e.
de bestedingsraming. 4. Als een bestemmingsreserve binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een (volledige) besteding, wordt de bestemmingsreserve heroverwogen of wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. 5. Er wordt een centrale administratie bijgehouden van alle ingestelde reserves inclusief de daarvoor geldende instellingscriteria. Elke raadsperiode wordt minimaal 1 keer een onderzoek gedaan naar de reserves. Dit onderzoek vindt bij voorkeur in de eerste helft van de raadsperiode plaats. 6. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves aan de taakvelden plaats. 7. Een voorziening om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen wordt met instemming van de raad ingesteld. Dit op basis van een recent beheerplan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagjaar. Kosten van groot onderhoud aan kapitaalgoederen worden ten laste van de vooraf gevormde voorziening gebracht.
Artikel 18. Kostprijsberekening rechten en heffingen 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen uit voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van de overheadkosten geldt: a. de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, worden in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten. b. de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting worden aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend. c.
Bij toerekening van overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden wordt de toedelingssystematiek in de begroting opgenomen. 4. De omslagrente voor de toerekening van rente voor financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks bij de zomernota vastgesteld. Artikel 19. Prijzen economische activiteiten 1. Op grond van de Wet markt en overheid wordt voor levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden, waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd. Artikel 20. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, rechten, heffingen en prijzen. Hoofdstuk 5. Paragrafen Artikel 21. Lokale heffingen 1.
Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Artikel 22. Weerstandsvermogen en risicobeheersing 1. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Daarbij worden de verplichte en eventuele door de raad benoemde aanvullende financiële kengetallen in samenhang beschouwd zodat de raad een goed inzicht krijgt in de financiële positie van de gemeente. 2. In lijn met het advies van de commissie BBV wordt in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing ook uitgewerkt de wijze waarop met conjuncturele risico’s en de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan. Artikel 23. Onderhoud kapitaalgoederen 1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.
2. Het college stelt voor het onderhoud van kapitaalgoederen de volgende plannen op: het wegenbeleidsplan, het gemeentelijk water- en klimaatadaptatieplan, het beleidsplan groenbeheer, het beleidsplan openbare verlichting en het beleidsplan onderhoud havens. In deze plannen worden de kaders weergegeven voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning en de kosten van het onderhoud voor wegen en infrastructurele kunstwerken, riolering, het openbaar groen, openbare verlichting en havens. De raad stelt deze plannen vast. Artikel 24. Financiering 1. De kaders voor financiering zijn vastgelegd in het treasurystatuut, waarin aandacht wordt besteed aan: a. doelstellingen, uitgangspunten, richtlijnen en limieten treasury; b. taken en bevoegdheden treasury; c. verantwoordingsrelaties en bijhorende informatievoorziening. 2. In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Artikel 25. Bedrijfsvoering 1. In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. 2.
Het college geeft middels een sociaal jaarverslag inzicht in het gevoerde personeelsbeleid, de personeelsopbouw inclusief een doorkijk in welke mate deze past bij de toekomstige opgaven en uitdagingen van de stad en organisatie. Artikel 26. Verbonden partijen 1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Artikel 27. Grondbeleid 1. In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. 2. In opvolging van het advies van de commissie BBV wordt in de nota grondbeleid vastgelegd: a. de wijze waarop met toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan. b. de wijze waarop met projectspecifieke risico’s wordt omgegaan bij het bepalen van de tussentijdse winstneming en de omvang van het weerstandsvermogen. c. de keuze om de voorziening voor verliesgevende grondexploitaties of tegen nominale waarde of tegen contante waarde te waarderen. Artikel 28.
Openbaarheid In de paragraaf openbaarheid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 16a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Artikel 29. Doelmatigheid en doeltreffendheidsonderzoeken 1. In de verordening “onderzoeken doelmatigheid- en doeltreffendheid bestuur” zijn de afspraken vastgelegd omtrent onderzoeken naar doelmatigheid en doeltreffendheid door het college. 2. In de begroting wordt jaarlijks een overzicht gegeven van de onderzoeken die in het komende jaar gaan plaatsvinden. 3. In de jaarrekening wordt een overzicht gegeven van de voortgang van de onderzoeken. Daarnaast wordt voor afgeronde onderzoeken een korte samenvatting gegeven van de resultaten en aanbevelingen en wat daarmee is gedaan. 4. In de jaarrekening wordt in deze paragraaf ook gerapporteerd over de voortgang van het doorvoeren van aanbevelingen uit rekenkamer onderzoeken.
