Bijlagen toelichting bestemmingsplan Haverkampweg 157
Tekst van het document
Bijlagen Toelichting Bestemmingsplan Haverkampweg 157
Status: Vastgesteld
Haverkam pweg 157
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
3
Bijlage 1
Quick scan flora en fauna
4
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek Haverkampweg 157
34
Bijlage 3
Geluidrapport Haverkampweg 157
103
2
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Bijlagen toelichting
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
3
Bijlage 1 Quick scan flora en fauna
4
bestemmingsplan Haverkampweg 157 (vastgesteld)
Quickscan flora en fauna Haverkampweg 155 & 157, Enschede
Opdrachtgever:
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
6589.1 23-11-2021
Definitief 4
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ....................................................................................................................................................... 5
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6
2.1
Huidige situatie .......................................................................................................................................6
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................9
3
Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 10
3.1
Inleiding ................................................................................................................................................10
3.2
Bescherming van soorten .....................................................................................................................10
3.3
Bescherming van gebieden ...................................................................................................................10
3.4
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................11
4
Methode.................................................................................................................................................... 12
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................12
4.2
Bureauonderzoek .................................................................................................................................12
4.3
Terreinbezoek .......................................................................................................................................12
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 13
5.1
Inleiding ................................................................................................................................................13
5.2
Planten..................................................................................................................................................13
5.3
Zoogdieren ............................................................................................................................................13
5.3.1
Vleermuizen .................................................................................................................................13
5.3.2
Overige zoogdieren ......................................................................................................................16
5.4
Vogels ...................................................................................................................................................17
5.5
Reptielen...............................................................................................................................................18
5.6
Amfibieën .............................................................................................................................................19
5.7
Vissen ....................................................................................................................................................19
5.8
Ongewervelden ....................................................................................................................................20
6 6.1
Conclusie ................................................................................................................................................... 21 Beschermde soorten.............................................................................................................................21
6.1.1
Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt ....................................................................21
6.1.2
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt ..................................................................21
6.1.3
Algemene zorgplicht ....................................................................................................................21
6.2
Bescherming gebieden .........................................................................................................................21
6.3
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................22
6.4
Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................22
6.5
Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................22
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 24 Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 3
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 4
1 Inleiding In het kader van een Rood voor Rood traject is de eigenaar voornemens een nieuwe woning te realiseren, een bestaande schuur te slopen en daarnaast diverse inrichtingsmaatregelen uit te voeren. Zo worden er bomen gekapt en wordt in een voormalig bosvak opslag van bomen verwijderd. Elders binnen het plangebied zal bos aangeplant worden en er zullen twee poelen gegraven worden. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 5
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt ten zuiden van Glanerbrug, in de stadsrand van Enschede aan de Haverkampweg 155 & 157 en wordt omgeven door agrarische percelen met opgaand groen zoals houdsingels en bospercelen (zie afbeelding 1 voor de ligging van het plangebied). Het plangebied betreft één locatie welke is omzoomd door een gemengde houtopstand bestaand uit onder meer zomereik en grove den. Binnen deze omzoming ligt in het noordwesten een door pony’s begraast grasland. In het zuidoosten ligt een nu circa 4 jaar oude houtopstand welke door natuurlijke verjonging (opslag) is ontstaan. Deze opstand bestaat voornamelijk uit berk. Hierboven genoemde gebieden worden van elkaar gescheiden door een dubbele rij fijnsparren. ten noorden van het plangebied is een opstal aanwezig(Haverkampweg 155). Het plangebied ligt in een donkere omgeving, er is geen verlichting aanwezig. In afbeelding 2 worden enkele foto’s van het plangebied getoond. Deze foto’s zijn gemaakt tijdens het veldbezoek op 28 juni 2021.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 6
Afbeelding 1 Ligging plangebied Haverkampweg 157. Boven met topografische kaart (van Aalst, 2020), onder met luchtfoto 2018 (ESRI, 2021).
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 7
Afbeelding 2. Enkele foto's van het plangebied. Foto’s zijn gemaakt ten tijde van het veldbezoek op 28 juni 2021.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 8
2.2 Voorgenomen ontwikkeling In het kader van een Rood voor Rood traject is de eigenaar voornemens een nieuwe woning te realiseren binnen het plangebied. Ook zal een schuur gelegen aan de Haverkampweg 155 gesloopt worden. Daarnaast zullen er diverse inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd. De ca 4 jaar oude opstand van berk alsmede de dubbele rij sparren zullen geveld worden. Ter compensatie zal er in het westen van het plangebied nieuw bos aangeplant worden. Daarnaast wordt in het oosten van het plangebied twee poelen aangelegd. In onderstaande figuur is een verbeelding van de toekomstige situatie weergegeven (zie afbeelding 3).
