BP Kennispark fase 1_Bijlagen toelichting
Tekst van het document
De bijbehorende verkeersgeneratie 1,8 bewegingen van personenauto’s per gemiddeld etmaal per appartement. Dit maakt in totaal 360 bewegingen per gemiddeld etmaal. CROW publicatie 381 geeft daarnaast 0,02 vrachtwagenbewegingen per woning of appartement per gemiddeld etmaal. Dit geeft voor de gebruiksfase in totaal vier vrachtwagenbewegingen per gemiddeld etmaal. Bedrijfsgebouw Op basis van publicatie 381 van het CROW (‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2018) tabel 5, type werkmilieu II (hoogwaardig bedrijvenpark) zijn de verkeersaantallen voor het bedrijventerrein bepaald. Het bedrijfsgebouw krijgt een maximaal bruto vloeroppervlak van 20.000 m2. De CROW kentallen geven een verkeersgeneratie per netto hectare bedrijventerrein.
7
In AERIUS zijn steeds de meest recente emissiekentallen voor wegverkeer geïmplementeerd, voor de zichtjaren 2018 t/m 2030.
15/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Er is worst-case voor het bedrijfsgebouw ten behoeve van de verkeersgeneratie een oppervlakte van 2 hectare aangehouden. Dit geeft 2 * 174 = 348 lichte voertuigbewegingen per gemiddelde weekdag en 34 x 2 = 68 vrachtwagenbewegingen per gemiddelde weekdag. Voor de onderverdeling van het vrachtverkeer in de categorieën middelzwaar en zwaar vrachtveerkeer is tabel 6, type werkmilieu II aangehouden uit deze CROW publicatie. Deze verdeling is 48 % middelzwaar vrachtverkeer (33 bewegingen per dag) en 52 % zwaar vrachtverkeer (35 bewegingen per dag). Modellering wegverkeer Voor het kennispark is een verdeling van de verkeersgeneratie aangeleverd door de gemeente Enschede. Deze is als volgt: • 50 % van het verkeer komt uit/vertrekt in oostelijke richting over de Hengelosestraat • 38 % van het verkeer komt uit/vertrekt in zuidelijke over de Auke Vleerstraat richting de A35 • 12 % van het verkeer komt uit/vertrekt in westelijke richting over de Hengelosestraat Voor het verkeer van/naar westelijke en oostelijke richting zijn de rijroutes voor het aankomende en vertrekkende verkeer verschillend. In de AERIUS berekeningen is dit onderscheid ook aangebracht. De verdeling van het verkeer over de verschillende routes is weergegeven in 4.4. De nummers corresponderen met de in AERIUS ingetekende rijroutes, zie bijlage 3.
De verkeersgeneratie in tabel 4.4 betreft de totale verkeersgeneratie van het plangebied, ten gevolge van de woonunits en het bedrijfsgebouw. De parkeergarage zelf leidt niet tot extra verkeersgeneratie; het verkeer dat naar de woonunits en het bedrijfsgebouw komt parkeert in de parkeergarage. Ook ander verkeer met kennispark Twente als bestemming kan parkeren in de nieuw te realiseren parkeergarage, maar dat geeft geen extra verkeersgeneratie ten gevolge van het plan; dit verkeer zou anders elders in het kennispark parkeren. Tabel 4.4 Verdeling en intensiteit verkeer Kennispark Twente in de gebruiksfase #
1
Richting
Vertrekkend verkeer
Verdeling
Licht verkeer
Middelzwaar
Zwaar
[%]
bewegingen/
vrachtverkeer
vrachtverkeer
etmaal
bewegingen/ etmaal
bewegingen/ etmaal
6
42
2
2
25
177
8
10
6
42
2
2
38
269
12
15
25
177
8
10
in westelijk richting 2
Komend verkeer in oostelijke richting
3
Komend verkeer uit westelijke richting
4
Komend en vertrekkend verkeer in zuidelijk richting (A35)
5
Vertrekkend verkeer in oostelijke richting
16/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
De instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator (BIJ12, januari 2021) geeft aan dat voor projecten 8 de verkeersgeneratie meegenomen dient te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. In de regel wordt de verkeersgeneratie meegenomen tot aan het doorgaande wegennet. Met het doorgaande wegennet worden stadsontsluitingswegen, gebiedsontsluitingswegen, autowegen en autosnelwegen bedoeld. Voor het wegtype is in de modellering aanhouden: ‘binnen bebouwde kom’. Het verkeer is meegenomen tot aan de kruisingen met de Hengelosestraat en de Auke Vleerstraat. De Hengelosestraat en Auke Vleerstraat zijn beide drukke wegen met circa 15.000 à 16.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal (bron: www.nsl-monitoring.nl/viewer/#).
4.4
Resultaten en conclusie
De bijdrage aan de stikstofdepositie van het plan Kennispark Twente is berekend met de vigerende versie het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2020). In de bijlagen worden de AERIUS pdf uitvoerbestanden gegeven. Deze pdf uitvoerbestanden zijn tevens als losse bestanden bij de rapportage bijgeleverd. Met het rekenmodel AERIUS is de volgende maximum bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen op nabijgelegen Natura 2000-gebieden berekend: • •
0,04 mol/ha/jaar voor de aanlegfase gedurende 2 jaar 0,00 mol/ha/jaar voor de gebruiksfase
De berekeningen zijn ook uitgevoerd met de prerelease van AERIUS versie 2021, waarvan de releasedatum nu gepland staat voor 8 december 2021. De resultaten voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn gelijk aan de resultaten zoals berekend met AERIUS versie 2020. 4.4.1 Aanlegfase De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is per 1 juli 2021 in werking getreden. Als gevolg daarvan is de aanlegfase (alle tijdelijke bouw- en sloopwerkzaamheden) vrijgesteld van natuurvergunningsplicht voor het aspect stikstofdepositie. Zie hiervoor verder hoofdstuk 2, laatste alinea. Wanneer het bestemmingplan tot uitvoering wordt gebracht – de projectfase – en het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, dan kan voor dit onderdeel van het plan worden verwezen naar het feit dat de wetgever de effecten van stikstofdepositie in de bouw-/aanlegfase daarmee reeds heeft beschouwd, waardoor de noodzaak tot toetsing van stikstofdepositie in de bouw-/aanlegfase afwezig is.
8
De werkwijze voor het meenemen van verkeersgeneratie wordt in de praktijk ook voor plannen aangehouden.
