Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
• Of een geval van ernstige bodemverontreiniging met spoed moet worden gesaneerd is afhankelijk van de risico's. Hiertoe moet een risicobeoordeling worden uitgevoerd waarbij de humane, ecologische en verspreidingsrisico's worden vastgesteld. Als sprake is van onaanvaardbare risico's moet de sanering met spoed worden uitgevoerd. Eventueel kunnen ook tijdelijke beveiligingsmaatregelen worden getroffen om de risico's te beheersen.
216808
Appendix 3/4
Het bevoegd gezag Wbb stelt in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en, als dit het geval is, of de verontreiniging met spoed moet worden gesaneerd. Als sprake is van spoed, dan stelt het bevoegd gezag in de beschikking tevens de termijn vast waarbinnen met de sanering moet worden begonnen. Asbest Met betrekking tot asbest is het Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest van toepassing. Dit protocol asbest is opgenomen in de Circulaire bodemsanering. Voor asbest geldt dat, ongeacht de omvang, er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. wordt overschreden. Indien een asbestverontreiniging is ontstaan na 1993 (opname zorgplichtartikel in de Wet bodembescherming) dient een bodemverontreiniging in principe, ongeacht mate, omvang en risico’s te worden gesaneerd. Indien een verontreiniging is ontstaan voor 1993 (‘historische verontreiniging’) wordt de saneringsnoodzaak en spoedeisendheid volgens het Milieuhygiënisch Saneringscriterium bepaald. Volgens de Circulaire bodemsanering geldt voor asbest dat, bij grond met een gewogen gehalte aan asbest hoger dan de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. er, onafhankelijk van de omvang van de verontreiniging, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (geen zorgplicht) worden vervolgens de volgende stappen van het protocol asbest uitgevoerd: • uitvoeren standaard risicobeoordeling via onder andere bodemgebruiksvorm, aanwezigheid van asbest in ‘leeflaag’, gehalte aan (niet) hechtgebonden asbest en vegetatie; • eventueel uitvoeren van een locatiespecifieke risicobeoordeling (bepaling respirabele vezels en/of bepaling asbestvezelconcentratie in binnen- en/of buitenlucht). De Wet bodembescherming (Wbb) is niet van toepassing bij puin- of andere lagen waarin de fractie aan bodemvreemd materiaal groter is dan 50%. De Wbb is daarnaast per definitie niet van toepassing bij wegen: onder een weg wordt verstaan een weg, een pad of een erf, alsmede andere grond die bestemd is om door rij en ander verkeer gebruikt te worden. Het is sinds 1 januari 2000, op basis van het Besluit asbestwegen milieubeheer, verboden om een asbesthoudende weg voorhanden te hebben. Wanneer er meer dan 100 mg/kg d.s. asbest (gewogen) in een weg aanwezig is, is de eigenaar verplicht een melding te doen bij het Ministerie Infrastructuur en Milieu (I&M) en maatregelen te nemen die strekken tot het tegengaan van blootstelling van gebruikers van die weg aan asbest. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ziet toe op de handhaving van het Besluit asbestwegen milieubeheer.
Het verbod geldt voor alle asbestwegen in Nederland. Uitgezonderd zijn: • een weg, waarvan de eigenaar heeft aangetoond dat de concentratie asbest in die weg lager is dan 100 mg/kg d.s. (gewogen); • een weg die voor 1 juli 1993 is aangebracht en waarvan het asbest is afgeschermd door een verharding die geen asbest bevat. Een weg wordt beschouwd als een object. Op het verwijderen van objecten is het Asbest-verwijderingsbesluit 2005 van toepassing. In het Asbestverwijderingsbesluit 2005 wordt echter een asbestweg uitgezonderd van de asbestinventarisatieplicht (artikel 4 lid 1c) en de verplichting een gecertificeerde asbestverwijderaar de werkzaamheden te laten uitvoeren. En geldt voor het verwijderen van de weg wel het sloopregime uit het Arbeidsomstandighedenbesluit.
216808
Appendix 4/4
VERANTWOORDING
NEN-normen Vooronderzoek NEN 5725
Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (Nederlandse norm 5725: oktober 2017)
Bodemonderzoek NEN 5740
216808
Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (Nederlandse norm 5740, januari 2009 en 5740:2009/A1: februari 2016)
Kwaliteitsborging Algemeen Kwaliteitszorg algemeen
NEN-EN-ISO 9001: 2015
Kwaliteitsmanagementsystemen – Eisen (Nederlandse norm, oktober 2015)
Veiligheidscertificaat aannemers
VCA**
VGM (Veiligheid, Gezondheid en Milieu) Checklist Aannemers (versie 2017/6.0, april 2018)
Kwalibo algemeen
BRL SIKB
Kwalibo staat voor kwaliteitsborging in het bodembeheer en is verankerd in het Besluit bodemkwaliteit
Milieukundig laboratoriumonderzoek Laboratorium
AS3000
SGS Environmental Analytics B.V.