Afbeelding 3. Verbeelding toekomstige situatie. Bron: Eelerwoude.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 9
3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale Wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 2 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Aamsveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 10
blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstofgerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een Stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter, de gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet.
3.4 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan, hoewel een gedeelte van het plangebied binnen de NNN ligt, liggen de te verrichten werkzaamheden niet binnen het NNN (zie afbeelding 4). Het NNN kent daarnaast in de provincie Overijssel ook geen externe werking.
Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.
Afbeelding 4 Ligging plangebied ten opzichte van het NNN.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 11
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied; • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door B.H.J. ten Dam uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 28-06-2021 bij 27°C, licht bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
• •
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
•
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 12
5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Wel komen er een aantal algemeen voorkomende plantensoorten voor als pitrus, smalle weegbree, vingerhoedskruid, ridderzuring, zomereik, grove den, fijnspar, boswilg en berk. Genoemde soorten zijn kenmerkend voor wat meer voedselrijke omstandigheden. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Veel van de beschermde soorten komen nagenoeg voor in specifieke habitats, zoals natuurgebieden. Er zijn ook geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend in en rondom het plangebied (NDFF, 2021). Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen dan wel te verwachten. Deze worden gezien het huidige beheer en gebruik niet verwacht, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde plantensoorten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 13
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis is voornamelijk boombewonend en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Gebouwen In het plangebied is een schuur aanwezig. Deze schuur is het enige bouwkundig element binnen het plangebied. Het dak van deze schuur bestaat uit een pannendak zonder tussenruimten met dakbeschot. De dakpannen liggen los op de latten. Tussenruimten geschikt voor vleermuizen ontbreken in het dak. Verblijfplaatsen van vleermuizen in het dak van de kleine schuur zijn dan ook niet aanwezig. De muurdelen van de schuur bestaan uit betonnen schotten zonder tussenruimte zoals een spouwmuur. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in deze betonnen schotten zijn daarom ook niet aanwezig. Gezien de vervallen constructie waar vocht en weersinvloeden vrij spel hebben, is het niet aannemelijk dat er in de schuur gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. Bomen Binnen het plangebied zijn bomen aanwezig welke vanwege de omvang en grootte ongeschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het gaat om de bomenrij met fijnsparren, centraal binnen het planbied. Deze fijnsparren zijn nagenoeg allemaal bomen van ongeveer 15 à 20 jaar oud waar potentiële verblijfplaatsen niet te verwachten zijn. Er zijn geen zichtbare holten en spleten en er is geen dood hout aanwezig. In de ca 4 jaar oude berken opstand zijn eveneens potentiële verblijfplaatsen niet te verwachten. De overige houtopstanden bevinden zich aan de randen van het plangebied.
Deze bomen blijven gehandhaafd en er zullen geen werkzaamheden in plaatsvinden. Hoewel deze potentieel geschikt zijn voor vleermuizen worden er geen effect verwacht. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Ook de omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van de groene omzoming van het plangebied. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals houtsingels, welke als vliegroute kan dienen. Deze zijn binnen het gebied aanwezig. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen Gebouwen De schuur is qua constructie en bouwtechnische eigenschappen niet geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuizen worden in de te slopen schuur uitgesloten. Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 14
Bomen Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van een negatief effect op boombewonende vleermuizen. Foerageergebied en vliegroutes Ook na de ontwikkeling blijft het plangebied voor vleermuizen beschikbaar. Mogelijk neemt geschikt foerageergebied toe door aanplant van inheems plantgoed en het realiseren van de poelen. Doorgaans trekken poelen veel insecten aan, wat als voedsel voor vleermuizen kan dienen. Vliegroutes zijn rondom het plangebied aanwezig en blijven behouden. Enkel wordt een bomenrij met fijnsparren gekapt, maar deze maakt gezien de ligging in het landschap geen onderdeel uit van een essentiële vliegroute, omdat er voldoende alternatief in de omgeving aanwezig is. Het kappen van deze fijnsparren leidt daarom niet tot een negatief effect op de vliegroutes van vleermuizen. Van een negatief effect op foerageergebied of vliegroutes is derhalve geen sprake. Werkzaamheden dienen wel overdag uitgevoerd te worden, zodat eventuele foeragerende vleermuizen niet worden gestoord. Men dient het toepassen van verlichting zoveel mogelijk te beperken. Met de ontwikkeling dient men rekening te houden met verlichting (zie kader Verlichting).
