Brief aan de raad
Tekst van het document
POSTADRES
Postbus 20 7500 AA ENSCHEDE
BEZOEKADRES
Langestraat 24 TELEFOONNUMER
Aan de Gemeenteraad
14053
DATUM
ONS KENMERK
BEHANDELD DOOR
3 juni 2021
2100050422
G.H. Oude Nijhuis
UW BRIEF VAN
UW KENMERK
DOORKIESNUMMER
(053) 481 80 78 ONDERWERP
Reactie Quick scan Gemeenterekening 2020 Geachte leden van de Raad, Onlangs heeft dhr. de Kruijf op verzoek van de rekenkamercommissie en de rekeningencommissie een Quick scan uitgevoerd op de Gemeenterekening 2020 en zijn bevindingen in een rapportage uitgebracht. Wij stellen de QuickScan erg op prijs en bedanken dhr. de Kruijf en uw rekenkamer- en rekeningencommissie hiervoor, aangezien de Quick scan behulpzaam is en bijdraagt aan een verdere verbetering van de gemeenterekening. De bevindingen uit de QuickScan zijn hieronder integraal opgenomen, aangevuld met onze reactie.
1. Inleiding Een commentaar schrijven bij een jaarrekening die fors is vertekend door een maatschappelijke crisis is lastig. Zonder de inzet van de reserves is het financieel resultaat van de gemeente Enschede met circa € 35 mln positief uitzonderlijk. Alleen in 2018, toen dank zij de extra bijdrage uit het noodfonds voor de jeugdzorg een resultaat van € 24 mln werd gerealiseerd, is iets vergelijkbaars zichtbaar. Het college licht dan bovendien toe (p. 255) dat het saldo van incidentele baten en lasten € 4 mln negatief is (meer lasten dan baten) waardoor het totaalbeeld structureel nog positiever lijkt te zijn. Een positief rekeningresultaat is voor de gemeente Enschede goed, zeker omdat het op korte termijn de reserves van de gemeente versterkt. Op landelijk niveau ontstaat mogelijk een vreemde situatie: enerzijds is het Rijk met grote tekorten geconfronteerd door alle coronamaatregelen, anderzijds lijkt Enschede niet de enige gemeente te zijn met positieve rekeningresultaten. Dat vraagt om alertheid van gemeenten in het debat met het Rijk over de structurele tekorten in de gemeentefinanciën. Het resultaat van gemeenten over 2020 komt eerder door onderbenutting van middelen en ruime tijdelijke compensatie van het Rijk dan door structurele beheersing van met name de lasten in het sociaal domein.
Reactie: Wij onderstrepen met dhr de Kruijf dat 2020 een uitzonderlijk jaar is geweest. Bij de begroting dachten we nog een fors beroep te moeten doen op de algemene reserve. Nadat de COVID-19 pandemie zich in het voorjaar verspreidde en we te maken kregen met vergaande beperkende maatregelen was er de vrees dat daar nog forse nadelen als gevolg van corona
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
2 / 15
bovenop zouden komen. De werkelijkheid bleek anders. Veel activiteiten konden als gevolg van corona niet uitgevoerd worden waardoor ook middelen onbesteed bleven. Daar waar zich wel forse financiele nadelen voordeden heeft het Rijk gemeenten goed gecompenseerd. En er deden zich ook grote plussen op de bijstand voor doordat budgetten vanuit het Rijk werden opgehoogd terwijl Enschede het in vergelijking met landelijk beter bleef doen. Per saldo maakt dit dat er een flink positief jaarresultaat 2020 ligt. Een resultaat dat daarmee wel hoofdzakelijk voortkomt uit incidentele effecten. De structurele problematiek rondom het tekort aan jeugdgelden en het gebrek aan middelen vanuit het Rijk om grote opgaven zoals de klimaatcrisis aan te pakken is onveranderd. We blijven ons, in VNG verband, inzetten om daar aandacht voor te vragen met als insteek een structurele ophoging van het gemeentefonds. Aan de lastenkant is de meest zichtbare afwijking van de oorspronkelijke begroting die voor de verstrekking van TOZO-uitkeringen. Bij de baten is de afwijking voor het gemeentefonds een belangrijke factor die voortkomt uit ongeveer € 1½ mld extra middelen van het rijk in verband met corona-compensatie en het bevriezen van de zogenaamde opschalingskorting. Deze extra middelen lijken vooralsnog incidenteel te zijn, zij het dat het college dat niet zo heel expliciet zichtbaar maakt.
Ook bij treasury (bestuur & financiën) en het ruimtelijk domein zijn relatief grote afwijkingen bij de baten te vinden. Reactie: Over de ontvangen corona-compensatie via het gemeentefonds is de raad tussentijds uitgebreid geinformeerd via raadsbrieven. Hieruit blijkt ook dat deze compensatie als incidenteel te beschouwen is. Bij de toelichting op de afwijking van de baten bij rente & treausury is aangegeven dat een groot bedrag samenhangt met de negatieve rente op de kasgeldleningen. Deze rente is ontvangen door de gemeente. In de begroting is deze post opgenomen als negatieve last. De ontvangsten zijn echter geboekt als bate. In totaliteit is slechts sprake van een geringe afwijking tussen de begrote negatieve lasten en de ontvangen baten over de kortlopende schulden.
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
3 / 15
Tabel 1: Gestandaardiseerd overzicht van baten en lasten op basis van taakvelden in € * 1 mln. Lasten Sociaal excl. Tozo
Baten
2019R
2020B
2020R
2021B
2019R
2020B
2020R
2021B
€ 374,7
€ 382,4
€ 385,2
€ 382,5
€ 111,6
€ 108,4
€ 115,7
€ 109,5
Sociaal-Tozo
€ 23,3
€ 23,4
Best. & Fin.