BRL SIKB 1000
Monsterneming voor partijkeuringen
Protocol 1001
Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie
BRL SIKB 2000
Veldwerk milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek
Protocol 2001
Uitvoeren van handboringen en plaatsen van peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen
Protocol 2002
Het nemen van grondwatermonsters
Protocol 2003
Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek
Protocol 2018
Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem
BRL SIKB 2100
Mechanisch boren
Protocol 2101
Mechanisch boren
BRL SIKB 6000
Milieukundige begeleiding van (water-) bodemsaneringen en nazorg
Protocol 6001
Milieukundige begeleiding landbodemsanering met conventionele methoden
Protocol 6002
Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met in-situ methoden
Milieukundig veldwerk
BRL SIKB/protocol*
BRL SIKB/protocol
BRL SIKB/protocol
BRL SIKB/protocol
216808
RvA
Kwaliteitsborging advies en rapportage Norm
Functie
Naam
Datum
ISO 9001: 2015
Auteur
J. de Gruil
7 maart 2022
ISO 9001: 2015
Kwaliteitscontrole
D. Leeferink
7 maart 2022
Toelichting verklaring van onafhankelijkheid Ortageo en al haar medewerkers hebben geen financiële en / of juridische belangen met betrekking tot de opdrachtgever en/of het eigendom van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek. Disclaimer Hoewel het bodemonderzoek op zorgvuldige wijze en conform de vigerende normen en protocollen is voorbereid en uitgevoerd, kan niet worden uitgesloten dat in werkelijkheid de situatie afwijkt ten opzichte van de in dit rapport gepresenteerde gegevens. Immers, elk bodemonderzoek is gebaseerd op het nemen van een aantal steekmonsters, welke representatief worden geacht voor het onderzochte gebied, maar waarbij (lokale) afwijkingen niet volledig kunnen worden uitgesloten.
216808
Bijlage 2 Quickscan Wnb Egberinksweg 90 Enschede
60
bestemmingsplan Egberinksweg 90 (vastgesteld)
Quickscan Wet natuurbescherming Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo
Opdrachtgever: Familie Haafkes P. Haafkes Vierde Broekdijk 23 7548 RS Enschede
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
9464 6-7-2021 B. Pegge N. Otten T. Asbreuk Definitief 1
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ....................................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie .......................................................................................................................................5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................................10
3
Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 12
3.1
Inleiding ................................................................................................................................................12
3.2
Bescherming van soorten .....................................................................................................................12
3.3
Bescherming van gebieden ...................................................................................................................12
3.4
Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................13
3.5
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................14
4
Methode.................................................................................................................................................... 15
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................15
4.2
Bureauonderzoek .................................................................................................................................15
4.3
Terreinbezoek .......................................................................................................................................15
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 16
5.1
Inleiding ................................................................................................................................................16
5.2
Planten..................................................................................................................................................16
5.3
Zoogdieren ............................................................................................................................................16
5.4
Vogels ...................................................................................................................................................19
5.5
Reptielen...............................................................................................................................................20
5.6
Amfibieën .............................................................................................................................................20
5.7
Vissen ....................................................................................................................................................21
5.8
Ongewervelden ....................................................................................................................................21
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 22
6.1
Beschermde soorten.............................................................................................................................22
6.2
Bescherming gebieden .........................................................................................................................22
6.3
Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................23
6.4
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................23
6.5
Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................23
6.6
Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................23
6.7
Natuurinclusief ontwikkelen .................................................................................................................23
7
Literatuur .................................................................................................................................................. 24
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 25
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 3
1 Inleiding De familie Haafkes is voornemens om op het erf aan de Egberinksweg 90, iets ten westen van Boekelo een bestaande schuur om te vormen tot een woning via de VAB-regeling. Naast deze omvorming zal het erf hierbij landschappelijk worden ingepast in de omgeving, een kleinschalig agrarisch landschap. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie De huidige situatie op het erf aan de Egberinksweg ligt direct ten westen van de bebouwde kom van Boekelo (afbeelding 1), binnen de gemeente Enschede (provincie Overijssel). Het erf wordt hierbij ingesloten tussen de Egberinksweg en de Ganzebosweg waarbij toegang tot het erf mogelijk is via een onverhard pad welke beide wegen met elkaar verbindt. Op het erf zelf staat de huidige woning van de familie Haafkes met een naastgelegen schuur, in dezelfde stijl als het huis (afbeelding 2). Direct ten zuiden van deze schuur staan enkele fruitbomen en rondom het huis loopt een lage beukenhaag. Verder bestaat het plangebied uit voedselrijk grasland en een met elzen omringde poel in het noorden van het plangebied (langs de Ganzebosweg). Deze poel is vermoedelijk niet jaarrond watervoerend en is momenteel sterk bemest en verzuurd door rottend blad afkomstig van de omliggende opslag van zwarte els. De omgeving van het erf bestaat uit een zeer kleinschalig agrarisch gebied welke vrijwel doorlopend wordt doorkruist met erven, houtwallen en bosschages.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 5
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de bebouwde kom van Boekelo (ESRI, 2021).
