CConstaterende datenschede
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - BP Centrumkwadraat Stationsplein 5 - Toelichting

Raadsvergadering 27 oktober 2025, gemeente enschedeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 529.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.1.3

Bodemkwaliteit

Bodemkwaliteit algemeen De nadruk op het bodembeleid in Nederland ligt op de mogelijkheden die de bodem en ondergrond biedt om een locatie te gebruiken. Daaronder vallen ook eventuele bodemverontreinigingen. Drie aspecten om te komen tot een veilig en gezond gebruik van de bodem en ondergrond staan daarbij centraal: 1. Het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging of aantasting van de bodem en ondergrond. 2. Het beheren en/of functiegericht saneren van een bodemverontreiniging bij het wijzigen of toekennen van een functie. 3. Het beheren van overige bodemverontreinigingen. Dit geldt met name voor locaties waar de functie en/of bestemming niet wijzigt, maar waar door vroegere activiteiten een bodemverontreiniging is ontstaan. Bodemkwaliteit en het bestemmingsplan "Centrumkwadraat - Stationsplein 5" De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem speelt een rol om vast te stellen of een bestemmingsplanwijziging uitvoerbaar is. Dit is geregeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De Wet bodembescherming kan hierop eveneens van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Uitgevoerde bodemonderzoeken Binnen het plangebied zijn diverse bodemonderzoeken bekend. In 2020 heeft de gemeente Enschede de bodemkwaliteit geactualiseerd: 1.

Geofoxx, 10 oktober 2022, nader asbestonderzoek Brammelerdwarsstraat te Enschede, kenmerk 20220533_a1RAP.(zie bijlage 17) 2. Geofoxx, 27 juli 2022, verkennend asbest- en bodemonderzoek Stationsplein/Brammelerdwarsstraat te Enschede, kenmerk 20220625_a1RAP (zie bijlage 5) 3. Bilfinger Tebodin, 27 februari 2020, Actualiserend bodemonderzoek plangebied 'Centrumkwadraat' te Enschede, kenmerk 53900.00. De locatie is opgedeeld in vier terreindelen, weergegeven op onderstaand figuur.

Figuur 5.1 Terreinindeling bodemonderzoeken (bron: rapport 2) Terreindeel 1 40 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

In de bovenste halve meter van de bodem is een bijmenging met puin, bakstenen, kolengruis en slakken aangetroffen. Plaatselijk zijn deze bijmengingen tot twee meter minus maaiveld aanwezig. In de bodem zijn tevens nabij de ingang van parkeergarage 'Stationsplein' plaatjes asbest in de bodem aangetoond. Uit het nader asbestonderzoek blijkt dat hier sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Geschat wordt dat 12 m³ grond verontreinigd is met asbest boven de interventiewaarde. De verontreiniging bevindt zich onder een weg waardoor IL&T het bevoegde gezag is bij een eventuele bodemsanering. Verder zijn in de grond gehalten aan kwik, zink, PAK en PCB aangetoond die de achtergrondwaarde overschrijden. Deze gehalten passen bij de bodemkwaliteit die in de binnenstad wordt verwacht.

Terreindeel 2 Dit terreindeel betreft de Brammelerdwarsstraat. Ter plaatse van deze straat voldoen de gehalten van de geanalyseerde parameters aan de achtergrondwaarde.

Terreindeel 3 Dit terreindeel is momenteel ingericht

Conclusie Het is bekend dat er binnen het plangebied lokaal sprake is of kan zijn van bodemverontreiniging. Dit betekent dat de initiatiefnemer bij plannen tot herontwikkeling, uitbreiding en/of functiewijziging rekening moet houden met de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. De aanwezigheid van bodemverontreiniging belemmert de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet zodanig, dat de realisatie in het geding komt. Afhankelijk van het tijdstip, aard en omvang van een realisatie van een herontwikkeling, kan het nodig zijn dat er voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor bouwen een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 en indien nodig volgens de NEN 5707 verricht dient te worden.

Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.4

Geluid

In artikel 3.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een bestemmingsplan moet worden aangegeven waar geluidsgevoelige gebouwen en terreinen zijn gesitueerd ten opzichte van wegen, spoorwegen en industrieterreinen met een onderzoekszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Wanneer het bestemmingsplan binnen deze onderzoekszones de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen of terreinen mogelijk maakt, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden nagegaan of de geluidsbelasting binnen de wettelijke normen blijft. De geluidsbelasting mag de in de Wgh genoemde grenswaarden niet overschrijden. Daarbij moet ook de doeltreffendheid worden onderzocht van de in aanmerking komende maatregelen ter voorkoming van in de toekomst optredende geluidsbelasting van de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen. Het plangebied is gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de wegen Nijverheidstraat, Piet Heinstraat, Hoedemakerplein, Brammelerdwarsstraat, Deurningerstraat, Hengelosestraat, Korte Hengelosestraat, Molenstraat en Stationsplein West en Oost en de spoorlijnen Enschede-Hengelo en Enschede-Gronau. Voor de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Deurningerstraat en Stationsplein West en het railverkeer op beide spoorlijnen geldt op grond van de Wet geluidhinder een onderzoeksverplichting.

Voor de overige wegen geldt geen onderzoeksverplichting op grond van de Wet geluidhinder omdat het 30 km-wegen betreft. Ondanks dat op 30 km-wegen de Wet geluidhinder niet van toepassing is moet op grond van uitspraken van de Raad van State bij een ruimtelijke procedure wel aandacht worden besteed aan de geluidsbelasting vanwege 30 km-wegen. Met het bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 worden nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. De nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogen geen belemmering vormen voor de aanwezige en toekomstige bedrijven. Het bedrijf waar specifiek rekening mee moet worden gehouden is de parkeergarage Stationsplein aan de Brammelerdwarsstraat. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het ten oosten van dit plan te realiseren appartementencomplex aan de Brammelerdwarsstraat. Op het dak van het appartementencomplex worden 36 warmtepompen geplaatst. bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld) 41

Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader In artikel 74 van de Wgh is bepaald dat zich aan weerszijden van een weg een zone bevindt. De breedte van de zone is afhankelijk van de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken. De zonering geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en voor wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur. Volgens artikel 76a/77 van de Wgh moet bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan of een projectbesluit, waarin nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, binnen onderzoekszones van wegen, als bedoeld in artikel 74 van de Wgh, akoestisch onderzoek worden verricht. De geluidsgevoelige bestemmingen die met het bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 mogelijk worden gemaakt zijn gelegen in binnenstedelijk gebied binnen de zone van bestaande wegen. Op woningen bedraagt de voorkeurswaarde 48 dB (artikel 82, eerste lid Wgh). Indien deze waarde wordt overschreden kan onder voorwaarden een hogere waarde worden verleend tot ten hoogste 63 dB (artikel 83, tweede lid Wgh).