€ 123,5
€ 116,8
€ 114,3
€ 118,4
€ 55,9
€ 47,7
€ 52,8
€ 44,3
Fysiek & Economie
€ 63,7
€ 63,1
€ 66,4
€ 64,6
€ 24,7
€ 20,1
€ 25,5
€ 21,8
Maatschappelijk
€ 93,7
€ 96,3
€ 97,0
€ 98,7
€ 25,4
€ 24,9
€ 24,6
€ 24,8
Subtot. excl. Tozo
€ 655,6
€ 658,6
€ 662,9
€ 664,3
€ 217,6
€ 202,1
€ 218,6
€ 200,4
Afval & Riool
€ 41,5
€ 40,1
€ 41,7
€ 41,4
€ 46,5
€ 45,4
€ 47,5
€ 46,8
Grondexploitatie
€ 47,9
€ 21,8
€ 28,1
€ 17,1
€ 37,1
€ 20,0
€ 30,9
€ 16,1
Reserves
€ 59,4
€ 33,1
€ 55,7
€ 31,1
€ 74,3
€ 40,9
€ 30,4
€ 43,3
Lokale belastingen
-
-
-
-
€ 54,9
€ 56,0
€ 56,4
€ 56,7
Gemeentefonds
-
-
-
-
€ 383,3
€ 389,2
€ 414,7
€ 390,6
€ 804,4
€ 753,6
€ 811,8
€ 753,9
€ 813,7
€ 753,6
€ 821,9
€ 753,9
-
-
-
-
Totaal incl. Tozo Saldo
€ 9,3
€ 10,1
B= Begroting, R=Rekening
Opvallend is dat het totaal van lasten ten opzichte van de oorspronkelijke begroting voor het sociaal domein en voor het cluster ruimte, verkeer en economie toch nog stijgen. Reactie: Het verschil op het sociaal domein tussen de lasten in de begroting en gemeenterekening wordt vooral verklaard door de ontvangen middelen voor Corona, exclusief Tozo. Ten tijde van het opstellen van de begroting 2020 was er nog geen sprake van Corona. Bovendien wordt de vergelijking gemaakt ten opzichte van de oorspronkelijke begroting, terwijl tussentijds ook begrotingswijzigingen zijn doorgevoerd. Die wijzigingen, kunnen in belangrijke mate de stijging verklaren. In de volgende tabel wordt dit zichtbaar gemaakt voor de belangrijkste afwijkingen binnen de genoemde taakvelden van het cluster ruimte, verkeer en economie: taakvelden cluster ruimte, verkeer Begroting primair Begroting na wijziging Realisatie 2020 en economie lasten 2020 lasten 2020 stedelijke ontwikkeling 1.472 4.069 4.674 verkeerinfrastructuur/beleid
7.018
9.513
8.195
locatie-ontwikkeling
2.247
2.247
3.915
Bij stedelijke ontwikkeling wordt de stijging tussen de oorspronkelijke en de gewijzigde begroting vooral verklaard door de te ontvangen subsidie van het Rijk voor energiereductie (2,6 miljoen). Zowel de baten als lasten zijn met dat bedrag opgehoogd. Bij verkeerinfrastructuur en beleid is de jaarschijf 2020 uit het Mobiliteitsplan toegevoegd aan de oorspronkelijke begroting. Dit verklaart de stijging. Voor een nadere toelichting op de afwijkingen tussen de realisatie en de gewijzigde begroting wordt verwezen naar hoofdstuk 8.2. In de begroting 2021 stond een bezuinigingsmonitor die in dit jaarverslag ontbreekt. Het college maakt opmerkingen over nog niet ingevulde taakstellingen, maar die zijn verspreid over de tekst. In de inleiding (p. 9) zijn wat woorden aan de nog voorliggende opgaven gewijd, maar dat is vrij
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
4 / 15
abstract egeven dat in de vorige bezuinigingsmonitor nog circa € 6 mln taakstellingen voor het sociaal domein zijn genoemd naast bijna € 2 mln voor de bijstand en de veronderstelling dat het rijk bereid is om structureel meer geld voor jeugdzorg (ten minste € 300 mln) beschikbaar te stellen. De taakstellingen zijn niet alleen in het sociaal domein van belang, ook in het ruimtelijk domein komen niet ingevulde taakstellingen voor (p. 220). Zie voor de ontwikkelingen in het sociaal domein in meer detail ook de bijlage. Reactie: De bezuinigingsmonitor wordt 2 maal per jaar geactualiseerd, bij de zomernota en bij de begroting. Op die momenten wordt getoetst in hoeverre voorgenomen bezuinigingen zijn ingevuld / in te vullen. De financiele uitwerking daarvan kan dan worden meegenomen in de integrale afwegingen, die bij deze IPC producten worden gemaakt. Gezien het bovenstaande is de scenario-analyse op het weerstandsvermogen, uitgaande van weerstandsvermogen zonder stille reserves, een belangrijke indicator voor de financiële ruimte die beschikbaar is om tegenvallers op te vangen. In de berekening van het benodigd risicovermogen zit nu marge voor niet meer volledig vergoeden van corona-risico’s, maar ook € 3,6 mln voor het risico van wegvallen van de tot nu toe tijdelijke extra middelen voor jeugdzorg (p. 123).
Gezien de onzekerheden en de bijzondere omstandigheden in 2020 en ook nog in 2021 is het aan te bevelen om bij zomernota 2021 een actualisatie van de wettelijk voorgeschreven financiële kengetallen mee te nemen. Daarnaast is wellicht een actualisatie van de berekening van de weerstandsratio op basis van actuele inzichten over 20211 nodig. In de zomernota 2019 en de Coronanota 2020 stonden overigens wel opmerkingen over weerstandsvermogen, maar geen geactualiseerde informatie rondom de financiële kengetallen. Gezien de lopende politieke discussies over investeren in de stad kan het opnemen van de wettelijke financiële kengetallen ook houvast bieden voor de financiële ruimte die er is. Reactie: Dhr de Kruijf maakt u attent op de financiele kengetallen die in de jaarrekening de eindstand betreffen op 31-12-2020. Bij de afwegingen in de zomernota 2021 starten we de integrale afweging obv de financiele situatie 1-1-2022. Daar zit dan het begrotingsjaar 2021 dus nog tussen. In 2021 is bij de voorgaande begroting een negatief saldo middelenkader begroot van -18,3 miljoen euro. Dat maakt ook dat waar de weerstandsratio in de jaarrekening voor 3112-2020 op 2,3 staat (inclusief stille reserves), deze bij de zomernota voor 1-1-2022 op 1,7 begint (inclusief stille reserves). Exclusief stille reserves is dat 1,5.
Een actualisatie van de overige financiële kengetallen is bij de zomernota niet mogelijk, omdat de onderliggende gegevens over exploitatie- en balansstanden dan nog niet beschikbaar zijn. Bij de begroting zijn deze kengetallen wel geactualiseerd. In het zomernota document zal de tussenstand van de weerstandsratio voor 2021 wel worden opgenomen. Dit betreft een actuele prognose waar we voor 2021 op denken uit te komen. Dit inzicht kan meegewogen worden in de integrale afwegingen bij de zomernota.
