Bijlage 4_Visserijstraat 3-5a_Toelichting
Tekst van het document
Wanneer niet voldaan wordt aan de parkeereis, bestaat de mogelijkheid om de parkeernorm neerwaarts bij te stellen indien de aanvrager een duurzame mobiliteitsoplossing inzet (bijvoorbeeld de inzet van deelauto's). De bewoners komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Wanneer de parkeeroplossing op terrein van derden wordt gevonden dan dient dat binnen aanvaardbare loopafstanden te zijn en er dient een overeenkomst te zijn die minimaal 10 jaar beloopt. De Nota Parkeernormen Enschede 2017 benoemt voor de loopafstanden een richtlijn. Deze richtlijn is voor bewoners 200 meter (aangezien het maatgevende moment de werkdagnacht is gaat het hier om bewoners). De loopafstand van de parkeergarage Stationsplein tot aan de ontwikkeling bedraagt 350 meter. Omdat de ontwikkeling zich in het betaald parkeergebied bevindt en de bewoners niet in aanmerking komen voor een vergunning achten we de parkeergarage Stationsplein een acceptabele “parkeeroplossing op terrein van derden”, mits voorzien van een langlopende overeenkomst met de exploitant van de parkeergarage. De parkeergarage Stationsplein heeft op de werkdagnacht een overcapaciteit van minimaal 300 plaatsen. Zie onderstaande figuur. Ook op de andere momenten is er voldoende overcapaciteit om de parkeerplaatsen te kunnen faciliteren die niet binnen het plangebied gerealiseerd kunnen worden.
Zelfs in het geval dubbelgebruik niet mogelijk is, blijkt uit afbeelding 4.1.2 dat de parkeergarage Stationsplein over voldoende capaciteit beschikt.
24
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
Afbeelding 4.1.2 Capaciteit parkeergarage Stationsplein Het voorgaande heeft geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen zal getoetst worden op welke wijze er voldaan kan worden aan voldoende parkeerplaatsen. Nieuw- en verbouwplannen moeten ook voldoen aan de fietsparkeernorm die in de nota parkeernormen is opgenomen. Voor de appartementen moet ruimte zijn voor 3 fietsen per appartement. Voor het kantoordeel moet ruimte aanwezig zijn voor 2 fietsen per 100 m 2. In totaal is er dus een behoefte aan 21 fietsparkeerplaatsen.
4.2
Welstand en beeldkwaliteit
In de Welstandsnota "Bouwen aan identiteit" is aangegeven aan welke welstandseisen bouwplannen moeten worden getoetst. Daartoe zijn in de Welstandsnota voor het gehele grondgebied van de gemeente Enschede welstandsidentiteiten opgenomen. Voor het plangebied van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" geldt de welstandsidentiteit 'Nieuw stadshart' waarin kwaliteit van de leefomgeving, multifunctioneel ruimtegebruik en een samenhangende uitstraling met zowel groot- als kleinschalige bouw centraal staan. In de te realiseren situatie wordt gebruik gemaakt van dezelfde metselarchitectuur zoals dat in de omgeving voorkomt, om aan te sluiten op de omgeving. De gevel wordt in tweeën gedeeld, waardoor het huidige pand en de aanbouw een andere uitstraling krijgen. Hierdoor krijgen de twee helften dezelfde schaal als de omliggende bebouwing, wat ook bijdraagt aan aansluiting aan de omgeving. De zijgevel aan het zuiden van de aanbouw wordt verticaal doorbroken met een houten verdieping. Deze wordt hierdoor visueel acceptabel voor voorbijgangers en buren, die deze gevel kunnen zien boven de zuidelijk van het pand gelegen tuin. Het initiatief voldoet aan de welstandsidentiteit.
Door de parkeerplaats in het pand te verwerken, een modernere uitstraling aan het pand te geven en architectonisch aan te sluiten op de omgeving, voldoet het plan beter aan de welstandsidentiteit dan de huidige situatie.
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
25
4.3
Duurzaamheid
Duurzaamheid is een centraal thema in het gemeentelijk beleid van Enschede. Duurzaam handelen is daarbij meer dan het ontzien van natuur en milieu. In dat opzicht vraagt duurzaam handelen bijvoorbeeld ook om een solide financieel beleid. Voor 2015 werd onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid vooral gewerkt aan maatregelen die gericht zijn op het tegengaan van gevolgen voor de klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat er voor thema's die op andere plaatsen wel onder het beleidsveld duurzaamheid worden geschaard, zoals afval, water en bodem, geen aandacht was maar van een breed en samenhangend duurzaamheidsbeleid was toen nog geen sprake. Om daar verandering in te kunnen brengen is het Actieplan Duurzaamheid opgesteld. Hierin wordt uitgewerkt aan welke doelen onder de noemer van het duurzaamheidsbeleid actief wordt gewerkt, welke aanpak daarvoor is vereist, welke partijen bij de realisatie daarvan een rol spelen en welke rol de gemeente daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, alsmede de toewijzing van mensen en middelen om de gestelde doelen te realiseren. 4.3.1
Speerpunten van het duurzaamheidsbeleid
In het Actieplan Duurzaamheid, dat op 8 juni 2015 door de gemeenteraad van Enschede is vastgesteld, heeft de gemeenteraad er voor gekozen om het duurzaamheidsbeleid toe te spitsen op de volgende punten:
Energie Eigen organisatie Verhogen van het op eigen grondgebied Zelf het goede voorbeeld geven. opgewekte aandeel hernieuwbare energie tot minimaal 12 procent in 2030 en minimaal 27 procent van het voor 2050 voorziene gebruik van energie. Biodiversiteit Behoud en versterken van de verscheidenheid aan dier- en plantsoorten in de leefomgeving
Groene groei Groei van de economie zonder dat dit nadelig is voor klimaat, water, bodem, grondstoffen en biodiversiteit.
Circulaire economie Verminderen van de hoeveelheid (rest-)afval door afvalpreventie en het beter scheiden van restafval.
Klimaatadaptatie Negatieve gevolgen die gepaard gaan met klimaatverandering beperken en de kansen die de klimaatverandering biedt benutten.
Duurzame mobiliteit Verhoging van het aandeel fietsgebruik in het totaal aantal verplaatsingen, stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer en stimuleren van het gebruik van elektrische auto's.
WEconomy Bewoners in Enschede dragen in collectief verband actief bij aan een of meer van de duurzame doelstellingen.
Aanpak van het duurzaamheidsbeleid Binnen de aanpak van het Actieplan Duurzaamheid staan de begrippen 'duurzame daden', 'duurzame deals' en 'duurzaam doen' centraal.
Duurzame daden De gedachte hierbij is dat het zichtbaar maken van bestaand duurzaam gedrag de beste manier is om anderen te inspireren en aan te zetten tot duurzaam handelen. We richten ons daarbij op de groep die in beginsel bereid is tot duurzaam gedrag.
26
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
Duurzame deals Duurzame deals, oftewel afspraken over duurzaam handelen, zijn een middel om nieuw duurzaam gedrag uit te lokken. Bij de uitvoering van duurzame initiatieven lopen bedrijven, instellingen en groepen inwoners soms tegen barrières aan. De gemeente wil die belemmeringen wegnemen. Soms kunnen we daar zelf voor zorgen. In andere gevallen doen we daarvoor een beroep op anderen. De deals maken duidelijk dat verduurzaming van de samenleving een opgave is die we samen moeten oppakken.
Duurzaam Doen Zelf het goede voorbeeld geven is binnen de gekozen aanpak een belangrijk uitgangspunt. Verduurzaming van de eigen organisatie is in dit Actieplan duurzaamheid verder uitgewerkt onder de noemer Duurzaam Doen.
Voor deze benadering is gekozen, omdat het een positieve benadering is, die anderen inspireert en stimuleert tot duurzame handelingen (gedrag, het doen van investeringen etc.). Het voordeel van deze aanpak is bovendien dat het gedrag voor de doelgroep herkenbaar en dichtbij is, de communicatieboodschap hierdoor aansluit bij de belevingswereld van mensen en de huidige doeners de afzender/ambassadeur zijn (in plaats van de gemeente). Hierdoor is het een aanpak van de stad, in plaats van de gemeente. 4.3.2
Duurzaamheidsbeleid en het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5"
In deze paragraaf wordt aan de hand van het Actieplan Duurzaamheid bekeken in hoeverre het bestemmingsplan kan bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke duurzaamheidsambities.
Algemeen Bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling zal, afhankelijk van de opgave en de locatie, bezien moeten worden welke duurzame energiebronnen aangeboord worden. Dit kan er toe leiden dat in het ene geval ingezet wordt op een zongerichte verkaveling, terwijl in het andere geval gekoerst wordt op het gebruik van bodem- en/of windenergie, dan wel aansluiting op het warmtenet. Ook de aanpassing aan de klimaatverandering is in hoge mate een ruimtelijk vraagstuk. Meer warme zomers en een toenemende kans op extreme weersituaties vragen bij een verdere ontwikkeling van de stad om het vergroten van afvoer- en absorptievermogen in stedelijke watersystemen en het voorkomen van 'hitte-eilanden' en hittestress.
Energie: Voor het realiseren van veel energie besparende maatregelen of voorzieningen in, aan of op gebouwen, zoals isolatie van vloer, muren of dak, het plaatsen van zonnepanelen of een zonnecollector op het dak, is geen omgevingsvergunning vereist. Voor warmte-koude opslag en bodemenergiesystemen is de provincie Overijssel het bevoegd gezag. Voor nieuwbouw geldt dat moet worden voldaan aan de energieprestatienormen uit het Bouwbesluit. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor bijvoorbeeld het realiseren van windturbines of zonneparken en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Er worden 64 zonnepanelen op het dak geplaatst. In de huidige situatie zijn dit er 24. Deze toename van zonnepanelen betekent dat er meer duurzame energie opgewekt kan worden.
Klimaatadaptatie: Voor het realiseren van relatief eenvoudige klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen als groene dakbedekking op gebouwen en het in de bodem infiltreren van hemelwater is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort maatregelen en voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen voor de berging van hemelwater, het vrij houden van bebouwing van overloopgebieden (bij overstroming), het vrij houden van bebouwing langs beken of van lage plekken die natuurlijke waterbergingen vormen, het ophogen bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
27
van gronden of het realiseren van bouwwerken ter voorkoming van overstromingen en andere voorzieningen en bouwwerken met een mogelijke impact op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Door een groen dak aan te leggen kan het dak beter omgaan met (hevige)regenval. Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat het initiatief klimaatadaptiever uitkomt dan de huidige situatie.
Circulaire economie: Voor het realiseren van afvalcontainers voor het gescheiden inzamelen van afval en herbruikbare materialen is geen omgevingsvergunning vereist. Voor dat soort voorzieningen hoeven in een bestemmingsplan geen regels te worden opgenomen. Een bestemmingsplan kan wel regels bevatten voor het realiseren van voorzieningen en bedrijven voor de verwerking van afval. Door het huidige kantoorpand te transformeren naar een combinatie werken en wonen wordt gebruik gemaakt van veel al aanwezige materialen. Deze aanpak betekent dat het pand enigszins circulair gebouwd wordt.
Biodiversiteit: Natuurgebieden, bossen, parken en andere structurele, veelal openbaar toegankelijke, groenvoorzieningen worden in een bestemmingsplan als zodanig bestemd en voorzien van een passende beschermende gebruiks- en bouwregeling. Daarnaast maakt een bestemmingsplan het in nagenoeg elke bestemming mogelijk om groenvoorzieningen van ondergeschikte aard te realiseren. In zowel de huidige als de te realiseren situatie zijn vrijwel geen groenvoorzieningen aanwezig. Er is geen relevante toe- of afname van de biodiversiteit van het plangebied.
Overige actiepunten: Voor de overige actiepunten uit het Actieplan Duurzaamheid kan kortheidshalve worden volstaan met de conclusie dat deze geen ruimtelijke relevantie hebben en als zodanig dus ook niet of hooguit indirect van invloed zijn op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
28
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in het kader van de voorbereiding van een bestemmingsplan nagegaan of dat plan uitvoerbaar is. In dat kader moet elk bestemmingsplan worden getoetst aan een aantal omgevingsaspecten. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk gevolgen hebben voor de belangen van natuur en milieu en voor de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" getoetst aan de belangen van milieu, natuur en waterhuishouding.
5.1
Milieu
In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieuaspecten bodemkwaliteit, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Daarnaast wordt in deze paragraaf verslag gedaan van de uitkomsten van de bedrijven- en milieu-inventarisatie en de toepassing van milieuzonering. 5.1.1
Milieueffectrapportage
Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. 2. 3. 4.
het plan of besluit maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. zijn genoemd. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.-verplicht; m.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen optreden. Zo ja, dan is alsnog het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden. Het bevoegd gezag moet nagaan of die activiteit mogelijk aanzienlijke milieugevolgen zou kunnen hebben.Zo ja, dan moet er alsnog een volledige m.e.r.-(beoordelings)procedure worden doorlopen.
Toetsing bestemmingsplan aan het Besluit m.e.r. Het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" heeft tot doel het planologisch mogelijk te maken van de transformatie en uitbouw van een kantorenpand tot een wooncomplex met kantoorruimte. Deze beoogde ontwikkeling is geen activiteit als genoemd in de bijlage bij het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r. of m.e.r. beoordeling dient te worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het Besluit m.e.r. kan dan ook achterwege blijven. 5.1.2
Milieuhinder van bedrijven en voorzieningen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan of er bestaande bedrijfsactiviteiten en voorzieningen rondom het plangebied van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" aanwezig zijn, die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarbij is gekeken naar de potentiële milieubelasting van deze bedrijfsactiviteiten en voorzieningen. De milieubelasting en de bijbehorende hindercontouren worden bepaald door verschillende ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals geur, stof, geluid en gevaar. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied. Het bepalende milieuaspect voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten is geluidhinder. bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
29
Voor nieuwe bedrijfsactiviteiten en commerciële functies in bestaande gebouwen met een andere oorspronkelijke functie geldt dat op grond van het Bouwbesluit moet worden voldaan aan het ter plaatse rechtens verkregen niveau voor geluidwering. Dat betekent dat er in de meeste gevallen geen wettelijke eis is voor de geluidwering tussen ruimten. Het Activiteitenbesluit stelt wel eisen voor het geluidsniveau in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen en (verblijfs)ruimten. Voor nieuwe bedrijfsactiviteiten en commerciële functies in nieuwbouw geldt dat de geluidwering voor de scheiding tussen wonen en bedrijfsactiviteiten moet voldoen aan de eisen voor geluidwering bij nieuwbouw, zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Daarnaast moet worden voldaan aan de eisen die het Activiteitenbesluit stelt voor het geluidsniveau in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen en (verblijfs)ruimten. Voor de bedrijfsactiviteiten in relatie tot woningen gelden de geluidrichtwaarden voor inrichtingen binnen het gebiedstype 'gemengd gebied', zoals opgenomen in de Geluidnota Enschede. Dat betekent dat voor nieuwe inrichtingen ten opzichte van geluidgevoelige bestemmingen de volgende richtwaarden (etmaalwaarden) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) gelden: 50 dB(A) Dag / 45 dB(A) Avond / 40 dB(A) Nacht.
De richtwaarden gelden ter plaatse van geluidsgevoelige objecten of op een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting, indien binnen die afstand geen sprake is van geluidsgevoelige objecten. Andere milieuaspecten kunnen buiten beschouwing blijven. Risicovolle en geluidzoneringsplichtige activiteiten zijn expliciet uitgesloten. Voor geur en stof gelden de normen van het Activiteitenbesluit. Gelet op het soort bedrijven en commerciële voorzieningen dat het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" beoogt mogelijk te maken, zijn bedrijfsactiviteiten die stof en/of geur veroorzaken ook niet te verwachten. Hiermee is voldoende ingekaderd wat voor soort activiteiten zonder meer toelaatbaar zijn in het plangebied.
Milieuhinder van bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied voor woningen in en rondom het plangebied De bedrijven en voorzieningen die het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" beoogt planologisch mogelijk te maken zijn zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving, dat deze in- en/of aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Het gaat daarbij om een kantoorruimte op de vierde verdieping van het pand. Er zijn binnen het plangebied geen bedrijven aanwezig of planologisch mogelijk, die van invloed zouden kunnen zijn op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied, dan wel daarbuiten.
Milieuhinder van bestaande bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied voor woningen in het plangebied Binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied zijn woningen, een schoonheidssalon, een uitgaanscentrum, een rechtbank en een parkeerterrein aanwezig. Deze activiteiten kunnen allemaal worden aangemerkt als categorie 1 of 2, zoals bedoeld in de in 2009 door de VNG uitgegeven publicatie “Bedrijvenen milieuzonering". In de tabel hieronder is aangegeven onder welke categorie elke activiteit valt, hoeveel afstand er van deze activiteit moet worden gehouden bij de realisatie van gevoelige functies en wat de daadwerkelijke afstand van de activiteit tot het plangebied is. Hierbij wordt uitgegaan van een gemengd gebied, wat betekent dat elke categorie een minimumafstand van één categorie lager aanneemt.
Activiteit
Adres
Categorie
Minimale afstand tot daadwerkelijke afstand tot gevoelige functie plangebied
Schoonheidssalon / kapsalon
Niermansgang 2
1
0m
4m
Uitgaanscentrum
Molenstraat 6
2
10 m
60 m
Rechtbank
Molenstraat 23
1
0m
15 m
Parkeerterrein
Hengelosestraat 34
2
10 m
170 m
Parkeerterrein
Hoek Wenninkgaarde 2 / Molenstraat
10 m
120 m
Zoals in de tabel te zien is zijn er geen activiteiten die dichter bij het gebied liggen dan minimaal toegestaan is. Er zijn rondom het plangebied geen bedrijven aanwezig of planologisch mogelijk, die van invloed zouden kunnen zijn op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied.
