B5. Nota Samenvatting en beantwoording zienswijzen
Tekst van het document
1.33 b
1.33c
Uit de ecologische onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen volgt dat aan de eisen uit de Wet natuurbescherming wordt voldaan. De verplichtingen uit deze wet staan dus niet aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg. Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de bescherming van de natuurlijke waarden in de omgeving is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Op grond hiervan wordt de exploitatie in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, maar zijn daaraan wel specifieke voorwaarden verbonden die de ruimtelijke effecten van die exploitatie beperken.
Volgens indiener past de gekozen geluidszone niet bij de gronden die voor natuur bestemd zijn. Naar de mening van indiener worden deze gronden binnen de zone aan een te zware geluidbelasting blootgesteld. Daarmee is het bestemmingsplan inconsistent en wordt deze afweging onvoldoende gemotiveerd. Indiener neemt het standpunt in dat ook geluidcontouren moeten worden gehanteerd per decade van 40 dB tot de bronwaarde.
Uit de ecologische onderzoeken volgt dat de geluidsbelasting vanwege het gebruik van het evenemententerrein binnen de geluidszone geen afbreuk doet aan de bescherming van de flora en fauna in de omgeving. In die onderzoeken wordt geconcludeerd dat geen ontheffing nodig is van de Wet natuurbescherming. De aanname van indieners dat de gekozen geluidscontour niet past bij de aanwijzing van de omliggende gronden als natuur, wordt daarom niet gevolgd.
Indiener stelt dat geen rekening is gehouden met de definitie van ´breeding and rearing´. Indiener wijst er specifiek op dat de
Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
De geluidszone is gebaseerd op de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe de zone juridisch moet worden vormgegeven en in het bestemmingsplan moet worden vertaald. De bestemmingsplanregeling van de zone is nader genormeerd in het SVBP2012. Het bestemmingsplan voldoet aan deze voorschriften.
veldleeuwerik voor de instandhouding van de soort drie broedsels nodig heeft. 1.33 d
Volgens indiener is de geluidszone te ruim, waardoor de vestigingsdichtheid van vogels afneemt en de omliggende natuur onaantrekkelijk wordt als vestigingszone voor broedende vogels.
In de ecologische onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen, zijn de effecten van geluid op beschermde soorten onderzocht. De uitkomsten van het ecologisch onderzoek zijn vertaald in de planopzet en de planregels, alsmede in de functietoekenning aan de gronden binnen het plangebied.
1.33 e
Indiener neemt het standpunt in dat de natuurwaarden sterk worden geschaad door de geluidhinder op de 12 evenementendagen, hetgeen met name desastreus zou zijn tijdens het broedseizoen. Volgens indiener mag op basis van het ecologisch onderzoek niet worden geconcludeerd dat deze evenementen aanvaardbaar zijn, omdat zonder overtuigende onderbouwing een vergelijking wordt gemaakt met de emissie van geluid bij een TT-race in Assen, het begrip broedseizoen onjuist wordt gebruikt, het in opdracht van VTE tot stand is gekomen en geen literatuurverwijzingen bevat.
In planregel 3.4.1 is bepaald dat evenementdagen niet vallen in de periode van 15 maart tot 15 mei; en in de periode van 15 mei tot 1 juli niet meer dan twee van deze dagen vallen, met een beperking in de toegestane geluidbelasting.
1.33 f
Indiener neemt het standpunt in dat er geen rekening mee is gehouden dat als meer dan éénmaal een evenement als bedoeld in artikel 3.4.1 onder e van de planregels wordt georganiseerd in het broedseizoen, dit niet als een incidentele verstoring kan worden gekwalificeerd, zodat niet aan de eisen wordt
Volgens Sovon zijn er geen aanwijzingen dat incidentele geluidsbronnen van invloed zijn op het broedsucces en de populatieontwikkelingen van broedvogels. Als uitgangspunt neemt Sovon dat sprake is van een incidentele geluidsbron als maximaal 12 incidentele evenementdagen (als bedoeld in artikel 3.4.1 onder e van de regels van het ontwerp-bestemmingsplan) per jaar plaatsvinden en maximaal één evenementendag per maand in het broedseizoen van maart tot augustus. In het rapport ‘Natuurtoets
1.33 g
voldaan die in het Sovon-rapport zijn gesteld aan incidentele gevallen waarin een hogere geluidbelasting is toegestaan.
soortenbescherming voor 12 evenementdagen Evenementenlocatie Vliegveld Twenthe’ (kenmerk: R004-1250989JRE-kmi-V01), dat als bijlage 22 bij de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan is gevoegd, is aanvullend op het onderzoek van Sovon ingegaan op de effecten van de 12 incidentele evenementdagen zoals die in het bestemmingsplan worden toegestaan, dat wil zeggen met inachtneming van de voorwaarden die in art. 3.4.1 onder e van de bestemmingsplanregels zijn opgenomen. Hierbij is uitdrukkelijk rekening gehouden met de ergst denkbare situatie waarin alle 12 evenementdagen na 1 juli direct achter elkaar (en dus in één maand) plaatsvinden. In het rapport wordt geconcludeerd dat deze situatie sprake is van een tijdelijk effect dat niet leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming, zodat het niet nodig is om aanvullende maatregelen te treffen in aanvulling op de fasering van de twaalf incidentele evenementdagen die al in de regels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Indiener heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport gebreken of leemtes in kennis bevat, zodat bij de vaststelling van het bestemmingsplan in redelijkheid van dit rapport mag worden uitgegaan.
Indiener voert aan dat de bestemming ´Cultuur en ontspanning – Leisurepark´ in combinatie met de functieaanduiding ´specifieke vorm van cultuur en ontspanning – dassen´ onvoldoende bescherming bieden aan de das en de burchten in het plangebied. Indiener wijst er in dit verband op dat het bestemmingsplan toestaat dat op of in de onmiddellijke nabijheid van dassenburchten wordt gebouwd en dat aan de gronden waarop de burchten zich bevinden niet de bestemming ´Waarde – Ecologie´ is gegeven.
In het ontwerp-bestemmingsplan was ter plaatse van de dassenburchten inderdaad sprake van tamelijk ruime gebruiksmogelijkheden, waarmee de functionaliteit van de burchten niet zou zijn gewaarborgd. In het definitieve plan is er daarom voor gekozen om de gebruiksmogelijkheden ter bescherming van de burchten verder te beperken. Dit is gebeurd door een planregel op te nemen die aantasting van de dassenburcht door verharding en activiteiten beschouwd als strijdig gebruik Op de vermeende inbreuk op de functionaliteit van de burchten vanwege de activiteiten op de daaromheen liggende gronden wordt nader ingegaan in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht. Van een dergelijke inbreuk is geen
Artikel 3.4.2 sub e wijzigen door het gebruiken van de gronden die zijn aangewezen met de functieaanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning – dassen” voor evenementen, leisure, het plaatsen van tijdelijke en/of permanente
sprake.
1.33 h
Bovendien is het bestemmingsplan niet in overeenstemming met het kennisdocument Dassen van Bij12.
Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
1.33 i
Volgens indiener had bij de voorbereiding van het bestemmingsplan een ontheffing moeten worden aangevraagd van de Wet natuurbescherming.
Het standpunt van indiener is onjuist. De bescherming van de das is geregeld in de Wet natuurbescherming en speelt in beginsel dus geen rol. Dat neemt niet weg dat de raad het bestemmingsplan niet mag vaststellen als op voorhand duidelijk is dat er een ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist en dat die ontheffing niet kan worden verleend. Voor de ontwikkeling van het plangebied tot evenemententerrein is het echter niet nodig om een ontheffing aan te vragen van de Wet natuurbescherming, mits bij het gebruik van het evenemententerrein passende maatregelen worden genomen om de aanwezige dassenburchten te beschermen. Dit volgt uit de uitgebreide ecologische onderzoeken die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn verricht. In die onderzoeken is ook aangegeven welke maatregelen getroffen moeten worden om te voorkomen dat in strijd wordt gehandeld met de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de zienswijze is in het bestemmingsplan een bepaling toegevoegd dat de bescherming van de dassenburcht beschermt bij het houden van evenementen en leisure alsmede het voorkomen van de aanleg van verhardingen.
bouwwerken, het aanbrengen van verhardingen, alsmede het kappen/rooien van bomen en struweel aan te merken als verboden gebruik.
Artikel 3.4.2 sub e wijzigen door het gebruiken van de gronden die zijn aangewezen met de functieaanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning – dassen” voor evenementen, leisure, het plaatsen van tijdelijke en/of permanente bouwwerken, het aanbrengen van verhardingen, alsmede het kappen/rooien van bomen en struweel aan te merken als verboden
gebruik. 1.33 j
Indiener is van mening dat de maatregelen die volgens Tauw genomen kunnen worden om de burcht te beschermen (bijlage 41 bij de toelichting bij het bestemmingsplan) onvoldoende zijn en niet volstaan om te voldoen aan Bij12 of de Wet natuurbescherming te voldoen. Bovendien zijn de maatregelen nergens geborgd.
In het ontwerp van het bestemmingsplan was voor dit gebied inderdaad geen adequate beperking van de gebruiksmogelijkheden en de aanleg van verhardingen ter bescherming van een dassenburcht opgenomen.
1.34
Indiener wijst erop dat de gebiedsaanduiding ´overige zone – cultuurhistorie´ een regeling is voor beeldbepalende gebouwen. In de gebieden met de dassenburchten staan geen gebouwen. De aanduiding is daarom overbodig, aldus indiener.
De gebiedsaanduiding ´overige zone – cultuurhistorie is aan een groot deel van het plangebied toegekend. Dit biedt de mogelijkheid om beeldbepalende gebouwen aan te wijzen die op grond van de bestemmingsregels bescherming genieten, hetgeen is gebeurd in bijlage 2 bij de planregels. De constatering dat deze bescherming niet relevant is voor de specifieke locatie waar de dassenburcht zich bevindt is juist, maar de aanduiding gaat evenmin ten koste van de instandhouding van die burcht.
Artikel 3.4.2 sub e wijzigen door het gebruiken van de gronden die zijn aangewezen met de functieaanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning – dassen” voor evenementen, leisure, het plaatsen van tijdelijke en/of permanente bouwwerken, het aanbrengen van verhardingen, alsmede het kappen/rooien van bomen en struweel aan te merken als verboden gebruik.
1.35
Indiener stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van het bestemmingsplan voor de vleermuis en andere soorten niet zijn na te gaan en dat de maatregelen die ter bescherming van de vleermuizen getroffen moeten worden, niet zijn gewaarborgd.
Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht. Op https://www.enschede.nl/noord/plannen-projecten-noord/technologybase zijn onder kopje ´ecologie´ alle oude onderzoeken te vinden. Deze link is ook in de publicatie opgenomen.
Gezien de recente ingrepen in het gebied kan het onderzoek van Landschap Overijssel uit 2015 volgens indiener geen onderlegger zijn voor de effectbepaling. Indiener meent dat het onderzoek van Bionet niet als ecologische onderbouwing van het bestemmingsplan kan worden gebruikt, omdat het slechts tot doel had om de effecten van het Airforcefestival 2017 te meten en niet (geheel) voldoet aan het vleermuisprotocol. Het rapport van Tauw dat ingaat op de huidige stand van de vleermuizen is volgens indiener niet te verifiëren, omdat dit is gebaseerd op een niet bijgevoegd en niet gepubliceerd onderzoek. 1.36
Indiener voert aan dat de maatregelen die ter voorkoming van verstoring van de oehoe getroffen moeten worden, niet gewaarborgd zijn.
De ecologische onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen, laten zien dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Dit betekent dat de gebruiksmogelijkheden uit het bestemmingsplan kunnen worden benut, zonder dat de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming daaraan in de weg staan. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan is dat voldoende, omdat de bescherming van flora en fauna, waaronder de oehoe, is neergelegd
in de Wet natuurbescherming en de daarop gebaseerde regelgeving. De maatregelen die getroffen moeten worden met het oog op de flora en fauna in en rondom het evenemententerrein worden opgesomd op pagina 73 e.v. van de toelichting bij het ontwerp-bestemmingsplan. Zonder deze maatregelen moet een ontheffing worden aangevraagd van de Wet natuurbescherming en mogen de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet worden benut voordat de ontheffing is verleend en in werking is getreden. 1.37
Indiener stelt dat het onduidelijk is of het maximum van 50.000 m2 aan bebouwing is gekoppeld aan het totale plan, aan het bestemmingsvlak of aan het bouwvlak. Indiener stelt dat onduidelijk is of de toegestane 11.000 m2 aan nieuwbouw kan worden gerealiseerd zonder het maximum van 50.000 m2 aan bebouwing te overschrijden.
1.38
Indiener verzoekt op een verbod op nieuwbouw/ uitbreiding van bebouwing in het gebied met munitiecomplex.
In de bouwregels van de bestemming ´Cultuur en ontspanning – Leisurepark´ is bepaald dat het maximumoppervlak van 50.000 m2 bvo voor gebouwen, niet zijnde tijdelijke toegestane bouwwerken voor een evenement, niet mag worden overschreden. Hieruit volgt dat het maximum is verbonden aan het totaal van gebieden waaraan de bestemming is toegekend. Van de vermeende onduidelijkheid is geen sprake. Het maximum aantal van 50.000 m2 bvo biedt voldoende ruimte om 11.000 m2 aan nieuwbouw te realiseren. In het ontwerp van het bestemmingsplan was voor dit gebied inderdaad geen adequate beperking van de bouwmogelijkheden opgenomen. In het vastgestelde bestemmingsplan is hierin alsnog voorzien. In de vastgestelde planregeling is bepaald dat de brutovloeroppervlakte op deze gronden niet mag toenemen ten opzichte van de bestaande situatie.