1 Vooral van belang als er gesignaleerde risico’s voor boekjaar 2021 en verder zijn die nog niet
in de huidige berekeningen zijn meegenomen
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
5 / 15
2. Analyse van het resultaat De indeling van de begroting met de verschillende producten is een gegeven. In het inhoudelijke deel van de verantwoording ontbreekt het aan een duiding van incidentele en structurele afwijkingen bij de bespreking van de programma’s zelf. Dit kan van belang zijn voor minder stuurbare budgetten zoals in het sociaal domein. Raadsleden hoeven dan niet in de technische details van de cijfers te zoeken naar verklaringen van afwijkingen. Illustratief is dat lasten voor bijstand (exclusief Tozo) lager liggen dan de oorspronkelijke begroting, die voor WMO als geheel lager terwijl die voor arbeidsparticipatie juist hoger liggen dan de oorspronkelijke begroting. Is in de context van Covid een daling van het beroep op bijstand of een voordeel op bijzondere bijstand (€ 0,8 mln, p. 226) een positieve ontwikkeling? Opvallend is ook dat het college voorstelt om een stelpost bijstand van € 1, 8 mln (p. 224) nu vrij te laten vallen. Reactie: De coronacrisis heeft niet geleid tot een boeggolf aan extra aanvragen algemene bijstand of bijzondere bijstand. Wel zien we in 2020 een stijging van algemene bijstand, echter minder dan bij andere grotere gemeenten, en doordat het Rijk in 2020 een uitzonderlijke bijstelling van het macrobudget heeft gedaan, leidt dit mede tot een positief financieel resultaat.
Hierdoor kan de stelpost (of buffer) bedoeld voor het opvangen van de fluctuaties in de gebundelde uitkeringen voor Algemene Bijstand vrijvallen. Ten aanzien van de bijzondere bijstand is er sprake van minder aanvragen. Mogelijk leidt meer thuisblijven tot minder uitgaven en daardoor minder beroep op Bijzondere Bijstand. Er is ook nog veel onzekerheid. De consequenties van het stopzetten van de steunmaatregelen van de overheid zijn nog niet in te schatten. En dit leidt mogelijk tot een toename aan aanvragen voor ondersteuning op allerlei gebieden in het sociaal domein. Aan de andere kant zien we ook dat de arbeidsmarkt weer aan het aantrekken is. Een tweede punt betreft data-gebruik en data-analyse. Het college merkt hier zelf over op dat datagedreven werken nogal stroef verloopt (p. 142). Het is opvallend dat in de teksten nogal voorzichtig is geformuleerd waar het om verklaringen van verschillen gaat. Dit roept vragen op over de wijze waarop gedurende het jaar monitoring plaatsvindt op volume-ontwikkelingen in het sociaal domein of op doorlooptijden. Juist in het sociaal domein is bovenop de gegevens zitten van belang om in overleg met de uitvoerende organisaties snel signalen te kunnen oppikken over ontwikkelingen en daar op bij te sturen. Ter illustratie: bij de WMO is sprake van lagere lasten (p. 67).
Onduidelijk blijft of dat door beleid of door effecten van corona is veroorzaakt. Ter indicatie: CBS-data van 18 mei 2021 laten zien dat in 2020 in Enschede niet alleen de instroom WMO-maatwerkarrangementen met circa 40% is gedaald, maar ook dat de uitstroom voor het eerst sinds 2015 hoger ligt dan de instroom. Dit soort informatie komt uiteindelijk via de gemeentelijke systemen in landelijke systemen terecht en men mag verwachten dat lokaal en regionaal data-analyse sneller kan, zeker wanneer in regionaal verband wordt samengewerkt en een kennisinstituut bestaat. Het college geeft overigens op pagina 70 ook aan zorgen te hebben over resultaten in het sociaal domein. Soortgelijke voorbeelden zijn te vinden over Veilig Thuis Twente (p. 74), over tweedelijns Jeugdzorg (p. 227) of over de ontwikkeling van het aantal MBO geschoolden (p. 80).
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
6 / 15
Reactie: Data-analyse en datagedreven werken is alleen mogelijk als de volledige informatie beschikbaar is. De gemeente beschikt over de data, die zij aanlevert bij het CBS en analyseert deze data voortdurend. Deze informatie gaat over alle geïndiceerde maatwerkvoorzieningen. Bij deze informatie is op voorzieningenniveau een analyse te maken over de ontwikkelingen. Uitstroom uit een geïndiceerde maatwerkvoorziening betekent ook dat de informatie over deze persoon niet meer bekend is bij de gemeente. De gemeente zet in op normalisering en meer collectieve voorzieningen met een laagdrempelige toegang en lage administratieve lasten. De gemeente registreert niet op persoonsniveau wie gebruik maakt van deze voorzieningen. Daarmee ontbreekt dus data over inwoners die geholpen worden met een normale of laagdrempelige oplossing. Een derde punt in de programmaverantwoording is het verschaffen van meer inzicht in geldstromen naar belangrijke samenwerkingspartners. Nu staat er alleen in een overzicht van acties dat de bijdrage van bijvoorbeeld Sportaal (p. 82) positief is en is hooguit via de paragraaf verbonden partijen (p. 151) terug te vinden dat van de € 15,7 mln lasten voor Sport en Gezondheid (p. 96) er € 7,3 mln naar Sportaal gaat. Een soortgelijke opmerking raakt de geformuleerde acties in de verschillende programma’s. Bijvoorbeeld rondom de implementatie van de omgevingswet.
Daar staat dat de doelstelling ‘conform verwachting’ is gerealiseerd (p. 23), maar wat ontbreekt is een beeld of het systeem dan ook werkt. Er zijn in de pers te veel signalen dat er met de voorbereiding van de omgevingswet problemen zijn. Dat de spreekwoordelijke stekker in het stopcontact zit wil nog niet zeggen dat het apparaat ook werkt zoals je wenst. Een ander voorbeeld staat op pagina 25: ‘we zetten in op bewustwording bij een bredere doelgroep’ (over ondermijnende criminaliteit). Of: ‘we zetten in op versterking van het fietsklimaat’ (p. 39). Mooi en zinvol, maar wanneer stopt zoiets, wanneer is het college/de raad tevreden en is afschalen van de huidige intensivering mogelijk? De meer algemene boodschap is dat wellicht ter voorbereiding op de volgende raadsperiode nog een keer aandacht nodig is voor meer samenhang tussen inhoudelijke en financiële verantwoording in het programma-deel van de begroting en rekening. Reactie:: Dhr de Kruijf maakt terechte opmerkingen over het SMART (specifiek, meetbaar, actiegericht, resultaatgericht en tijdsgebonden) maken van indicatoren en acties. Onlangs is een verbetertraject gestart voor onze gemeentebegroting welke gericht is op het doorvoeren van concrete verbeteringen in de begroting in aanloop naar de volgende raadsperiode. Dit zal daarin meegenomen worden.
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
7 / 15
3. Financiële positie en vooruitblik In paragraaf 1 is al iets gezegd over de weerstandsratio. Door de meevallers afgelopen jaar is de weerstandsratio hoog, zij het dat ook het college daar de nodige kanttekeningen bij maakt. In deze paragraaf is aandacht voor het investeringsperspectief vanuit de jaarrekening met een aantal opmerkingen die ook in de toekomst relevant zijn. Om te beginnen maakt het college op meerdere plaatsen opmerkingen over achterlopende planningen in het ruimtelijk domein. Expliciete voorbeelden gaan over Centrumkwadraat, Cromhoffspark (p. 50), clustering van sportvelden (p. 234) en in meer algemene zin over capaciteit en focus op pagina 35. De hoofdlijn is dat vertragingen ontstaan door capaciteitsproblemen en als gevolg daarvan hogere plankosten. Er zit een spanning tussen de vraag naar versnelling van de woningbouw vanwege de huidige tekorten op de woningmarkt in Nederland en de beschikbare capaciteit. Capaciteitsgebrek speelt een rol zowel voor de taken die de gemeente uitvoert als voor de feitelijke realisatie van projecten. De woningbouw heeft te maken met steeds hogere bouwkosten door schaarste op zowel de grondstoffen- als op de arbeidsmarkt. Nu extra inzetten op locatie-onwikkeling verhoogt de druk op de markt nog verder terwijl het tegelijkertijd maatschappelijk niet is uit te leggen dat er geen woningbouwlocaties beschikbaar komen.
In principe zou je als overheid willen dat je juist tegen de economische cyclus in gaat investeren: dus ontwikkelingen starten wanneer het economisch wat minder gaat zodat er voldoende capaciteit is om plannen te realiseren. Alhoewel dit de huidige problematiek niet oplost, is het wel een thema dat op een meer strategische agenda van raad en college zou passen. Reactie: Hier wordt een terechte constatering aangekaart. Helaas heeft Enschede als gevolg van de forse afboekingen op grond in de vorige crisis en daarna de grote financiele druk die is ontstaan na de decentralisatie van het sociaal domein en diverse kortingen op de rijksuitkering (oa opschalingskorting) de afgelopen jaren fors moeten bezuinigen. Dit om de financiele positie op orde te brengen en te houden. Dit is onder andere ook ten koste gegaan van de plancapaciteit voor stedelijke ontwikkeling. De huidige bezetting is dan ook geschaald op het niveau van de vorige crisis en we merken dan ook dat als de economie aantrekt en de mogelijkheden en vraag naar stedelijke ontwikkeling toeneemt we daar onvoldoende in mee kunnen bewegen omdat er simpelweg onvoldoende capaciteit beschikbaar is. Feitelijk ligt hier een beleidsmatige vraag voor of het wenselijk is om op het gebied van gebiedontwikkeling, projectontwikkeling, stadsingenieurs & ontwerp niet meer met een standaardbezetting te gaan werken.
Dit zodat ook in perioden van laagconjunctuur doorgewerkt kan worden aan plannen en projecten. We zullen deze overweging betrekken bij de zomernota afweging. Met de investeringsagenda maken we overigens nu een eerste aanzet om structureel en incidenteel financiële middelen vrij te spelen in de gemeentebegroting, ook om anti-cyclisch te kunnen investeren. De investeringsagenda is daarmee een thema dat we via College nu ook naar de gemeenteraad brengen en op de agenda komt van de raad. Vanuit financieel perspectief kan het toegevoegde waarde hebben om ook in termen van beschikbare banksaldi te denken. Landelijk ligt vast dat gemeenten een overzicht moeten geven van het zogenaamde EMU-saldo. In de jaarrekening is dit overzicht beschikbaar (p. 191), maar het zorgt niet voor een directe koppeling tussen de verandering in de banksaldi en de financiële transacties gedurende een jaar. Daardoor is interpretatie lastig. De gemeente Utrecht, maar ook een kleinere gemeente als Winterswijk, maakt een kasstroom overzicht waarin die aansluiting wel beschikbaar is. U ziet dan veel sneller de relatie tussen financieel resultaat, totaal gerealiseerde investeringsuitgaven en de veranderingen in de leningenportefeuille door aflossingen en nieuw opgenomen leningen. Kort gezegd komt het er op neer dat u dan ook kunt zien of er voor de gewone taakuitvoering van de gemeente geleend moest worden.
In de bijlage is een vereenvoudigd voorbeeld opgenomen.
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
8 / 15
Uit het huidige overzicht EMU-saldo is nog wel af te leiden dat de afschrijvingen op zichzelf niet voldoende zijn geweest (€ 22,5 mln tegenover € 25,6 mln investeringen excl. grond) om de investeringen te kunnen financieren. Anders gezegd: zonder meevallende kasstromen elders is lenen voor investeringen nodig. Dat hoeft niet problematisch te zijn, zolang er in de reguliere begroting ruimte is om de rente- en afschrijvingslasten daarvan te dragen. Hierbij speelt het onderscheid tussen grondexploitatie die in principe niet tot kapitaallasten in de begroting leidt en overige investeringen waar dat wel het geval is een rol.2 Omdat het overzicht EMU-saldo in de meerjaren-gegevens 2021-2024 niet is geactualiseerd op basis van de huidige inzichten (hoeft ook niet in de jaarrekening) valt te overwegen om bij de zomernota een overzicht van de kasstromen of EMU-saldi te geven. Juist nu is dat van belang omdat het zicht op de reguliere begroting wordt bemoeilijkt door de diverse rijksbijdragen die verband houden met corona. Reactie: Bij de zomernota is het nog niet mogelijk om een dergelijk overzicht EMU-saldo te presenteren door het ontbreken van gegevens. In de begroting wordt het EMU-overzicht wel geactualiseerd en rekening gehouden met benodigde financiering voor investeringen op basis van de dan voorliggende investeringsplanning en geprognotiseerde balans.
Inderdaad is in 2020 sprake geweest van rijksbijdragen voor de gevolgen van het coronavirus. Deze geldstromen waren overigens niet zodanig groot dat sprake was van grote afwijkingen op de begrote rentelasten of de stand van de liquide middelen. Naast deze algemene opmerkingen zijn er twee meer concrete opmerkingen te maken bij de verantwoording op het ruimtelijk domein. In de eerste plaats valt op dat de grondpositie van de gemeente min of meer aangeeft dat er nauwelijks meer locaties beschikbaar zijn voor woningbouw (p. 160). Groei moet daarmee komen uit ofwel nieuwe gemeentelijke grondexploitaties of vanuit particulier initiatief. De tweede opmerking heeft te maken met subsidiestromen die vanuit het Rijk (of de provincie) beschikbaar komen om maatschappelijke doelstellingen, waaronder voor wonen, tot stand te brengen. Het college heeft naar aanleiding van opmerkingen vanuit de Rekenkamercommissie (zie p. 164) een overzicht gemaakt van verkregen subsidies. Dat biedt inzicht. Tegelijkertijd geldt dat vertragingen in de procedures er toe kunnen leiden dat subsidies uiteindelijk niet beschikbaar komen omdat niet meer aan de subsidievoorwaarden is voldaan. Uit de voorliggende stukken is geen informatie te halen waar risico’s zijn op het niet kunnen voldoen aan subisidevoorwaarden.
Hier is wellicht meer aandacht voor nodig, zeker wanneer subsidies als baten in de begroting of jaarrekening zijn opgenomen. Een mogelijke aanwijzing voor knelpunten rondom subsidies is een opmerking over een niet ontvangen subsidie over rioleringsprojecten op pagina 219. Over deze subsidie van € 1,7 mln is alleen gemeld dat die wel was begroot maar niet is ontvangen, zonder toelichting waarom dat het geval is. Reactie: Het klopt dat in het huidige MPG onvoldoende locaties beschikbaar zijn om de gewenste groei van de stad te kunnen realiseren. Groei moet inderdaad uit nieuwe gemeentelijke grondexploitaties of particuliere initiatieven komen. Daarbij maken we via de bouwimpuls al concreet gebruik van deze mogelijkheden maar ook andere subsidiebronnen worden voortdurend verkend. Risico op vertraging in de procedures en daardoor niet kunnen voldoen aan de subsidievoorwaarden wordt voor de grondexploitaties meegenomen in de risico-analyse van het MPG.
2 Bij een grondexploitatie geldt als de grondexploitatie kostendekkend is dat de lasten wel voor
de baten uitgaan maar dat die op de balans terecht komen totdat de grond wordt verkocht. Bij andere investeringen ontstaan afschrijvingen en rentelasten die binnen de beschikbare begrotingsruimte moeten passen.
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
9 / 15
4. Kleinere opmerkingen Tot slot van deze quick scan puntsgewijs een aantal opmerkingen naar aanleiding van specifieke tekstpassages die aandacht verdienen. De opsomming is geordend op basis van de eerste pagina in de tekst waar het onderwerp aan bod komt. 1. Op p. 68 staat een opmerking over het wegwerken van de achterstanden bij WMOaanvragen en vervolgens dat burgers zelf oplossingen voor een ondersteuningsvraag hebben gevonden. Dat roept de vraag op wat er te leren valt van de gevallen waar burgers zelf een oplossing hebben gevonden. Reactie: Op pagina 68 wordt inderdaad de koppeling gemaakt met het project werkvoorraad WMO. Er wordt vermeld dat wij met de ervaringen van het project hebben geleerd welke maatregelen we kunnen nemen om het werkproces structureel te verbeteren waardoor wachttijden kunnen worden verkort. Ook zagen we dat door de wachttijden inwoners tot eigen oplossingen zijn gekomen en of er al wel zorg en ondersteuning was ingezet. Dat er zelf oplossingen zijn gezocht heeft ook te maken gehad met de coronasituatie in het algemeen. Er werd wel een indicatie afgegeven, maar deze kon nog niet geeffectueerd worden (zorgaanbieders konden niet komen, dagbesteding gesloten of beperkt open). Mensen waren begripvoller en konden dealen met de situatie (het vraagstuk was niet meer zo acuut).
En het komt soms voor dat mensen die lang moeten wachten zich uiteindelijk wel kunnen redden. Dat zou mogelijk ook de conclusie zijn geweest als het tot een inhoudelijke beoordeling zou zijn gekomen. Wat valt er te leren van de gevallen waar burgers zelf een oplossing hebben gevonden? De beantwoording zit wellicht in de vraag: Kan “rust / stabiliseren” bijdragen aan het eigen oplossingsvermogen van de burgers? Deze constatering is niet nieuw en soms ook wel eng, denk aan de werkelijke spoed. Maar durven we er over na te denken en te verwerken in onze oplossing/werkproces? Dat is misschien het leerpunt en de uitdaging. 2. Op pagina 109 is een reeks verplichte kengetallen opgenomen waaronder die voor de ambtelijke organisatie. Het verschil tussen het kengetal formatie (7½ per 1.000 inwoners) en bezetting (9½ per 1.000 inwoners) komt niet plausibel over: vertaald naar 150.000 inwoners gaat dit om een verschil tussen formatie en bezetting van 300 FTE. Bovendien staat vervolgens op p. 111 dat er een positief resultaat van € 2 mln is op interne dienstverlening, mede als gevolg van niet invullen van vacatures (€ 0,7 mln, p. 225). Dat lijkt strijdig met elkaar. Op pagina 175 staat vervolgens dat de kosten van de overhead € 5½ mln lager zijn dan begroot. Voor de verklaring van die afwijking staan her en der in de tekst verwijzingen.
Wellicht is het beter om de integrale toelichting op overhead en totale kosten van de organisatie bijeen te brengen in de paragraaf over bedrijfsvoering. Reactie: Belangrijk is in deze constatering twee zaken te onderscheiden. Enerzijds het verschil tussen de formatie en de bezetting en anderzijds het verschil tussen formatie/bezetting in relatie tot de beschikbare budgetten. Het verschil tussen formatie en bezetting heeft te maken met het feit dat niet aan alle medewerkers een formatieplaats is gekoppeld. Dat is het geval wanneer er wordt ingehuurd voor specifieke opdrachten op projecten bijvoorbeeld, of in geval van ziekte (vervanging van een zieke medewerker betekent een bezetting van 2 personen op 1 formatieplaats). Of voor vaste medewerkers die worden gefinancierd uit door het Rijk specifiek beschikbaar gestelde middelen (participatiebudget of andere gerichte projectfinanciering bijvoorbeeld) en voor medewerkers die eigen inkomsten uit werkzaamheden moeten genereren (bijvoorbeeld detacheringen of “niet adgefinancierde” projectmedewerkers). Deze medewerkers staan dus wel op het
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
10 / 15
bezettingsoverzicht, maar hebben geen formatieplaats. Dat is de reden waarom de bezetting altijd hoger is dan de formatie. Dat staat los van de aanwezige financiële dekking, die er voor deze medewerkers dus wel is. Dekking voor personele inzet bestaat uit toegewezen budgetten afgeleid vanuit de formatie enerzijds en daarnaast uit reguliere en tijdelijke geldstromen vanuit het rijk, lagere overheden en andere instanties. Op het totaal van deze budgetten wordt door de organisatie gestuurd. Waarbij het kan voorkomen dat de werkelijke uitputting afwijkt. In de jaarrekening is, zoals geconstateerd, op een enkele plaats het budget inderdaad niet volledig aangewend.. 3. Er is sprake van een toename van kwijtschelding afvalstoffenheffing en rioolheffing (p. 114). Dat vraagt nadere beoordeling vanuit het perspectief of dit nu een toename van het aantal bijstandsgerechtigden en anderen met lage inkomens in de kaartenbakken van de gemeente raakt of dat er juist sprake is van nieuwe groepen die een beroep op deze regelingen doen i.v.m. corona. Die analyse is mede bepalend voor de noodzaak om de raming voor komende jaren al dan niet aan te passen. Opvallend is ook dat de verantwoording over de kostendekkendheid van heffingen (p. 117) precies sluitend is.