Artikel 30. Subsidieverwerving 1. Naast de wettelijk verplichte paragrafen bevatten de jaarstukken ook een paragraaf subsidieververweving. In deze paragraaf wordt nader inzicht gegeven welke subsidies in het afgelopen jaar zijn verworven. Ook wordt de relatie van deze subsidies met de opgaven van de stad getoond. Artikel 31. Investeringen 1. Naast de wettelijk verplichte paragrafen bevat de begroting en de jaarstukken ook een paragraaf investeringen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vervanging, vervanging plus en strategische investeringen. 2. In de begroting wordt in deze paragraaf inzichtelijk gemaakt a. welke lopende investeringen al door de raad zijn geautoriseerd. b. welke nieuwe investeringen zijn beoogd en bij de begroting door de raad worden geautoriseerd. c. welke nieuwe investeringen zijn beoogd en op een later moment seperaat aan de raad voorgelegd worden voor autorisatie. d. de inhoudelijke toelichting op belangrijke investeringen. 3. In de jaarrekening wordt in de paragraaf investeringen toegelicht wat de voortgang is op de door de raad geautoriseerde investeringskredieten. Daarbij wordt inzicht gegeven in: a. de totalen van de door de raad verstrekte investeringskredieten, de werkelijke investeringen in het afgelopen jaar en de overgebleven investeringsruimte eindejaar. b.
een prognose of de investeringsprojecten kunnen worden uitgevoerd binnen het beschikbaar gestelde krediet. c. een toelichting of de investeringsprojecten binnen de gestelde termijn kunnen worden uitgevoerd of dat verlenging van de krediettermijn nodig is. d. een inhoudelijke toelichting op de voortgang van belangrijke investeringsprojecten binnen het begrotingsprogramma. Artikel 32. Actualisatie beleidsnota’s 1. Het college stelt in het kader van de financiële beheersing de volgende documenten op voor de onderwerpen in dit hoofdstuk: a. Nota lokale heffingen b. Nota risicomanagement en weerbaarheid c. Nota’s kapitaalgoederen: I. Wegenbeleidsplan II. Beleidsplan groenbeheer III. Beleidsplan openbare verlichting IV. Beleidsplan onderhoud havens V. Gemeentelijk water- en klimaatadaptatieplan VI. Vastgoednota d. Treasurystatuut e. Beleidskader verbonden partijen en beleidskader gesubsidieerde instellingen f. Nota grondbeleid g. Verordening onderzoeken doelmatigheid- en doeltreffendheid bestuur 2. Het college toetst ten minste eens in de 6 jaar of deze documenten moeten worden geactualiseerd. Als dit het geval is wordt de raad een voorstel voorgelegd. Als dit niet het geval is wordt de raad per brief daarover geïnformeerd. Zodra zich tussentijdse ontwikkelingen voordoen die aanpassing van deze documenten vereisen, wordt direct actie ondernomen. Hoofdstuk 6.
Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 33. Administratie 1. De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;
c.
het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording over en controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie. Artikel 34. Financiële organisatie 1. Het college draagt zorg voor: a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e.
de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan taakvelden; g. de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten waarbij: 1. Het college eens per raadsperiode een uitgangspuntennotitie aan de raad aanbiedt met de lokale ambities en doelen alvorens het college de interne regels vaststelt dan wel herijkt. 2. Het college de raad in de gelegenheid stelt tot het uiten van wensen en bedenkingen voordat het college instemt of afspraken vastlegt in regionaal verband omtrent inkoop- en aanbestedingsbeleid. 3. Het college middels een inkoopjaarverslag inzicht geeft in de mate waarin de doelen van maatschappelijk verantwoord inkopen zijn behaald. h. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en i. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan. Artikel 35. Interne controle 1.