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 6
Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied aan de Egberinksweg 90 te Boekelo (ESRI, 2021).
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 7
Afbeelding 3a: Impressie plangebied.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 8
Afbeelding 3b: Om te bouwen schuur, gelegen naast de huidige woning.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 9
Afbeelding 3c: Impressie van de met elzen begroeide poel en de omgeving van het plangebied.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Omdat de initiatiefnemer voornemens is om een schuur te verbouwen tot woning worden een groot aantal interne werkzaamheden aan deze schuur verricht. De buitenzijde zal gehandhaafd blijven omdat deze geheel in stijl is met de naastgelegen woning en in goede staat verkeerd. Echter voldoet de schuur niet aan de 21 e eeuwse standaarden als het gaat om wonen en leven. Derhalve worden een aantal werkzaamheden uitgevoerd, waaronder het van binnenuit isoleren van de muren en het dak zodat de schuur geschikt wordt als woning. Om te voldoen aan de VAB-regeling wordt het gehele plangebied ook beter landschappelijk ingepast waarbij een plus wordt gecreëerd voor natuur. Hierbij worden twee inheemse bosschages aangeplant in het noorden en het westen van het plangebied. Hiernaast wordt ook struweel en heesters aangeplant rondom de schuur en de woning en de hier aanwezige bosschages uitgebreid.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 10
Afbeelding 4: Inrichtingsschets van de toekomstige erfontwikkeling aan de Egberinksweg.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 11
3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale Wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 4,2 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 12
zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstofgerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een Stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter wordt een significante stikstofdepositie niet verwacht vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de kleine schaal van de geplande ontwikkelingen. Het wordt geadviseerd om met het bevoegd gezag te overleggen over de eventuele noodzaak van het uitvoeren van een stikstofberekening.
3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.
De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. • het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; • het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; • het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode. De provincie kan een kapverbod opleggen.
Mag er wel worden gekapt, dan moeten meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 13
provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten.
Een uitgebreide toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 14
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) (NDFF, 2021); • de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied; • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door N. Otten uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 15-06-2021 bij 26°C, zonnig weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
• •
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
•
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 15
5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de huidige inrichting van het plangebied (gazon en voedselrijk grasland) was dit ook niet de verwachting. De meeste beschermde plantensoorten zijn zeer zeldzaam en allen afhankelijk van zeer specifiek biotoop. Dit kan gaan om voedselarme wateren, kalkrijke akkers of zeer oude muren. Dergelijk biotoop is vanzelfsprekend niet binnen het plangebied aanwezig. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop niet verwacht en kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 16
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis, bosvleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Gebouwen De geplande ontwikkeling heeft enkel invloed op één gebouw, de te verbouwen schuur. De bouwkundige eigenschappen van deze schuur maken hem ongeschikt voor vleermuizen. Zo ontbreekt een spouwmuur of een vorm van dakbeschot. Daarnaast sluit de gevelbetimmering naadloos aan op de buitenmuur waardoor hier geen spleten ontstaan (afbeelding 3). Doordat de schuur niet is geïsoleerd heerst er binnen ook een ongunstig microklimaat waarbij snel temperatuurswisselingen optreden, hetgeen ongunstig is voor vleermuizen. Bomen Langs de oprit van het erf staan enkele oude zomereiken. Hier zijn mogelijk potentieel geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor vleermuizen in de vorm van ingerotte boomwonden of oude spechtengaten. Deze bomen blijven echter gehandhaafd bij alle ontwikkelingen op het erf. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied en de directe omgeving zijn zeer geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Vleermuizen jagen graag in een halfopen, kleinschalig gebied met veel luwe zones langs beplantingen. Dergelijk kleinschalig biotoop is veelvuldig aanwezig in de omgeving van Boekelo, tussen Hengelo en Haaksbergen. Naast het foerageergebied gebruiken vleermuizen ook lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen als bosranden, waterwegen of houtwallen. Het is mogelijk dat de huidige beplanting binnen het plangebied gebruikt wordt om zich langs te verplaatsen.
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Omdat de bouwkundige eigenschappen, zoals het ontbreken van een spouwmuur of dakbeschot ongunstig zijn voor vleermuizen kunnen deze binnen de schuur worden uitgesloten. Er zijn geen wegkruipmogelijkheden aanwezig zowel binnen als aan de schuur (gevelbetimmering). Daarnaast heerst er een ongunstig microklimaat met onstabiele temperaturen door de slechte isolatie. Vleermuizen houden doorgaans van een stabiel klimaat zonder grote wisselingen in temperatuur. Mogelijk wordt de schuur na het inpandig isoleren en inrichten wel geschikt doordat een gunstig microklimaat dan wel aanwezig is, evenals wegkruipmogelijkheden. Met betrekking tot foerageergebied en vliegroutes kan worden gesteld dat er geen sprake is van essentieel foerageergebied of vliegroute binnen het plangebied.
Dit komt omdat de omliggende omgeving dusdanig geschikt is dat meer dan genoeg alternatieven aanwezig zijn in de omgeving. Daarnaast wordt het
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 17
foerageergebied alleen versterkt door de aanplant van groen en blijft de functionaliteit van het plangebied behouden. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, vos en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Binnen of rondom het plangebied komen (mogelijk) ook enkele soorten voor zonder provinciale vrijstelling als das, eekhoorn, egel en steenmarter. Das en eekhoorn hebben een voorkeur voor oude houtelementen, egel en steenmarter komen weer voornamelijk voor in nabijheid van mensen in tuinen en struwelen. Verblijfplaatsen van das en eekhoorn in de vorm van burchten en nesten zijn niet waargenomen onder of in de binnen het plangebied aanwezige beplanting. Nesten van egel zijn eveneens niet waargenomen, vanwege de verborgen levensstijl zijn deze echter niet uit te sluiten. Op basis van het beschikbare leefgebied is het waarschijnlijk dat er egel voorkomt binnen het plangebied en verblijft in de omliggende beplanting. Steenmarter verblijft doorgaans in holtes in gebouwen of schuren.
Sporen van steenmarter binnen het plangebied en specifiek in de schuur zijn niet waargenomen. Er is specifiek gelet op de aanwezigheid van latrines of prooiresten welk vaak worden vastgesteld in een intensief gebruikt leefgebied of verblijfplaats. Mogelijk maken alle soorten wel geregeld gebruik van het plangebied als onderdeel van het foerageergebied. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot geen of een zeer beperkt verlies van leefgebied van enkele genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor de bovenstaande soorten zonder provinciale vrijstelling geldt dat verblijfplaatsen van das, eekhoorn en steenmarter niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Verblijfplaatsen van egel zijn mogelijk wel aanwezig in de omliggende houtwal in het zuiden van het plangebied of de aanwezige beukenhagen. Dergelijk biotoop blijft behouden en wordt zelfs versterkt waardoor geen negatief effect optreedt. Ditzelfde geldt voor het leefgebied, alle soorten maken mogelijk (incidenteel) gebruik van het plangebied als onderdeel van het leefgebied.
De Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 18
geplande ontwikkeling veroorzaakt geen negatief effect doordat dit leefgebied enkel wordt versterkt. Daarnaast ligt het plangebied in een zeer groene omgeving met meer dan voldoende alternatieven. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Er is specifiek gelet op mogelijkheden binnen de aanwezige bebouwing voor boerenzwaluw, gierzwaluw en huismus. Doordat de schuur geheel dicht is (o.a. door middel van vogelschroot zie afbeelding 3) zijn hiervoor ook geen mogelijkheden.
Daarnaast is in de bomen gelet op de aanwezigheid van horsten van roofvogels of oude nesten van eksters of kraaien welke mogelijk worden gebruikt door roofvogels als boomvalk en ransuil. Dergelijke oude of in gebruik zijnde nesten zijn hierbij niet vastgesteld. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, koolmees, pimpelmees, grote bonte specht, groene specht en spreeuw. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en het agrarisch gebied. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; houtduif, Turkse tortel, zanglijster, merel, tjiftjaf, fitis, spotvogel, grasmus, braamsluiper, putter, roodborst en winterkoning. Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen, mogelijk zijn deze wel aanwezig in de omliggende beplanting. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Dergelijke jaarrond beschermde nesten zijn niet binnen het plangebied aanwezig en worden ook niet verwacht. Een negatief effect is hiermee uitgesloten.
Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 19
Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk zolang de omliggende beplanting niet wordt geschaad bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden aan de schuur. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.
5.5 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal algemeen voorkomende amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. Daarnaast kunnen zij de poel in het noorden van het plangebied gebruiken als voortplantingsbiotoop al is deze poel matig geschikt. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën als poelkikker en kamsalamander komen voor in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2021). Voor deze soorten ontbreekt geschikt landbiotoop in de vorm van houtelementen met veel dood hout, stenenstapels of andere wegkruipmogelijkheden. Daarnaast maken zij doorgaans gebruik van voedselarme, doorgaans heldere met waterplanten begroeide poelen om zich in voort te planten. De aanwezige poel zit vol met elzenblad en is hierdoor sterk bemest en verzuurd. Hierdoor is de poel ongunstig als voortplantingsbiotoop voor amfibieën met strenge eisen als het gaat om voortplantingsbiotoop.
1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 20
Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot een verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast is voor deze beschermde soorten bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten. Daarnaast worden er geen werkzaamheden verricht aan de poel, het enige waterelement binnen het plangebied. Hierdoor is er geen sprake is van negatieve effecten op amfibieën. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Geadviseerd wordt om de aanwezige opslag van zwarte els terug te dringen aan de rand van de poel en deze te schonen. Op deze manier kan de poel relatief snel geschikt worden voor algemeen voorkomende soorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.7 Vissen Voorkomen en functie De binnen het plangebied aanwezige poel is waarschijnlijk geheel vrij van vis doordat deze niet jaarrond watervoerend is en sterk is aangetast door rottend blad. Effecten en ontheffing Vissen zijn waarschijnlijk niet in het plangebied aanwezig, daarnaast wordt het enige watervoerende element binnen het plangebied niet aangetast bij de geplande ontwikkeling. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en Kempense heidelibel niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen, verlandingszones en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 21
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk zolang de omliggende beplanting niet wordt geschaad bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden aan de schuur.
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Amfibieën In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om de werkzaamheden aan de poel (indien uitgevoerd) uit te voeren wanneer de larven zijn volgroeid, vanaf augustus, en voordat volwassen exemplaren zich ingraven voor de winterslaap, voor november.
6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 4,2 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstofgerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 22
Stikstof-gerelateerde effecten Een stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter wordt een significante stikstofdepositie niet verwacht vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de kleine schaal van de geplande ontwikkelingen. Het wordt geadviseerd om met het bevoegd gezag te overleggen over de eventuele noodzaak van het uitvoeren van een stikstofberekening.
6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
6.4 Natuurnetwerk Nederland Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een uitgebreide toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
6.7 Natuurinclusief ontwikkelen Als Eelerwoude dagen wij onze opdrachtgevers uit natuurinclusief te ontwikkelen, in te richten en te beheren. Én daarmee samen maximaal impact te maken. Zo werken we samen aan een gezonde toekomst van huidige en toekomstige generaties. Vanuit deze ambitie geven wij u het volgende advies mee: Het plangebied ligt in een omgeving met zeer veel potenties voor natuur omdat oude landschapselementen behouden zijn gebleven. Dit gaat onder andere gepaard met gezonde populaties algemeen tot zeldzaam voorkomende amfibieën. Geadviseerd wordt om de aanwezige opslag van zwarte els terug te dringen aan de rand van de poel zodat het blad niet meer in het water valt. Door het terugsnoeien te combineren met het opschonen van de poel, gevuld met bladafval wordt de poel opener en het water helderder. Dit heeft een positief effect op de aanwezige amfibieën maar is ook esthetisch mooier wanneer een helder, met waterplanten begroeide poel ontstaat. Op deze wijze wordt bijgedragen aan de biodiversiteit in uw regio waarbij niet alleen amfibieën maar ook libellen, vlinders en flora mee profiteren. 100% natuurinclusieve leefomgeving. Daar gaan we samen voor!
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 23
7 Literatuur • • • •
AERIUS. (2020). AERIUS-Calculator. Opgehaald van aerius.nl: www.aerius.nl ESRI. (2021). ESRI Nederland. Opgehaald van esri.nl. NDFF. (2021). uitvoerportaal. Opgehaald van ndff-ecogrid.nl: https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul Provincie Overijssel. (2021). Natuurnetwerk Nederland. Opgehaald van geodataoverijssel.nl: https://services.geodataoverijssel.nl/viewer/layer/B46_natuur_en_landschap/B46_Natuurnetwerk_Nederl and
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 24
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 25
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.
Erfontwikkeling Egberinksweg 90, Boekelo | Eelerwoude | 26
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.