Dat is voor een nacalculatie niet plausibel, al is het maar vanwege de daling van grondstofprijzen en de stijging van het bedrag aan kwijtscheldingen. Reactie: De geadviseerde analyse maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van de berekening voor de gemeentebegroting 2022, maar vindt overigens op een iets hoger abstractieniveau plaats. De reden daarvan heeft te maken met kosten-batenanalyse in relatie tot de verwachte zekerheid in relatie tot veel andere onzekere factoren. Zoals bijvoorbeeld de naijl-effecten van Corona. Doordat de gemeente Enschede voor de afvalstoffenheffing en rioolheffing werkt met gesloten systemen en de plussen en minnen op het product verrekend worden met de voorziening ontstaat er op totaal niveau 100% kostendekkendheid in de jaarrekening. Voor een nacalculatie dient dus dieper in het product gekeken te worden. 4. Opvallend is de sterke toename van de rentetoerekening aan grondexploitaties (p. 137) als gevolg van hogere rekenrente. Maar de sprong is wel erg groot, globaal een factor 3, daar zou toch meer verklaring achter moeten zitten? Reactie: De toename van de rentetoerekening aan de grondexploitaties wordt enerzijds veroorzaakt door een hogere rekenrente (2,57% tegenover 2,46% begroot) maar anderzijds door een hogere boekwaarde grondbedrijf dan waarop de renteberekening was gebaseerd.
De actualisatie van het renteresultaat vindt al plaats bij het opstellen van de Zomernota jaarlijks. Daarbij is de geprognotiseerde balans voor het komende begrotingsjaar nog niet gereed dus wordt de balans uit de vorige begroting benut waardoor afwijkingen ontstaan.. 5. In de paragraaf verbonden partijen (p. 149) valt op dat het risicoprofiel van Twente Mileu toeneemt van ‘midden’ naar ‘hoog’. Er is geen verklaring gegeven. Reactie: het risicoprofiel van Twente Milieu is niet verhoogd van midden naar hoog. De risicoscores zijn ongewijzigd ten opzichte van de gemeentebegroting 2021. De uitvraag bij de verbonden partijen wordt jaarlijks eenmaal gedaan. Er is een fout gemaakt in de opgenomen tabel. 6. Riolering. In de teksten op pagina 183/184 is sprake van afboekingen op de boekwaarde van investeringen in rioleringen in 2020. Dat bedrag is ongeveer 25% van de totale balanspost. Vervolgens blijkt op pagina 196 dat hier sprake lijkt te zijn van dekking van investeringen uit de voorziening onderhoud riolen voor de perioden 2018-2020. Deze bevinding roept twee vragen op. Ten eerste de fragmentering van informatie: waarom staat de gehele uitleg niet op een plaats met vervolgens een verwijzing in plaats van op meerdere
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
11 / 15
plaatsen. Ten tweede: wat zegt het feit dat anno 2020 feitelijk correcties op de jaarrekeningen 2018 en 2019 worden uitgevoerd over de alertheid van het beheer van de activaadministratie? Het zou logisch zijn geweest wanneer de mutaties direct per jaareinde hadden plaatsgevonden. Reactie: Er is voor 2016-2020 GRP gekozen voor risico gestuurd werken, waardoor de voorziening voorzichtigheidshalve niet al eerder dan 2020 is benut. 7. Op dezelfde pagina 183 staat een opmerking over desinvesteringen in schoolgebouwen. Onduidelijk blijft wat dit precies inhoudt: verkopen, sloop of afwaarderen van installaties? Reactie: Dit betreft zowel sloop als verkoop. Eén schoolgebouw is gesloopt en één gebouw is verkocht. 8. Onder kortlopende schulden valt op dat de verplichtingen voor jeugdzorg (p. 198) oplopen van circa € 3 mln bij de jaarrekening 2019 naar bijna € 12 mln bij de jaarrekening 2020. Corona heeft wellicht gevolgen voor het beroep op jeugdzorg, maar waarom werkt dat ook door in de openstaande verplichtingen van de gemeente? Reactie: De 11,8 miljoen betreft een verplichting voor het sociaal domein en betreft niet alleen jeugdzorg. In de versie naar de Raad is dit aangepast. In 2019 was 9,4 miljoen aan verplichtingen voor het sociaal domein opgenomen. 9.
Bij de jaarrekening van de Veiligheidsregio 2020 is in de quick scan over gemeenschappelijke regelingen een opmerking gemaakt over de toename van de niet uit de balans blijkende verplichtingen. De Enschedese jaarrekening (p. 202) benoemt geen bedragen over niet uit de balans blijkende verplichtingen, waardoor ook niet is te beoordelen hoe dit zich verhoudt tot de totale balanspositie. Reactie: De niet uit de balans blijkende verplichtingen bestaan bij de gemeente uit de categorieën gewaarborgde geldleningen (garanties), arbeidsgerelateerde verplichtingen (niet opgenomen verlof) en overige aan de bedrijfsvoering verbonden verplichtingen (bijv. huur- en onderhoudsovereenkomsten). De eerste twee categorieën zijn vanaf pagina 201 toegelicht en van een bedrag voorzien. Bij de hieronder begrepen garanties WSW (Waarborgfonds Sociale Woningbouw landelijk ca 1,3 miljard euro) en WEW (Waarborgfonds Eigen Woningen ca. 81 miljoen euro) fungeert de gemeente als achtervang, en is het risico voor de gemeente beperkt. De derde categorie met de gebruikelijke bedrijfsvoeringsverplichtingen is niet nader toegelicht met bedragen en leveren ook geen verhoogd risico op. 10. Omdat de overzichten met verschillen bij producten en de toelichtingen op de verschillen vaak ver uit elkaar staan (hoofdstuk 8.2) is het soms lastig om te beoordelen hoe belangrijk een afwijking nu is.