Het college zorgt voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van informatieverstrekking en de rechtmatigheid van beheershandelingen. Dit ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording en paragraaf bedrijfsvoering, zoals beschreven in artikel 11 onder lid 2 en 3. Daarnaast informeert het college de raad over maatregelen tot herstel van de tekortkomingen. 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 36. Intrekken oude verordening en overgangsrecht 1. De oude Financiële verordening gemeente Enschede wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze nieuwe verordening in werking treedt. 2. Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening gemeente Enschede van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van de Financiële verordening 2017. 3. Voor de toepassing van artikel 11 lid 2, waarin de verantwoordingsgrens op 2% wordt gesteld en artikel 13 lid 4, de voorwaarden waaronder lastenoverschrijdingen als acceptabel worden aangemerkt, is deze verordening van toepassing vanaf de gemeenterekening 2025. 4. De financiële verordening wordt in ieder geval elke raadsperiode geactualiseerd, na evaluatie met de oude raad. Artikel 37. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule 1. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist de raad. 2. De raad kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2.
Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Enschede 2025. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 8 december 2025. De griffier,
de voorzitter,
J.J. Ligteringen
R.W. Bleker
Toelichting op de artikelen Artikel 1. Begripsbepaling • In dit artikel is de toelichting opgenomen op enkele begrippen die in de financiële verordening worden gebruikt. Artikel 2. Programma-indeling, doelstellingen en beleidsindicatoren • Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. Het is geen noodzaak om elke nieuwe raadsperiode de opzet van de begroting en jaarstukken te herzien. In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende. • Lid 1 regelt dat de indeling van de programma’s bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad wordt vastgesteld. • Lid 2 regelt dat de producten op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld. • Lid 3 bepaalt dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Dit betreft het zogenaamde SMART maken van de begroting. Er zijn ook enkele verplichte beleidsindicatoren, die benoemd zijn in de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV. • Lid 4 gaat over de paragrafen in de begroting en jaarrekening.
In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. De raad kan aangeven of ze nog aanvullende paragrafen wenst. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf investeringen. • Lid 5 bepaalt dat aan het begin van iedere raadsperiode nadere financiële spelregels kunnen worden vastgesteld, in aanvulling op de bepalingen in deze verordening. Het gaat dan bijvoorbeeld over spelregels die inspelen op de politieke ambities van de raad. Denk aan afspraken rondom één budget sociaal domein of hoe voordelen / meevallers in eerste instantie ingezet worden. Artikel 3. Planning & control cyclus • In dit artikel zijn bepalingen opgenomen voor de inrichting van de planning en control cyclus. • Lid 1 benoemt op hoofdlijnen de producten die elk jaar aan de raad worden aangeboden in het kader van de planning en control cyclus. • Lid 2 regelt dat het presidium elk jaar de planning van de planning & control documenten kan bepalen. Het samenstellen en behandelen van deze documenten vergt een goede voorbereiding zowel ambtelijk als voor het stadsbestuur dus het is handig om hierover aan de voorkant afspraken te maken. • Lid 3 bepaald dat we slechts 1 keer per jaar integraal alle beleidswensen afwegen. Dat doen we bij de zomernota.
Op dat moment ligt namelijk het financiële meerjarenbeeld op tafel en is er inzicht in hoeveel financiële ruimte er is. Doordat we slechts op 1 moment per jaar alle beleidswensen integraal afwegen is het mogelijk om binnen de schaarste van de middelen die er zijn alle mogelijkheden om die middelen in te zetten tegen elkaar afwegen. Het is tevens efficiënter om deze integrale afweging slechts 1 maal per jaar te doen. • Lid 4 gaat over de resultaten vanuit de mei-, september- en decembercirculaires die jaarlijks door het rijk worden gepubliceerd. Hierin zijn de mutaties van de algemene uitkering uit het gemeentefonds opgenomen voor de gemeente. De ervaring leert dat er tussen circulaires die in één jaar uitkomen sterke fluctuaties kunnen zitten. Dat kan ertoe leiden dat de gemeente telkens bezuinigingen danwel intensiveringen moet heroverwegen en terugdraaien. Om rust te creëren zowel bestuurlijk als voor inwoners en partijen in de stad wordt maar 1 keer per jaar bijgestuurd op het gesaldeerde effect van alle circulaires die in het afgelopen jaar zijn uitgekomen. Dit sluit ook aan bij het streven in lid 3 om 1 integraal afwegingsmoment voor het meerjarig middelenkader te hebben. • Lid 4a. In circulaires zitten voor het lopende jaar zowel taakmutaties als mutaties in het algemene accres.