17/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Diverse partijen in Nederland trekken de juridische houdbaarheid van de Wsn in twijfel. De gemeente Enschede heeft daarom gevraagd voor de aanlegfase toch een berekening uit te voeren. Uit de berekeningen volgt een maximale totale stikstofdepositiebijdrage van 0,08 mol/ha (0,04 mol/ha gedurende 2 jaar) op Natura 2000-gebied Lonnekermeer. Op nog eens 7 andere Natura 2000-gbieden wordt een totale bijdrage van 0,02 mol/ha berekend (0,01 mol/ha gedurende 2 jaar). De Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 (maart 2021) 9 geeft als vuistregel dat bij kleine tijdelijke depositiebijdragen in de aanlegfase, kleiner dan of gelijk aan 0,10 mol/ha gedurende 1 jaar (of een equivalent hiervan), significante gevolgen voor stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten kunnen worden uitgesloten. Een ecologische onderbouwing van deze vuistregel ontbreekt echter. Daarom worden de bekerekende projectspecifieke bijdragen in een ecologische beoordeling nog nader onderzocht. Indien uit de ecologische voortoets volgt dat significante effecten inderdaad kunnen worden uitgesloten dan kan het plan daarmee worden vastgesteld voor wat betreft het aspect stikstofdepositie. 4.4.2 Gebruiksfase Met het rekenmodel AERIUS is een maximum stikstofdepositiebijdrage op (naderend) overbelaste habitats of leefgebieden van soorten berekend van 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Lonnekermeer.
Daarmee zijn er voor de gebruiksfase geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het project/plan. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het plan.
9
Zie pagina 12 op www.bij12.nl/nieuws/handreiking-voortoets-stikstof/
18/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
5 Ecologische beoordeling stikstof 5.1
Inleiding
In de omgeving van het plangebied zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig Als gevolg van de afstand tot Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de werkzaamheden zijn effecten anders dan door stikstofdepositie op voorhand uitgesloten.
5.2
Werkwijze
Op basis van de stikstofberekening, uitgevoerd in AERIUS 2022, zijn de locaties waar sprake is van een toename van stikstofdepositie in beeld gebracht. Hierbij worden de relevante instandhoudingsdoelen beschouwd. Onder relevante instandhoudingsdoelen worden de instandhoudingsdoelen verstaan die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waar ook sprake is van een toename van stikstofdepositie als gevolg van het beoogd voornemen. Habitattypen en leefgebieden van soorten die niet stikstofgevoelig zijn of waar geen toename is berekend worden als niet relevant beschouwd en niet verder in de beoordeling betrokken. Allereerst worden de algemene effecten van stikstofdepositie beschouwd. Daarna zal worden ingegaan op kleine tijdelijke deposities. Vervolgens zal voor een aantal Natura 2000-gebieden en/of habitattypen een nadere beoordeling benodigd zijn. In de beoordeling zijn de volgende onderdelen opgenomen: • • •
Algemene beschrijving van het habitattype of leefgebied Instandhoudingsdoelstelling Locatie en omvang depositie
• • •
Kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Trends Analyse sturende factoren
•
Conclusie
5.3
Projectbijdrage
5.3.1 Inleiding Uit de AERIUS berekening blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling enkel in de aanlegfase sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. In de aanlegfase betreft dit een tijdelijke toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden Lonnekermeer, Landgoederen Oldenzaal, Lemselermaten, Aamsveen, Dinkelland, Buurserzand & Haaksbergerveen, Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek, en Witte Veen. De aanlegfase zal 2 jaar duren. Al deze Natura 2000-gebieden zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied. In tabel 5.1 en figuur 5.1 zijn de resultaten van de aanlegfase weergegeven.
19/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Figuur 5.1 Projectbijdrage aanlegfase
5.3.2 Niet en naderend overbelaste situaties De beoordeling van effect (zowel op zichzelf als cumulatief) is ingeval van een onderbelaste situatie alleen relevant indien de achtergronddepositie inclusief projecteffect (vermeerderd met eventuele cumulatieve effecten van alle vergunde/vastgestelde, maar nog niet gerealiseerde plannen/projecten), alsnog kan leiden tot een overbelaste situatie. AERIUS Calculator maakt onderscheid tussen hexagonen met een (naderende) overbelasting en hexagonen zonder overbelasting. Voor die naderende overbelasting wordt een bandbreedte van 70 mol N/ha/jaar onder de KDW 10 aangehouden. Deze bandbreedte is ruim voldoende om een eventuele verhoging van de ADW 11 door cumulatie met andere plannen/projecten op te vangen. Dit betekent dat ingeval van een onderbelaste situatie een projecteffect op zichzelf én in cumulatie met andere plannen/projecten gezien de zeer tijdelijke en relatief lage depositiebijdragen niet tot significante gevolgen kan leiden. Ook niet als de ADW in combinatie met het projecteffect dicht bij de KDW zit. Als gevolg daarvan is in de ecologische beoordeling een effect op een onderbelaste situatie ook als zodanig beoordeeld. Nadere ecologische onderbouwing is hierbij niet noodzakelijk omdat er geen reële kans is dat de KDW overschreden zou worden.
10 11
KDW: Kritische depositiewaarde ADW: Achtergrond depositiewaarde, dat wil zeggen de reeds bestaande depositie door andere stikstofemissies
20/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Tabel 5.1 Projectbijdrage als gevolg van de beoogde ontwikkeling op (naderend) overbelaste situaties in Natura 2000-gebieden in de aanlegfase Habitattype
Maximale depositie (mol/ha/jaar)
Oppervlakte
Relevante soorten
op (naderend) overbelaste situaties Natura 2000-gebied Lonnekermeer H4010A
0,04
1,4
Gevlekte witsnuitlibel
H4030
0,04
5,3
Gevlekte witsnuitlibel
H6410
0,03
2,5
-
H3160
0,03
0,1
-
H3130
0,03
5,0
Gevlekte witsnuitlibel
H7150
0,03
0,01
-
H6230
0,02
0,1
-
Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal H9120
0,01
96,1
-
H91E0C
0,01
3,6
-
ZGH9120
0,01
1,1
-
H9160A
0,01
12,1
-
ZGH9160A
0,01
0,7
-
H91E0C
0,01
3,6
Zeggekorfslak
H4010A
0,01
1,5
-
H7150
0,01
0,5
-
H6410
0,01
0,8
-
H7230
0,01
0,1
-
Lg05
0,01
0,007
Zeggekorfslak
ZGH6410
0,01
1,2
-
H6230
0,01
0,8
-
Natura 2000-gebied Lemselermaten
Natura 2000-gebied Aamsveen H9120
0,01
0,8
-
H91E0C
0,01
0,6
-
ZGH91E0C
0,01
0,3
-
H7120
0,01
46,9
-
H6410
0,01
0,5
-
H3130
0,01
0,1
-
H4010A
0,01
0,7
-
H6230
0,01
0,2
-
H7150
0,01
0,5
-
H4030
0,01
0,3
-
ZGH7120
0,01
0,2
-
Natura 2000-gebied Dinkelland H91E0C
0,01
1,1
-
ZGH91E0C
0,01
9,9
-
H6120
0,01
1,0
-
H4010A
0,01
16,3
-
21/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Habitattype
Maximale depositie (mol/ha/jaar)
Oppervlakte
Relevante soorten
op (naderend) overbelaste situaties H4030
0,01
52,9
-
H7150
0,01
1,4
-
H91E0C
0,01
1,8
-
H4010A
0,01
77,8
-
H4030
0,01
66,5
-
H3130
0,01
13,2
Kamsalamander, gevlekte
H2310
0,01
33,0
-
H5130
0,01
11,6
-
Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen
witsnuitlibel
Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek H91E0C
0,01
66,1
Zeggekorfslak
H9160A
0,01
12,1
-
H6410
0,01
1,7
-
H3130
0,01
0,3
-
Natura 2000-gebied Witte Veen H4010A
0,01
14,1
-
H4030
0,01
15,5
-
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er op Lg05 in Natura 2000-gebied Lemselermaten een projectbijdrage is berekend op een oppervlak kleiner dan 100 m2. Stikstofdepositie op een oppervlak kleiner dan 100 m2 kúnnen geen significante effecten als gevolg hebben (Bij12, 2021). De stikstofdepositie op dit leefgebied zal dan ook niet meegenomen worden in de beschouwing ecologische effecten op de zeggekorfslak in het gebied.