Bijvoorbeeld bij wijkteams is een afwijking genoemd van € 130 duizend (p. 231). Bij terugbladeren naar pagina 222 blijkt dat dit een afwijking van 1% is. Wellicht is er ruimte om iets meer aandacht te besteden aan de relatieve omvang van afwijkingen bij de verschillende producten. Reactie: Wij begrijpen dat dit de leesbaarheid van de toelichtingen kan vergroten en zullen de mogelijkheden onderzoeken. 11. Op pagina 231 staat een opmerking over het innen van eigen bijdragen door het CAK. Dat gaat niet goed en roept meerdere vragen op. In de eerste plaats is de vraag of het college in de baten rekening heeft gehouden met eigen bijdragen voor het gehele jaar 2020, los van de compensatie die het rijk heeft gegeven voor de maanden april en mei. Zo ja, hoe groot is het risico dat wanneer het CAK alsnog tot vordering overgaat feitelijk sprake is van oninbaarheid omdat betrokkenen de gestapelde rekening niet kunnen betalen? De derde vraag is meer fundamenteel. Is er in VNG verband overleg om de uitvoeringskwaliteit van landelijke
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
12 / 15
organisaties aan te kaarten? Niet alleen het CAK is problematisch, maar ook SVB heeft nog steeds moeite met de PGB-afwikkeling. Is er bijvoorbeeld ruimte om GBTwente en aanverwante organisaties in ieder geval voor de eigen bijdragen zorg de taken van het CAK te laten overnemen? Of wordt het tijd om het rijk een schadevergoeding te vragen wegens oninbaarheid van vorderingen of het stelsel van eigen bijdragen af te schaffen onder gelijktijdige aanpassing van de rijksbijdrage sociaal domein? Reactie: Het college heeft in de baten rekening gehouden met de werkelijk ontvangen eigen bijdrage voor het gehele jaar 2020. In de maanden april en mei 2020 is de eigen bijdrage kwijt gescholden door de minister van VWS. Hiervoor zijn gemeenten apart gecompenseerd via het gemeentefonds. Het CAK int de eigen bijdrage bij de inwoners, er bestaat altijd een risico dat eigen bijdragen niet kunnen worden geïnd. Inwoners die de bijdrage niet kunnen betalen kunnen met het CAK een betalingsregeling afspreken. Niet geïnde eigen bijdragen over 2020 worden in 2021 geïnd. Het CAK is bij wet aangesteld om de bijdragen te innen. Dit is een verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid die niet overgenomen kan worden door bijvoorbeeld het GBT. VNG heeft regelmatig gesprekken met het Rijk over de inning van het abonnementstarief en daarbij ook haar zorgen geuit. 12.
Op verschillende plaatsen in de tekst komen verklaringen voor waarin mee- of tegenvallers in de baten zijn gepresenteerd als veranderingen in de lasten. Voorbeelden hiervan zijn de uitname uit het gemeentefonds voor hulpmiddelen die via de WLZ worden betaald (p. 230). Hierdoor daalt de omvang van het gemeentefonds (en dus de baten voor de gemeente). Iets dergelijks is ook te zien bij het bevriezen van de opschalingskorting in het gemeentefonds (p. 233). Die leidt er toe dat het gemeentefonds in 2020 tijdelijk een groter volume krijgt (p. 233). Een ander voorbeeld is de post WSW-subsidie als lagere lasten verantwoorden in plaats van als hogere baten of de suggestie die wordt gewekt dat meer geld beschikbaar stellen voor vrouwenopvang (p. 233) ook automatisch tot meer lasten leidt. Het kan zijn dat de verklaring ligt bij de formuleringen in het jaarverslag, maar het zou voor de begrijpelijkheid beter zijn om baten en lasten scherper (administratief) te onderscheiden dan nu het geval lijkt te zijn. Reactie: Het komt inderdaad voor dat mee- of tegenvallers in de baten een verklaring kunnen zijn voor afwijkingen op de lasten, doordat bijvoorbeeld een extra bate van het rijk niet meer tot besteding in het lopende jaar leidt of niet benodigd is, terwijl deze wel tot een verhoging van het lastenbudget heeft geleid.
De afwijking op de baten en lasten van de vermelde budgetten hangt dan samen met hoe de opbrengsten vanuit het gemeentefonds worden begroot. Alle mutaties op het gemeentefonds worden verwerkt in de baten in het product algemene uitkering. Zo sluiten de totale baten op dat product aan bij de uitkeringen die zijn ontvangen van het rijk. Vervolgens worden de gelden, die via de algemene uitkeringen voor extra taken of kortingen op taken, in de budgetten bij de programma’s verwerkt op de lasten in de begroting (dit zijn de zogenaamde taakmutaties). Hiermee is voor het programma duidelijk hoeveel budget beschikbaar is voor deze taken, zoals o.a. WMO en vrouwenopvang. In de jaarrekening wordt vervolgens gerapporteerd over de afwijking op deze beschikbare budgetten. Als dus niet het hele budget is besteed, dan betekent dit een voordeel op de lasten. Wij kunnen ons voorstellen dat de teksten in de jaarrekening soms tot vragen leiden. 13. In de quick scan bij de jaarrekening 2019 is een opmerking gemaakt over onderwijsachterstandenbeleid. De antwoorden van het college op die opmerking duidden toen op incidentele ontwikkelingen. Ook in 2020 is er weer sprake van onderbesteding (p.
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
13 / 15
232), in het bijzonder opnieuw bij de scholen. Dat punt lijkt een herhaling van 2019 te zijn. Wellicht is er aanleiding tot een evaluatie van het gevoerde beleid. Reactie: Over de invulling van het onderwijsachterstandenbeleid vindt met grote regelmaat afstemming plaats met de onderwijs- en kinderopvangorganisaties. Het punt van onderbesteding wordt deels veroorzaakt doordat organisaties de toegekende subsidies niet volledig verzilveren. Wij zijn hierover reeds met organisaties in gesprek om de bevoorschotting en beschikkingen eerder in het jaar al aan te passen. Bij de onderbesteding door scholen en kinderopvang speelde ook mee dat vanwege corona activiteiten zijn geannuleerd of in kleinere vorm zijn uitgevoerd. Verder speelt mee dat pas in september van het lopende jaar definitief bekend wordt welke bijdrage de gemeente van het rijk voor dat jaar krijgt. In 2020 viel de door het rijk verstrekte definitieve beschikking 246.000 euro hoger uit dan de voorlopige beschikking die een jaar eerder was verstrekt (en de basis vormt voor ons bestedingsplan). 14. Het vrijvallen van de stelpost onvoorzien is plausibel (p. 238), maar geldt dat ook voor de stelpost loon-prijscompensatie? Nu valt looncompensatie wellicht mee, maar als er met een stelpost is gerekend kan het in latere jaren ook tegenvallen.