30
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
Conclusie milieuhinder bedrijven en voorzieningen Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er uit oogpunt van milieuhinder van bedrijven en voorzieningen geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.3
Bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit algemeen Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze ontwikkelingen optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het bodembeleid in Nederland heeft een hervormingsfase ondergaan. Er is sprake van een overgang van het saneren van vervuilde bodems naar het duurzaam beheren en bewust gebruiken van de bodem en de ondergrond. Het beleid richt zich niet uitsluitend meer op het wegnemen van bodemverontreiniging, maar de nadruk is komen te liggen op creatief, innovatief en integraal beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Het oude beginsel van niet bouwen op een vervuilde bodem is hiermee verlaten. Bouwen op een ernstig verontreinigde bodem is onder voorwaarden mogelijk. Functiegericht en kosteneffectief saneren is dan voldoende. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem.
Bodemkwaliteit en het bestemmingsplan Voor voorliggend bestemmingsplan is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek, Visserijstraat 3-5 (Kruse Milieu, d.d. 30 november 2021, kenmerk 21067610), is bijgevoegd in bijlage 2. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De onderzoekslocatie is onbebouwd en verhard met tegels. De uitbreiding van de bestaande bebouwing vindt plaats direct ten noorden van de onderzoekslocatie. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd. In totaal zijn er 4 inspectiegaten gegraven. Er zijn 2 inspectiegaten doorgezet in de diepere ondergrond waarna 1 diepe boring is afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (tabel 2). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen.
Het freatische grondwater in peilbuis 1 is aangetroffen op 1.92 m-mv. In de bovengrond (BG I) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar bijlage 2. In de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB 1) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is asbest aangetoond in een gehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Volgens het GGD advies (18 april 2016 - lood in bodem) is voor de functie 'wonen met tuin' sprake van een goede bodemkwaliteit bij een gehalte lager dan 90 mg/kg. Voor de functie 'plaatsen waar kinderen spelen' geldt een gemeten gehalte van maximaal 100 mg/kg. Op grond hiervan gelden bij het aangetoonde loodgehalte enkele gebruiksadviezen voor bestaande situaties en aandachtspunten bij de herinrichting van een locatie. Voor de Visserijstraat 3-5a geldt: Richt de locatie zodanig in dat het gehalte aan lood ter plaatse van de onbedekte bodem lager is dan de advieswaarde 90 mg/kg; Het aangetoonde loodgehalte onder bijvoorbeeld tegels of bebouwing is geen enkel probleem. Wel is het belangrijk om deze verharding/bebouwing in stand te houden; De huidige bodem is niet geschikt om te gebruiken voor een moestuin.
Dit gebruik wordt afgeraden.
Conclusie bodemkwaliteit
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
31
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Wel gelden vanuit het GGD-advies 'Lood in bodem' enkele aandachtspunten die aan initiatiefnemer zijn meegegeven. 5.1.4
Geluidhinder
In artikel 3.3.1 van het Bro is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen of terreinen en/of de transformatie van bestaande panden naar wonen of een andere geluidgevoelige functie mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen en terreinen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het ook noodzakelijk zijn dat akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is.
Wegverkeerslawaai De Molenstraat en de Visserijstraat zijn 30-kilometer-wegen. Deze wegen hoeven in het kader van de Wet geluidhinder niet getoetst te worden. Wel worden deze wegen getoetst in het kader van een goede ruimtelijke ordening en om te bepalen of er eventuele geluidwerende voorzieningen noodzakelijk zijn. Om de geluidsbelasting ter plaatse van de gevels van de geplande appartementen aan de Visserijstraat 3-5a te bepalen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Munsterhuis Geluidsadvies. De briefrapportage van het akoestisch onderzoek d.d. 13-12-2021 met kenmerk B02.21.215-RM is als bijlage 3 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan gevoegd. Het onderzoek is noodzakelijk inzake de bestemmingsplanwijziging. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, zoals beschreven in het ‘Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. De maximale geluidbelasting op de gevel blijft idealiter onder de 53 dB. De reden hiervoor is dat het Bouwbesluit een maximale binnenniveau van 33 dB voorschrijft. In het Bouwbesluit wordt ook voorgeschreven dat er sprake moet zijn van een minimale gevelwering van 20 dB. Met een geluidbelasting van 53 dB èn de minimale gevelwering van 20 dB wordt dus voldaan aan het vereiste binnenniveau van maximaal 33 dB. Uit het akoestisch onderzoek kunnen meerdere conclusies worden getrokken.