Voor de bunkerstrip wordt op de verbeelding de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bunkerstrip’ opgenomen. Aan de regels van het bestemmingsplan wordt de volgende bepaling toegevoegd.
Artikel 3.2, sub a, onderdeel 4: a. Het maximum bebouwingsoppervlak van 50.000 m2 bvo voor gebouwen, niet zijnde tijdelijke toegestane bouwwerken voor een evenement, mag niet worden overschreden, met dien verstande dat ter plaatse van: (…) 4. de 'specifieke bouwaanduiding bunkerstrip' uitsluitend de bestaande hoeveelheid bvo is toegestaan. 1.39
Indiener stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheid om tot op de grens van de bestemming Groen en het Natuur Netwerk Nederland te bouwen ongewenst is en menen dat een bufferzone moet worden aangehouden.
Bebouwing die de grens van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) niet overschrijdt, gaat niet ten koste van de natuurlijke waarden en kenmerken die met de aanwijzing als NNN worden beschermd. Het beschermingsregime van NNN heeft geen externe werking, in die zin dat het ook beperkingen stelt aan ontwikkelingen die buiten het NNN plaatsvinden. Het standpunt van indieners wordt daarom niet gevolgd. Het aanhouden van een bufferzone wordt niet
nodig geacht. 1.40 a
Volgens indiener is sprake van een toename van stikstofdepositie op een al overbelaste hexagoon in een Natura 2000-gebied. Er resteert na toepassing van externe saldering een overbelasting van 0,02 mol stikstofdepositie per hectare per jaar op het habitattype Zwakgebufferde vennen gelegen in een stukje Lonnekermeer. De provincie oordeelt dat deze permanente toename van 0,02 mol stikstofdepositie per hectare per jaar geen schade toebrengt aan de habitats waarvoor het Lonnekermeer is aangewezen. Indiener is van mening dat elke toename aan stikstofdepositie op een overbelaste hexagoon niet acceptabel is.
Ten onrechte wordt gesteld dat iedere toename onacceptabel is. In de passende beoordeling zijn de effecten van deze beperkte toename onderzocht en is geconcludeerd dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Wij hebben geen aanleiding om aan de verrichte ecologische onderbouwing te twijfelen en constateren dat indiener geen argumenten geeft waarom dat wel zou moeten.
1.40 b
Volgens indiener is Aerius niet doelgeschikt. Indiener verwijst hierbij naar het eindrapport d.d. 15 juni 2020 van de Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof (commissie Hordijk) waarin de commissie concludeert dat Aerius Calculator niet geschikt is voor berekeningen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarom bestaat redelijkerwijs twijfel dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor een Natura 2000-gebied, aldus indiener. De commissie Hordijk oordeelt in het eindrapport dat de berekeningen grote
In ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1760 (r.o. 10-10.1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat het door Indiener bedoelde eindrapport van de commissie Hordijk niet in de weg staat aan het gebruik van AERIUS Calculator in de besluitvorming. Dat sluit aan bij de reactie van de regering op het eindrapport (zie haar aanbiedingsbrief d.d. 15 juni 2020 (DGS/ 20163470) en de kabinetsbrief d.d. 13 oktober 2020 (BPZ/20257109)).
onzekerheden bevatten en gebaseerd zijn op beperkte informatie die de werkelijkheid niet kan benaderen. Indiener is van mening dat sprake is van schijnzekerheid. 1.40 c
Indiener wijst erop dat dient te worden voldaan aan de bodemeis uit artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn.
Uit de uitgevoerde geactualiseerde passende beoordeling (bijlage 38 van de toelichting) volgt dat de aan de orde zijnde besluitvorming niet zal leiden tot significante effecten. Artikel 6 Habitatrichtlijn (dan wel de Wet natuurbescherming waarmee onder meer dit artikel is geïmplementeerd) verzet zich dan ook niet tegen de vaststelling van het bestemmingsplan.
1.40 d
Indiener is van mening dat bij de stikstofberekeningen niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Op basis van het bestemmingsplan kunnen bijvoorbeeld met een veelheid aan voertuigen gereden worden buiten de 100 uur motoren, 200 uren auto’s en 100 uur vrachtwagens. Dit strookt niet met de te lage emissie invoer op de invoerpunten 19 en 20 van de activiteiten op de Strip en Oostkamp, aldus indiener.
In de uitgevoerde geactualiseerde passende beoordeling (bijlage 38 van de toelichting) is uitgegaan van de mogelijkheden zoals het bestemmingsplan die biedt. Wat betreft evenementen is de inzet van voertuigen met verbrandingsmotoren alsnog expliciet in de planregels begrensd. Niet valt in te zien dat er sprake is van een te lage emissie-invoer op de invoerpunten 19 en 20 van de activiteiten op de Strip en Oostkamp. Daarbij zij nog opgemerkt dat in de stikstofberekeningen is uitgegaan van de Euro 4-emissienorm, dat wil zeggen dat rekening is gehouden met oudere typen voertuigen.
1.40 e
Volgens indiener is er geen emissiepunt opgenomen voor de activiteiten op de munitiebunkerstraat.
De zienswijze is feitelijk onjuist. Er is gerekend met emissies van verkeer ten behoeve van opslag en terreinonderhoud. Waarschijnlijk wordt met de zienswijze gedoeld op emissies als gevolg van evenementen met automotive. Dergelijke evenementen vinden niet plaats op de bunkerstrip. Dat volgt ook uit de berekeningen.
1.40
Er kan gereden worden tussen de Strip en
Er is gerekend met vlakbronnen. Deze vlakken liggen vrijwel tegen elkaar. Er
f
Oostkamp, hetgeen volgens indiener pleit voor de invoer van een nieuw emissievlak dat Oostkamp en De Strip omvat.
was en is geen valide reden voor het invoeren van een nieuw emissievlak.
1.40 g
Indiener heeft twijfels omtrent de toelaatbaarheid van extern salderen als mitigerende maatregel. Indiener stelt dat er niets verandert aan de uitstoot (als gevolg) van het evenemententerrein, zodat het in de ogen van indiener eerder een compenserende maatregel lijkt te zijn. Als gevolg is artikel 6 lid 4 van de Habitatrichtlijn volgens indiener aan de orde, zodat redenen van openbaar belang aangevoerd dienen te worden. Omdat dit niet heeft plaatsgevonden, had de natuurvergunning niet afgegeven mogen worden, aldus indiener.
Er wordt gesaldeerd op de plaatsen waar de effecten van de evenementenlocatie zich voordoen zodat blijkens bestendige jurisprudentie er sprake is van een mitigerende maatregel. Artikel 6 lid 4 Habitatrichtlijn is daarmee niet aan de orde.
1.40 h
Indiener betoogt dat de overheden aan moeten tonen dat erbij extern salderen echt ruimte is om al die bespaarde stikstofruimte direct weer uit te geven. Een beschouwing over de staat van instandhouding van het betreffende Natura2000-gebied (conform uitspraak Rechtbank Limburg – zaaknummer 18/2813, 19 mei 2021, r.o.14) mag bij extern salderen niet ontbreken.
Uit o.a. ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:105, volgt dat het gegeven dat een maatregel naar zijn aard ook geschikt is om ingezet te worden als instandhoudings- of passende maatregel, niet betekent dat deze maatregel niet als mitigerende maatregel kan worden ingezet. Daarbij is relevant dat de aan de orde zijnde mitigerende maatregel (pensionstalling paarden) niet is of zal worden voorzien als instandhoudings- of passende maatregelen om te voldoen aan de voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden geldende verplichtingen. Waar nodig zullen – in het kader van de Wet stikstofreductie en natuurherstel - andere maatregelen kunnen en worden getroffen.
1.41
Indiener is van mening dat evenementen met motoren die worden aangedreven door fossiele brandstoffen met uitstoot van broeikasgassen,
De overwegingen die hebben geleid tot het voorliggende bestemmingsplan en de daarin opgenomen gebruiksmogelijkheden zijn uitgebreid beschreven in de algemene inleiding van deze zienswijzennota. Ten aanzien van het
niet bij de tijdgeest passen en evenmin bij de ambitie dat Enschede in 2050 klimaatneutraal wil zijn. Volgens indiener is het bestemmingsplan strijdig met de Visie Energietransitie.
gemeentelijk beleid, kan daar het volgende aan worden toegevoegd. In het coalitieakkoord 2018-2022 “Trots, Lef, Bouwen, Kansrijk Enschede” is onder meer het doel geformuleerd om Enschede in 2050 klimaatneutraal te laten zijn. Het coalitieakkoord bestaat uit onderlinge afspraken tussen de regerende politieke partijen. Een coalitieakkoord heeft daarom geen juridisch kwalificatie, maar een politieke. De opgenomen doelen zijn leidend voor het op te stellen beleid. In de gemeente Enschede zijn, voor zover deze betrekking hebben op de klimaatdoelstellingen uit het coalitieakkoord, de beleidsstukken Transitie Warmte en de Energievisie in voorbereiding. Transitie Warmte De Transitievisie Warmte is nog een ontwerp. De beleidsregel heeft als doel om de bebouwde kom aardgasvrij te maken. De gronden van de luchthaven maken geen onderdeel uit van de visie. Energievisie In de visie wordt beschreven hoe de gemeente wil overschakelen van fossiele naar duurzame bronnen. De energievisie is nog niet vastgesteld. Er ligt dus geen gemeentelijk beleidskader waaraan het planvoornemen getoetst dient te worden. Desondanks maakt het bestemmingsplan naast het evenemententerrein o.a. water en groen als functies mogelijk. In het bestemmingsplan is ervoor gekozen om op veel plekken aan de randen de bestemming aan te passen naar Groen zodat een natuurlijke overgang is gewaarborgd.
Door middel van de bouwregels en cultuurhistorische aanduidingen in combinatie met de beleidsregel voor ruimtelijke kwaliteit is de groene kwaliteit gewaarborgd.
1.42
Volgens indiener bedreigt het bestemmingsplan
Ter beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar de
de gemeentelijke energietransitie, waarin als doel is gesteld om in 2030 70% van de gebruikte energie uit hernieuwbare bronnen te halen. Indiener merkt op dat het energieverbruik van VTE een aanzienlijke verzwaring van deze opgave is, mede doordat er geen enkele voorwaarde is gesteld aan de ondernemer om zijn energievraag uit hernieuwbare bronnen te halen.
beantwoording van de zienswijze onder nummer 1.41.
Conclusie: de zienswijze leidt tot aanpassing van het bestemmingsplan door: - Artikel 1.35 Leisure: een permanente commerciële en/of openbare activiteit op of in een permanente voorziening (…). - Artikel 1.41 Permanente voorziening: Een jaarrond aanwezige voorziening op een vaste locatie. - Artikel 3.4.1 onder f. Tijdens evenementen zijn activiteiten toegestaan waarbij gebruik wordt gemaakt van de volgende typen voertuigen met verbrandingsmotoren, met dien verstande dat voor die activiteiten per type voertuig het daarbij aangegeven maximale aantal uren per jaar geldt: motoren:100, personenwagens: 200, vrachtwagens: 100 - Artikel 3.4.2 sub e wijzigen door het gebruiken van de gronden die zijn aangewezen met de functieaanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning – dassen” voor evenementen, leisure, het plaatsen van tijdelijke en/of permanente bouwwerken, het aanbrengen van verhardingen, alsmede het kappen/rooien van bomen en struweel aan te merken als verboden gebruik. - Voor de bunkerstrip wordt op de verbeelding de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bunkerstrip’ opgenomen. Aan de regels van het bestemmingsplan wordt de volgende bepaling toegevoegd. Artikel 3.2, sub a, onderdeel 4: a.
Het maximum bebouwingsoppervlak van 50.000 m2 bvo voor gebouwen, niet zijnde tijdelijke toegestane bouwwerken voor een evenement, mag niet worden overschreden, met dien verstande dat ter plaatse van: (…) 4. de 'specifieke bouwaanduiding - bunkerstrip' uitsluitend de bestaande hoeveelheid bvo is toegestaan. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de omgevingsvergunning Milieu en het verkeersbesluit.
Nr. 2
2.1
Inhoud zienswijze Indiener meent dat de natuur in het bestemmingsplan ondergeschikt is aan de economie.
Gemeentelijke reactie Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de bescherming van de natuurlijke waarden in de omgeving is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in nieuwe natuur met een oppervlakte van circa 135 hectare, een evenemententerrein van circa 50 hectare en de bestaande radarinstallatie van defensie. Deze verhouding laat zien dat natuur in het bestemmingsplan geen ondergeschikt element is. Bovendien vervangt het evenemententerrein een vliegbasis en laat het geldende bestemmingsplan een zwaardere milieubelasting toe dan in het voorliggende plan mogelijk wordt maakt. Op grond hiervan wordt de exploitatie in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, maar zijn daaraan wel specifieke voorwaarden verbonden die de ruimtelijke effecten van die exploitatie beperken.
2.2
Indiener wijst erop dat het nieuwe bestemmingsplan is aangewezen als project in de zevende tranche van het Besluit uitvoering Chw als innovatief en duurzaam experiment waarvoor een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan worden vastgesteld. Daarbij zou ook werkgelegenheid worden bevorderd. Volgens indiener komen di aandachtspunten totaal niet tot uitdrukking bij het voorliggende
In de inleiding van deze Nota beantwoording zienswijzen is uitgebreid stilgestaan bij de participatie die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden. Het opnemen van een evenemententerrein biedt ruimte voor werkgelegenheid zowel direct voor Enschede als voor Twente als geheel. Er is in 2016 door het bureau Ecorys onderzoek gedaan naar de potentiële werkgelegenheidseffecten van de ontwikkeling. In de Ladderonderbouwing Evenementen en Leisure VTE-terrein Enschede, 20 april (bijlage 42 van de
Aanpassing
bestemmingsplan.
toelichting) is onderbouwd dat het evenemententerreinhet bestaande toeristisch-recreatieve aanbod aanvult. De ontwikkeling draagt bij aan de economische versterking en het vestigingsklimaat van Twente. In paragraaf 4.3.6 van de toelichting op het bestemmingsplan is beschreven hoe het aspect duurzaamheid in het plan is verwerkt.
2.3
Indiener verwijst naar de Energievisie.
In de Energievisie wordt beschreven hoe de gemeente wil overschakelen van fossiele naar duurzame bronnen. De energievisie is nog niet vastgesteld.
2.4
Indiener vindt dat de optie van evenementen met gebruik van fossiele brandstoffen niet past bij de tijdgeest en de ambitie dat Enschede in 2050 klimaatneutraal is en vraagt de Raad gebruik van voertuigen aangedreven met fossiele brandstoffen te verbieden of in ieder geval te beperken tot louter gebruik bij de 12 incidentele evenementen.
In het plan is rekening gehouden met de uitstoot van personenauto’s en overig verkeer, zoals vrachtauto’s. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit (bijlage 34 van de toelichting behorende bij het bestemmingsplan). Uit dit onderzoek blijkt dat de uitstoot van NO2 vanwege het gebruik van het evenemententerrein niet leidt tot overschrijdingen van de grenswaarden voor de jaargemiddelde en uurgemiddelde concentraties. Ook voor PM10 wordt de maximaal toegestane jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3 en de daggemiddelde grenswaarde niet overschreden. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 blijft tevens ruim onder de grenswaarde van 25 µg/m3. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit op basis van artikel 5.16 lid 1a van de Wet luchtkwaliteit. Het voorgaande neemt niet weg dat activiteiten waarbij met verbrandingsmotoren aangedreven voertuigen worden gebruikt (hierna: ´automotive-activiteiten´) in het bestemmingsplan aan specifieke
2.5
Indiener vindt het onacceptabel dat er geen maatregelen opgenomen zijn om de ondernemer te verplichten om te komen tot een reductie van zijn energieverbruik en of het energieverbruik te compenseren door het op locatie opwekken van hernieuwbare energie.
beperkingen zijn gebonden. - In de eerste plaats verbiedt het bestemmingsplan een permanente voorziening voor automotive- activiteiten. De (aangepaste) planregels merken een permanente voorziening immers aan als ´leisure´, terwijl een voorziening die is gericht op het gebruik van met verbrandingsmotoren aangedreven voertuigen in de definitie van ´leisure´ uitdrukkelijk wordt uitgesloten. - In de tweede plaats is in art. 3.4.2 onder a. van de planregels een verbod opgenomen voor het gebruik van quads, cross-motoren en karts met verbrandingsmotor voor recreatieve doeleinden anders dan tijdens de 12 evenementendagen als bedoeld onder 3.4.1 onder e. Deze bepaling verankert het amendement dat in 2018 door gemeenteraad van Enschede is aangenomen in de planregels. - In de derde plaats moet de geluidszone in acht worden genomen als automotive- activiteiten worden georganiseerd. - In de vierde plaats is het aantal uren dat voertuigen met verbrandingsmotoren bij activiteiten worden gebruikt met het oog op stikstofdepositie beperkt. Naar aanleiding van de zienswijzen is ervoor gekozen om het maximale aantal uren dat motoren, personenwagens en vrachtwagens bij activiteiten tijdens evenementen mogen worden gebruikt vast te leggen in de planregels. De Transitievisie Warmte is nog een ontwerp. De beleidsregel heeft als doel om de bebouwde kom aardgasvrij te maken.
De gronden van de luchthaven maken geen onderdeel uit van de visie. In de visie wordt beschreven hoe de gemeente wil overschakelen van fossiele naar duurzame bronnen. De energievisie is nog niet vastgesteld. Er ligt dus geen gemeentelijk beleidskader waaraan het planvoornemen getoetst dient te worden en dat aanleiding kan vormen om een reductie van energiegebruik voor te schrijven.
2.6
Indiener meent dat sprake is van een verkwanseling van de natuur door de in het bestemmingsplan geboden geluidsbelasting. Indiener verzoekt de raad om de geluidszone te verkleinen tot het niveau dat de natuur ook op dagen van de evenementen door de bewoners van Enschede en omgeving met plezier beleefd kan worden. Wandelen op wandelpaden nabijgelegen aan VTE mag niet verstoord kunnen worden door dramatisch geluidsoverlast.
Uit de ecologische onderzoeken die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn verricht, blijkt dat geen sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. De zienswijze maakt niet aannemelijk dat deze conclusie onjuist is. Zie hierover meer uitvoerig de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht. Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de beleving van de natuurlijke waarden in de omgeving is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Op grond hiervan wordt de exploitatie in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, maar zijn daaraan wel specifieke voorwaarden verbonden die de ruimtelijke effecten van die exploitatie beperken.
Conclusie: de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan en omgevingsvergunning Milieu en het verkeersbesluit. Nr. 3
3.1
Inhoud zienswijze Indiener wijst erop dat het bestemmingsplan mogelijkheden biedt voor allerlei activiteiten met verbrandingsmotoren. Volgens indiener heeft dit nadelige gevolgen, waaronder geluidsoverlast en CO2-uitstoot.
Gemeentelijke reactie Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de beleving van de natuurlijke waarden in de omgeving is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Op grond hiervan wordt de exploitatie in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, maar zijn daaraan wel specifieke voorwaarden verbonden die de ruimtelijke effecten van die exploitatie beperken.
Aanpassing -
Activiteiten waarbij met verbrandingsmotoren aangedreven voertuigen worden gebruikt (hierna: ´automotive-activiteiten´) in het bestemmingsplan aan specifieke beperkingen zijn gebonden. - In de eerste plaats verbiedt het bestemmingsplan een permanente voorziening voor automotive- activiteiten. De (aangepaste) planregels merken een permanente voorziening immers aan als ´leisure´, terwijl een voorziening die is gericht op het gebruik van met verbrandingsmotoren aangedreven voertuigen in de definitie van ´leisure´ uitdrukkelijk wordt uitgesloten. - In de tweede plaats is in art. 3.4.2 onder a. van de planregels een verbod opgenomen voor het gebruik van quads, cross-motoren en karts met verbrandingsmotor voor recreatieve doeleinden anders dan tijdens de 12 evenementendagen als bedoeld onder 3.4.1 onder e. Deze bepaling verankert het amendement dat in 2018 door gemeenteraad van Enschede is aangenomen in de planregels. - In de derde plaats moet de geluidszone in acht worden genomen als automotive- activiteiten worden georganiseerd. - In de vierde plaats is het aantal uren dat voertuigen met verbrandingsmotoren bij activiteiten worden gebruikt met het oog op stikstofdepositie beperkt.