Waarom is er geen reserve gevormd om een toekomstige tegenvaller op dit onderwerp op te kunnen vangen? Bij een gemiddelde ontwikkeling van de loonsom zou een reserve van 2½% van de loonsom (€ 2½3 mln) denkbaar kunnen zijn. Eerder is ook een opmerking gemaakt over het vrijvallen van een stelpost bij de bijstand (zie paragraaf 2). Reactie: In het debat rondom de discussienota financieel beleid is al gedeeld, dat we de afgelopen jaren vaak te maken hebben gehad met knelpunten bij de zomernota vanwege een te behoudende raming prijs- en loonstijgingen in onze meerjarenbegroting. Dat is inmiddels aangepast. De constatering van dhr de Kruijf is dat het daarnaast ook wenselijk zou zijn om in jaren dat de prijs- en loonstijging meevalt het surplus toch in een egalisatiereserve te stoppen. Om tekorten in andere jaren op te vangen, waarin de prijzen en lonen dan harder dan gemiddeld stijgen. Het college vindt dit een waardevolle suggestie en zal dit vormgeven door bij de tussenrapportage 2021 in de zomernota aan de Raad voor te stellen een egalisatiereserve loonprijscompensatie in te stellen. 15. De omvang van de overige bestemmingsreserves verdient wellicht wat normatieve aandacht (p. 261). Zo groeien de reserves vrouwenopvang en verslavingszorg met ten minste een factor 2½. Dat roept vragen op hoe het totaal van de reserves zich verhouden tot de jaarlijkse lasten voor deze taken.
Wellicht is dit een thema bij een herziening van het beleid rondom reserves en voorzieningen. Dat kan gaan over aanhouden van bepaald maximum aan reserve of een beoogde eindtermijn aan de besteding ervan. Reactie: Naar aanleiding van het onderzoek naar ons financieel beleid is in de Rekeningencommissie afgesproken dat ook onze reserves weer eens goed doorgelicht worden. Daarbij wordt bekeken of voor alle reserves duidelijke instellingscriteria aanwezig zijn (doel, omvang, wijze van storten en onttrekken, minimale en maximale hoogte van reserves, maximale looptijd). Ook wordt bekeken welke dotaties en onttrekkingen voor de reserves nog zijn begroot en of er eventueel reserves zijn die vrij kunnen vallen. Het streven is de resultaten van dit onderzoek in de 2e helft 2021 met de rekeningencommissie te delen. Het afgelopen jaar was een bijzonder jaar voor de taken omtrent Maatschappelijke opvang/verslavingszorg en Vrouwenopvang. Voor deze taken, die voor respectievelijk 8 en 14 Twentse gemeenten worden uitgevoerd, zijn extra rijksmiddelen beschikbaar gekomen voor de meerkosten van Corona en nieuwe taken vanuit het Rijk. Hierbij zijn de budgetten pas bij de septembercirculaire 2020 beschikbaar gesteld en niet volledig tot besteding gekomen. Zoals afgesproken wordt een voordelig saldo gestort (nadelig saldo onttrokken) aan de hiervoor ingestelde bestemmingsreserves.
Besteding van middelen vindt plaats in afstemming met de regiogemeenten, waarbij de hoogte van de reserve wordt betrokken.
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
14 / 15
Bijlage: ontwikkeling sociaal domein lasten exclusief Tozo per hoofdgroep. 2020R
2020R
€ 150.000
€ 125.000
2020R
€ 75.000
2020R
2020R
€ 100.000
€ 50.000
€ 25.000
€0
Bijstand 2015R
2016R
Beschut werk 2017R
WMO-collectief WMO-individueel
2018R
2019R
2020B
2020R
Jeugd 2024B
In de quick scan 2019 stond een figuur met de ontwikkeling van de lasten van het sociaal domein vanaf 2015. Deze figuur is hier geactualiseerd weergegeven, waarbij de lasten voor Tozo (€ 23¼ mln) buiten beschouwing zijn gebleven. Dan valt ten eerste op dat de lasten voor bijstand verder dalen. De lasten beschut werk nemen ten opzichte van 2019 iets toe en wijken af van het afbouwpad naar 2024 waar ze beduidend lager zijn ingeschat. De collectieve WMOvoorzieningen (wijkcentra) etc. kennen een min of meer stabiel lastenpatroon. Bij individuele voorzieningen blijkt ondanks alles sprake van een toename van lasten ten opzichte van 2019 maar een onderuitputting (circa € 5 mln) ten opzichte van de oorspronkelijke begroting 2020. Bij jeugdzorg stijgen de lasten ten opzichte van de begroting ook in 2020 verder. Reactie: Los van de logische vergelijking op onderdelen is het voor ons lastig om de cijfermatige aansluiting te vinden op de definiëring van de genoemde verschillende onderdelen. Voor individuele voorzieningen van de Wmo leiden wij uit uw grafiek af dat het gaat om de producten Wmo-lokaal en Wmo-centrumtaken.
De kostenstijging ten opzichte van 2019 laat zich verklaren door enerzijds de tarief-effecten vanuit de Inkoop (individuele maatwerkvoorzieningen voor Jeugd en Wmo) en subsidiëring (centrumtaken) en anderzijds door volumestijging (met name effecten binnen de Wmo vanuit het abonnementstarief en een verdere stijging van het cliëntenvolume voor Jeugdhulp). Dat de effecten voor individuele voorzieningen Wmo lager uitvallen dan begroot, heeft met name te maken met minder zorgproductie als gevolg van corona (met name Wmo dagbesteding) en een onderschrijding op de beschikbare middelen voor Beschermd Wonen. Deze onderschrijding komt vooral door een kritische toetsing op werkelijk gemaakte kosten en geplande nieuwe voorzieningen, die nog niet zijn gerealiseerd. Hierbij ook rekening houdende met de overgang van een fors aantal cliënten naar de WLZ (2021). Ten aanzien van de algemene bijstand zien we in het voorjaar van 2020, met name in de maanden maart tot en met juli, een toename van de bijstandsuitkeringen. In de loop van het jaar vlakt deze stijging vervolgens af. Het gemiddeld aantal bijstandsuitkeringen komt over 2020 lager uit dan over heel 2019.
DATUM
ONS KENMERK
PAGINA
3 juni 2021
2000035884
15 / 15
Voor het onderdeel beschut werk zien we bij de Sociale werkvoorziening een daling van de lasten in 2020 ten opzichte van 2019 als gevolg van een hoge uitstroom, dit leidt tot lagere loonkosten. Indien in deze vergelijking ook het product arbeidsmarktparticipatie wordt bedoeld dan wordt de stijging voornamelijk veroorzaakt door aanvullende middelen voor de uitvoering van centrumtaken. Wij hopen dat deze reactie bijdraagt aan een zorgvuldige en goede inhoudelijke behandeling van de gemeenterekening 2020 in uw raad. Hoogachtend, Burgemeester en Wethouders van Enschede, de loco-Secretaris, de Burgemeester,
(E.A. Smit)
(dr. G.O. van Veldhuizen)