Conclusie: indien werkzaamheden uitsluitend overdag worden uitgevoerd en men rekening houdt met het toepassen van verlichting is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 15
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
• • •
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
•
beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
•
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene (spits)muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leefen foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals das, eekhoorn, wezel, bunzing, egel en steenmarter gebruiken mogelijk het plangebied om te foerageren. Verblijfplaatsen van genoemde soorten, zoals burchten, bladnesten of andere geschikte verblijfplaatsmogelijkheden zoals takkenrillen of boomstronken, zijn in het plangebied afwezig. Ook in de te slopen schuur ontbreken houtstapels of ander opgestapeld materiaal waar een soort als wezel kan verblijven. Daarnaast is de schuur vanaf de grond ontoegankelijk voor de meeste grondgebonden zoogdieren vanwege de beperkte ruimte. De te kappen bomen zijn tijdens het veldbezoek nog extra gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van eekhoorn, deze zijn eveneens niet aangetroffen.
Mogelijk dat voor enkele genoemde soorten het plangebied wel onderdeel uitmaakt als leefgebied, zoals foerageergebied, maar dit betreft echter geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 16
Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt gebruiken het plangebied mogelijk om te foerageren. Er zijn geen verblijfplaatsmogelijkheden voor deze soorten aangetroffen. Een negatief effect op verblijfplaatsen worden met de ontwikkeling niet verwacht. Ook na de ontwikkelingen blijft het plangebied voor deze soorten voorhanden. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen, horsten of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zoals buizerd, ransuil, steenuil, sperwer, torenvalk of havik zijn in de te kappen bomen of in de te slopen schuur niet aangetroffen. In de schuur zijn geen braakballen of veren van jaarrond beschermde vogelsoorten waargenomen. Daarnaast is de schuur vanaf de buitenkant niet voor soorten zoals steenuil toegankelijk.
De aanwezige houtopstanden zijn stuk voor stuk met behulp van een verrekijker geïnspecteerd op eventuele aanwezige horsten en nesten. Speciale aandacht ging hierbij uit naar de mogelijke aanwezigheid van de ransuil. Deze soort broed in oude nesten van bijvoorbeeld kraaien of houtduif en heeft voorkeur voor naaldbomen. Sporen (braakballen/ uitwerpselen) zijn van ransuil niet aangetroffen, mogelijk dat ransuilen zich elders ophouden rond het plangebied. Nestplaatsen van de soort zijn derhalve niet aangetroffen. Mogelijk dat deze soorten het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. Ook na de voorgenomen ontwikkelingen blijft het plangebied voor jaarrondsoorten geschikt. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als boomkruiper, boomklever, koolmees, pimpelmees en gekraagde roodstaart. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 17
plangebied; houtduif, merel, zwartkop, tuinfluiter, fitis, roodborst en winterkoning. Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er zijn in het plangebied geen nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen. Mogelijk dat enkele soorten jaarrond beschermde nesten wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. Het leefgebied van deze soorten wordt met de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast en het leefgebied blijft ook na de ontwikkeling beschikbaar voor deze soorten. Van een negatief effect is derhalve geen sprake. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden.
Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.
5.5 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Op 150 meter afstand (hemelsbreed), ten zuiden van het plangebied, ligt een natuurterrein (heide) met levendbarende hagedis (NDFF, 2021). Dit natuurterrein wordt richting het plangebied toe onderbroken door een grasland. De levendbarende hagedis heeft als voorkeurshabitat heidevelden en hoogvenen. De soort wordt ook wel aangetroffen in open bossen, wegbermen en zelfs houtwallen. Levendbarende hagedissen eten voornamelijk insecten. Het plangebied is beoordeeld op geschikt biotoop van de levendbarende hagedis. Het terrein aan de noordoostkant is dichtgegroeid met opslag van berk en braam. Te voet is het terrein slecht toegankelijk en er zijn geen open plekken aanwezig waar de levendbarende hagedis voor kan komen. De omzomende bomenrij (houtwal) biedt wel op een aantal plekken geschikt leefgebied voor de soort.
1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 18
Effecten en ontheffing De levendbarende hagedis komt niet voor in het opslagterrein, omdat dit terrein is dichtgegroeid zonder aanwezigheid van geschikte open plekken waar de levendbarende hagedis kan overleven. Negatieve effecten op de levendbarende hagedis worden op dit terrein daarom niet verwacht. Door de aanleg van een meer kruidenrijke vegetaties met poelen wordt dit terrein mogelijk geschikter. De levendbarende hagedis is namelijk ook vochtige delen in het terrein nodig. De levendbarende hagedis komt mogelijk wel voor in de randzone van het plangebied. Hier zijn geschikte plekken aanwezig. Met de voorgenomen ontwikkelingen blijven deze plekken gehandhaafd, waardoor er geen negatieve effecten op de levendbarende hagedis ontstaat. Conclusie: het potentieel leefgebied van de levendbarende hagedis dient gehandhaafd te blijven. Het opslagterrein is ongeschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Vanuit de verspreidingsgegevens afkomstig uit de NDFF-data zijn buiten het plangebied enkele waarnemingen van de kamsalamander bekend. Deze kamsalamanders zijn aangetroffen in voor kamsalamander geschikte poelen. In het plangebied zelf ontbreekt geschikte waterelementen waar kamsalamanders zich kunnen voortplanten. Het plangebied wordt om die reden ook niet gebruikt als winterbiotoop van kamsalamander. Kamsalamanders zijn daarom ook niet in het plangebied aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander, wordt niet verwacht in het plangebied vanwege ongeschikt habitat. Zo ontbreken waterelementen in het plangebied. Gezien de ligging is het plangebied ook niet geschikt als winterbiotoop voor kamsalamander, omdat het verspreidingsgebied in de omringende omgeving ver buiten het plangebied ligt.
Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een positief effect van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Met de realisatie van de poelen neemt geschikt voortplantingswater voor deze soorten toe. Daarnaast is voor deze beschermde soorten bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 19
Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied (NDFF, 2021). In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen bekend van de kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder. Beide dagvlindersoorten zijn beschermd en opgenomen in de Wet natuurbescherming. Kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. De waardplant van kleine ijsvogelvlinder (waar de soort de eitjes op af zet) is kamperfoelie (De Vlinderstichting, 2020). In het plangebied zelf ontbreken dergelijk geschikt waardplanten voor de kleine ijsvogelvlinder. Voortplantingsplaatsen van kleine ijsvogelvlinder zijn daarom dan ook niet aanwezig. De grote weerschijnvlinder komt ook voor in gevarieerde terreinen met de aanwezigheid van vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Geschikt biotoop voor de soort is met name aanwezig ten zuiden van het plangebied.
Belangrijke waardplanten voor grote weerschijnvlinder zijn hogere boswilgen (vaak groter dan 4 meter) en soms grauwe wilg (De Vlinderstichting, 2020). In het plangebied zijn enkele geschikte boswilgen aanwezig. Effecten en ontheffing In het plangebied ontbreekt geschikt (voortplanting)biotoop voor de kleine ijsvogelvlinder. De waardplanten van deze soort (kamperfoelie) is afwezig. Negatieve effecten op het leefgebied van de kleine ijsvogelvlinder wordt niet verwacht. In het plangebied is geschikt (voortplanting)biotoop voor de grote weerschijnvlinder aanwezig. De waardplanten van deze soort is aanwezig in de vorm van enkele hoogopgaande boswilgen. Het is mogelijk dat enkele grote weerschijnvlinders de bomen gebruiken om zich voort te planten. Om die reden is het noodzakelijk om de aanwezige boswilgen te sparen. Indien men de boswilgen niet bespaard, is nader onderzoek of een ontheffing voor de grote weerschijnvlinder noodzakelijk. Andere beschermde ongewervelden worden op basis van bekende verspreidingsgebied en ontbreken van geschikt habitat uitgesloten. Conclusie: met de voorgenomen ontwikkeling dienen de boswilgen bespaard te blijven. Indien men de boswilgen worden gekapt, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor grote weerschijnvlinder noodzakelijk.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 20
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als ree, haas, konijn, egel en diverse algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Werkzaamheden dienen uitsluitend overdag uitgevoerd te worden. Met de erfinrichting dient men rekening te houden met verlichting. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren. Ongewervelden Met de voorgenomen ontwikkeling dienen de boswilgen bespaard te blijven. Indien men de boswilgen worden gekapt, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor grote weerschijnvlinder noodzakelijk.
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
6.2 Bescherming gebieden Niet- stikstof gerelateerde effecten Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve
2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 21
invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstofgerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof gerelateerde effecten Een Stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter, de gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet.
6.3 Natuurnetwerk Nederland De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan, hoewel een gedeelte van het plangebied binnen de NNN ligt, liggen de te verrichten werkzaamheden niet binnen het NNN of de Zone ondernemen met natuur en water. Het NNN kent in deze provincie Overijssel ook geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.
6.4 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
6.5 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 22
Literatuurlijst • • • • • • •
AERIUS Calculator (2021). Datum van raadplegen: 08-07-2021. https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl# De Vlinderstichting. (2020, maart 30). Grote weerschijnvlinder. Opgehaald van De Vlinderstichting: https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/grote-weerschijnvlinder De Vlinderstichting. (2020, maart 30). Kleine ijsvogelvlinder. Opgehaald van De Vlinderstichting: https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/kleine-ijsvogelvlinder ESRI Nederland (2021). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF (2021). Nederlandse Databank Flora en Fauna. https://www.ndff.nl/ Van Aalst, J. (2021, juni 26). Imeris. Opgehaald van www.imeris.nl
Foto’s en illustraties: Eelerwoude, 2021.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 23
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 24
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 25
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 26
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Haverkampweg 155 & 157, Enschede | Eelerwoude | 27
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •