CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage_6_Schuttersveld_Toelichting

Raadsvergadering 11 juli 2022, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Schuttersveld15.420 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.2

Cultuurhistorie

4.2.1

Archeologie

Voor het grootste deel van het plangebied geldt "Onderzoeksgebied B". Op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid geldt voor deze gebieden een onderzoeksplicht die ertoe strekt dat voor ingrepen in de bodem met een oppervlakte van tenminste 2.500 m 2 en een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm eerst via archeologisch (voor)onderzoek dient te worden aangetoond of door de voorgenomen ingreep geen waardevolle archeologische resten zullen worden verstoord. Deze archeologische verwachtingswaarde is opgenomen op de verbeelding en in de regels is bovenstaande verplichting opgenomen. Een klein deel, in de zuidwesthoek van het plangebied, heeft een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij ontwikkelingen dieper dan 50 cm en groter dan 10 ha archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Aangezien dit deel kleiner is dan 10 ha, is hiervoor geen aanduiding opgenomen op de verbeelding. Afbeelding 4.3 geeft de archeologische beleidskaart weer waarop met rode lijn het plangebied is aangegeven.

Afbeelding 4.3: Archeologische b eleidskaart

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

21

4.2.2

Monumenten

In paragraaf 3.2.3 is een overzicht gegeven van de monumenten in het plangebied. Aan de aangewezen rijksmonumenten is in dit bestemmingsplan geen juridische betekenis toegekend. De bescherming van deze objecten vindt plaats op grond van de Erfgoedwet of de gemeentelijke Monumentenverordening. De muur aan de Tubantiasingel, van de voormalige fabriekshallen, is van cultuurhistorische waarde. Om deze muur te beschermen, is op de verbeelding hiervoor de aanduiding 'karakteristiek' opgenomen. In de bijlage bij deze toelichting is de beschrijving van de cultuurhistorische waarden van deze muur opgenomen.

4.3

Welstand en beeldkwaliteit

In deze paragraaf wordt globaal beschreven welke (de voornaamste) welstandsidentiteiten in het plangebied van toepassing zijn met de daarbij behorende belangrijkste uitgangspunten en sturingselementen. Op afbeelding 4.4 is dit weergegeven op de welstandskaart.

Afbeelding 4.4: Welstandskaart

De eerder aangegeven diversiteit in de driedeling van het plangebied komt ook tot uitdrukking in de verschillende welstandscategorieën die er voorkomen: 'nieuw stadshart' voor het gebied tussen spoorlijn en de gronden ten zuiden en oosten van de Villa Schuttersveld. De gronden behorende bij Villa Schuttersveld zijn aangewezen als 'Buitenplaatsen en landgoederen' en het gedeelte van de woonboulevard Schuttersveld is aangewezen als 'Koop en rij locaties'. De woning in de zuidwesthoek van het plangebied is aangeduid als 'Regenboogwijken' en de gronden om deze woning heen als 'Industriële complexen, nieuwe industrie'. In het plangebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen gepland. Eventuele toekomstige bouwplannen worden bij vergunningaanvraag getoetst aan bovenstaande welstandscategorieën.

22

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

4.4

Duurzaamheid

Duurzaamheid is een centraal thema in het gemeentelijk beleid van Enschede. Duurzaam handelen is daarbij meer dan het ontzien van natuur en milieu. In dat opzicht vraagt duurzaam handelen bijvoorbeeld ook om een solide financieel beleid. Tot voor kort werd onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid vooral gewerkt aan maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van gevolgen voor de klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat er voor thema's die op andere plaatsen wel onder het beleidsveld duurzaamheid worden geschaard, zoals afval, water en bodem, geen aandacht was maar van een breed en samenhangend duurzaamheidsbeleid was voor deze thema's geen sprake. Om daar verandering in te kunnen brengen is het Actieplan Duurzaamheid opgesteld. Hierin wordt uitgewerkt aan welke doelen onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid actief wordt gewerkt, welke aanpak daarvoor is vereist, welke partijen bij de realisatie daarvan een rol spelen en welke rol de gemeente daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, alsmede de toewijzing van mensen en middelen om de gestelde doelen te realiseren. 4.4.1

Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid

In het Actieplan duurzaamheid, dat op 8 juni 2015 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld, heeft de gemeenteraad er voor gekozen om het duurzaamheidsbeleid toe te spitsen op de volgende punten:

Energie Eigen organisatie Verhogen van het op eigen grondgebied Zelf het goede voorbeeld geven. opgewekte aandeel hernieuwbare energie tot minimaal 12 procent in 2030 en minimaal 27 procent van het voor 2050 voorziene gebruik van energie. Biodiversiteit Behoud en versterken van de verscheidenheid aan dier- en plantsoorten in de leefomgeving

Groene groei Groei van de economie zonder dat dit nadelig is voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit.

