Bijlage 10b bij de toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Bijlage 9 Quickscan Flora & Fauna
bestemmingsplan Leuriks Oost 2020 (vastgesteld)
273
Quickscan natuurwaardenonderzoek Leuriks-Oost Enschede In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Leuriks-Oost Enschede
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Gemeente Enschede dhr. B. ter Beek Postbus 20 7500 AA Enschede
Projectnummer en versie: 2412 versie 1.0 Veldmedewerker(s): P.Leemreise Ligging projectgebied: Gronausestraat ongenummerd te Enschede
Auteur: P.Leemreise
Status: concept Rapportdatum: 1-5-2020, geactualiseerd op 23-9-2020
1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 4
Hoofstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 5
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 6
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 7 Hoofdstuk 4
Soortbescherming .................................................................................................................... 8
4.1 Verwachting en bureauonderzoek ........................................................................................................... 8 4.2 Methode ................................................................................................................................................... 8 4.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 10 4.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 15 4.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 16 4.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 19 4.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 19 Hoofdstuk 5
Conclusies ............................................................................................................................... 20
2
SAMENVATTING Algemeen Er zijn concrete plannen voor woningbouw in een plangebied aan de oostrand van de stad Enschede. Het gebied dat bestemd is als woningbouwlocatie, bestaat uit agrarische percelen, maar er wordt ook een beek vergraven en er worden wandelpaden aangelegd in de aangrenzende bossen. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het onderzoeksgebied is op 4 februari 2020 en 10 april 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Wettelijke consequenties m.b.t.
soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantsoorten, maar tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten en mogelijk voor een aantal zeldzamere soorten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er ieder jaar vogels in het plangebied, bezetten verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten verschillende amfibieënsoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten verschillende vleermuissoorten er een verblijfplaats. Met uitzondering van de buizerd, is van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten hoeft geen negatief effect te hebben op het buizerdnest.
Om te voorkomen dat het nest verstoord wordt, dient gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol. Mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen (in bomen) en de functie van het plangebied als foerageergebied, worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen plannen. Voor een de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die mogelijk gedood worden en waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Ongeacht de vrijstelling van de verbodsbepalingen, dient er te allen tijde zorgvuldig gewerkt te worden. Mogelijk behoort de zuidoosthoek van het plangebied tot functioneel leefgebied van de kamsalamander. Het plangebied behoort alleen tot functioneel leefgebied van de kamsalamander, indien de poel benut wordt als voortplantingslocatie door deze soort. De kwaliteit van het functionele leefgebied wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, maar mogelijk wordt een kamsalamander gedood door het vergraven van bosgrond en wordt een vaste rustplaats verstoord, beschadigd en vernield.
Om deze soort te mogen doden of om vaste rustplaatsen te mogen beschadigen/vernielen, dient een ontheffing verkregen te zijn of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Voor de overige amfibieënsoorten geldt
3
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn concrete plannen voor woningbouw in een plangebied tussen de stad Enschede en Glanerbrug. Het gebied dat bestemd is als woningbouwlocatie, bestaat hoofdzakelijk uit agrarische percelen en voor een klein deel uit tuin (grasland), kavelgrenssloot met oever en opgaande beplanting. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (beschermde soorten)
4
HOOFSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied ligt tussen de stad Enschede en Glanerbrug en wordt begrensd door de Gronausestraat aan de noordzijde, de Oostweg aan de oostzijde en de Keppelerdijk aan de zuidzijde. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied op de topografische kaart. De ligging van het plangebied wordt met de cirkel aangeduid (bron kaart: Ruimtelijke plannen).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit agrarische cultuurgrond, gemengd loofbos en tuin. In het plangebied liggen enkele kavelgrenssloten. De cultuurgrond bestaat uit recentelijk opgehoogde grond en was tijdens het veldbezoek in gebruik als grasland of bouwland (maïs). Het grasland wordt intensief beheerd en bestaat uit een soortenarme vegetatie van raaigras. Aan zowel de oost- als westzijde ligt loofbos met een gemengde opstand van zomereik, beuk, ruwe berk en plaatselijk fijnspar. In het zuidelijke deel staat een kleine, dichte opstand van fijnsparren. In de zuidoosthoek ligt een kleine poel, welke grotendeels omgeven is door wilg (Salix spec.). Langs verschillende kavelgrenssloten staat natuurlijke opslag van wilg en ruigte. Dwars door het gebied (oost-west) loopt een ondiepe sloot. Aan de noordzijde van het plangebied is een gronddepot in gebruik. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Detailopname van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok). 5
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om het plangebied te ontwikkelen als woningbouwlocatie. Om de woningen te kunnen bouwen dient het terrein bouwrijp gemaakt te worden. Om de woningen te ontsluiten worden wegen aangelegd. De sloot aan de noordzijde van het plangebied (welke in het plangebied van oost naar west loopt) wordt natuur-technisch vergraven en in een natuurstrook aangelegd. Ook aan de zuidzijde van het plangebied wordt een sloot in een natuurstrook aangelegd. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld na planrealisatie (bron: Gemeente Enschede).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Bouwrijp maken bouwplaatsen en wegen; Bouwen woningen en aanleggen wegen; Vergraven kavelgrenssloten in meanderend profiel in natuurstrook; Aanplant groen;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden
6
Mogelijke permanente invloeden: Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals bouwrijp maken van de bouwplaatsen, het vergraven van grond, het bouwen van de woningen en wegen en de aanleg van ‘groen’. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar in een gebied rondom het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
7
HOOFDSTUK 4
SOORTBESCHERMING
4.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit bebouwing en voor een klein deel uit erfverharding en soortenarm grasland. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde diersoorten en tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantsoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, Nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
4.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied twee maal bezocht, te weten op 4 februari 2020 en 10 april 2020 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: veldbezoek door ervaren ecoloog;1 aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; NDFF Verspreidingsatlas; Nagtegaal, J. 2018. Nader onderzoek grote buismuis voor waterberging Zuid Eschmarkerrondweg te Enschede. Eigen uitgave Tauw bv, Utrecht. Het weer tijdens het veldbezoek 4-2-2020: bewolkt, regenachtig (buien), temperatuur 7⁰C, wind 3-4 Bft 10-4-2020: onbewolkt, droog, temperatuur 17⁰C, wind 1-2 Bft 1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 Quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 8
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar geen territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en geen bezet nest hebben. Sommige standvogels (vogels die niet weg trekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans wel aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats, maar de meeste trekvogelsoorten bevinden zich in de overwinteringsgebieden. Op mooie en rustige dagen vertonen roofvogels, uilen, spechten en sommige zangvogels al wel territoriumindicatief gedrag, zoals zang en balts. Soorten als bosuil en blauwe reiger kunnen al bezette nesten hebben. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De onderste rij dakpannen is onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.
Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Met uitzondering van sommige muizensoorten, hebben de meeste grondgebonden zoogdieren geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen van vleermuizen en matig geschikt voor onderzoek naar winterverblijfplaatsen. Vleermuizen in winterverblijfplaatsen, waar de vleermuizen ‘vrij’ hangen, zijn te onderzoeken, maar de meeste vleermuizen bezetten een winterrustplaats diep weggekropen in gebouwen, andere bouwwerken of holle bomen. Gewone dwergvleermuizen hebben in de periode half augustus-half september de massa-winterverblijfplaatsen bezocht tijdens de donkere uren van de nacht (zogenaamde middernachtzwermen), wat soms nog zichtbaar is door de aanwezige uitwerpselen en urine op muren, ramen en op de grond nabij de invliegopening(en).
Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het plangebied duiden. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën omdat deze dieren de winterrustplaats hebben betrokken en zijn dan niet of heel moeilijk waar te nemen. Winterrustplaatsen bevinden zich in holen en gaten in de grond, onder opgeslagen materialen, afval, takkenbossen, boomstammen of onder water in de sliblaag van natte landschapselementen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de 9
gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Dagvlinders De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar beschermde dagvlinders omdat het onderzoek is uitgevoerd buiten de actieve periode en verspreidingsonderzoek naar poppen en/of eieren geen geschikte methode is in voorliggend onderzoeksgebied. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor beschermde dagvlinders en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende dagvlindersoorten.
4.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en het is aannemelijk dat er ieder voortplantingsseizoen vogels in het plangebied nestelen. Vogels kunnen nestelen in bomen, struiken en dichte vegetatie. Naar schatting nestelen zo’n 15-20 verschillende vogelsoorten in het plangebied. Tijdens het veldbezoek van 10 april is een bezet buizerdnest vastgesteld in de zuidoosthoek van het plangebied. Dit nest zat in de vork in de stam van een zomereik. Er zijn in het plangebied tijdens het veldbezoek geen andere roofvogels in het plangebied waargenomen en er zijn in het plangebied en de aangrenzende houtsingels en bosjes, geen (oude) rustnestplaatsen van de ransuil waargenomen.
Buizerd en bezet buizernest in het plangebied.
10
Globale ligging van het buizerdnest (rode cirkel).
Er nestelen geen vogels in de agrarische percelen, maar soorten als de grasmus en wilde eend kunnen wel in de ondiepe greppels langs de percelen nestelen. Ook nestelen er vermoedelijk jaarlijks vogels in de bosstrook die heringericht zal worden. Indien inrichtingswerkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor een aantal vogelsoorten aangetast. Als gevolg van voorgenomen activiteiten, is het aannemelijk dat de nestlocatie van de buizerd verstoord zal gaan worden. Als gevolg van het ontwikkelen van het plangebied als woningbouwlocatie, wordt de functie van klein deel van het foerageergebied van de buizerd aangetast. Aangezien de buizerd tot op enkele kilometers van het nest foerageert (Bij12 Kennisdocument buizerd), is deze aantasting gering en wordt de functionaliteit van het territorium niet aangetast. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied van een vogelsoort waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is.
Door het bebouwen en verharden van een groot deel van het plangebied, gaat de functie van het plangebied als foerageergebied voor een aantal vogelsoorten verloren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren werkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode; - Bebouwen en verharden plangebied;
Grondgebonden zoogdieren Er is tijdens het veldbezoek een ree en een haas waargenomen in het plangebied. Behalve deze soorten behoort het plangebied vermoedelijk tot het functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, zoals veldmuis, dwergmuis, bosmuis, grote bosmuis2, gewone bosspitsmuis, tweekleurige bosmuis, rosse woelmuis, eekhoorn, vos, steenmarter, bunzing, wezel en egel. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat het plangebied tot het foerageergebied van de das behoort; ook zijn geen (oude) burchten van de das in het plangebied, of in bossen en houtsingels, direct naast het plangebied, aangetroffen.
2
De grote bosmuis is door onderzoekers van Tauw BV in 2018 in het plangebied met zekerheid (vangst) vastgesteld (zie lit.lijst). 11
Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en het is aannemelijk dat ze er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezetten. Grondgebonden zoogdieren kunnen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder rommel en ander (groen)afval, of in bomen en vegetatie. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en worden vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het inrichtingen van een groot deel van het plangebied als woongebied, komt de functie van het plangebied als foerageergebied voor een aantal soorten te vervallen (ree, veldmuis). Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen opgeslagen goederen/rommel; - Bebouwen/verharden plangebied;
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Gebouwen of andere bouwwerken die vleermuizen kunnen benutten om een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in te bezetten ontbreken in het plangebied, maar mogelijk bezetten vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in bomen in het plangebied. Vleermuizen kunnen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats s bezetten in holen in de stam of achter losse schors. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen verblijfplaatsen van vleermuizen vernield en het is niet aannemelijk dat eventueel aanwezige vaste rust- en/of voortplantingsplaats in bomen negatief beïnvloed worden als gevolg van het bouwen en bewonen van de woningen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Het is aannemelijk dat vleermuissoorten als laatvlieger, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuizen (dagelijks) in het plangebied foerageren en vermoedelijk zullen ook andere, minder talrijke vleermuissoorten het gebied incidenteel bezoeken. Vleermuizen zullen langs de randen en kronen van bomen en struiken en langs ruige randen van de graslanden foerageren. De open delen van het plangebied worden verdicht met woningen en groen. Als gevolg van de bewoning, zal er een toename zijn van kunstlicht, maar deze toename is gering. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal de kwaliteit van het plangebied als foerageergebied van vleermuizen niet afnemen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van 12
vaste rust- en/of voortplantingsplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar vaste rust- en/of voortplantingsplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen essentieel onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Mogelijk vliegen vleermuizen wel door het gebied, op weg van verblijfplaats naar foerageergebied (avond) of van foerageergebied naar verblijfplaats (ochtend). Dat maakt het plangebied niet gelijk tot een onderdeel van een ‘vliegroute’ zoals bedoeld als wezenlijk onderdeel van een verblijfplaats. Een vliegroute, zoals bedoeld in deze paragraaf, is een route die vleermuizen moeten volgen om in het foerageergebied te kunnen komen. Het negatief beïnvloeden van een dergelijke route, leidt tot een negatief effect op de duurzame instandhouding van de verblijfplaats. Het plangebied ligt in een besloten en kleinschalig landschap met houtsingels, laanbeplanting en bosjes.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer van het plangebied, wordt het plangebied als een geschikt functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker beschouwd. Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van de kamsalamander. In de zuidoosthoek van het plangebied ligt een poel. Amfibieën bezetten een vaste rustplaats in holen en gaten in de grond, onder rommel, groen(afval), bladeren, takkenbossen, strooisel en in de sliblaag van de poel. De poel in het plangebied wordt als potentieel voortplantingsbiotoop voor de gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander. kamsalamander en bastaardkikker beschouwd. Gelet op de inrichting (deels begroeide randen), wordt de poel niet als een bijzonder geschikte voortplantingsplaats voor kamsalamander beschouwd, maar de ligging van de poel, om oud hoevenlandschap, nabij oud bos en houtsingels, kan de aanwezigheid niet uitgesloten worden. Ook is de soort op 1,5 km ten oosten van het plangebied vastgesteld (NDFF, 2020). Indien de kamsalamander de poel benut als voortplantingsplaats, benut deze soort het bos en de tuin rondom de poel als functioneel leefgebied.
Ligging van de poel (blauwe vlak).
13
Het agrarisch cultuurland wordt niet als potentieel leefgebied voor amfibieën beschouwd. Als de poel niet wordt gedempt, wordt de voortplantingsbiotoop van amfibieën niet aangetast. Als gevolg van het aanleggen van beide sloten in een natuurstrook, worden mogelijk amfibieën (waaronder de kamsalamander), gedood. Het functionele leefgebied van de kamsalamander worden door het bebouwen van het plangebied niet negatief beïnvloed. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Vergraven grond; Dagvlinders Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde dagvlinders waargenomen. Gelet op de aard van het plangebied en de ligging t.o.v. bekende populaties van beschermde dagvlinders, is het niet aannemelijk dat het plangebied binnen het normale functionele leefgebied van beschermde dagvlindersoorten behoort, zoals grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, grote vos en iepenpage. Dat neemt niet weg dat zwervende exemplaren incidenteel wel op kunnen duiken in het plangebied.
Overigens vormt het deel van het plangebied waar inrichtingsmaatregelen uitgevoerd gaan worden, niet tot functioneel leefgebied van deze soorten en ook al zou het plangebied onderdeel uitmaken van het functionele leefgebied van deze soorten, leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect omdat waardplanten, baltsplaatsen en overwinteringslocaties van beschermde vlindersoorten niet aangetast zouden worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermde dagvlinder gedood, wordt geen ei of pop vernield en wordt geen essentieel onderdeel van het functionele leefgebied aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
14
4.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Overijssel van kracht3. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten.
Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.
3
Per 1-12-2019 is een aangepaste vrijstellingslijst van kracht. 15
4.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het rooien van beplanting en het vergraven van grond tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield en worden mogelijk jonge, niet vlieg-vlugge vogels gedood. Met uitzondering van de buizerd, is van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus- half maart. Indien er werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden, waarbij mogelijk bezette vogelnesten negatief beïnvloed kunnen worden, dient vooraf een broedvogelscan uitgevoerd te worden. Een broedvogelscan is niet toepasbaar in alle terreintypes, zoals dichte bosschage of ruigte. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, leidt niet tot wettelijke consequenties.
Om te voorkomen dat het buizerdnest niet verstoord wordt tijdens de aanleg- of gebruiksfase, dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Inrichtingswerkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode; - Opstellen ecologisch werkprotocol buizerd; Vleermuizen Vaste rust- en/of voortplantingsplaats Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;
16
Vliegroute Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentiële vliegroute van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de grondgebonden zoogdieren, die mogelijk gedood worden of waarvan de vaste rust- of voortplantingsplaats vernield of beschadigd wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het beschadigen en vernielen van de ‘vaste rust- en voortplantingsplaats’. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen grote bosmuis, egel of kleine marterachtige gedood en wordt geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats van voorgenoemde soorten beschadigd of vernield. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;
Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën gedood en worden mogelijk vaste rust- en mogelijk zelfs een voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Met uitzondering van de kamsalamander, geldt voor de amfibieën die mogelijk gedood worden of waarvan een rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd wordt, een vrijstelling van de verbodsbepalingen (doden en het beschadigen/vernielen) van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen. Deze vrijstelling geldt omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De kamsalamander is beschermd. Deze soort met niet gedood worden en de vaste rust- en voortplantingsplaats mag niet verstoord, beschadigd of vernield worden zonder ontheffing, tenzij gewerkt wordt conform een Gedragscode. Bij het vergraven van bosgrond in een zone van 200 meter rondom de poel dient rekening gehouden te worden met deze soort, tenzij uit nader onderzoek blijkt dat de poel niet benut wordt als voortplantingsbiotoop voor deze soort. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Werken volgens gedragscode bij vergraven van bosgrond rondom poel; Dagvlinder Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
17
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Vaste rust - en/of voortplantingsplaats Doden van dieren
Diverse soorten
Foerageergebied
Diverse soorten
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats
Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling òf functie wordt niet aangetast vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; functie is niet beschermd (de gunstige staat van instandhouding van geen enkele vogelsoort wordt aangetast) Art. 3.1 lid 2
buizerd
Art. 3.1 lid 2
Vogels
Doden van dieren
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Vleermuizen
Verblijfplaats
Mogelijk diverse soorten
Vleermuizen
Foerageergebied
Diverse soorten
Vleermuizen Vleermuizen
Vliegroute Doden van dieren
Amfibieën
Foerageergebied
Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten
Niet van toepassing; mogelijk aanwezige verblijfplaatsen in bomen worden niet negatief beïnvloed Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing
Amfibieën
Vaste rust - en/of voortplantingsplaats
Amfibieën
Verblijfplaats en voortplantingsplaats
Amfibieën
Doden en verwonden van dieren
Amfibieën
Doden en verwonden van dieren
Dagvlinder
Vaste rust - en/of voortplantingsplaats Waardplanten Doden en verwonden van dieren, eieren of poppen Dieren en overige functies
Vogels
Dagvlinder Dagvlinder
Overige soorten
Diverse soorten
Diverse soorten, m.u.v. kamsalamander kamsalamander
Geen Geen Geen
Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Werken volgens ecologisch werkprotocol om te voorkomen dat het buizerdnest verstoord wordt Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Geen
Geen Geen Geen
Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling.
Geen
Art. 3.5 lid 4
Ontheffing aanvragen of werken volgens Gedragscode Geen
Geen
Diverse soorten, m.u.v. kamsalamander kamsalamander
Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Ontheffing aanvragen of werken volgens Gedragscode Geen
Niet aanwezig Niet van toepassing
Niet van toepassing Niet van toepassing
Geen Geen
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Art. 3.5 lid 1
Samenvatting van de wettelijke consequenties.
18
Soortgroep
Grondgebonden zoogdieren Vogels
Vleermuizen Amfibieën dagvlinders
Rust- en Voortplanverblijfplaats tingsplaats
Vliegroute Essentieel (vleermuizen) foerageergebied
Wettelijke consequenties
Nader onderzoek vereist
Ontheffing vereist
Ja
Ja
n.v.t.
nee
nee
nee
nee
nee
Ja
n.v.t.
nee
ja
nee
mogelijk ja nee
mogelijk mogelijk nee
nee n.v.t. n.v.t.
nee ja nee
nee ja nee
nee nee nee
Nee, werken buiten kwetsbare periode nee Nee, tenzij Nee
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
4.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 4.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
19
HOOFDSTUK 5
CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd4. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantsoorten, maar tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten en mogelijk voor een aantal zeldzamere soorten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten.
Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar vermoedelijk nestelen er ieder jaar vogels in het plangebied, bezetten verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten verschillende amfibieënsoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten verschillende vleermuissoorten er een verblijfplaats. Met uitzondering van de buizerd, is van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten hoeft geen negatief effect te hebben op het buizerdnest. Om te voorkomen dat het nest verstoord wordt, dient gewerkt te worden volgens een ecologisch werkprotocol. Mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen (in bomen) en de functie van het plangebied als foerageergebied, worden niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen plannen.
Voor een de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die mogelijk gedood worden en waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Ongeacht de vrijstelling van de verbodsbepalingen, dient er te allen tijde zorgvuldig gewerkt te worden. Mogelijk behoort de zuidoosthoek van het plangebied tot functioneel leefgebied van de kamsalamander. Het plangebied behoort alleen tot functioneel leefgebied van de kamsalamander, indien de poel benut wordt als voortplantingslocatie door deze soort. De kwaliteit van het functionele leefgebied wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, maar mogelijk wordt een kamsalamander gedood door het vergraven van bosgrond en wordt een vaste rustplaats verstoord, beschadigd en vernield. Om deze soort te mogen doden of om vaste rustplaatsen te mogen beschadigen/vernielen, dient een ontheffing verkregen te zijn of dient gewerkt te worden volgens een toepasbare en door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Voor de overige amfibieënsoorten geldt
4
De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, wordt vermoedelijk medio november 2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen dan vermoedelijk niet meer onder de vrijstelling. 20
Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
21
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.
22
Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
23
Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
# #
#
#
24
Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 4 maart 2019.
#
Deze soorten zijn per 1-12-2019 van de vrijstellingslijst gehaald.
25
Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.
26
27
28
Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/ https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-002-Kennisdocument-Buizerd-1.0.pdf
29
Bijlage 10 Ecologisch werkprotocol buizerd
304
bestemmingsplan Leuriks Oost 2020 (vastgesteld)
Postadres Aladnaweg 18 7122 RR Aalten
Telefoon 0614-435700 0543-451142
Info Info@natuurbankoverij ssel.nl www.natuurbankoverijssel.nl
Bank NL48 RABO 0121 5795 73 BTW -ID NL001388212B56
Gemeente Enschede t.a.v. dhr. T. Polman postbus 20 7500 AA Enschede Datum: Ons kenmerk:
2-9-2020 2412A
Ecologisch werkprotocol buizerd Leuriks Oost 1. Aanleiding De gemeente Enschede heeft concrete plannen voor woningbouw in plangebied Leuriks Oost. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen, heeft Natuurbank Overijssel het plangebied op 4 februari 2020 en 10 april 2020 onderzocht op het voorkomen van beschermde planten, dieren en beschermde waarden zoals vaste rusten voortplantingsplaatsen van beschermde dieren. Tevens is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de functie die het plangebied heeft als foerageergebied voor beschermde diersoorten.
2. Beschermde functie op en nabij het plangebied Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Er groeien geen beschermde planten in het plangebied. Voor de meeste beschermde dieren, die in het plangebied een vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van de vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt in verband met de aard van de voorgenomen activiteiten (ruimtelijke ontwikkeling). Tijdens het veldonderzoek is een bezet nest van de buizerd (Buteo buteo) vastgesteld in een loofbos aan de oostzijde van het plangebied (zie kaart onder).
Ligging van het buizerdnest (rode cirkel).
De buizerd valt in de provincie Overijssel in categorie 4 ‘ Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen’ (bron: Provincie Overijssel).
De functionele leefomgeving van een buizerd heeft geen vaste grootte (maar kan tot enkele kilometers rondom het nest groot zijn), maar moet het volgende bevatten om functioneel te zijn: Afwisselende landschappen, met bomen, bosschages en open stukken; Grote, dikke bomen die stevig genoeg zijn om het nest te kunnen dragen; Open gebieden waar gejaagd kan worden en genoeg voedsel te vinden is binnen een straal van enkele kilometers van het nest; Rustige, bomenrijke omgeving.
3. Effectbeoordeling Het voornemen is de agrarische gronden in het plangebied in te richten als woonwijk. De bestaande houtige opstanden blijven behouden, maar worden open gesteld voor wandelaars. Daartoe worden wandelpaden aangelegd. Op onderstaande afbeelding wordt de wenselijke ontwikkeling van het plangebied weergegeven. Met de gele ster wordt de locatie van het buizerdnest weergegeven.
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld. Tevens is de locatie van het buizerdhorst weergegeven. Effectbeoordeling functionaliteit van de nestplaats tijdens de aanlegfase Er vinden geen werkzaamheden plaats in de directe omgeving van de nestplaats waardoor de nestplaats beschadigd of vernield wordt. Er vinden wel werkzaamheden plaats in de omgeving van het plangebied die mogelijk kunnen leiden tot verstoring van de nestplaats. Deze verstoring kan optreden tijdens de kwetsbare periode. Dat is de periode vanaf nestbouw tot het uitvliegen van de jongen, grofweg februari – juli. De periode nadat de jongen zijn uitgevlogen, wordt in dit geval niet als kwetsbare periode beschouwd omdat de buizerds (ouders met jongen) voldoende alternatieve plekken hebben in de directe omgeving waar de jongen op kunnen groeien, zoals de bosrijke zone ten zuiden van het plangebied.
De voorgenomen activiteiten in de aanlegfase hebben geen significant negatief effect op de kwaliteit van het foerageergebied van de buizerd. Daarvoor is de ingreep te beperkt qua oppervlakte. Ook heeft het plangebied geen specifieke betekenis als foerageergebied. In onderstaande alinea worden voorwaarden gegeven die voorkomen dat de nestplaats verstoord wordt
Voor het deel van het plangebied, ten noorden van het nestbos, gelden geen beperkingen. Het bos vormt in voldoende mate een buffer waardoor de buizerds niet verstoord zullen worden (geluid, aanwezigheid mensen en visuele verstoring); In een zone van 75 met rond het nest mogen geen werkzaamheden plaats vinden in de kwetsbare periode (1 februari-31 juli). Deze zone wordt indicatief op de onderstaande kaart weergegeven; In de zone in het zuidelijke deel van het plangebied, op meer dan 75 meter afstand van de nestplaats, gelden geen beperkingen. Deze zone wordt indicatief op de onderstaande kaart weergegeven; Een fysieke barrière voorkomt dat het gebied binnen 75 meter van de nestboom onbedoeld wordt betreden of benut wordt voor de (tijdelijke) opslag of stalling van bouwmateriaal, zand of andere spullen. Geen beperking