5.4
Ecologische beoordeling stikstofdepositie
5.4.1
Algemene effectenanalyse stikstof
5.4.1.1
Inleiding
Stikstofverbindingen zijn een belangrijke voedselbron voor planten, maar bij een overmaat aan stikstofverbindingen kunnen vegetaties veranderen door vermesting en verzuring. Planten als brandnetels en grassen profiteren van veel stikstofverbindingen en overwoekeren andere planten. Hierdoor kunnen bijzondere voedselarme vegetaties verruigen en kenmerkende (zeldzame) plantensoorten verdwijnen. Als gevolg kunnen ook insecten verdwijnen, wat weer schadelijk kan zijn voor vogels die op insecten jagen. Stikstofdepositie kan bestaan uit stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3). Stikstofoxiden worden vooral door verkeer en industrie uitgestoten en de ammoniak komt met name bij veehouderijen vandaan. Er kan een verschil zijn in effecten door stikstofoxiden en door ammoniak. Beide kunnen leiden tot vermesting, maar vooral de ammoniak leidt tot een verzuring.
22/79
Kenmerk
5.4.1.2
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Kritische depositiewaarde
Natura 2000-gebieden hebben instandhoudingsdoelen voor habitattypen en soorten. Voor alle habitattypen en leefgebieden van soorten zijn kritische depositiewaarden (KDW) opgesteld. Atmosferische stikstofdepositie kan leiden tot verzuring en vermesting van habitattypen wanneer deze boven de kritische depositiewaarde komt. Een kritisch depositieniveau is gedefinieerd als de maximaal toelaatbare hoeveelheid atmosferische depositie waarbij, volgens de huidige wetenschappelijke kennis, negatieve effecten op de structuur en de functies van ecosystemen niet optreden (Bij12, 2021). Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de kritische depositiewaarde van het habitattype of het leefgebied van Habitat- of Vogelrichtlijnsoorten bestaat een risico op een significant negatief effect, waardoor geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen mogelijk niet duurzaam kunnen worden gerealiseerd. De KDW is in Van Dobben et. al (2012) primair uitgedrukt in (hele) kilogrammen stikstof per ha per jaar (N/ha/j). In internationale wetenschappelijke publicaties worden kritische depositiewaarden veelal beschreven in de vorm van ranges (bandbreedtes). Deze ranges beschrijven enerzijds de variatie in kritische depositiewaarden als gevolg van verschillen in gevoeligheid binnen een ecosysteem, anderzijds beschrijven zij de betrouwbaarheidsmarges als gevolg van methodische onzekerheden.
Van Dobben heeft de KDW gepreciseerd naar een concrete waarde per N2000habitattype. Daarbij wordt aangegeven dat de kritische depositiewaarden met een onzekerheidsmarge van minimaal 1 kg moeten worden gehanteerd, deze waarden zijn vastgesteld binnen marges van ± 5 kg N/ha/j (Cunha et al. 2002). Omdat vaak gebruik wordt gemaakt van mol-eenheid, zijn de kilogrammen omgerekend naar hele mol (1 kg N = 71,43 mol N). Gelet hierop zijn er ecologisch gezien binnen deze marges geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat bij verschillen in depositie die kleiner zijn dan 1 kg per ha per jaar, hetgeen ongeveer gelijk staat aan een depositie van 70 mol N per ha per jaar. 5.4.1.3
Maximale toename stikstofdepositie
Uit de stikstofberekening met AERIUS 2022 blijkt dat de beoogde ontwikkeling in de aanlegfase leidt tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie 8 Natura 2000-gebieden gedurende twee jaar. Deze toename betreft maximaal 0,04 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebied Lonnekermeer en maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op de overige 7 Natura 2000-gebieden. Omgerekend komt 0,04 mol N neer op circa 0,8 gram stikstof. In ecosystemen komt een deel van de aanwezige stikstof ter beschikking aan de productie van dierlijk en vooral plantaardig materiaal (biomassa). Tegelijkertijd wordt ook biomassa afgebroken, waarbij weer stikstof vrijkomt. Verder kan ook sprake zijn van de afvoer van biomassa uit het systeem, bijvoorbeeld via het beheer. Afhankelijk van het type ecosysteem kan netto dus sprake zijn van opeenhoping van biomassa, een balans tussen productie en afbraak van biomassa of van een netto afvoer van biomassa.