De taakmutaties voor het lopende jaar worden direct verrekend met het betreffende begrotingsproduct. De mutaties in het algemene accres voor het lopende jaar
worden direct verrekend met de algemene reserve. De reden hiertoe is dat in het verleden bleek dat grote wijzigingen in het algemene accres een groot effect hadden op het jaarresultaat waardoor deze een vertekend beeld geeft van de werkelijke resultaten die de gemeente in dat jaar neerzet. Artikel 4. Zomernota • Dit artikel geeft kaders voor het opstellen van zomernota. • Lid 1 bepaalt dat het college elk jaar een zomernota aanbiedt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. Een uitzondering is het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen. Dan wordt in plaats van een zomernota een financiële foto opgesteld met daarin een actueel financieel beeld met een meerjarige doorkijk. • Lid 2 regelt dat de raad de zomernota vaststelt. Daarmee geeft de raad kaders mee aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. • Lid 3 stelt dat de zomernota voor het zomerreces wordt behandeld in de raad. Dit is nodig omdat er reeds in de zomerperiode aan de begroting wordt gewerkt. Indien de zomernota pas na het zomerreces wordt behandeld is er te weinig tijd om de begroting uit te werken en kan deze niet tijdig aan de raad aangeleverd worden. • Lid 4 regelt dat het college de gemeentebegroting uit zal werken in lijn met de kaders die de raad heeft meegegeven. • Lid 5 gaat in de op de strategische investeringsagenda.
Om financieel voorbereid te zijn op de toekomstige investeringsvraag wordt jaarlijks voorafgaand aan de zomernota een strategische investeringsagenda opgesteld. Daarin zijn opgenomen de strategische (fysieke) investeringen voor de komende decennia die bijdragen aan het verhogen van de brede welvaart en kwalitatieve en kwantitatieve groei van de stad en haar voorzieningen. De focus van de strategische investeringsagenda ligt op de verdere ontwikkeling van en grote herstructureringsprojecten in de stad. De investeringsagenda geeft inzicht in hoeveel de gemeente de komende jaren moet reserveren (structureel en incidenteel) om strategische investeringen te kunnen uitvoeren. Het is een (financieel) instrument waarmee bestuurlijke afwegingen kunnen worden gemaakt om te anticiperen op en focus aan te brengen in de toekomstige investeringsvraag. Het is tevens een instrument om partijen aan te zetten om samen met ons te investeren in de verdere ontwikkeling van de stad. De afweging om voor de investeringsagenda middelen te reserveren is onderdeel van de integrale afweging bij de zomernota en begroting. Het beschikbaar stellen van investeringskredieten voor individuele investerings- en grondexploitatieprojecten gaat via afzonderlijke raadsbesluiten. Artikel 5. Gemeentebegroting • Dit artikel bevat regels rondom de begroting voor komend jaar.
Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet. • Lid 1 geeft aan wat de essentie van het begrotingsdocument is. De begroting gaat in op wat raad en college komend jaar wil bereiken, wat daarvoor wordt gedaan en wat dat mag kosten. • In lid 2 is opgenomen dat de raad met de begroting autorisatie verleent van de baten en lasten voor komend jaar. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. De raad kan daarbij kiezen op welk niveau budgetten beschikbaar worden gesteld. In Enschede vindt dat plaats op het niveau van producten. Het college en de ambtelijke organisatie kunnen vervolgens slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor in de begroting beschikbaar zijn gesteld (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). • Lid 3 regelt hoe de raad investeringskredieten autoriseert via de begroting. Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen.