Circulaire economie Verminderen van de hoeveelheid (rest-)afval door afvalpreventie en het beter scheiden van restafval.

Klimaatadaptatie Negatieve gevolgen die gepaard gaan met klimaatverandering beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt benutten.

Duurzame mobiliteit Verhoging van het aandeel fietsgebruik in het totaal aantal verplaatsingen, stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer en stimuleren van het gebruik van elektrische auto's.

WEconomy Bewoners in Enschede dragen in collectief verband actief bij aan een of meer van de duurzame doelstellingen.

Aanpak van het duurzaamheidsbeleid Binnen de voorgestane aanpak van het Actieplan Duurzaamheid staan de begrippen 'duurzame daden', 'duurzame deals' en 'duurzaam doen' centraal.

Duurzame daden De gedachte hierbij is dat het zichtbaar maken van bestaand duurzaam gedrag de beste manier is om anderen te inspireren en aan te zetten tot duurzaam handelen. We richten ons daarbij op de groep die in beginsel bereid is tot duurzaam gedrag.

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

23

Duurzame deals Duurzame deals, oftewel afspraken over duurzaam handelen, zijn een middel om nieuw duurzaam gedrag uit te lokken. Bij de uitvoering van duurzame initiatieven lopen bedrijven, instellingen en groepen inwoners soms tegen barrières aan. De gemeente wil die belemmeringen wegnemen. Soms kunnen we daar zelf voor zorgen. In andere gevallen doen we daarvoor een beroep op anderen. De deals maken duidelijk dat verduurzaming van de samenleving een opgave is die we samen moeten oppakken.

Duurzaam Doen Zelf het goede voorbeeld geven is binnen de gekozen aanpak een belangrijk uitgangspunt. Verduurzaming van de eigen organisatie is in dit Actieplan duurzaamheid verder uitgewerkt onder de noemer Duurzaam Doen. Voor deze benadering is gekozen, omdat het een positieve benadering is, die anderen inspireert en stimuleert tot duurzame handelingen (gedrag, het doen van investeringen etc.). Het voordeel van deze aanpak is bovendien dat het gedrag voor de doelgroep herkenbaar en dichtbij is, de communicatieboodschap hierdoor aansluit bij de belevingswereld van mensen en de huidige doeners de afzender/ambassadeur zijn (in plaats van de gemeente). Hierdoor is het een aanpak van de stad, in plaats van de gemeente. 4.4.2

Duurzaamheidsbeleid en het bestemmingsplan

Uitgangspunt is dat dit bestemmingsplan een bijdrage levert aan cq rekening houdt met de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Enschede en het scheppen van zo goed mogelijke voorwaarden voor 'duurzame ruimtelijke ontwikkelingen'. Voor wat betreft het energie- en klimaatbeleid is uitgangspunt bij de opstelling van het plan geweest dat het voorliggende plan in principe geen belemmering mag vormen bij de opwekking van hernieuwbare energie. Concreet brengt dit met zich mee dat de toepassing van warmte/koude-opslag en de plaatsing van zonnepanelen of waterboilers op daken van gebouwen is toegestaan. Aangezien de plaatsing van collectoren voor warmte- of electriciteitsopwekking op een dak van een bijbehorend bouwwerk of een hoofdgebouw vergunningvrij is, als voldaan wordt aan de in artikel 2, onder 6, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht genoemde voorwaarden, is afgezien hieromtrent bepalingen op te nemen in de bestemmingsomschrijving binnen de verschillende bestemmingen.

24

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Schuttersveld" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.

5.1

Milieu

In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten milieueffectrapportage, milieuhinder van bedrijven, bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. 5.1.1

Milieueffectrapportage

5.1.1.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 5. 6. 7. 8.

het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben. Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen.

5.1.1.2 Beoordeling Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel om te zorgen voor een actueel plan waarbij geen tot kleine ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Er vindt geen verruiming van bebouwingsmogelijkheden plaats. Op basis van de kenmerken van de voorgenomen activiteiten is beoordeeld of er een plicht tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan gelden voor de bestemmingsplanherziening. Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten kan gesteld worden dat er geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. 5.1.1.3 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

25

5.1.2

Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen

5.1.2.1 Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen in en rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Schuttersveld" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in en rondom het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. 5.1.2.2 Beoordeling Het plangebied betreft een gebied met diverse functies zoals kantoren, detailhandel, horeca en wonen. Voorliggend plan maakt geen nieuwe functies mogelijk met een hogere milieucategorie dan reeds is toegestaan. Ook worden geen extra gevoelige functies mogelijk gemaakt. Dit betekent dat er geen wijzigingen plaatsvinden voor wat betreft de milieuhinder, nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 5.1.2.3 Conclusie Het aspect milieuhinder van bedrijven en voorzieningen vormt geen belemmering voor de uitvoering en vaststelling van voorliggend plan. 5.1.3

Bodemkwaliteit

5.1.3.1 Algemeen Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodem naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. 5.1.3.2 Beoordeling Met voorliggend plan worden geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Een nadere beoordeling van de kwaliteit van de bodem is voor de vaststelling van voorliggen bestemmingsplan niet nodig. 5.1.3.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

26

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

5.1.4

Wet geluidhinder

5.1.4.1 Algemeen In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidsgevoelige gebouwen en terreinen zijn gelegen ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder. Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wet geluidhinder genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. 5.1.4.2 Beoordeling In het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en/of terreinen aangelegd/mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt voor een deel binnen de zone van de spoorweg, maar in deze zone wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Industrielawaai en luchtvaartlawaai zijn voor het plangebied niet relevant. Akoestisch onderzoek is voor voorliggend plan niet nodig. 5.1.4.3 Conclusie Geluid Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 5.1.5

Luchtkwaliteit

5.1.5.1 Algemeen Het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen is geregeld in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wm en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. b. c. d.

er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Besluit gevoelige b estemmingen Naast het besluit en regeling NIBM dient getoetst te worden aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. 5.1.5.2 Beoordeling Voorliggend plan betreft een actualisatie waar geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die relevant zijn voor de luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan Niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met voorliggend bestemmingsplan worden geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het kinderdagverblijf aan De Ruyterlaan was al mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. 5.1.5.3 Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit ligt er geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

27

5.1.6

Externe veiligheid

5.1.6.1 Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.

Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. 5.1.6.2 Beoordeling Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) zijn het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Schuttersveld" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi en/of het BRZO van toepassing is.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Schuttersveld" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is.

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water is het wettelijk kader het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De basis van die nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.

Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Schuttersveld" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen wegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg.

Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Schuttersveld" of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. 28

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Schuttersveld" of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. 5.1.6.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande en het gegeven dat het plan geen (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen risicocontouren kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. 5.2.1

Algemeen

Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buien. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is als beleidsuitgangspunt vastgelegd dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet op doelmatige wijze mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied tenminste 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak. In het buitengebied en bij uitbreiding van bebouwd oppervlak in bestaand stedelijk gebied bedraagt de tijdelijke bergingsopgave tenminste 40 millimeter, oftewel 40 liter per vierkante meter verhard oppervlak.

Om een goede en doelmatige afvoer naar voorzieningen in de openbare ruimte te kunnen garanderen hanteert het waterschap Vechtstromen een maximum norm van 2,4 liter per seconde per hectare. Alleen wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om op eigen terrein op doelmatige wijze hemelwater te bergen kan dit (deels) in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken. Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van hemelwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht. Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft.

Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

29

te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies. Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden:

Grondgebruik

Ontwatering (m – GHG)

Primaire wegen

0,7

Secundaire wegen en erfontsluitingswegen

0,5

Bouwwerken met kruipruimten

0,7

Bouwwerken zonder kruipruimten

0,5

Groen

0,5

De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren. Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen. 5.2.2

Beoordeling

Waterhuishouding en het bestemmingsplan Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard. Ter plaatste van de toekomstige F35 zal de hoeveelheid verhard oppervlak toenemen. Waterlopen, poelen, vijvers en overig oppervlaktewater in het plangebied Binnen de Hengelosestraat/Fortuinstraat is een vijver aanwezig. De vijver wordt gevoed met hemelwater, grondwater en hemelwater dat wordt aangevoerd via het hemelwaterriool. De vijver heeft een overloop op de gemengde riolering.