De 53 dB aan geluidbelasting wordt overschreden voor de oost- en de zuidgevel van de appartementen op de begane grond, maar ook op de eerste en de tweede verdieping. Voor deze gevels staat niet op voorhand vast dat voldaan wordt aan het maximale binnenniveau van 33 dB. Om te kunnen voldoen aan het binnenniveau zijn dan ook geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. Dit zal bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond. Voor het borgen van deze extra gevelwering, zie hetgeen in paragraaf 6.3.3 is opgenomen met betrekking tot de algemene bouwregels. Verder is er sprake van een geluidluwe westgevel. Het akoestisch onderzoek geeft daarnaast nog abusievelijk aan dat ter plaatse van het penthouse op de vierde verdieping de geluidbelasting ook te hoog is. Hiervoor heeft het onderzoek een rekenpunt op 10,5 meter geplaatst. Bij de bovenste verdieping gaat het echter niet om een woonfunctie in de vorm van een penthouse, maar om een kantoorfunctie die niet geluidgevoelig is.
Railverkeerslawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" is gelegen aan of in de nabijheid van de op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijn Enschede-Gronau. Dit betreft een spoorlijn waarvan de geluidszone bepaald kan worden op basis van artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. Voor deze spoorlijn geldt namelijk ter plaatse van het plangebied een geluidreductieplafond lager dan 56 dB, waardoor de geluidzone 100 meter breed is. Het plangebied is gelegen in deze zone op een afstand van ongeveer 75 meter. Tussen het spoor en het plangebied is afschermende bebouwing aanwezig, waardoor het zeer 32
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
aannemelijk is dat de geluidbelasting lager ligt dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Uit de Geluidbelastingskaart Spoorwegen van ProRail blijkt ook dat het plangebied ver buiten de contour van 55 dB is gelegen (het oranje gebied in afbeelding 5.1.4). Nader akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Afbeelding 5.1.4. Geluidb elastingskaart Spoorwegen van ProRail (plangebied is rood omkaderd) Industrielawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" is niet gelegen in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder vanwege industrielawaai kan daarom achterwege blijven.
Conclusie Wet geluidhinder Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.5
Luchtverkeerslawaai
Het wettelijke kader met betrekking tot luchtverkeerslawaai is geregeld in de Wet luchtvaart en specifiek de wijzigingswet Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML). De consequenties met betrekking tot het geluid als gevolg van vliegverkeer zijn vastgelegd in het Luchthavenbesluit, dat op 1 maart 2017 door gedeputeerde staten van Overijssel is vastgesteld en op 30 maart 2017 in werking is getreden. Het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” ligt niet in de nabijheid van het vliegveld Twente en ligt ook niet binnen de geluidszone van het vliegveld. Een nadere toetsing aan het Luchthavenbesluit vanwege luchtverkeerslawaai kan daarom achterwege blijven.
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
33
Conclusie Luchtverkeerslawaai Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat luchtverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.6
Luchtkwaliteit
Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. b. c. d. e.
er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg.
Luchtkwaliteit en het plangebied Het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” beoogt het planologisch mogelijk te maken van de transformatie en uitbouw van een kantorenpand tot een wooncomplex met kantoorruimte. De ontwikkeling valt onder de NIBM, zoals aangetoond in tabel 5.1.6.
Tabel 5.1.6 Berekening NIBM Er wordt uitgegaan van 375 m 2 kantoor zonder baliefunctie in de oude situatie en 6 dure huurappartementen en 125 m 2 kantoor zonder baliefunctie in de nieuwe situatie. Voor de ligging wordt uitgegaan van de centrumschil van een sterk stedelijke gemeente. Het aantal verplaatsingen per dag voor deze functies wordt in publicatie 381 van het CROW geschat op 6,2 per 100 m2 kantoorruimte en 5,5 per appartement. In de oude situatie betekent dit een totaal van 23,25 bewegingen per dag, in de nieuwe situatie is dit 40,75. Dit betekent dat er gemiddeld per dag 17,5 extra verplaatsingen plaats zullen vinden. Met een aandeel van 10% aan vrachtverkeer komen de extra verkeersbewegingen uit op 19,25. Uit de NIBM rekentool blijkt dat er een toename van 0,04 µg/m 3 NO2 en 0,00 µg/m 3 PM10 plaatsvindt als gevolg van het initiatief. Beide waarden liggen ver onder de ondergrens van 1,2 µg/m 3 van NIBM. Er is geen nader onderzoek nodig.
34
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
In de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2021 blijkt dat op het plangebied in alle zichtjaren (2020 en 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Aangezien in het plangebied een gevoelige bestemming zal worden aangelegd, is het noodzakelijk ook naar de aanwezigheid van rijkswegen en provinciale wegen te kijken. De dichtstbijzijnde rijksweg is de A35. Deze ligt circa 2.600 m buiten het plangebied; verder dan de 300 m zone. De dichtstbijzijnde provinciale weg is de N733. Deze ligt circa 1.350 m buiten het plangebied; verder dan de 50 m zone.