Investeringen in grondexploitaties worden via een afzonderlijk voorstel voor autorisatie aan de raad voorgelegd. Daarnaast kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog
•
•
•
•
niet. Het college is dan nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. Kredieten vervallen na vier jaar, tenzij anders besloten. Verschuivingen binnen meerjarige budgetten zijn toegestaan als het totaal binnen het budget blijft; afwijkingen worden toegelicht en bijgesteld via voorstellen, of bij grondexploitaties via het MPG. In lid 4 is opgenomen dat de raad erop toeziet dat begroting structureel en reëel in evenwicht is. Dit in lijn met artikel 189 van de Gemeentewet. Van structureel evenwicht is sprake als in een jaar de structurele lasten zijn gedekt door de structurele baten. Reëel evenwicht houdt in dat de ramingen volledig, realistisch en haalbaar moeten zijn. Als er voor het komende begrotingsjaar geen sprake is van structureel en reëel evenwicht moet dat in ieder geval in de eerstvolgende jaren (binnen de planperiode van 4 jaar) gerealiseerd worden. Als dat namelijk lukt voorkomt de gemeente preventief financieel toezicht door de toezichthouder. Dat houdt in dat de begroting en wijzigingen daarop pas uitgevoerd mogen worden na goedkeuring door de toezichthouder. Lid 5 gaat in op het gebruik van stelposten. Soms is voor een post wel bekend dat daar lasten of baten op te verwachten zijn maar is nog niet goed de omvang daarvan te duiden.
In dat geval is het verstandig om een stelpost (schatting) op te nemen zodat er in het (meerjaren) begrotingsbeeld al wel rekening mee wordt gehouden. De daadwerkelijke concretisering en toekenning vindt dan plaats in het begrotingsjaar. Lid 6 gaat in op één van de grotere stelposten, de stelpost loon- en prijscompensatie. Elk jaar nemen de loonkosten toe door CAO wijzigingen en stijgen de prijzen als gevolg van inflatie. Het is vaak echter nog niet goed te duiden hoe hoog die indexatiepercentages de komende jaren zullen zijn. Daarom wordt in dit artikel geregeld hoe de indexatiepercentages worden bepaald. Een eenduidige en transparante werkwijze draagt ertoe bij dat op een objectieve manier wordt omgegaan met deze stelpost. Tevens wordt hiermee gestreefd naar het voorkomen van grote afwijkingen die ertoe leiden dat bij het opstellen van de begroting elk jaar forse bezuinigingen nodig zijn omdat te weinig is gereserveerd voor loon- en prijsstijgingen. Lid 7 is een nadere uitwerking van artikel 8 van de BBV. Daarin is verplicht gesteld dat gemeenten een post onvoorzien in de begroting hebben. In dit lid is toegelicht hoe we in Enschede met de post onvoorzien omgaan.
Artikel 6. Wijzigingen op de begroting in het lopende jaar • Dit artikel gaat in op wijzigingen van de begroting en de aard van deze wijzigingen. Uiterlijk tot het eind van het begrotingsjaar kan de raad een besluit tot begrotingswijziging nemen (artikel 192 van de Gemeentewet). • Dit artikel maakt onderscheid tussen inhoudelijke en technische wijzigingen op de gemeentebegroting, met als doel om helderheid te bieden over de aard van begrotingsmutaties en de mate van betrokkenheid van de gemeenteraad. Inhoudelijke wijzigingen zijn begrotingsmutaties die een beleidsmatige impact hebben en waarvoor de raad een kaderstellende of controlerende rol heeft. Technische wijzigingen zijn administratief van aard en hebben geen invloed op het beleid en vallen binnen de bestaande kaders. Artikel 7. Tussenrapportage en informatieplicht • Dit artikel gaat in op de tussenrapportage. Deze tussenrapportage is een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad. Via de tussenrapportage wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. • Lid 3 bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage. • Lid 4 bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussenrapportage moet toelichten.
Het college moet (dreigende) overschrijdingen en onderschrijdingen van geautoriseerde lasten en baten aan de raad melden. Dit zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. • Lid 5 bevat spelregels voor als bij een tussenrapportage een negatief jaarresultaat wordt voorzien. Het college geeft bij een verwacht negatief jaarresultaat aan wat de impact op de financiële positie is en komt met een advies of directe bijsturing wenselijk is of niet. De raad neemt uiteindelijk het besluit of een bijsturingspakket uitgewerkt moet worden. Artikel 8. Slotwijziging begroting
•
Dit artikel gaat in op de wijziging van de begroting aan het eind van het begrotingsjaar. Het gaat dan louter om technische wijzigingen, zoals in artikel 6 lid 3 beschreven. Hiermee willen we bereiken dat de raad bij de behandeling van de gemeenterekening de gerealiseerde cijfers kan vergelijken met de meest actuele begrotingscijfers. Daarmee voorkomen we ook dat het nalaten van deze wijzigingen tot onnodige begrotingsonrechtmatigheden leidt.
Artikel 9. Gemeenterekening • Dit artikel gaat in op de wijze waarop college verantwoording aflegt over de beleidsmatige en financiële uitvoering in het voorgaande jaar • Lid 1 gaat in op de informatieverstrekking over grondexploitaties; via het MeerjarenPerspectief Grondbeleid en een project view omgeving. • Lid 2 geeft een toelichting op de opbouw van de jaarstukken. • Lid 3 regelt voor welke afwijkingen op geautoriseerde lasten, baten en reservemutaties een toelichting in de jaarrekening wordt opgenomen. • Lid 4 bepaald dat als de raad bij het vaststellen van de jaarrekening decharge verleent aan het college ten aanzien van het verantwoorde financieel beheer. Dit houdt in dat de raad stelt dat het college het bestuurswerk voor dat jaar correct heeft achtergelaten en afgerond. De raad zal het college naderhand niet meer aanspreken op het gevoerde bestuur. • Lid 5 gaat in op situaties waarbij activiteiten waarvoor de gemeenteraad geld beschikbaar heeft gesteld nog niet (geheel) zijn uitgevoerd. Dit leidt tot een voordelig resultaat ten opzichte van de begroting, terwijl activiteiten in het volgende begrotingsjaar worden uitgevoerd. In dit lid is geregeld onder welke voorwaarden deze specifieke niet bestede budgetten mogen worden gereserveerd en rechtmatig kunnen worden besteed in het eerstvolgend jaar.
• Lid 6 en 7 geven de regels weer rondom bestemmen van een positief jaarrekeningresultaat. In de basis wordt het jaarrekeningresultaat aan de algemene reserve toegevoegd, omdat we streven naar 1 integraal afwegingsmoment. We willen voorkomen dat eerst bij de jaarrekening over aanwending van middelen wordt besloten en vervolgens korte tijd later bij de zomernota opnieuw financiële afwegingen worden gemaakt. Incidentele middelen zijn middelen die tijdelijk zijn toegekend voor activiteiten en die niet uit het komende jaarbudget kunnen worden bekostigd. • Lid 8 specificeert het detailniveau waarop het overzicht incidentele baten en lasten in de jaarrekening wordt opgenomen. • Lid 9 bepaalt dat in de jaarrekening een overzicht van de actuele status van taakstellingen is opgenomen. 1 keer per jaar bij de jaarrekening wordt dit overzicht integraal geactualiseerd. Vervolgens worden de eventuele financiële consequenties van deze actualisatie betrokken bij de zomernota en begroting. Artikel 10. EMU-saldo • Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald.
Maar het kan ook zijn dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt. • Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. • In lid 1 is opgenomen dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording • Lid 1: Het college is staatsrechtelijk en bestuurlijk verantwoordelijk voor de rechtmatigheid. Tot en met boekjaar 2022 was het de accountant die hierover verslag uitbrengt en het gesprek voert met de gemeenteraad. Vanaf boekjaar 2023 moet het college zelf een rechtmatigheidsverantwoording
•
•
opstellen, die opgenomen wordt in de jaarrekening. Deze verantwoording valt onder het getrouwheidsoordeel van de accountant. De accountant kijkt dus nog wel of de rechtmatigheidsverantwoording die het college aflegt juist is. Een belangrijke doelstelling van deze wetswijziging is te borgen dat colleges zich nog meer bewust zijn van hun verantwoordelijkheid te zorgen voor een goed financieel beheer, inclusief bijbehorende verordeningen. Aanvullend zullen gemeenten moeten borgen dat de administratieve processen en interne beheersing van goed niveau zijn. Bij de verantwoording over rechtmatigheid wordt gekeken naar negen criteria. Het college legt verantwoording af over alle negen criteria in de jaarrekening. Zie Kadernota rechtmatigheid voor de criteria en bijbehorende toelichting. De eerste zes criteria zijn niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze betreffen verantwoording met betrekking tot getrouwheid en rechtmatigheid. Ze komen tot uitdrukking in de balans en het overzicht van baten en lasten. Dit zijn het calculatiecriterium, valuteringcriterium, adresseringscriterium, volledigheidscriterium, aanvaardbaarheidscriterium en leveringscriterium. Daarnaast is er een aantal criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over rechtmatigheid.