Grondwater en ontwatering De bodem binnen het plangebied heeft een zandige toplaag. Onder deze laag bevindt zich op enkele locaties een slecht doorlatende leemlaag. De diepte van deze laag varieert sterk. De horizontale grondwaterstroom door de zandige toplaag stroomt van Oost naar West. Binnen het plangebied staat één gemeentelijke peilbuis. Deze voldoet aan de ontwateringsnormen. Van enkele lage delen binnen het plangebied is bekend dat in de winterperiode hoge grondwaterstanden voorkomen. Vuilwaterafvoer 30

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

Het plangebied heeft grotendeels een gemengd rioolstelsel. Hemelwaterafvoer Binnen het plangebied is veel verharding aanwezig waardoor hemelwater beperkt infiltreert in de bodem. Hemelwater voert grotendeels af via het gemengd rioolstelsel. Het gemengd rioolstelsel kan bij hevige neerslag overbelast raken met wateroverlast en mogelijk zelfs waterschade tot gevolg. Bij toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied is het zeer wenselijk om extra ruimte voor waterberging te realiseren om het watersysteem minder kwetsbaar te maken. In de regels is bepaald dat hemelwater afkomstig van bebouwing en overig verhard oppervlak op een bouwperceel op het bij die bebouwing en overig verhard oppervlak behorende onbebouwde en onverharde terrein dient te worden geborgen of geïnfiltreerd in de bodem waarmee de druk op het rioolstelsel afneemt. De nieuw aan te leggen F35 zal worden voorzien van een grindkoffer met drainageleiding. Deze grindkoffer heeft een waterbergende functie en kan in natte perioden zorgen dat pieken in de grondwaterstand worden afgetopt. 5.2.3

Conclusie

Het plan is grotendeels conserverend van aard. De voorgenomen ontwikkeling (F35) voldoet aan de gestelde wateropgave en vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.3

Natuur

5.3.1

Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden

5.3.1.1 Algemeen In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000-gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000-gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage (plan-MER) te worden opgesteld.

Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd. 5.3.1.2 Beoordeling Het plangebied is gelegen nabij het centrum in het stedelijk gebied van Enschede. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden “Aamsveen” en “Lonnekermeer” zijn op meer dan 5 kilometer ten zuidoosten respectievelijk noordwesten van het plangebied gelegen. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard, de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt, zijn kleinschalig van aard. Gelet op de aard en omvang van het plan in relatie tot de afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden kunnen significant negatieve gevolgen voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Een verdere toetsing aan de Wet natuurbescherming kan daarom achterwege blijven.

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

31

5.3.2

Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten

5.3.2.1 Algemeen In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.

Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden. 5.3.2.2 Beoordeling Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard. Nieuwe ontwikkelingen die hier kunnen plaatsvinden, hebben geen andere invloed op eventueel aanwezig (beschermde) flora en fauna dan de mogelijkheden die al in het vigerende bestemmingsplan waren opgenomen. Onderzoek naar de flora en fauna hoeft voor dit bestemmingsplan dan ook niet te worden uitgevoerd. 5.3.3

Natuurnetwerk Nederland

5.3.3.1 Algemeen Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald. 5.3.3.2 Beoordeling Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die deel uitmaken van het NNN zijn op ca. 1 kilometer ten noordwesten van het plangebied gelegen. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven. 5.3.4

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming en het NNN op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

32

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planopzet

Algemeen

Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a.

b.

c. d.

een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen.

Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen. Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan "Schuttersveld" is gekozen voor de opzet van een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan aangezien het hoofdzakelijk de actualisatie van het bestaand gebied betreft.

Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 6.2 en 6.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Schuttersveld" is gekozen.