Conclusie luchtkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10 -6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.
Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.
Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) zijn het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi en/of het BRZO van toepassing is. Bovendien wordt de vestiging van risicovolle inrichtingen in het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" expliciet uitgesloten. Een nadere toetsing aan het Bevi en/of het BRZO kan daarmee achterwege blijven.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Een nadere toetsing aan het Bevb kan daarmee achterwege blijven.
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
35
Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water is recentelijk nieuwe wet- en regelgeving in werking getreden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van deze nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.
Basisnet Weg Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen wegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Een nadere toetsing aan het Basisnet Weg kan daarmee achterwege blijven.
Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water. Een nadere toetsing aan het Basisnet Water kan daarmee achterwege blijven.
Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor. Een nadere toetsing aan het Basisnet Spoor kan daarmee achterwege blijven.
Gebruik van luchthavens De aanwezigheid van vliegvelden en grote luchthavens in de omgeving is van belang in het kader van de externe veiligheid omdat de kans op het neerstorten van vliegtuigen in de buurt van een vliegveld of luchthaven groter is dan elders. Een luchtvaartongeval is daar dus te voorzien en het is denkbaar dat daarbij (woon)bebouwing wordt getroffen. Een vliegtuig of helikopter kan overal neerstorten, de gevolgen kunnen dus in beginsel op elke plek optreden. Het risico is echter het grootst nabij een vliegveld of luchthaven, vooral bij het opstijgen en landen. Het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” is hemelsbreed op ca. 4,5 kilometer van het (voormalige) vliegveld Twente gelegen. Het helikopterdek van het MST is op een kleine 900 meter gelegen. Dit betekent dat de kans op een luchtvaartongeluk in het plangebied (zeer) klein is.
Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.2
Water
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding.
Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buien. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is als beleidsuitgangspunt vastgelegd dat in bestaand stedelijk gebied hemelwater zo min mogelijk wordt afgevoerd via de riolering en in het buitengebied hemelwater niet wordt afgevoerd via de riolering. Bij een toename van verhard oppervlak komt meer hemelwater versneld tot afvoer, hierop is het oppervlaktewatersysteem niet berekend. Het extra afstromend hemelwater moet op eigen terrein worden 36
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
verwerkt. Indien dit aantoonbaar niet op doelmatige wijze mogelijk is, mag het hemelwater vertraagd worden afgevoerd naar een aanwezige greppel, oppervlaktewater of ander afwateringssysteem in de nabije omgeving. Hiervoor is het nodig het hemelwater tijdelijk op eigen terrein te bergen, zodat het vertraagd kan worden afgevoerd naar voorzieningen in de openbare ruimte. De tijdelijke bergingsopgave bedraagt in het bestaand stedelijk gebied tenminste 20 millimeter, oftewel 20 liter per vierkante meter verhard oppervlak. In het buitengebied en bij uitbreiding van bebouwd oppervlak in bestaand stedelijk gebied bedraagt de tijdelijke bergingsopgave tenminste 40 millimeter, oftewel 40 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Om een goede en doelmatige afvoer naar voorzieningen in de openbare ruimte te kunnen garanderen hanteert het waterschap Vechtstromen een maximum norm van 2,4 liter per seconde per hectare. Alleen wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om op eigen terrein op doelmatige wijze hemelwater te bergen kan dit (deels) in de openbare ruimte worden gerealiseerd. Vervuiling van hemelwater dient zoveel mogelijk voorkomen te worden door geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken.
Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht.
Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies.
Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden: Grondgebruik
Ontwatering (m – GHG)
Primaire wegen
0,7
Secundaire wegen en erfontsluitingswegen
0,5
Bouwwerken met kruipruimten
0,7
Bouwwerken zonder kruipruimten
0,5
Groen
0,5
De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen indien er in een gebied sprake is van structureel nadelige gevolgen door de grondwaterstand en de te treffen maatregelen niet tot de zorg van de provincie of het waterschap behoren. bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
37
Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,20 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.
Waterhuishouding en het bestemmingsplan Het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” beoogt het planologisch mogelijk maken van de transformatie en uitbouw van een kantorenpand tot een wooncomplex met kantoorruimte. Het huidige plangebied bestaat uit een kantoorpand met betegeld parkeerterrein. Behalve de groenstrook en een dakgoot zijn er geen afwateringsmiddelen. In de te realiseren ontwikkeling wordt de uitbouw op de plaats van het parkeerterrein geplaatst. Netto wordt er dus niet voorzien in de toevoeging van verharding. Wel wordt op alle bebouwing een groen dak geplaatst (onder de zonnepanelen), wat helpt bij de waterberging en afwatering. Het pand wordt aangesloten op het afvalwaterriool, hemelwaterafvoer wordt aangesloten op het hemelwaterriool.
Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De waterhuishouding ter plaatse wordt verbeterd door de aanleg van een daktuin.
5.3
Natuur
5.3.1
Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden
In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en een plan-milieu effect rapportage (plan-MER) te worden opgesteld. Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd.
Beschermde natuurgebieden en het plangebied Het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” is niet gelegen binnen de grenzen dan wel in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 gebied of bijzonder nationaal natuurgebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden “Aamsveen” en “Dinkelland” zijn op respectievelijk ca. 5,9 kilometer ten zuidoosten en 6 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen. Andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie Eventuele negatieve effecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden als gevolg van andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kunnen op voorhand
38
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
worden uitgesloten. Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied. Voor andere verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kan een nadere toetsing aan hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming achterwege blijven. Stikstofdepositie In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is door MBH Consult BV een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is de stikstofdepositie tijdens de bouwfase en de gebruiksfase bepaald. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport “Onderzoek stikstofdepositie, Verbouw en uitbreiding, Visserijstraat 3 te Enschede; d.d. 16 februari 2023”. Het rapport en de daarbij behorende Aerius-berekeningen voor de bouwfase en de gebruiksfase zijn als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000 gebieden.
Conclusie Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het voorliggende plan geen significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden zal hebben en daarmee in overeenstemming is met het bepaalde in de Wet natuurbescherming voor wat betreft het hoofdstuk Gebiedsbescherming. 5.3.2
Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten
In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.
Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden.
Beschermde soorten en het plangebied Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een transformatie en uitbouw van een kantorenpand tot een wooncomplex met kantoorruimte te realiseren. Omdat daarbij ook ingrepen plaatsvinden aan de gevel van het bestaande pand, is door Ecofect een QuickScan soortenbescherming uitgevoerd d.d. 15-11-2022 met kenmerk QS50167. Deze quickscan is als bijlage 5 bij voorliggend bestemmingsplan gevoegd. De rapportage geeft aan dat aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd naar de stikstofdepositie in verband met de gebiedsbescherming. Voor een toets aan dat onderdeel van de Wet natuurbescherming, wordt verwezen naar 5.3.1. Voor wat betreft de soortenbescherming, concludeert het rapport dat er geen overtreding plaatsvinden van de Wet natuurbescherming. Er zijn geen (sporen van) beschermde soorten aangetroffen in het plangebied, dan wel dat het plangebied geen geschikt habitat biedt voor beschermde soorten. Er kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat verbodsbepalingen zullen worden overtreden. Een verdere toetsing aan de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van soorten kan achterwege blijven.
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
39
Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van planten- en diersoorten op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald.
Het NNN en het plangebied Het plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a” maakt geen deel uit van een NNN gebied. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN liggen op ca. 1,7 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven.
Conclusie NNN Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het NNN geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
40
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planopzet
Algemeen
Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a.
b.
c. d.
een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen.
Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen. Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
In het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" is gekozen voor een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan waarbij de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de voorgenomen ontwikkeling gedetailleerd worden geregeld.
Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 6.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5a" is gekozen.
6.2
Indeling planregels
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. b. c.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels; Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 - Algemene regels;
bestemmingsplan Visserijstraat 3-5a (vastgesteld)
41
d.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan “Visserijstraat 3-5a”. In Artikel 1 'Begrippen' zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee wordt een eenduidige interpretatie van de begrippen vastgelegd. Artikel 2 'Wijze van meten', geeft bepalingen hoe onder meer de hoogtes van gebouwen en de inhoud van gebouwen gemeten moeten worden en hoe bepaalde eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 geeft een omschrijving - de juridische vertaling - van de in het plangebied voorkomende en op de verbeelding opgenomen bestemmingen. Bij de indeling van de bestemmingsregels wordt conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: a. b. c.
bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); nadere eisen (regels op grond waarvan nadere eisen aan bouwwerken en de situering daarvan kunnen worden gesteld); afwijken van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); specifieke gebruiksregels (regels die aangeven welk specifiek gebruik verboden is); afwijken van de gebruiksregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de gebruiksregels); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk is); omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (regels waarbij wordt geregeld wanneer en onder welke omstandigheden er een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk noodzakelijk is); wijzigingsbevoegdheid (regels die aangeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden onderdelen van het plan gewijzigd kunnen worden).
d. e. f. g.
h.
i.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, bestaande uit de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn regels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik van gronden. Deze artikelen bevatten regels die als doel hebben de rechtstoestand tijdens de overgang naar een nieuw bestemmingsplan vast te leggen. De "Slotregel" geeft de naam van het bestemmingsplan aan.