23/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
De biomassaproductie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al., 2006). Voor deze biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is gemiddeld 30-90 kg N/ha/jaar nodig, ofwel circa 2.150-6.400 mol N/ha/jaar. In dit licht bezien is de potentiële extra biomassaproductie als gevolg van een tijdelijke depositie van 0,04 mol/ha/jaar zeer klein. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, zal deze toename zelfstandig niet leiden tot meetbare veranderingen in de productie van biomassa of de groeisnelheid van individuele planten, en daarmee niet tot veranderingen in concurrentiepositie. 5.4.1.4
Relevante stikstofbijdrage
Om daadwerkelijk tot een kwaliteitsverlies van habitattypen te komen is een grote of langdurige stikstofdepositiebijdrage nodig. Voor stikstofdepositie geldt dat het accumuleert in het systeem en dat ook kleine hoeveelheden die lange tijd deponeren kunnen leiden tot een accumulatie met alle gevolgen van dien. Een ecologische verandering is echter pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem. Pas in geval van een relevante blijvende stikstofdepositiebijdrage treden na tientallen jaren ecologische effecten in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk areaalverlies op. Dit speelt zich, afhankelijk van de gevoeligheid van een habitattype, af in een periode van 10-20 jaar (zie tabel 5.2). Hierbij is geen rekening gehouden met het huidige reguliere beheer om de habitattypen in stand te houden. Daar er al jaren sprake is van overmatige stikstofdepositie, treden op sommige locaties deze ecologische effecten nú op. Tabel 5.2 Indeling van gevoeligheidsklassen voor habitattypen en tijdspad voor daadwerkelijk areaalverlies van een habitattype als gevolg van kwaliteitsverlies door stikstofdepositie 12 •
•
Gevoeligheidskl asse
uiterst gevoelig
•
•
•
KDW
(mol N/ha/j)
•
< 1.000 •
(kg N/ha/j)
•
Habitattypen voorbeelden
•
Zwakgebufferde en zure vennen, zandverstuivingen, heischrale graslanden, actieve hoogvenen Droge en vochtige heidetypen, jeneverbesstruwelen, oude eikenbossen, Blauwgraslanden, kalkmoerassen pioniervegetaties, beukeneikenbossen, Stroomdal- en glanshaverhooilanden
6-15 kg •
•
zeer gevoelig
•
gevoelig
•
12
matig gevoelig
•
1.0001.500
•
15-21 kg
•
1.5002.000
•
21-28 kg
•
> 2.000 •
> 28 kg
•
Tijdspad daadwerkelijk verlies habitattype (uitgezonderd gebufferde typen*)
•
10 jaar
•
12,5 jaar
•
Beekbegeleidende bossen
•
15 jaar
•
Beken en rivieren met waterplanten, meren met krabbenscheer, esseniepenbossen, kranswierwateren
•
20 jaar
Conform Goderie R. en K. Vertegaal (2020), Achtergrondnotitie actualiseren StikstofEffectvoorspellingsModel (SEM 3.1)
24/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
* Bij gebufferde habitattypen (gebufferde vennen, heischrale graslanden, blauwgraslanden, kranswierwateren, meren met krabbenscheer) is geen sprake van een gradueel kwaliteitsverlies maar van een ‘plotselinge’ omslag sterk afhankelijk van de lokale situatie (onder andere mate van buffering) 5
Zolang van een plan of project geen sprake is van een langdurige relevante (dat is in ieder geval meerdere molen gedurende meerdere jaren) stikstofdepositiebijdrage, treden er geen wijzigingen in de standplaatsfactoren en de vegetatie in het veld op waardoor de kwaliteit van habitats kunnen worden beïnvloed. Significant negatieve gevolgen van zeer kleine tijdelijke bijdragen zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. 5.4.1.5
Natuurlijke fluctuaties in depositie
De daadwerkelijke depositie van stikstof in een specifiek jaar wordt sterk bepaald door meteorologische fluctuaties in windsnelheden, windrichtingen en neerslaghoeveelheden die in het betreffende jaar optreden. In het achtergrondrapport bij de grootschalige concentratie- en depositiekaarten van Nederland is door RIVM/PBL aangegeven dat er sprake is van natuurlijke fluctuaties van de daadwerkelijke depositie van ongeveer 10 % ten opzichte van de gemiddelde achtergronddepositie (RIVM, 2013). De achtergronddepositie voor het deel in de Natura 2000-gebieden waar een toename in depositie is berekend ligt op gemiddeld 1.500 mol N/ha/jaar (AERIUS 2022). Hier zijn dus natuurlijke fluctuaties in depositie in de orde van grootte van 150 mol N/ha/jaar of meer ten opzichte van de achtergronddepositie, dus 300 mol N/ha/jaar in totaal. Ook in dit opzicht is een tijdelijke depositie van 0,04 mol gedurende 2 jaar (of minder) verwaarloosbaar. 5.4.1.6 Conclusies algemene effectenanalyse stikstof Een tijdelijke kleine depositiebijdrage valt al snel weg tegen de natuurlijke fluctuaties in de feitelijke depositie en de ranges in gevoeligheid van habitats en leefgebieden van soorten. Daarmee zijn tijdelijke effecten daarmee op zichzelf beschouwd geen relevant risico voor het optreden van ongewenste ecologische effecten.
Er dient echter bij kleine effecten rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van cumulatie. Cumulatief kan immers wel sprake zijn van een risico op relevante effecten. Echter, bij zeer kleine tijdelijke depositietoenames kleiner dan 0,04 mol N/ha/jaar is ook dat risico verwaarloosbaar. Desalniettemin wordt hierna voor de relevante habitattypen onderzocht of het risico op effecten daadwerkelijk is uitgesloten.
5.5
Natura 2000-gebied Lonnekermeer
5.5.1 Gebiedsbeschrijving Het Lonnekermeer bestaat uit het landgoed Lonnekermeer en het aangrenzende Hartjesbosch ofwel De Wildernis. In het gebied bevinden zich een tweetal gegraven waterplassen, Het Klein en Groot Lonnekermeer. Het landgoed Lonnekermeer bestaat voor het grootste deel uit voormalige, tot landbouwgrond omgeploegde of met productiebos beplante, heidevelden. Daarnaast beslaat het gebied, een kleinschalig beekdallandschap, stukjes (vochtige)heide, een klein zuur ven, een zwakgebufferd ven en enkele hooimaten.
25/79
Kenmerk
5.5.2
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
H4010A Vochtige heiden (hogeren zandgronden)
Algemene omschrijving Vochtige heiden komen voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden, in het heuvelland en het laagveengebied. Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met pijpenstrootje en veenmos. De begroeiingen variëren afhankelijk van de waterhuishouding, ouderdom en leemgehalte van de bodem. Instandhoudingsdoel Het habitattype H4010A heeft in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een uitbreidingsdoelstelling in relatie tot het oppervlakte en een verbeterdoelstelling in relatie tot de kwaliteit van het habitattype. Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,04 mol N/ha/jaar op H4010A. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.214 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.310, maximaal 1.998 en gemiddeld 1.512 mol N/ha/jaar. Er is op alle hexagonen sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 1,4 ha. Trend Habitattype H4010A komt in Natura 2000-gebied Lonnekermeer slechts over een beperkt oppervlak voor. De kwaliteit is overwegend goed.
De trend in areaal is stabiel, maar voor de kwaliteit is er sprake van een dalende trend (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren Zowel verdroging, stikstofdepositie en het geringe oppervlak vormen een knelpunt voor de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype. De verdroging wordt met name veroorzaakt door de ontwatering binnen en buiten het Natura 2000-gebied (Provincie Overijssel, 2017a). Conclusie Stikstofdepositie is een knelpunt voor het habitattype, maar ondanks de overschrijding van de KDW is de kwaliteit overwegend goed en de trend van areaal is stabiel. Daarnaast is een tijdelijke depositie van 0,04 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken. Het project heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten.
26/79
Kenmerk
5.5.3
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
H4030 Droge heiden
Algemene omschrijving Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland. Ze worden gedomineerd door struikhei, al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heiden komen in Nederland voor op matig tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Instandhoudingsdoel Het habitattype H4030 heeft in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een uitbreidingsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en een verbeterdoelstelling in relatie tot de kwaliteit van het habitattype Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,04 mol N/ha/jaar op H4030. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.310, maximaal 1.998 en gemiddeld 1.515 mol N/ha/jaar. Er is op alle hexagonen sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 5,3 ha. Trend Het habitattype is in Natura 2000-gebied Lonnekermeer grotendeels beperkt tot de hoge dekzandrug in het zuiden van het Hartjesbos. De kwaliteit is goed, maar kenmerkende korstmossoorten ontbreken. De trend in oppervlakte en kwaliteit zijn positief (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren De oppervlakte is limiterend voor de kwaliteit.
De heideterreinen zijn te klein zodat diverse kenmerkende diersoorten zich niet kunnen handhaven. Verdroging is voor dit grondwateronafhankelijke habitattype geen knelpunt. Stikstofdepositie is echter wel een belangrijk knelpunt voor dit habitattype. Het aandeel in korstmossen is laag, wat door een overmaat aan stikstof worden veroorzaakt (Provincie Overijssel, 2017a). Conclusie Stikstofdepositie is een knelpunt voor dit habitattype, maar de toename van stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling is zodanig tijdelijk en gering, dat deze geen effect op de vegetatie kan veroorzaken. Daarnaast is de kwaliteit goed, en de trend van kwaliteit en oppervlakte is positief. Significante effecten zijn daarom uitgesloten. 5.5.4
H6410 Blauwgraslanden
Algemene omschrijving Blauwgraslanden zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters plasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging.
27/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Instandhoudingsdoel Het habitattype H6410 heeft in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op H6410. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.071 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.310, maximaal 1.866 en gemiddeld 1.602 mol N/ha/jaar. Er is op alle hexagonen sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 2,5 ha. Trend Habitattype H6410 in Natura 2000-gebied Lonnekermeer is overwegend van goede maar plaatselijk van matige kwaliteit. Hoewel er geen harde gegevens aanwezig zijn, is de trend van oppervlakte stabiel, en is de trend van kwaliteit negatief (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren Verdroging, verzuring en stikstofdepositie zijn de belangrijkste knelpunten voor dit habitattype. De verdroging wordt onder andere veroorzaakt door de ontwatering binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en de verzuring is het gevolg van het stoppen van bevloeiing van basenrijk beekwater (Provincie Overijssel, 2017a).
Conclusie Stikstofdepositie is een knelpunt voor het habitattype, maar een tijdelijke depositie van 0,03 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken. Het project heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten. 5.5.5
H3160 Zure vennen
Algemene omschrijving Dit habitattype omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn. In sommige gevallen vormt koolzuur (CO2) een beperkende factor. De vegetatie ontbreekt dan (habitattype matig ontwikkeld) of bestaat voornamelijk uit aan de oppervlakte zwevende of drijvende waterplanten. In heldere vennen waar wel voldoende CO2 aanwezig is, kan de gehele waterlaag gevuld zijn met zwevende planten, vooral in ondiepe zones. Instandhoudingsdoel Het habitattype H3160 heeft in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een uitbreidingsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en een verbeterdoelstelling in relatie tot de kwaliteit van het habitattype.
28/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op H3160. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 714 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is 1.959 mol N/ha/jaar. Er is op het hexagoon sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 0,1 ha. Trend Het habitattype H3160 komt in Natura 2000-gebied Lonnekermeer op één locatie voor, met een totale oppervlakte van 0,11 ha. De kwaliteit is matig, en er zijn geen trends van oppervlakte of kwaliteit beschikbaar (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren Verdroging is het belangrijkste knelpunt voor dit habitattype. Deze verdroging wordt voornamelijk veroorzaakt door de ontwatering zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied. Daarnaast is ook stikstofdepositie een knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (Provincie Overijssel, 2017a). Conclusie Stikstofdepositie is een knelpunt voor het habitattype, maar een tijdelijke depositie van 0,03 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken.
Het project heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten. 5.5.6
H3130 Zwakgebufferde vennen
Algemene omschrijving Dit habitattype betreft begroeiingen van zwakgebufferde vennen. Het onderscheid met de zeer zwak gebufferde vennen (H3110) is dat die vennen een lager gehalte aan bicarbonaat hebben oftewel koolstofgelimiteerd zijn. Zwakgebufferde vennen daarentegen zijn niet koolstofgelimiteerd en kunnen zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn. Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. De meeste vennen zijn niet meer dan enkele tientallen meters lang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dit komt door de milieuverschillen en gradiënten en fijnschalige mozaïeken. Instandhoudingsdoel Het habitattype H3130 heeft in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en een verbeterdoelstelling in relatie tot de kwaliteit van het habitattype.
29/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op H3130. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 571 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.289, maximaal 1.836 en gemiddeld 1.459 mol N/ha/jaar. Er is op alle hexagonen sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 5,0 ha. Trend Het habitattype komt op circa 3 plekken voor in Natura 2000-gebied Lonnekermeer. De kwaliteit is overwegend matig, maar plaatselijk als goed beoordeeld. De trend van de kwaliteit van het habitattype is negatief, terwijl de trend van het oppervlak stabiel is (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren Het grootste knelpunt voor H3130 is de verstoorde peildynamiek. Doordat de beek is afgekoppeld van het Kleine Lonnekermeer treden er minder grote peilfluctuaties op. Het verdwijnen van de dynamiek vormt een knelpunt omdat periodieke wisselende waterstanden is een randvoorwaarde van dit habitattype. Ook ontwatering door grondwateronttrekkingen binnen Natura 2000-gebied draagt bij aan dit probleem.
Daarnaast is in de periode voordat het Kleine Lonnekermeer werd losgekoppeld van de beek is geleidelijk eutrofiëring opgetreden door instroom van nutriëntenrijk beekwater en/of door uitspoeling meststoffen buiten Natura 2000-gebied. De hoge stikstofdepositie waarden dragen verder bij aan de vermesting van de vennen. Tenslotte is het ontbreken van voldoende windwerking een knelpunt. Hierdoor kan accumulatie van organisch materiaal op de bodem optreden, en kunnen standplaatsen van gemeenschappen van zwak gebufferde wateren verloren gaan. Ook versterkt de aanwezigheid van bomen en struiken op de oever eutrofiering, door invang van atmosferische stikstofdepositie en inwaai van blad en voedselrijk stuifmeel (Provincie Overijssel, 2017a). Conclusie Stikstofdepositie is slechts één van de knelpunten voor het halen van de instandhoudingsdoelen van dit habitattype. De verstoorde peildynamiek is het voornaamste knelpunt. De projectbijdrage van 0,03 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar is te klein en te tijdelijk om een verandering in vegetatie te veroorzaken. Hierdoor zijn een effect op de trend, en daarmee ook een effect op de instandhoudingsdoelen, uitgesloten. 5.5.7
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
Algemene omschrijving Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en zeer voedselarm tot voedselarm zijn. Op natuurlijke wijze ontstaan dit habitattype door langdurige waterstagnatie in laagten. Dit gebeurt echter nog maar weinig. Meestal ontwikkelen deze pioniergemeenschappen met snavelbiezen zich op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. Hier zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen, die deel uitmaken van habitattype H4010 (profiel H7150).
30/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Instandhoudingsdoel Het habitattype H7150 heeft in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar op H7150. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.429 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.405, maximaal 1.486 en gemiddeld 1.458 mol N/ha/jaar. Er is op enkele hexagonen sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 0,01 ha. Trend Er is slechts 0,01 ha H7150 aanwezig in Natura-gebied Lonnekermeer. Er is geen informatie beschikbaar over de huidige kwaliteit, of over de trends in oppervlak en kwaliteit (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren Verdroging als gevolg van ontwatering binnen én buiten het Natura 2000-gebied zijn een knelpunt voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype. Daarnaast is de actuele en toekomstige stikstofdepositie als knelpunt aangewezen (Provincie Overijssel, 2017a). Conclusie Stikstofdepositie is al knelpunt aangewezen voor dit habitattype, maar verdroging speelt een groter rol bij het behalen van de instandhoudingsdoelen.
Daarnaast is een tijdelijke toename van stikstofdepositie van 0,03 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te klein om een verandering in vegetatie te veroorzaken. Hierdoor is een verandering in trend, en daarmee een effect op de instandhoudingsdoelen, uitgesloten. 5.5.8
H6230 Heischrale graslanden
Algemene omschrijving Heischrale graslanden komen voor op licht gebufferde, zwak zure tot matig zure, meestal sterk humeuze bodems. Op vochtige tot natte standplaatsen wordt het vochtgehalte en de zuurgraad vooral gebufferd door de bodem zelf. Op droge zand- en veengronden en kalkarme duinen is het type voor de vochtvoorziening en buffering meestal afhankelijk van de externe aanvoer van basen met zacht grondwater van lokale herkomst. Goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn zeer rijk aan allerlei grassoorten, kruiden en paddenstoelen. Op de hogere zandgronden komen heischrale graslanden voor op zowel vochtige standplaatsen (associatie van klokjesgentiaan en borstelgras) als op relatief droge standplaatsen (associatie van liggend walstro en schapengras). Ook kan het door verzuring ontstaan uit blauwgraslanden (H6410), als tussenstadium in de ontwikkeling naar zure heidevegetaties. Instandhoudingsdoel Het habitattype H6230 heeft in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype.
31/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar op H6230. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 714 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is 1.379 mol N/ha/jaar. Er is op het hexagoon sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 0,1 ha. Trend Van het habitattype H6230 is slechts 0,06 ha aanwezig in Natura 2000-gebied Lonnekermeer. De kwaliteit is matig, en hoewel dit habitattype in 1996 voor het laatst in goed ontwikkelde vorm aanwezig was, is de trend in oppervlakte en kwaliteit in de huidige situatie stabiel (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren Verdroging, verzuring en stikstofdepositie zijn de belangrijkste knelpunten voor dit habitattype. De verdroging wordt onder andere veroorzaakt door de ontwatering buiten het Natura 2000-gebied, en de verzuring is het gevolg van het stoppen van bevloeiing van basenrijk beekwater (Provincie Overijssel, 2017a). Conclusie Stikstofdepositie is een knelpunt voor het habitattype, maar een tijdelijke depositie van 0,02 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken.
Daarnaast is de trend stabiel ondanks de overschrijding van de KDW. De beoogde ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten. 5.5.9
Gevlekte witsnuitlibel
Algemene omschrijving De gevlakte witsnuitlibel is een typische soort van ongestoorde verlandende laagveenmoerassen. Op zandgronden komt de soort voor in gebufferde, rijk begroeide vennen en plassen. De gevlekte witsnuitlibel is een carnivoor en eet allerlei in afmeting geschikte prooi. Populaties van de gevlekte witsnuitlibel met lage dichtheden (populatiegrootte van maximaal enkele tientallen exemplaren) kunnen zich in kleine vennen en plassen vrij gemakkelijk een aantal jaren handhaven. Deze populaties verdwijnen echter vaak geleidelijk. Instandhoudingsdoel Voor de Habitatsoort H1042 gevlekte witsnuitlibel is in Natura 2000-gebied Lonnekermeer een uitbreidingsdoelstelling voor populatie geformuleerd en een behoudsdoelstelling voor omvang en kwaliteit leefgebied. Omvang depositie In Natura 2000-gebied Lonnekermeer is er sprake van een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,04 mol N/ha/jaar op het leefgebied van de gevlekte witsnuitlibel op H4010A, H4030 en H3130.
32/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Trend De gevlekte witsnuitlibel maakt in het Natura 2000-gebied gebruik van zwakgebufferde vennen (H3130), vochtige heiden (H4010A) en droge heiden (H4030). De soort komt veelvuldig voor in het Groot en Klein Lonnekermeer. De kwaliteit van het leefgebied is onbekend. De trend in populatie is positief (Provincie Overijssel, 2017a). Analyse sturende factoren De gevlekte witsnuitlibel is afhankelijk van rietvegetatie langs de oever van zwakgebufferde vennen. Instandhouding van deze vegetatie is daarom van groot belang. Verlanding kan hierbij een knelpunt vormen. Als gevolg van stikstofdepositie kunnen oeverzones verruigen en daardoor ongeschikt worden als leefgebied van gevlekte witsnuitlibel. Daarnaast vormt de geïsoleerde ligging van de vennen een mogelijke beperking voor dispersie (Provincie Overijssel, 2017a). Conclusie De depositie op leefgebieden van de gevlekte witsnuitlibel is te beperkt en te tijdelijk is om verandering in de vegetaties teweeg te brengen. Daarnaast is de trend van de populatie positief. Significante effecten op de instandhoudingsdoelen van de gevlekte witsnuitlibel zijn uitgesloten.
5.6
Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal
5.6.1 Gebiedsbeschrijving Het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal ligt op de stuwwal tussen Oldenzaal, Losser en De Lutte. Het gebied omvat boscomplexen met goed ontwikkelde bron- en beekbegeleidende bossen, eiken-haagbeukenbos en wintereiken-beukenbos, die worden afgewisseld met een kleinschalig houtwallenlandschap met (vochtige) graslanden en akkers. De landgoederen bieden een uitstekend leefgebied aan de kamsalamander, die hier een van haar bolwerken in ons land heeft. 5.6.2
(ZG)H9120 Beuken-eikenbossen met Hulst
Algemene omschrijving Het habitattype betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag, voorkomend op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Tot het habitattype worden alleen gerekend: bossen op bosgroeiplaatsen van voor 1850 en bosopstanden van minstens 100 jaar oud die daaraan grenzen. Instandhoudingsdoel Het habitattype H9120 heeft in Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype.