6.2

Indeling planregels

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c. d.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

33

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan “Schuttersveld”. In Artikel 1 'Begrippen' zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee wordt een eenduidige interpretatie van de begrippen vastgelegd. Artikel 2 'Wijze van meten' geeft bepalingen hoe onder meer de hoogtes van gebouwen en de inhoud van gebouwen gemeten moeten worden en hoe bepaalde eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 geeft een omschrijving - de juridische vertaling - van de verschillende in het plangebied voorkomende en op de verbeelding opgenomen bestemmingen. Bij de indeling van de bestemmingsregels wordt conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: a. b. c.

bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); afwijken van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); specifieke gebruiksregels (regels die aangeven welk specifiek gebruik verboden is); afwijken van de gebruiksregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk is); wijzigingsbevoegdheid (regels die aangeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden onderdelen van het plan gewijzigd kunnen worden).

d. e. f.

g.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, bestaande uit de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels (waaronder regels over archeologie en parkeren). Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik van gronden. Deze artikelen bevatten regels die als doel hebben de rechtstoestand tijdens de overgang naar een nieuw bestemmingsplan vast te leggen. De "Slotregel" geeft de naam van het bestemmingsplan aan.

6.3

Beschrijving van het plan

6.3.1

Bestemmingen

In voorliggend bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Artikel 3: Detailhandel - Woonplein Het woonplein Schuttersveld heeft een specifieke bestemming in dit bestemmingsplan. De bestemming is toegespitst op het winkelaanbod ten behoeve van artikelen voor 'in en om huis'. Bestaande afwijkende functies zoals reguliere detailhandel, sportscholen op de verdieping en horeca zijn met een functieaanduiding aangegeven. De muur langs de Tubantiasingel heeft cultuurhistorische waarden. Daarom heeft deze muur tevens de bouwaanduiding 'karakteristiek'. Kleine terrassen zijn aansluitend aan de horeca functies toegestaan. Het parkeerterrein en de wegen op het Schuttersveld zijn tevens mogelijk binnen deze bestemming en heeft geen aparte bestemming of functieaanduiding ten behoeve van het parkeren en/of verkeer. Artikel 4: Groen Het structuurbepalende groen aan de Fortuinstraat, is bestemd als "Groen". Binnen deze bestemming is het toegestaan om groenstroken, plantsoenen, bospercelen, bermstroken aan te leggen en in stand te houden. Daarnaast zijn waterpartijen, waterlopen, wadi's en overige voorzieningen in het kader van de waterbeheersing toegestaan. Het aanleggen van wandel- en fietspaden en speelvoorzieningen is eveneens

34

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

toegestaan. Bebouwing op de voor “Groen” aangewezen gronden is slechts toegestaan in het kader van de bestemming. Hierbij kan primair worden gedacht aan de plaatsing van straatmeubilair, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Artikel 5: Groen - Park De voor "Groen - Park" aangewezen gronden zijn bedoeld voor de stads-, wijk- en/of buurtparken en zijn bestemd voor een park met groenstroken, waterpartijen, -lopen, -bergingen, wadi's, infiltratiestroken en andere voorzieningen in het kader van de waterbeheersing, wandel- en fietspaden en recreatief medegebruik. Deze bestemming ligt ter plaatse van het park om Villa Schuttersveld. Bebouwing op de voor “Groen - Park” aangewezen gronden is slechts toegestaan in het kader van de bestemming. Hierbij kan worden gedacht aan de plaatsing van speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Binnen deze bestemming is één gebouw gesitueerd dat bij naastgelegen kantoorbestemming hoort. Dit gebouw heeft de aanduiding 'bijgebouw' waardoor deze planologisch is toegestaan. Artikel 6: Horeca De bestemming 'Horeca' is opgenomen voor de Hengelosestraat 111. Hier was een bestaande horeca gelegenheid gevestigd binnen een rijksmonument. De bestemming Horeca was ook opgenomen in het vigerende plan en is in dit bestemmingsplan weer opgenomen. Artikel 7: Kantoor De gronden met de bestemming "Kantoor" zijn bestemd voor kantoren en zakelijke dienstverlening.