Naar aanleiding van de zienswijzen is ervoor gekozen om het maximale aantal uren dat motoren, personenwagens en vrachtwagens bij activiteiten tijdens evenementen mogen worden gebruikt vast te leggen in de planregels. 3.2
Indiener stelt dat de voorgenomen aanleg van een middengeleider op de Oude Deventerweg problemen geeft voor agrarisch verkeer en vrachtwagens die gebruik moeten maken van
Vrachtverkeer zal - evenals het overig verkeer - naar het evenemententerrein worden geleid via de Oldenzaalsestraat en niet via de Weerseloseweg.
de ingang Deventerpoort komend vanaf de Vliegveldweg. Indiener verzoekt om een formele regeling naar de betrokken agrariërs.
De route via Greftenberghoekweg was tot enkele jaren geleden fysiek beperkt omdat die onderdeel was van de afgesloten militaire basis. De toen gebruikelijke route liep via de Oldenzaalsestraat. Naar aanleiding van de zienswijze zijn tot ieders tevredenheid specifieke terreinafspraken gemaakt tussen de grondeigenaar en indiener van de zienswijze, die kort gezegd inhouden dat indiener zijn agrarische percelen kan bereiken.
3.3
Indiener vraagt zich af hoe realistisch het is dat verkeer van en naar het evenemententerrein via de Oude Deventerweg zal lopen.
Doorrekeningen met het Regionaal Verkeersmodel Twente laten zien dat dit zal gebeuren. Een verkeersmodel is een vereenvoudiging van de werkelijkheid waarbij de belangrijkste wegen in het wegennetwerk zijn opgenomen. De effecten van voorgenomen maatregelen op het wegennetwerk kunnen daarmee vooraf goed beoordeeld worden.
3.4
Volgens indiener is de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer van de woningen aan de Oude Deventerweg maximaal, terwijl het verkeer van en naar de Deventerpoort daar niet in is meegenomen, aangezien deze buiten de plangrens van het nieuwe bestemmingsplan valt.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek verricht naar de veranderingen in de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de wegen buiten het plangebied die het gevolg zijn van de verkeersafwikkeling vanaf de evenementenlocatie. In lijn met de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegeverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ van het toenmalige Ministerie van VROM van 29 februari 1996 wordt een etmaalwaarde van ten hoogste 65 dB(A) aanvaardbaar geacht. Daarbij is rekening gehouden met de mogelijkheden om geluidgevoelige ruimten van de betrokken woningen door gevelmaatregelen voldoende te beschermen om een binnenwaarde van 35 dB(A) te waarborgen. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn neergelegd in het rapport van Peutz ‘Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie, akoestisch onderzoek verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder)’ met kenmerk E 1081-22RA-003 d.d. 18 augustus 2021. Dit rapport laat zien dat de
voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai van 50 dB(A)etmaalwaarde niet overschreden wordt in de reguliere bedrijfssituatie. Als evenementen gehouden worden waarbij grotere aantallen vervoersbewegingen plaatsvinden, dan kan dit wel het geval zijn. Met het oog op de gewenste binnenwaarde van 35 dB(A) zal de actuele geluidwering van de desbetreffende woningen worden onderzocht en zal, waar nodig, een isolatieaanbod worden gedaan. Voor de ontwikkeling van Deventerpoort bestaat nog geen planologische grondslag, zodat de gevolgen van die ontwikkeling niet bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan hoefden te worden betrokken. Bij de ruimtelijke besluitvorming over de ontwikkeling van Deventerpoort zullen de gevolgen daarvan worden bezien, waarbij – voor zover nodig ook de ruimtelijke effecten van de gebruiksmogelijkheden van het voorliggende bestemmingsplan in aanmerking genomen zullen worden. Dit neemt overigens niet weg dat ten aanzien van het verkeer wel degelijk rekening gehouden met de ontwikkeling van de Deventerpoort, waarbij op basis van kencijfers aannames zijn gedaan over de verkeersaantrekkende werking die dit terrein na de ontwikkeling zal hebben. 3.5
Indiener vreest voor een verdere toename van de geluidbelasting van de woningen langs de Oude Deventerweg als de Deventerpoort is herontwikkeld en vraagt zich af waarom dit terrein niet in het bestemmingsplan is meegenomen.
Voor de herontwikkeling van het Bedrijventerrein Deventerpoort is nog geen planologische regeling vastgesteld, zodat die herontwikkeling momenteel nog niet kan plaatsvinden. Als hiervoor een ruimtelijk besluit in procedure wordt gebracht, dan moeten de gevolgen van de daarin voorziene ruimtelijke ontwikkelingen worden onderzocht en afgewogen, waarbij in lijn met de geldende wet- en regelgeving ook de ruimtelijke effecten van het voorliggende bestemmingsplan betrokken zullen worden. Ten aanzien van het verkeer is al wel rekening gehouden met de ontwikkeling van de Deventerpoort, waarbij op basis van kencijfers aannames zijn gedaan over de verkeersaantrekkende werking die dit
terrein na de ontwikkeling zal hebben. 3.6
Indiener is van mening dat het ontwerpbestemmingsplan meer mogelijkheden biedt dan het vernietigde bestemmingsplan uit 2018. Naast de 12 incidentele evenementen kan er jaarrond evenementen plaatsvinden met grote aantallen (onbeperkt aantal) bezoekers.
In de planregels is het aantal bezoekers – evenals in het bestemmingsplan uit 2018 - gelimiteerd tot 500.000 bezoekers per jaar. Er is geen beperking qua bezoekersaantallen per evenement. Datzelfde gold voor het bestemmingsplan uit 2018.
3.7
Indiener voert aan dat gedurende het gehele De organisatie van automotive-activiteiten is in het bestemmingsplan aan jaar er op dagelijkse basis op het terrein specifieke beperkingen gebonden. Verwezen wordt naar de gereden kan worden met verbrandingsmotoren, beantwoording van de zienswijze onder randnummer 3.1. waaronder sprinten, driften, recreatieve testritten etc.
3.8
Indiener stelt zich op het standpunt dat het onderscheid tussen leisure en evenementen vaag is. Volgens indiener kan alles een evenement worden genoemd.
Naar aanleiding van de zienswijzen is ervoor gekozen om het begrip ´leisure´ aan te passen om het onderscheid met evenementen te verduidelijken. Dit wordt nader toegelicht in de beantwoording van de zienswijze onder randnummer 1.10.
3.9
Indiener meent dat erin de planregels een definitie moet worden opgenomen om te verduidelijken wat een regulier evenement is en wat een incidenteel evenement is.
Uit de gebruiksregels van het bestemmingsplan (art. 3.4.1) wordt duidelijk wanneer er sprake is van een regulier evenement en wanneer deze onderdeel uitmaakt van de 12 incidentele dagen. Het onderscheid houdt verband met de geluidszone, die in het geval van een incidenteel evenement overschreden mag worden.