33/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op (ZG)H9120. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.429 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie van H9120 is minimaal 1.204, maximaal 2.257 en gemiddeld 1.734 mol N/ha/jaar. De achtergronddepositie van ZGH9120 is minimaal 1.529, maximaal 2.014 en gemiddeld 1.836 mol N/ha/jaar. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 97,2 ha van (ZG)H9120 met een (naderend) overbelaste situatie. Trend Het habitattype H9120 komt in Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal verspreid over het gebied voor en is van goede kwaliteit. De trend van zowel oppervlakte als kwaliteit is echter onbekend (Provincie Overijssel, 2017b). Analyse sturende factoren Omdat dit habitattype minder gevoelig is voor lage grondwaterstanden wordt verdroging niet als een knelpunt ingeschat. Overschrijding van de KDW voor stikstof is wel een belangrijk knelpunt. Er is onvoldoende bekend over het mogelijke kwaliteitsverlies als gevolg van verzuring of vermesting, maar gezien de gevoeligheid van het habitattype voor stikstofdepositie wordt dat wel aangenomen (Provincie Overijssel, 2017b).
Conclusie Hoewel stikstofdepositie waarschijnlijk het belangrijkste knelpunt voor dit habitattype is, is een tijdelijke depositie van 0,01 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken. De beoogde ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten. 5.6.3
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
Algemene omschrijving Dit habitattype omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen en direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwateren. De beekbegeleidende bossen in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden bezitten een typische ondergroei met een uitbundig voorjaarsaspect. Instandhoudingsdoel Het habitattype H91E0C heeft in het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op H91E0C. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.857 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.239, maximaal 2.029 en gemiddeld 1.607 mol N/ha/jaar. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 3,6 ha met een (naderend) overbelaste situatie.
34/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Trend Het habitattype komt verspreid over het Natura 2000-gebied voor. De huidige kwaliteit van de beekbegeleidende bossen is grotendeels goed, op een beperkt oppervlak is de kwaliteit matig. De huidige ontwikkeling van zowel oppervlakte als kwaliteit is er een van achteruitgang (Provincie Overijssel, 2017b). Analyse sturende factoren Een niet toereikende waterhuishouding is voor dit habitattype het grootste knelpunt. Daarnaast spelen ook verzuring en versnippering een rol in de kwaliteit van het habitattype. De mate van verdroging is ruimtelijk bezien niet goed gekwantificeerd. Het is niet goed bekend in hoeverre vermesting of verzuring als gevolg van stikstofdepositie een rol speelt of de oorzaak is van de achteruitgang van kenmerkende soorten (Provincie Overijssel, 2017b). Conclusie Stikstofdepositie is niet het sturende knelpunt voor dit habitattype. Daarnaast is een tijdelijke depositie van 0,01 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken. De beoogde ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten. 5.6.4
(ZG)H9160 Eiken-haagbeukenbossen
Algemene omschrijving Eiken-haagbeukenbossen vormen een loofbosgemeenschap met een gevarieerde vegetatiestructuur met een hoge en een lage boomlaag, een goed ontwikkelde struiklaag en een weelderige, soortenrijke kruidlaag met typische soorten. De gevarieerde structuur van deze eikenhaagbeukenbossen hangt samen met een eeuwenlange menselijke exploitatie, waarvan het middenbosbeheer het belangrijkste aspect vormt. Instandhoudingsdoel Het habitattype H9160 heeft in het Natura 2000-gebied Landgoederen Oldenzaal een uitbreidingsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en een behoudsdoelstelling in relatie tot de kwaliteit van het habitattype. Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op (ZG)H9160. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.429 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.226, maximaal 2.019 en gemiddeld 1.692 mol N/ha/jaar. De achtergronddepositie op ZGH9160 is minimaal 1.393, maximaal 1.728 en gemiddeld 1.630 mol N/ha/jaar. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 12,8 ha op (ZG)H9160 met een (naderend) overbelaste situatie.
35/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Trend Het habitattype H9160 komt verspreid over het gebied voor, en is bijna overal van goede kwaliteit. De trend van het oppervlakte is negatief tot stabiel, en de trend van kwaliteit is negatief (Provincie Overijssel, 2017b). Analyse sturende factoren Ten gevolge van verdroging, verzuring en versnippering zijn de afgelopen decennia zowel de kwaliteit als de oppervlakte van het habitattype flink achteruit gegaan. De verzuring is deels te wijten aan de verminderde toestroming van (matig) basenrijk water, en deels aan overmatige stikstofdepositie. Ook het ontbreken van een goede bosstructuur heeft nadelig effect op het voorkomen van typische soorten van het habitattype (Provincie Overijssel, 2017b). Conclusie Hoewel stikstofdepositie één van knelpunten voor dit habitattype is, is een tijdelijke depositie van 0,01 mol N/ha/jaar gedurende 2 jaar te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken. De beoogde ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten.
5.7
Natura 2000-gebied Lemselermaten
5.7.1 •
Gebiedsbeschrijving
Het Natura 2000-gebied de Lemselermaten is onderdeel van een beekdallandschap en ligt in de gemeente Dinkelland, ten zuidoosten van Weerselo, tussen de Weerselerbeek en de Dollandbeek. Het centrale deel van het gebied wordt gevormd door een dekzandrug, met enkele landbouwpercelen en heide. Door de bodemopbouw en de daarmee samenhangende kwelstromen is er een aanvoer van basenrijk, matig voedselarm water naar het gebied. Het gebied gekenmerkt door voornamelijk natte vegetaties die allemaal afhankelijk zijn van een goede vocht- en nutriëntenhuishouding en gevoelig zijn voor verlaging van de grondwaterstand en grote fluctuaties in waterpeil. In de eerste helft van de vorige eeuw bestond het gebied grotendeels uit schrale graslanden langs de beek en heide op de zandrug. In de jaren ’40 en ’50 zijn de meeste natte beekdalgraslanden door de boeren verlaten en raakten begroeid met elzenbroek. Het grootste deel van de zandrug en sommige beekdalgraslanden werden ontgonnen en gedraineerd
Bijzonder in het gebied zijn stukjes kalkmoeras en restanten van trilveenvegetatie in het centrale deel van het gebied (de “Maatjes”), omgeven door H6410 Blauwgrasland en H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) op voedselrijke en basenrijke bodems in de nabijheid van beide beken. Verspreid over het gebied komt de zeggekorfslak voor. Verder zijn er vooral natte heideterreinen te vinden in het gebied (Provincie Overijssel, 2016).
36/79
Kenmerk
5.7.2
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
Algemene omschrijving Dit habitattype omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen en direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwateren. De beekbegeleidende bossen in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden bezitten een typische ondergroei met een uitbundig voorjaarsaspect. Instandhoudingsdoel Voor het habitattype is de doelstelling geformuleerd voor behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype kalkmoerassen (H7230) is toegestaan. De kwaliteitsverbetering en de achteruitgang in oppervlakte van het habitattype ten gunste van kalkmoerassen (H7230) mogen echter niet ten koste gaan van specifieke locaties van het leefgebied van de zeggekorfslak (H1016). Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op H91E0C. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.857 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.258, maximaal 2.019 en gemiddeld 1.715 mol N/ha/jaar. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 3,6 ha met een (naderend) overbelaste situatie.
Trend In Lemselermaten komt het habitattype H91E0C komt voor in een matige tot goede kwaliteit, over een berekende oppervlakte van ca. 1,58 ha. Door voortschrijdende verzuring en eutrofiëring als gevolg van verdroging die grotendeels al voor 1990 is opgetreden gaat de kwaliteit achteruit. Mogelijk treedt ook nog een afname van de oppervlakte op omdat de elzenopstanden een ondergroei ontwikkelen die niet meer tot het habitattype kan worden gerekend. Analyse sturende factoren Voor behoud van het habitattype in het hele Natura 2000 gebied is ontwatering in en rond het Natura 2000 gebied een groot knelpunt. Ontwatering van het gebied zorgt momenteel voor achteruitgang van het habitattype via eutrofiëring en verzuring door verlaagde grondwaterstanden en de afname van het basenrijk kwelwater in de bodem (Provincie Overijssel, 2017c). Op de iets hoger gelegen delen van het gebied is de verzuring terug te zien aan de opkomst van grote brandnetel en braam in de ondergroei (Provincie Overijssel, 2016). Binnen dit habitattype komt het elzenbroekbos komt voor op plekken met periodieke tot langdurige kwel van basenrijk grondwater en waar deels de afvoer van oppervlaktewater stagneert. De best ontwikkelde vormen staan langdurig onder invloed van basenrijke kwel.
Door verdroging eutrofiëring en bosvorming door staken van het hooilandbeheer belemmeren de ontwikkeling van deze plekken (Provincie Overijssel, 2017c). Elzen zijn niet goed bestand tegen de droogte met als gevolg dat er in de afgelopen jaren er in het elzenbroekbos een verschuiving te zien is in het bomenbestand van elzen naar essen (Provincie Overijssel, 2016).
37/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Conclusie De eenmalige, op zichzelf verwaarloosbare, emissie van 0,01 mol/ha/jaar gedurende twee jaar zal met zekerheid geen effecten hebben op het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen in het Natura 2000-gebied Lemselermaten, omdat de toename in stikstofdepositie te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken. Significante effecten zijn uitgesloten. 5.7.3
H4010A Vochtige heiden (hogeren zandgronden)
Algemene omschrijving Vochtige heiden komen voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden, in het heuvelland en het laagveengebied. Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met pijpenstrootje en veenmos. De begroeiingen variëren afhankelijk van de waterhuishouding, ouderdom en leemgehalte van de bodem. Instandhoudingsdoel Voor het habitattype is de doelstelling geformuleerd voor behoud verspreiding, behoud, maar lokaal uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op H4010A. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.214 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.519, maximaal 1.780 en gemiddeld 1.586 mol N/ha/jaar. Er is op alle hexagonen sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 1,5 ha. Trend Het habitattype komt met een goede kwaliteit voor, over een oppervlak van ca. 1 ha. Vanwege bosvorming is dit naar verwachting geen bestendige situatie en gaat in kwaliteit achteruit door bosvorming (Arcadis, 2009).
Trend in oppervlakte is stabiel (Provincie Overijssel, 2017c). Analyse sturende factoren De vegetatie van dit habitattype komt voor op voedselarme en natte standplaatsen en is daarmee bijzonder gevoelig voor daling van de grondwaterstand en grote fluctuaties in waterpeil. De ontwatering in het gebied door sloten, buisdrainage en genormaliseerde beken, drinkwaterwinning Weerselo, en grondwateronttrekking voor landbouw vormen daarmee een belemmering voor de verbetering van de kwaliteit van dit habitattype (Provincie Overijssel, 2017). Verder treedt er door de verdroging en verruiging ook verlanding op van de oligotrofe vennetjes in het gebied en rukken er vanuit de bosrand meer algemene, stikstofminnende soorten op (Provincie Overijssel, 2016) Daarnaast treedt vermesting van het grondwater op door agrarisch gebruik in het intrekgebied binnen Natura 2000 begrenzing, waardoor er sprake is van eutrofiëring. Dit uit zich in vergrassing met soortenarme pijpenstrootje-begroeiingen en struweel (Provincie Overijssel, 2017c).
38/79
Kenmerk
R002-1281810YKH-V02-agv-NL
Voor het behoud van het habitat type zijn maatregelen ten behoeve van de waterhuishouding en reductie van stikstof depositie essentieel. Verder kan verwijdering van boomopslag bijdragen aan het behoud van oppervlakte en kwaliteit van het gebied. Conclusie Het gebied is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Echter is de stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar door stikstofoxiden te beperkt en te tijdelijk om een (tijdelijk noch permanent) effect op de vegetatiesamenstelling of abiotische randvoorwaarden te veroorzaken. Het project heeft daarom geen invloed op de trend, waardoor er geen effect is op het behoudsdoel. Gelet hierop is een significant effect op dit habitattype uitgesloten. 5.7.4
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
Algemene omschrijving Het habitattype pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en zeer voedselarm tot voedselarm zijn. Op natuurlijke wijze ontstaan dit habitattype door langdurige waterstagnatie in laagten. Dit gebeurt echter nog maar weinig. Meestal ontwikkelen deze pioniergemeenschappen met snavelbiezen zich op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. Hier zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen, die deel uitmaken van habitattype H4010 (profiel H7150). Instandhoudingsdoel Voor het habitattype is de doelstelling geformuleerd voor behoud oppervlakte en kwaliteit. Omvang depositie, kritische depositiewaarde en achtergronddepositie Er is als gevolg van de aanlegfase van beoogde ontwikkeling sprake van een tijdelijke depositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op H7150. De kritische depositiewaarde van het habitattype is 1.429 mol N/ha/jaar, en de achtergronddepositie is minimaal 1.519, maximaal 1.780 en gemiddeld 1.601 mol N/ha/jaar. Er is op alle hexagonen sprake van een overbelaste situatie. In totaal is er sprake van een projectbijdrage op circa 0,5 ha.