In de planregels zijn bouwregels opgenomen voor de bouw van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Gebouwen dienen te worden gerealiseerd binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. De van toepassing zijnde maximum goot- en/of bouwhoogtes zijn weergegeven op de verbeelding. In het kantoorgebouw aan De Ruyterlaan is een kinderdagverblijf gevestigd, deze is als zodanig aangeduid op de verbeelding. De villa Schuttersveld behoud de bestemming Kantoor met aanduiding 'wonen', net als in het vigerende bestemmingsplan. Artikel 8: Maatschappelijk - Onderwijs De bestemming "Maatschappelijk - Onderwijs" is gegeven aan de gronden ten behoeve van het onderwijs. Een deel van deze gronden/gebouwen kan tevens gebruikt worden ten behoeve van een kantoorfunctie, conform vigerend plan tot een maximale oppervlakte van 200 m 2. Deze gronden hebben de specifieke functieaanduiding 'kantoor'. Bebouwing ten behoeve van deze bestemming is slechts toegestaan in de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken met een maximale bouwhoogte zoals die op de verbeelding is aangegeven. Artikel 9: Verkeer De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor hoofdverkeerswegen. Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van deze bestemming, zoals straatmeubilair, verkeersvoorzieningen en nutsvoorzieningen.

Artikel 10: Verkeer - Busremise Voor de busremise aan de Fortuinstraat is de bestemming 'Verkeer - Busremise' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn specifieke regels opgenomen voor bij een busremise behorende voorzieningen, zoals een tank- en wasstraat en kantoor. De fietssnelweg loopt deels over deze bestemming. Vanwege de bijzondere kenmerken van een fietssnelweg die is gericht op een snelle afwikkeling van fietsers met zo min mogelijk obstakels, is de fietssnelweg binnen deze bestemming specifiek aangeduid als 'specifieke vorm van verkeer - fietspad'. Artikel 11 Verkeer - Parkeerterrein Ter plaatse van het parkeerterrein aan de Fortuinstraat is de bestemming 'Verkeer - Parkeren' opgenomen. Deze bestemming geeft aan dat hier alleen een parkeerterrein is toegestaan. Artikel 12: Verkeer - Railverkeer De bestemming 'Verkeer-Railverkeer' geldt voor de spoorlijn Hengelo-Enschede-Gronau met de daarbij behorende gronden en terreinen. Bouwwerken op deze gronden zijn alleen toegestaan ten behoeve van deze bestemming. De fietssnelweg loopt deels over deze bestemming. Vanwege de bijzondere kenmerken van

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

35

een fietssnelweg die is gericht op een snelle afwikkeling van fietsers met zo min mogelijk obstakels, is de fietssnelweg binnen deze bestemming specifiek aangeduid als 'specifieke vorm van verkeer - fietspad'. Artikel 13: Wonen De voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis. Per bouwvlak is één woning toegestaan, tenzij reeds twee woningen aanwezig zijn. Deze bestemming ligt ter plaatse van de drie reeds bestaande woningen. In de planregels zijn algemene bouwregels opgenomen voor de bouw van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- en perceelafscheidingen. Voor nutsvoorzieningen gelden daarvan afwijkende bepalingen. De beleidsuitgangspunten voor aan huis gebonden beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten hebben een juridische vertaling gekregen in de specifieke gebruiksregels binnen de woonbestemming. 6.3.2

Gebiedsaanduidingen

Artikel 17.1.2 archeologisch onderzoeksgebied b Voor de oude erven en verdwenen oude erven respectievelijk gebieden en terreinen met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde (al dan niet in enigermate verstoord) wordt gebruik gemaakt van de gebiedsaanduiding “archeologisch onderzoeksgebied b” (verstoringsoppervlakte > 2500 m 2). In de planregels behorende bij de gebiedsaanduiding is een onderzoeksplicht en regels met betrekking tot een benodigde omgevingsvergunning opgenomen.

6.4

Handhaving

Bestemmingsplannen zijn bindend voor iedereen: burgers, ondernemers en de overheid zelf. Het is een juridisch kader voor burgers en ondernemers waaruit kan worden afgeleid wat de eigen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, maar ook wat de planologische mogelijkheden in juridische zin zijn op percelen in de directe omgeving. Aan de andere kant kan de gemeentelijke overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen als er sprake is van gebruik en/of bebouwing die niet in het bestemmingsplan passen.

36

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

In het plangebied wordt de bestaande situatie juridisch vastgelegd. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt, zijn geen ontwikkelingen als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro waardoor geen exploitatieopzet hoeft te worden vastgesteld. Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat de economische uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan voldoende is aangetoond.

bestemmingsplan Schuttersveld (vastgesteld)

37

Colofon Dit is een uitgave van: Afdeling Bestemmen Cluster Omgeving & Recht Gemeente Enschede

© Mei 2022, gemeente Enschede

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=c6dda5bd-9280-4b0e-82fe-b49360579de4