Het vaststellen van een hogere waarde is pas mogelijk indien aangetoond wordt dat maatregelen (bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en/of maatregelen bij de ontvanger) om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde niet doeltreffend zijn (bezwaren stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard), en voldaan wordt aan de voorwaarden uit de Geluidnota Enschede (verder Geluidnota). De Geluidnota is op 3 april 2018 door Burgemeester en Wethouders (gedeeltelijk herzien) vastgesteld. De gemeente Enschede sluit bij de beoordeling van het geluid van 30 km-wegen aan bij de grenswaarden en systematiek van de Wet geluidhinder en het hogere waarde beleid uit de Geluidnota. Akoestisch onderzoek Om de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai in beeld te brengen is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek plan Stationsplein 1-5 te Enschede, akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai; projectnummer 221865; referentie 221865_AdB_RAP_0011_v6.0; d.d. 21 september 2023. Het rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Onderzoeksresultaten Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het wegverkeer op de wegen (Deurningerstraat en Stationsplein West) waarop de Wgh van toepassing is de geluidsbelasting ten hoogste 41 dB (incl.

aftrek artikel 110g Wgh) bedraagt. Daarmee wordt ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder voldaan. Vanwege het wegverkeer op de overige wegen (30 km-wegen) wordt, met uitzondering van het Stationsplein Oost, voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege het wegverkeer op het Stationsplein Oost bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 53 dB (incl. aftrek artikel 110g Wgh). Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder overschreden. Wel wordt voldaan aan de ten hoogste toegestane waarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het niet mogelijk is om door middel van bron- en/of overdrachtsmaatregelen de geluidsbelasting te verlagen. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen worden overeenkomstig de Geluidnota gevelmaatregelen getroffen zodat wordt voldaan aan de grenswaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit voor het binnenniveau. Voor het bepalen van de gevelwering wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidsbelasting vanwege weg- en railverkeerslawaai. Voor de appartementen die een gecumuleerde geluidsbelasting ondervinden van meer dan 53 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh) is het binnenniveau niet gegarandeerd.

Omdat geen hogere waarden kunnen worden vastgesteld, de Wet geluidhinder is niet van toepassing op 30 km-wegen, is het niet mogelijk om via het Bouwbesluit eisen te stellen aan de geluidwering van de gevels van de te realiseren appartementen. Om ervoor te zorgen dat het binnenniveau in de appartementen ten hoogste 33 dB bedraagt is het noodzakelijk om in de regels van het bestemmingsplan aanvullende eisen voor de gevelwering op te nemen. Conclusie wegverkeerslawaai Vanwege het wegverkeer op de wegen (Deurningerstraat en Stationsplein West) waarop de Wet geluidhinder van toepassing is wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder voldaan. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Vanwege het wegverkeer op het Stationsplein Oost wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet

42 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

geluidhinder overschreden, Wel wordt voldaan aan de ten hoogste toegestane waarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder. Omdat op 30 km-wegen de Wet geluidhinder niet van toepassing is kan geen hogere waarde worden vastgesteld, en daarmee is het binnenniveau niet gegarandeerd. Om voor de appartementen die een cumulatieve geluidsbelasting ondervinden van meer dan 53 dB (excl. aftrek artikel 110g Wgh) een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is het noodzakelijk om in de regels van het bestemmingsplan aanvullende eisen voor de gevelwering op te nemen

Railverkeerslawaai Het plangebied van het bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 is gelegen aan of in de nabijheid van de op grond van de Wet geluidhinder gezoneerde spoorlijnen Enschede-Gronau en Enschede-Hengelo. De nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt liggen binnen de onderzoekszone van deze spoorlijnen. Wettelijk kader In de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zijn regels opgenomen voor wat betreft het aspect railverkeerslawaai. Langs een spoorweg bevindt zich een zone. In het Besluit geluidhinder (artikel 1.4a) is aangegeven dat de breedte van de zone afhankelijk is van de hoogte van het geluidproductieplafond. Op 1 juli 2012 zijn door een wetswijziging van de Wet milieubeheer de geluidproductieplafonds (gpp's) voor hoofdspoorwegen van kracht geworden. Met de Gpp's is de maximaal toegestane geluidproductie van de hoofdspoorwegen in Nederland vastgelegd.

Op grond van artikel 4.3 van het Besluit geluidhinder is het college van Burgemeester en Wethouders verplicht om voor nieuwe situaties bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan, of van een wijzigings- of uitwerkingsplan, dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen een zone als bedoeld in artikel 1.4a, een akoestisch onderzoek in te stellen naar de geluidsbelasting die woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen die binnen de zone zijn gelegen, ondervinden vanwege de spoorweg. Daarnaast wordt een onderzoek ingesteld naar de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen, om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de spoorweg optredende geluidsbelasting van de geluidsgevoelige objecten, de ten hoogste toelaatbare waarden te boven zou gaan. Op geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt vanwege railverkeerslawaai de voorkeurgrenswaarde 55 dB. Een geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde is uitsluitend mogelijk indien een hogere waarde wordt vastgesteld. De maximaal vast te stellen hogere waarde bedraagt 68 dB. Akoestisch onderzoek Om de geluidsbelasting vanwege railverkeerslawaai in beeld te brengen is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek plan Stationsplein 1-5 te Enschede, akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai; projectnummer 221865; referentie 221865_AdB_RAP_0011_v6.0; d.d. 21 september 2023". Het rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Onderzoeksresultaten Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege het railverkeer op de spoorlijnen Enschede-Hengelo en Enschede-Gronau de geluidsbelasting ten hoogste 51 dB bedraagt. Daarmee wordt ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Conclusie railverkeerslawaai Railverkeerslawaai vormt daarmee geen belemmering voor het plan.

Industrielawaai Het plangebied van het bestemmingsplan "Centrumkwadraat - Stationsplein 5" is niet gelegen in de nabijheid van een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Bovendien voorziet het bestemmingsplan "Centrumkwadraat - Stationsplein 5" niet in bestemmingen waarop geluidzoneringsplichtige inrichtingen als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht ('grote lawaaimakers') gevestigd kunnen worden. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder vanwege industrielawaai kan daarom achterwege blijven.

Luchtverkeerslawaai bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld) 43

Het wettelijke kader met betrekking tot luchtverkeerslawaai is geregeld in de Wet luchtvaart en specifiek de wijzigingswet Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML). De consequenties met betrekking tot het geluid als gevolg van vliegverkeer zijn vastgelegd in het Luchthavenbesluit, dat op 1 maart 2017 door gedeputeerde staten van Overijssel is vastgesteld en op 30 maart 2017 in werking is getreden. Het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” is niet gelegen in de nabijheid van het vliegveld Twente en is ook niet gelegen binnen de geluidszone van het vliegveld. Een nadere toetsing aan het Luchthavenbesluit vanwege luchtverkeerslawaai kan daarom achterwege blijven.

Conclusie luchtverkeerslawaai Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat luchtverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Parkeergarage Stationsplein In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient ook aandacht te worden besteed aan relevante geluidsbronnen die niet vallen onder de geluidswetgeving voor wegverkeers-, railverkeers-, industrie- en luchtvaartlawaai. Ten zuiden van het plangebied is de parkeergarage Stationsplein gelegen. Wettelijk kader Als toetsingskader geldt de Geluidnota Enschede, welke bij besluit van 3 april 2018 door Burgemeester en Wethouders (gedeeltelijke herzien) is vastgesteld. Volgens de bij de Geluidnota behorende gebiedstypenkaart zijn de parkeergarage en de te realiseren geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in het gebiedstype 'Centrumgebied'. Voor dit gebiedstype geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Voor het maximale geluidsniveau zijn in de Geluidnota geen normen opgenomen en wordt aangesloten bij de waarden uit het Activiteitenbesluit, te weten 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode); 65 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avondperiode) en 60 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur. Op de parkeergarage Stationsplein is het Activiteitenbesluit van toepassing. In het Activiteitenbesluit zijn uitzonderingen opgenomen voor de beoordeling van geluid.

In het kader van een ruimtelijke beoordeling, zoals ten behoeve van het bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 nodig is, moeten alle geluidsbronnen worden meegenomen. Akoestisch onderzoek Om inzicht te krijgen in de geluidsbelasting die de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen zullen ondervinden vanwege de parkeergarage Stationsplein is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Herontwikkeling Stationsplein 1-5, akoestisch onderzoek parkeergarage Stationsplein; projectnummer 221865; referentie 221865_AdB_RAP_0013_v4.0; d.d. 18 september 2023". Het rapport is als bijlage 20 bij deze toelichting gevoegd. Uitgangspunt van dit onderzoek was dat de openingen in de noordgevel van de parkeergarage volledig zouden worden dichtgezet. De geluiduitstraling door de openingen in de gevels van de parkeergarage maakte daardoor geen onderdeel uit van het onderzoek. Inmiddels is gebleken dat het volledig dichtzetten van de openingen vanuit ventilatietechnische overwegingen niet wenselijk is. Er is daarom nader onderzocht wat de geluidinvloed van de openingen in de gevels van de parkeergarage is, om vervolgens preciezer te bepalen welke openingen moeten worden dichtgezet, om daarmee de geluidinvloed door de openingen tot een aanvaardbaar niveau te terug te brengen.

De resultaten van het aanvullende onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek Parkeergarage Stationsplein 6 - plan Ten Brinke Enschede", gemeente Enschede 23 januari 2025. Het rapport is als bijlage 23 bij deze toelichting gevoegd. Onderzoeksresultaten De parkeergarage Stationsplein is een split-level garage met in totaal 8 parkeerlevels. De bovenste twee levels (level 7 en 8) bevinden zich op het dak van de parkeergarage en zijn volledig open. De rest van de parkeerlevels (level 1 t/m 6) is voorzien van gevels met openingen. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau In het uitgevoerde onderzoek in bijlage 23 is specifiek ingegaan op de geluidinvloedvanwege geluiduitstraling door de openingen in de gevels van de parkeergarage (level 1 t/m 6), op beoogde woningen. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat, rekening houdend met de openingen in de gevels in de huidige toestand van de garage, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het gebruik van de totale parkeergarage (alle levels) ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt op de te realiseren woningen. Daarmee wordt voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de Geluidnota. 44 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

Maximaal geluidniveau Uit het onderzoek in bijlage 23 blijkt dat vanwege geluid door de openingen in de gevels van de parkeergarage sprake kan zijn maximale geluidniveaus van ten hoogste 64 dB in dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee is vanwege het geluid door de openingen sprake van maximale geluidniveaus die hoger zijn dan grenswaarde van 60 dB(A) voor de nachtperiode. Door het dichtzetten van specifieke openingen in de noordelijke gevel, zoals weergegeven in onderstaande figuur 5.2, wordt het maximale geluidniveau teruggebracht tot een niveau van 60 dB(A) en is daarmee niet hoger dan de grenswaarde. Bij voorwaardelijke verplichting is geregeld dat de in figuur 5.2 aangeduide openingen moeten worden dichtgezet, voor de ingebruikname van de woontoren.

Figuur 5.2 Dichtzetten 3 (rode arcering) gevelopeningen noordgevel parkeergarage Stationsplein De hoogste maximale geluidniveaus treden op door dichtslaan van portieren op (volledig open) parkeerlevel 7 en 8/bovenste levels van de parkeergarage. Vanwege het dichtslaan van portieren op parkeerlevel 7 en 8 bedraagt het maximale geluidsniveau ten hoogste 75 dB(A) in alle perioden, zo blijkt uit het onderzoek in bijlage 20. Daarmee wordt de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit in de dag-, avond- en nachtperiode met respectievelijk 5, 10 en 15 dB(A) overschreden. Dergelijke overschrijdingen zijn alleen mogelijk als sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het gebouw met de te realiseren geluidgevoelige bestemmingen is aanzienlijk hoger dan de parkeergarage. Daardoor wordt "op" de bovenste parkeerlevels gekeken. Hierdoor zijn zeer hoge geluidsschermen nodig om enig effect te hebben. Dergelijke schermen zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. De overschrijdingen van het maximale geluidsniveau zijn over het algemeen hinderlijk in de avond- en nachtperiode. In deze perioden treden slechts een beperkt aantal overschrijdingen op vanwege het beperkte gebruik van de bovenste parkeerlevels van de parkeergarage in de avond- en nachtperiode.

Om er voor te zorgen dat de maximale geluidsniveaus in de woningen niet hinderlijk zijn wordt de geluidwering van de gevels dusdanig verhoogd dat wordt voldaan aan de in het Activiteitenbesluit vastgestelde geluidsniveaus voor inen aanpandige gevoelige gebouwen. Met een geluidwering van de gevel van minimaal 30 dB(A) wordt in de maatgevende nachtperiode voldaan aan de binnenwaarde van 45 dB(A) uit het Activiteitenbesluit. Met het verhogen van de geluidwering van de gevel ontstaat een goed woon- en leefklimaat in de woningen. In het plan beschikt een beperkt aantal appartementen over een (eigen) buitenruimte. Bij diverse appartementen wordt op de gevel waaraan de buitenruimte is gelegen niet aan de waarde voor het maximale geluidsniveau voldaan.

De mogelijke resterende geluidshinder die wordt verwacht in de buitenruimte van de woningen wordt acceptabel geacht omdat: Geluiden als het dichtslaan van portieren niet vreemd zijn in de bebouwde kom; De locatie in het centrum van de stad Enschede ligt, met een hoog dynamische woon-werkmilieu, nabij een stationsomgeving (waar - op grotere afstand - een taxistandplaats is met dichtslaande portieren en kofferbakken) en uitgaans-/horecagelegenheden; De frequentie waarop sprake kan zijn van geluid op het bovenste parkeerdek in de avond- en nachtperiode zeer laag is: De toekomstige bewoners huurders zijn in de vrije sector en bewust kiezen voor binnenstedelijk wonen met de daarbij behorende omgevingskenmerken; Het heeft de voorkeur de woningen waar mogelijk te voorzien van een eigen buitenruimte. bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld) 45

Conclusie parkeergarage Stationsplein Door de 3 openingen van de parkeergarage Stationsplein dicht te zetten en de gevels van de te realiseren geluidsgevoelige bestemmingen, waar niet aan de waarden voor het maximale geluidsniveau kan worden voldaan, te voorzien van een gevelwering van minimaal 30 dB(A) is in de geluidsgevoelige bestemmingen sprake van een goed woon- en leefklimaat. De mogelijke hinder die vanwege piekgeluiden wordt verwacht in de buitenruimte van de woningen wordt gezien de omgeving en de beperkte frequentie in de avond- en nachtperiode acceptabel geacht. Om de bedrijfsvoering van de parkeergarage niet te belemmeren zal een maatwerkvoorschrift geluid worden vastgesteld waarin de maximale geluidsniveaus worden gereguleerd. Nu vaststaat dat de geluidinvloed op de beoogde nieuwe woningen aanvaardbaar is, is hiervoor voldoende basis.

Warmtepompen ontwikkelingsplan Brammelerdwarsstraat Er zijn verschillende soorten warmtepompen. Zo zijn er warmtepompen die warmte halen uit de grond, uit het water uit de grond of uit de lucht. Bij deze laatste 2 categoriën kan geluidsoverlast optreden gezien deze aanpandig/buiten staan. Bij een lucht-lucht warmtepomp trekt de buitenunit de lucht aan met een ventilator. Deze wordt volgens door de binnenunit op de juiste temperatuur gebracht. Vervolgens kan er warme of koude lucht in de woning worden geblazen. Bij een lucht-water warmtepomp bevindt zich in de buitenunit een warmtepomp die de warmte uit de omgevingslucht haalt. Het maximale geluidsvermogen van buitenunits is in Europse regels, maar is ook per 1 april 2021 in het Bouwbesluit vastgelegd. De regelgeving uit het Bouwbesluit ziet toe op een maximale geluidswaarde op perceelsgrens, hetgeen bij appartementen onderling onduidelijk kan zijn. De naastgelegen woningbouwontwikkeling aan de Brammelerdwarsstraat van 36 appartementen heeft warmtepompen voorzien op het dak van het appartementencomplex. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting als gevolg van de buitenunits van warmtepompen inzichtelijk ( met onderzoek, zie bijlage 22) gemaakt op de gevels van het bouwplan 1-5.

De geluidbelasting is (cumulatief) niet meer dan 39 dB(A), waarmee wordt voldaan uit de grenswaarde uit het Bouwbesluit en de richtwaarde uit het geluidbeleid van de gemeente Enschede. De conclusie is dat wat betreft het geluid van buitenunits van warmtepompen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie geluidhinder Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de in het bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 te realiseren geluidsgevoelige bestemmingen. Om er voor te zorgen dat in de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat worden in de regels van het bestemmingsplan voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor het dichtzetten van de openingen van de parkeergarage en voor de geluidwering van de gevel van de te realiseren geluidsgevoelige bestemmingen. Om de bedrijfsvoering van de parkeergarage niet te belemmeren zal een maatwerkvoorschrift geluid moeten worden vastgesteld waarin de maximale geluidsniveaus worden gereguleerd.

5.1.5

Luchtkwaliteit

Bij de toetsing of een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet worden nagegaan of de realisatie van beoogde ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer en onderliggende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: a. er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; b. een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; d. een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); e. een project niet voorziet in de realisatie van gevoelige bestemmingen binnen de zone van een op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen gezoneerde rijksweg of provinciale weg. Luchtkwaliteit en het plangebied “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” Het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” beoogt het planologisch mogelijk maken van 159 woningen met gemengde functies.

46 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

Uit de 'Regeling niet in betekenende mate' blijkt dat woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 woningen als niet in betekenende mate zijn aan te merken. Het aantal woningen voldoet hier ruimschoots aan. Omdat niet alleen appartementen worden gerealiseerd maar ook bedrijfsruimtes is niet op voorhand duidelijk of ook het gehele plan als niet in betekenende mate is aan te merken. Emissies vanwege stookinstallaties zijn er niet omdat alle ruimten gasloos zullen zijn. Voor de luchtkwaliteit zijn daarom uitsluitend de verkeersbewegingen relevant. Het aantal verkeersbewegingen dat de te realiseren 159 appartementen en 985 m2 commerciële ruimten met zich meebrengt zal ruimschoots lager zijn dan de verkeersbewegingen van 1.500 woningen. Dit betekent dat hetgeen met onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt als 'niet in betekenende mate' is aan te merken. In de monitoringstool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn gegevens opgenomen met betrekking tot de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in Nederland. Uit de monitoringstool 2021 blijkt dat op het plangebied in alle zichtjaren (2020 en 2030) aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan.

Conclusie luchtkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit (art 5.16 WM, lid 1 onder b) geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.1.6

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. De risico's waar burgers aan worden blootgesteld door de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in hun leefomgeving dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daarom heeft de overheid regels opgesteld voor inrichtingen, buisleidingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen die onaanvaardbaar grote risico's opleveren voor personen die zich bevinden in woningen, scholen en bejaardencentra die in de directe omgeving hiervan liggen. Kort samengevat heeft dit tot gevolg dat er veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten zoals woningen en dergelijke. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan een kans van 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De contour is daarom niet bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen een bepaalde afstand (effectafstand) van een risicovolle activiteit ophoudt.

Voor het groepsrisico geldt dat de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen verantwoord moeten worden. De wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid kan grofweg in twee categorieën worden ingedeeld: regelgeving met betrekking tot risicovolle activiteiten bij inrichtingen en regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen.

Risicovolle activiteiten bij inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is het wettelijk kader voor risicovolle activiteiten bij inrichtingen. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven of inrichtingen aanwezig waarop het Bevi van toepassing is. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) het wettelijk kader. Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen buisleidingen aanwezig waarop het Bevb van toepassing is. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor of over het water zijn de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Circulaire Vervoer Gevaarlijke Stoffen het wettelijk kader. Momenteel is nieuwe wet- en regelgeving in voorbereiding voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De basis van die nieuwe regelgeving wordt gevormd door het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet kent 3 vervoersmodaliteiten: Basisnet Water, Basisnet Spoor en Basisnet Weg.

Basisnet Weg Binnen het plangebied of in de directe nabijheid van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” is

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld) 47

geen weg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg.

Basisnet Water Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” of in de directe nabijheid daarvan zijn geen waterwegen aanwezig die in het Basisnet zijn aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over water.

Basisnet Spoor Binnen het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” of in de directe nabijheid daarvan is geen spoorweg aanwezig die in het Basisnet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen over het spoor.

Gebruik luchthaven De aanwezigheid van vliegvelden en grote luchthavens in de omgeving is van belang in het kader van de externe veiligheid omdat de kans op het neerstorten van vliegtuigen in de buurt van een vliegveld of luchthaven groter is dan elders. Een luchtvaartongeval is daar dus te voorzien en het is denkbaar dat daarbij (woon)bebouwing wordt getroffen. Een vliegtuig of helikopter kan overal neerstorten, de gevolgen kunnen dus in beginsel op elke plek optreden. Het risico is echter het grootst nabij een vliegveld of luchthaven, vooral bij het opstijgen en landen. Het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” is hemelsbreed op ca. 5,3 kilometer van het vliegveld Twente gelegen. Dit betekent dat de kans op een luchtvaartongeluk in het plangebied (zeer) klein is. Conclusie externe veiligheid Op basis van het bovenstaande en het gegeven dat het plan geen (nieuwe) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen risicocontouren kan worden geconcludeerd dat de externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.7

Trillingshinder

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Een hulpmiddel hierbij is de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Deze geeft aan dat indien binnen een afstand van 100 meter tot een spoorweg nieuwbouw wordt gerealiseerd van een in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, het aan te raden is om een quickscan trillingshinder uit te voeren. Het plangebied ligt nabij het station. De kortste afstand tot tracé Hengelo - Enschede en het tracé Enschede Gronau is 55 meter. Als gevolg is een quickscan naar trillingsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. De trillingen zijn weergegeven als een bandbreedte. De werkelijke trillingen zijn namelijk afhankelijk van de afstand tot het spoor, de lokale bodem- en spooropbouw, spoorligging en constructiegegevens van de geplande bebouwing (denk aan constructietype, afmetingen, vloertypes, fundering). In het onderzoek is de locatie beoordeeld op basis van de richtlijn SBR-B. Uit de beoordeling volgt dat de locatie voldoet. Uit de quickscan volgt dat trillingshinder kan worden uitgesloten voor deze ontwikkellocatie. Nader onderzoek is derhalve niet nodig.

5.2

Water

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro wordt in een bestemmingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Hemelwater Uitgangspunt in het beleid van zowel gemeente als waterschap is het voorkomen van wateroverlast, ook bij hevige buiten. De gemeenteraad heeft op 25 oktober 2021 het Water- en Klimaatadaptatieplan 2022-2026 vastgesteld. Dit beleidsplan beschrijft hoe Enschede toewerkt naar een waterrobuuste, klimaatbestendige en biodiverse gemeente in 2050. Enschede wordt nog 'groener' en 'blauwer' om goed voorbereid te zijn op een nattere, hetere en drogere 48 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

toekomst. Water de ruimte geven en stenen vervangen door planten en bomen gaan wateroverlast, hittestress en verdroging tegen. Zo werkt Enschede verder aan een aantrekkelijke 'duurzame en groene stad' waar mensen graag wonen, leven en werken! Nu en in de toekomst. In het plan zijn nieuwe waterbergingsnormen opgenomen. Bij nieuwbouwplannen worden eisen gesteld aan de hoeveelheid regenwater die op eigen terrein moet worden geborgen. Die eisen zijn vanaf 1 januari 2022 strenger geworden en zijn nu voor alle situaties 55 mm per m 2 verhard oppervlak.

Afvalwater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding is dat het ontstaan van afvalwater wordt beperkt. In nieuwe situaties (nieuwbouw, herontwikkeling) wordt afvalwater gescheiden van het hemelwater aangeboden en afgevoerd. De gemeente zorgt er voor dat het afvalwater vanaf de perceelsgrens wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Vechtstromen. In het buitengebied is niet overal in de openbare ruimte een systeem aanwezig voor de afvoer van afvalwater. In dat geval moet op eigen terrein een individuele behandeling van afvalwater (IBA), al dan niet met een helofytenfilter, worden ingericht.

Oppervlaktewater Uitgangspunt in het gemeentelijk beleid voor de waterhuishouding bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is dat bestaand oppervlaktewater (sloten en vijvers) gehandhaafd blijft. Bij de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem zijn de benodigde afvoercapaciteit, de streefbeelden en de kwaliteitsdoelstellingen van het waterschap Vechtstromen en de gemeente Enschede leidend. Het oppervlaktewater wordt liefst op fraaie wijze geïntegreerd in het stedenbouwkundig plan, zodanig dat het water beleefd kan worden en goed te beheren is. Eventueel nieuw oppervlaktewater mag geen permanente verlaging van de grondwaterstand veroorzaken, tenzij dit oppervlaktewater mede als doel heeft grondwateroverlast in bestaand stedelijk gebied te beperken. De aanleghoogte van nieuw oppervlaktewater dient zodanig te zijn dat de overstromingskans vanuit oppervlaktewater beperkt wordt tot eens per 100 jaar (T=100). Bij ontwikkelingen nabij watergangen geeft het waterschap Vechtstromen een aanleghoogte advies.

Grondwater en ontwatering In de Waterwet is vastgelegd dat perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het grondwater op hun perceel. De ontwatering van een perceel is afhankelijk van het gebruik van de grond. Onder ontwatering wordt verstaan: het verschil tussen het peil van de weg of van de bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om ongewenste effecten van hoge grondwaterstanden te voorkomen wordt geadviseerd de in onderstaande tabel genoemde ontwateringshoogtes aan te houden: Grondgebruik

Ontwatering (m – onderkant vloer / maaiveld / as van de weg)

Primaire wegen

0,7 m onder de as van de weg

Secundaire wegen en erfontsluitingswegen

0,5 m onder de as van de weg

Bouwwerken met kruipruimten

0,7 m onder de onderkant van de vloer

Bouwwerken zonder kruipruimten

0,5 m onder de onderkant van de vloer

Groen

0,5 m onder het maaiveld

De gemeente zorgt in voorkomende gevallen in de openbare ruimte voor passende en doelmatige maatregelen volgens de systematiek van risicogestuurd beheer. Dat betekent dat beslissingen over waar en hoe maatregelen worden getroffen genomen gaan worden op basis van mogelijke risico's.

Afwatering Om op perceelsniveau te kunnen voorkomen dat afstromend regenwater problemen veroorzaakt gelden de volgende advieswaarden voor peilhoogtes: Het vloerpeil minimaal 0,30 m boven straatpeil (kruin van de weg t.o.v. toegang ter plaatse); Het perceel vlak of richting de weg af laten lopen; De maaiveldpeilen en vloerpeilen van de verschillende percelen op elkaar afstemmen.

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld) 49

Waterhuishouding en het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” Het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” beoogt het planologisch mogelijk te maken dat maximaal 159 appartementen en diverse commerciële ruimtes worden gerealiseerd.

Onderbouwing o.b.v. de te realiseren ruimtelijke ontwikkelingen: - toename verhard oppervlak Het verhard oppervlak op maaiveld neemt ongeveer met 50 m 2 toe. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele aanleg van groene daken.

- hemelwaterafvoer en afwatering Het hemelwater stroomt bij voorkeur oppervlakkig af naar de waterbergende voorziening. Hierin wordt het hemelwater (tijdelijk) geborgen. De voorziening dient binnen 24 uur weer leeg te zijn. Vanuit de waterbergende voorzieningen kan het hemelwater infiltreren en/of vertraagd worden afgevoerd naar en nieuw aan te leggen hemelwaterriool. Ook dient de waterberging voorzien te worden van een noodoverloop naar het hemelwaterriool. De nieuwbouwplannen voorzien in een waterberging van 55 mm (55 liter waterberging per vierkante meter verhard oppervlak). De plannen bieden mogelijkheden voor waterberging op daken en voorzieningen in het binnenterrein. Bij extreme neerslagsituaties, wanneer het hemelwatersysteem overbelast raakt, moet hemelwater oppervlakkig af kunnen stromen naar de openbare ruimte. In het maaiveldontwerp moet geborgd worden dat dit niet bij kelders of andere kwetsbare objecten kan komen. De huidige plannen voorzien hierin.

- afvalwaterafvoer Binnen het plangebied wordt het vuilwater vanuit de woningen aangesloten op een nieuw aan te leggen vuilwaterriool. Het nieuwe vuilwaterriool wordt aangesloten op het bestaande gemengd riool. De gevolgen van extra afvalwateraanbod zijn, gezien de huidige capaciteit van de riolering, zeer beperkt. De nieuwbouwplannen in Enschede zijn meegenomen in de prognoses van de afvalwaterzuiveringsinstallatie Enschede west.

- oppervlaktewater In het plangebied liggen geen watergangen en werkzaamheden vinden niet plaats binnen de beschermingszone van de primaire watergang. Nabij het plangebied bevinden zich geen primaire watergangen.

- grondwater en ontwatering In de directe omgeving van het plangebied staan meerdere peilbuizen van het gemeentelijke grondwatermeetnet. De meetwaarden variëren tussen 1,3 en 2,5 meter minus maaiveld, ruim voldoende om aan de gewenste ontwatering te voldoen. De grondwaterstanden zijn relatief laag wat kansen biedt om hemelwater te infiltreren. De bodem bestaat in de bovenste laag voornamelijk uit fijn zand waardoor de infiltratiemogelijkheden niet ideaal zijn. Om een verhoging van de grondwaterstand te beperken zal in de uitvoering hiermee rekening gehouden moeten worden. Een oplossing is om het infiltreren van regenwater te combineren met een vertraagde afvoer naar het hemelwaterriool. Op deze wijze ontstaat tijdige leegloop van de waterbergende voorzieningen.

Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

50 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

5.3

Natuur

5.3.1

Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden

In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming wordt de aanwijzing en bescherming van de Europese 'Natura 2000' gebieden en de bijzondere nationale natuurgebieden (toekomstige Natura 2000 gebieden) geregeld. De Wet natuurbescherming bepaalt dat voor alle Natura 2000 gebieden instandhoudingsdoelstellingen en een beheerplan moeten worden vastgesteld. De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de kwaliteit van natuurlijke habitats en de aanwezige habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000 gebied. Indien dat op voorhand niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Ook is dan een plan-milieueffectrapportage (plan-m.e.r.) nodig, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden van het per 18 december 2020 gewijzigde artikel 3 van het Besluit m.e.r.. In dat laatste geval volstaat een planm.e.r.-beoordeling.

Wanneer ook op basis van een uitgevoerde passende beoordeling significant negatieve gevolgen niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten kunnen de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk worden gemaakt indien er redelijkerwijs geen alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en de negatieve gevolgen in voldoende mate worden gecompenseerd.

Beschermde natuurgebieden en het plangebied “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” Het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” is niet gelegen binnen de grenzen dan wel in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 gebied of bijzonder nationaal natuurgebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden “Aamsveen” en Lonnekermeer zijn op respectievelijk ca. 5,1 kilometer ten zuidoosten en ruim 6 kilometer ten noordwesten van het plangebied gelegen.

Andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie Eventuele negatieve effecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden als gevolg van andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kunnen op voorhand worden uitgesloten. Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied. Voor andere verstoringsfactoren dan stikstofdepositie kan een nadere toetsing aan hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming achterwege blijven. Stikstofdepositie Stikstofdepositie kan in de verschillende fases van de ontwikkeling (sloop-, bouw- en gebruiksfase) aan de orde zijn. Hiertoe is een berekening van de stikstofdepositie gemaakt (zie bijlage 19). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen stikstofdepositie in de aanlegfase (tijdelijke depositie) en de gebruiksfase (permanente depositie) van de ontwikkeling. Uit die berekening blijkt dat de stikstofdepositie voor zowel de gebruikersfase als de aanlegfase, niet de 0,00 mol/ha/jr overschrijdt.

Conclusie Wet natuurbescherming, beschermde natuurgebieden Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het voorliggende plan geen significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden zal hebben en daarmee in overeenstemming is met het bepaalde in de Wet natuurbescherming voor wat betreft het hoofdstuk Gebiedsbescherming.

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld) 51

5.3.2

Wet natuurbescherming, beschermde planten- en diersoorten

In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is de aanwijzing en bescherming van planten- en diersoorten geregeld. Het gaat daarbij niet om de bescherming van individuele planten of dieren maar om te voorkomen dat het voortbestaan van soorten planten of dieren in gevaar komt en dat vaste rust- en verblijfplaatsen en groeiplaatsen opzettelijk worden vernield of verstoord. Hiertoe zijn in deze wet een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het verbod op het opzettelijk doden of verontrusten van dieren of het verbod op het plukken van planten. Daarbij is het “nee, tenzij” principe het uitgangspunt, er mag geen schade worden toegebracht aan beschermde dieren of planten tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan en daarbij zorgvuldig wordt gehandeld. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of de beoogde activiteiten mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor in dat gebied voorkomende vaste rust- en verblijfplaatsen en/of anderszins functioneel leefgebied van beschermde soorten. Indien noodzakelijk dienen tijdig passende preventieve of mitigerende maatregelen te worden getroffen dan wel dient het plan te worden aangepast om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen en de functionaliteit van het gebied voor de aanwezige beschermde soorten te kunnen waarborgen.

Indien door maatregelen en eventueel planaanpassing negatieve gevolgen voor aanwezige beschermde soorten niet of niet volledig kunnen worden voorkomen is een ontheffing van de betreffende verbodsbepalingen noodzakelijk en dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze redelijkerwijs ook verleend zal kunnen worden.

Beschermde soorten en het plangebied “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” Om te kunnen bepalen of de in het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5" mogelijk te maken transformatie van de centrumlocatie negatieve gevolgen kan hebben voor de functionele leefomgeving en/of de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan) uitgevoerd. Uit de onderzoeksrapportage Verkennend natuuronderzoek Stationsplein 1 - 5 van Aveco de Bondt (rapport nr. 221865_AdB_RAP_0001_v1.0 d.d. 7 september 2022, bijlage 12) blijkt dat negatieve gevolgen op voorhand niet met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten. Geconcludeerd is dat het onderzoeksgebied voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw toegankelijke bebouwing bevat, waardoor aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismus en gierzwaluw niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Aan de hand van aanvullend veldonderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw dient vastgesteld te worden of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen of nestplaatsen van huismus of gierzwaluw in de bebouwing aanwezig zijn.

Soortgericht nader veldonderzoek Op grond van het uitgevoerde nader soortgericht onderzoek kan worden geconcludeerd dat negatieve gevolgen, al dan niet na het tijdig treffen van passende mitigerende of preventieve maatregelen dan wel na planaanpassing niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing bij het bevoegd gezag is noodzakelijk. Uit het onderzoek volgt dat de huismus en gierzwaluw niet zijn aangetroffen. In de te slopen bebouwing is een zomerverblijfplaats van twee exemplaren van de gewone dwergvleermuis en een zomer- en paarverblijfplaats van een solitair mannetje gewone dwergvleermuis aanwezig. Beide verblijfplaatsen kunnen ook als winterverblijfplaats worden gebruikt. De sloop van de bebouwing in het onderzoeksgebied leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Ontheffing Wet natuurbescherming Uit het nadere veldonderzoek volgt dat voor de aanwezigheid van de vleermuis ontheffing dient te worden aangevraagd. De ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming dient te worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. Redelijkerwijs wordt door het adviesbureau verwacht dat de ontheffing zal worden verleend onder een aantal voorwaarden. Hierbij valt onder andere te denken aan het tijdig treffen van mitigerende maatregelen en het plaatsen van een aantal inbouwkasten in de gevel van de nieuwbouw.

Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Bij 52 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

uitvoering van de werkzaamheden dient er gehouden te worden aan deze algemene zorgplicht. Conclusie Wet natuurbescherming, bescherming van planten- en diersoorten Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van planten- en diersoorten op voorhand geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.3.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Het NNN kent geen externe werking, tenzij dit bij provinciale verordening als zodanig is bepaald.

Het NNN en het plangebied “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” Het plangebied van het bestemmingsplan “Centrumkwadraat - Stationsplein 5” is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die onderdeel uitmaken van het NNN zijn op ca. 1.7 kilometer ten noordwesten van het plangebied gelegen. Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven. Het NNN vormt geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.4

Windhinder en windgevaar

De beoordeling van windhinder is voor sommige ontwikkelingen nodig vanuit een goede ruimtelijke ordening. Er is geen formele, landelijke vastgestelde eis voor windhinder en windgevaar. Wel wordt voor de beoordeling veelal gebruik gemaakt van de NEN 8100. De NEN 8100 (norm voor windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving) geeft aan wanneer er aanleiding is om onderzoek te doen naar windhinder. Onderzoek naar windhinder en windgevaar is noodzakelijk bij een bouwhoogte van meer dan 30 meter. Binnen het bestemmingsplan is een hoogte toegestaan van maximaal ca. 50 meter. Op basis hiervan is onderzoek uitgevoerd naar windhinder en windgevaar. In het onderzoek uitgevoerd door Simstudio (bijlage 9) is na een analyse van de omgeving, weerdata en windprofiel modelmatig is geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen windhinder en windgevaar veroorzaken.

5.5

Bezonningsstudie

Bij het aspect bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Streven hierbij is dat de schaduwwerking op woningbouw niet te veel toeneemt. Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. Wegens het ontbreken van een officiële bezonningsnorm is de bezonning van woonkamers getoetst aan de criteria van de lichte TNO-norm. Zie bijlage 10. In de richtlijnen worden eisen gesteld aan de bezonningsduur van woningen. Er kan zowel een ‘lichte norm’ als een ‘strenge norm’ worden gehanteerd. In dit geval wordt het plan getoetst aan de lichte norm. De lichte TNO-norm betekent dat voldaan moet worden aan ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van een raam. De mogelijke bezonningsduur is de tijd dat de betreffende gevel wordt beschenen door de zon op een onbewolkte dag. De mogelijke bezonningsduur is afhankelijk van de oriëntatie en de datum. Bij toetsing aan de norm is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt.

De normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen; de noordgevels ontvangen immers nooit direct zonlicht. Uit de bezonningsstudie volgt dat wordt voldaan aan het bepaalde in de lichte TNO-norm. Deze norm wordt ruimschoots behaald.

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld) 53

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planopzet

Algemeen

Type bestemmingsplan De Wro en het Bro maken het mogelijk een bestemmingsplan op verschillende manieren vorm te geven. Grofweg kan gekozen worden uit de volgende planvormen: a. een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan. Een dergelijk plan legt het beoogde gebruik van gronden en opstallen en de bebouwingsmogelijkheden van de in het plan opgenomen gronden gedetailleerd vast. De methodiek wordt wel ingezet om bestaande situaties te conserveren, maar wordt ook gebruikt om beoogde nieuwe ontwikkelingen nauwgezet te sturen; b. een globaal bestemmingsplan dat nader moet worden uitgewerkt. In een dergelijk bestemmingsplan worden een of meerdere bestemmingen opgenomen, die later moeten worden uitgewerkt. Wordt veelal toegepast in gevallen waar de ontwikkeling van een gebied op hoofdlijnen bekend is, maar waar de concrete invulling nog moet volgen; c. Een globaal eindplan. In deze planvorm wordt het ruimtelijk en functioneel streefbeeld in globale zin vastgelegd; d. Een mix van bovenstaande planvormen afhankelijk van de specifieke problemen. Naast dit onderscheid, dat is gebaseerd op de techniek van bestemmen, wordt verschil gemaakt tussen ontwikkelingsgerichte en beheergerichte bestemmingsplannen. Bij de keuze voor een bepaalde systematiek van bestemmingsregeling speelt een rol wat met het plan wordt beoogd: beheren of ontwikkelen.

Daarnaast speelt een rol of er in een gebied sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan "Centrumkwadraat - Stationsplein 5" is gekozen voor een traditioneel gedetailleerd bestemmingsplan, omdat de toekomstige situatie bekend is en de verbeelding en regels hier op zijn afgestemd.

Wijze van bestemmen Het uitgangspunt van een bestemmingsplan is om een passende bestemming toe te kennen aan de gronden in het plangebied. De bestemming bepaalt welke gebruiksdoelen of functies op grond van een goede ruimtelijke ordening zijn toegestaan. Bij de keuze voor een bepaalde bestemming is de (gewenste) hoofdfunctie doorslaggevend. Als het ruimtelijk relevant is of als een bepaalde functie de omgeving beïnvloedt of daar eisen aan stelt, wordt gekozen voor een specifieke bestemming met eigen regels bouwen en gebruik. Het is mogelijk om binnen de hoofdgroepen bestemmingen specifieker te maken door bijvoorbeeld ondergeschikte functies in de bestemmingsomschrijving op te nemen. Voor bijzondere ondergeschikte functies, die niet onder de algemene bestemmingsomschrijving vallen en niet conflicteren met de bestemming, wordt gekozen voor een afzonderlijke functieaanduiding. In paragraaf 6.3 van deze plantoelichting wordt nader inhoudelijk ingegaan op de wijze van bestemmen waarvoor in het bestemmingsplan "Centrumkwadraat - Stationsplein 5" is gekozen.

6.2

Indeling planregels

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende verbeelding waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De regels en de verbeelding dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: a. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels; b. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels; c. Hoofdstuk 3 - Algemene regels; d. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan

54 )

bestemmingsplan Centrumkwadraat - Stationsplein 5 (vastgesteld

“Centrumkwadraat - Stationsplein 5”. In Artikel 1, Begrippen, zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee wordt een eenduidige interpretatie van de begrippen vastgelegd. Artikel 2, Wijze van meten, geeft bepalingen hoe onder meer de hoogtes van gebouwen en de inhoud van gebouwen gemeten moeten worden en hoe bepaalde eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=enschede&id=9ee20f14-9d14-467e-9ed2-bac5380234ed