3.10
Indiener wijst erop dat de geluidszone een gemiddeld toegestaan geluid over de dag voorschrijft, waarbij de geluidszone tot ver buiten het evenemententerrein ligt. Als gevolg
Bij alle woningen in de omgeving wordt voldaan aan de zogenaamde voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder van 50 dB(A). De waarde van 50 dB(A) komt overigens overeen met de standaardwaarde (op de gevel van een woning) van het Activiteitenbesluit die voor de meeste
maakt indiener zich zorgen over de geluidsoverlast.
inrichtingen geldt. Een dergelijke waarde is daarmee als algemeen geaccepteerd en zeker niet als een ‘onacceptabele belasting op de omgeving’ mede omdat deze waarde geldt op de zone en die ligt in deze situatie niet op de gevel van woningen.
Volgens indiener is de geluidszone groter dan wat op basis van een maximale milieucategorie 4.2 verwacht zou worden. Indiener neemt daarom aan dat in de toekomst evenementen met een hogere milieucategorie gefaciliteerd gaan worden.
In de regels van het bestemmingsplan zijn specifieke beperkingen gesteld aan de organisatie van evenementen op het terrein. Die beperkingen zijn bepalend voor het type evenementen dat mag plaatsvinden en niet de milieucategorie.
3.12
Indiener wijst erop dat op grond van nieuwe Europese regelgeving voor terreinen met een geluidszone de toegestane geluidbelasting per dag zal wijzigen naareen maximale geluidbelasint per jaar. De 50 db(A)-contour wordt dan automatisch vervangen voor Lden. Indiener meent dat hiervan de consequentie voor de omgeving kan zijn dat in de zomer de geluidsbelasting vele malen hoger is en in de wintermaanden rustiger is. Indiener vraagt zich af wat deze regelgeving voor omwonenden betekent.
De overgang naar Lden zal plaatsvinden onder de Omgevingswet. De Omgevingswet en de daarbij behorende amvb’s zijn nog niet in werking getreden. Bestuursorganen nemen besluiten op basis van het vigerende wettelijk kader.
3.13
Indiener vreest dat het evenemententerrein de rust in de natuurgebieden zal verstoren.
Uit de ecologische onderzoeken die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn verricht, blijkt dat geen sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. De
3.11
Overigens volgt uit artikel 3.1 van de planregels dat activiteiten in een milieucategorie hoger dan 4.2 niet zijn toegestaan, onafhankelijk van de grootte van de geluidszone.
zienswijze maakt niet aannemelijk dat deze conclusie onjuist is. Zie hierover meer uitvoerig de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht. 3.14
Volgens indiener vormt het bestemmingsplan geen beperking van het aantal dagen per jaar en het aantal uren per dag dat er met verbrandingsmotoren voor recreatieve doeleinden wordt gereden. Sprinten en driften zou naar mening van indiener van de zienswijze alleen mogelijk moeten zijn met elektrische motoren.
De organisatie van automotive-activiteiten is in het bestemmingsplan aan specifieke beperkingen gebonden. Verwezen wordt naar de beantwoording van de zienswijze onder nummer 3.1.
3.15
Indiener is van mening voor reguliere evenementen eindtijden moeten worden voorgeschreven in de bestemmingsplanregels. Deze zouden gelijk moeten zijn aan de 12 incidentele evenementen.
Aan de organisatie van evenementen zijn in het bestemmingsplan specifieke beperkingen en randvoorwaarden verbonden, zodat het niet noodzakelijk is om eindtijden voor te schrijven.
3.16
Indiener wijst erop dat naast de reguliere evenementen er op het evenemententerrein 12 dagen per jaar evenementen mogen worden gehouden waarbij geen beperking vanuit de geluidszone geldt.
De 12 incidentele evenementdagen bieden geluidsruimte om de 50 dB(A) die als gevolg van de geluidszone opgelegd is, te overschrijden. De geluidsbelasting is echter niet ongelimiteerd. In artikel 3.4.1 onder e van de planregels is een tabel opgenomen waaruit volgt wat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is.
3.17
Indiener vindt het ongewenst dat er gedurende het gehele voorjaar en zomer ieder weekend met een van de 12 evenementendagen geconfronteerd te worden.
Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de beleving van de natuurlijke waarden in de omgeving is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Op grond hiervan wordt de exploitatie in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, maar zijn daaraan wel specifieke
voorwaarden verbonden die de ruimtelijke effecten van die exploitatie beperken. 3.18
Indiener vindt het ongewenst dat het afsteken van vuurwerk mogelijk wordt gemaakt, omdat dit gepaard gaat met een hoge geluidsbelasting.
In de planregels is het gebruik van vuurwerk uitsluitend toegestaan tijdens de 12 evenementdagen (incidentele bedrijfssituatie). Gedurende deze dagen zijn hogere geluidsniveaus toegestaan. Om deze reden is het vuurwerk ook alleen op deze dagen toegestaan. De effecten van vuurwerk op beschermde soorten zijn onderzocht in het rapport ‘Effecten van de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente op beschermde soorten’ d.d. 2 februari 2018 en het rapport ‘Natuurtoets soortenbescherming voor 12 evenementdagen Evenementenlocatie Vliegveld Twenthe Toetsing van de effecten van 12 evenementdagen naast het regulier gebruik ten behoeve van het bestemmingsplan’ d.d. 2 februari 2018, en nader beschouwd in het rapport ‘Actualisatie natuuronderzoeken Vliegveld Twenthe Evenementenlocatie’ van 28 april 2021. Daarnaast zijn monitoringsgegevens gebruikt die inzicht geven in het gedrag van beschermde soorten tijdens het afsteken van vuurwerk. Ter voorkoming van effecten op vogels en vleermuizen is vuurwerk in de periode van 15 maart tot 15 mei verboden. Buiten deze periode is het afsteken van vuurwerk maximaal 12 keer per jaar toegestaan gedurende maximaal 15 minuten per dag, en mag in de periode van 15 mei en 1 juli slechts op maximaal 2 dagen vuurwerk worden afgestoken.
Uit de rapporten volgt dat negatieve effecten door vuurwerk op beschermde soorten door het incidentele karakter kunnen worden uitgesloten.
3.19
Volgens indiener wordt de groene omgeving (bos/bomen/beplanting) in het bestemmingsplan ten onrechte niet beschermd. De beleidsnota Ruimtelijke kwaliteit gaat niet
De te beschermen natuurlijke en cultuurhistorische waarden binnen het evenemententerrein worden met dit bestemmingsplan planologisch beschermd.
over landschap, maar over asfalt en bebouwing. Conclusie: de zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan en omgevingsvergunning Milieu en het verkeersbesluit. Nr. 4 Inhoud zienswijze Indiener wijst op onderzoek waaruit blijkt dat de populatie van de das sinds 2015 in Twente sinds 2015 niet is gegroeid. Hierbij speelt volgens indiener onder andere het verlies aan woon- en leefgebieden een rol. De burchten die in het plangebied aanwezig zijn, zijn daarmee van bijzondere betekenis.
Gemeentelijke reactie Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
Aanpassing
4.1
Volgens indiener bedreigt de voorgenomen inrichting van het plangebied de ecologische functionaliteit van de burchten en daarmee de aanwezigheid van de das. Indiener stelt dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de landelijke richtlijnen die zijn opgenomen in het ´Kennisdocument Das´.
Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
-
4.2
Indiener is van mening dat op grond van de Wet natuurbescherming een verbod geldt op verstoring van de das.
Het standpunt van indiener is onjuist. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt uitsluitend een verbod op het opzettelijk doden of vangen van dassen en op het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (zie resp. art. 3.10 lid 1 onder a en onder b Wnb).
4.0
4.3
Indiener wijst erop dat ter plaatse van de dassenburchten de bestemming Leisurepark geldt waar milieucategorie 3.1 en 4.2 is toegestaan. Volgens indiener mag binnen deze bestemming veel geluid worden geproduceerd met hoge geluidspieken op dagelijkse basis ten behoeve van leisure en evenementen met 500.000 bezoekers.
In het ontwerp-bestemmingsplan was ter plaatse van de dassenburchten inderdaad sprake van tamelijk ruime gebruiksmogelijkheden, waarmee de functionaliteit van de burchten niet zou zijn gewaarborgd. In het definitieve plan is er daarom voor gekozen om de gebruiksmogelijkheden ter bescherming van de burchten verder te beperken. Dit is gebeurd door een bepaling op te nemen in de regels van het bestemmingsplan dat voorkomt dat er evenementen kunnen worden gehouden en verhardingen kunnen worden aangelegd. Op de vermeende inbreuk op de functionaliteit van de burchten vanwege de activiteiten op de daaromheen liggende gronden wordt nader ingegaan in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
4.4
Indiener neemt het standpunt in dat de verkeersafwikkeling via de Oldenzaalsestraat en de Oude Deventerweg een extra barrière zal vormen voor de das om voedselterreinen te bereken.
Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
4.5
Volgens indiener is onvoldoende rekening gehouden met de verstoring van de das door geluidbelasting. Uit recent onderzoek is gebleken dat geluiden tot een chronisch hoger stressniveau leiden bij dassen, waarbij geen gewenning optreedt, aldus indiener.
Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
Artikel 3.4.2 sub e wijzigen door het gebruiken van de gronden die zijn aangewezen met de functieaanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning – dassen” voor evenementen, leisure, het plaatsen van tijdelijke en/of permanente bouwwerken, het aanbrengen van verhardingen, alsmede het kappen/rooien van bomen en struweel aan te merken als verboden gebruik.
4.6
Indiener signaleert een risico voor de das als gevolg van afvalstoffen, met inbegrip van zwerfafval en chemische stoffen, die schadelijk zijn voor marterachtigen, waaronder de das.
Deze zienswijze wordt beantwoord in de notitie van Tauw van 8 september 2021, die als bijlage aan deze Nota van beantwoording zienswijzen is gehecht.
4.7
Indiener heeft twijfels bij de benodigde specialistische expertise en onafhankelijkheid van de adviseurs die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn ingeschakeld.
De ecologische onderzoeken zijn verricht door onafhankelijke bureaus die daarvoor ter zake deskundige personen hebben ingeschakeld. De raad heeft de onderzoeksrapporten beoordeeld en stelt zich op het standpunt dat deze zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Indiener maakt niet aannemelijk dat de onderzoeken niet onafhankelijk zijn verricht.
4.6
Indiener neemt het standpunt in dat in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan een ontheffing had moeten worden aangevraagd van de Wet natuurbescherming.
Het standpunt van indiener is onjuist De bescherming van de das is geregeld in de Wet natuurbescherming en speelt in beginsel dus geen rol. Dat neemt niet weg dat de raad het bestemmingsplan niet mag vaststellen als op voorhand duidelijk is dat er een ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist en dat die ontheffing niet kan worden verleend. Voor de ontwikkeling van het plangebied tot evenemententerrein is het echter niet nodig om een ontheffing aan te vragen van de Wet natuurbescherming, mits bij het gebruik van het evenemententerrein passende maatregelen worden genomen om de aanwezige dassenburchten te beschermen. Dit volgt uit de uitgebreide ecologische onderzoeken die bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn verricht. In die onderzoeken is ook aangegeven welke maatregelen getroffen moeten worden om te voorkomen dat in strijd wordt gehandeld met de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Indiener heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze onderzoeken gebreken of leemtes in kennis bevatten, zodat evenmin reden bestaat om aan te nemen dat de raad de vaststelling van het bestemmingsplan niet op die onderzoeken mag baseren.
4.7
Indiener spreekt haar ongerustheid uit over de omstandigheid dat het gebied van de Deventerpoort niet is meegenomen in het bestemmingsplan. Volgens indieners is dit in strijd met de uitgangspunten van de Commissie van Wijzen, die versnippering van de gebiedsontwikkeling wilde voorkomen.
Indiener is kennelijk van mening dat de begrenzing van het voorliggende bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat het bedrijventerrein Deventerpoort daarin niet is meegenomen. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Die beleidsruimte wordt beperkt door een goede ruimtelijke ordening, in die zin dat de begrenzing niet mag worden vastgesteld als daarmee strijd met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. De keuze om de Deventerpoort buiten de planbegrenzing te laten, brengt als zodanig geen risico met zich op ongewenste ruimtelijke effecten. Indiener heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke ongewenste effecten zich zouden voordoen. Daarom bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat in redelijkheid niet tot de huidige planbegrenzing kon worden gekomen. Voor de herontwikkeling van het Bedrijventerrein Deventerpoort is nog geen planologische regeling vastgesteld, zodat die herontwikkeling momenteel nog niet kan plaatsvinden. Als hiervoor een ruimtelijk besluit in procedure wordt gebracht, dan moeten de gevolgen van de daarin voorziene ruimtelijke ontwikkelingen worden onderzocht en afgewogen, waarbij in lijn met de geldende wet- en regelgeving ook de ruimtelijke effecten van het voorliggende bestemmingsplan betrokken zullen worden.
Er is daarom geen reden om te vrezen voor versnippering van de gebiedsontwikkeling.
4.8
Volgens indiender voldoet het bestemmingsplan evenmin aan de Sustainable Development Goals 12 (Verantwoorde
De Sustainable Development Goals zijn doelen van de Verenigde Naties (VN). Daargelaten dat deze doelen geen toetsingskader voor het bestemmingsplan zijn, heeft indiener niet duidelijk gemaakt hoe het
consumptie en productie) en 15 (Leven op het land) van de Verenigde Naties. (https://sdgs.un.org/goals)
voorliggende plan strijdig is met deze doelen. Het plan biedt ruimte voor ca. 124 ha aan nieuwe natuur. Weliswaar wordt ook voorzien in de realisatie van een evenemententerrein van circa 47 ha, maar daaraan ligt uitvoerig ecologisch onderzoek ten grondslag. Bovendien komt dat terrein in de plaats van het gebruik van het terrein als vliegveld, hetgeen op grond van het geldende bestemmingsplan is toegestaan.
Conclusie: de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan door: - Artikel 3.4.2 sub e wijzigen door het gebruiken van de gronden die zijn aangewezen met de functieaanduiding “specifieke vorm van cultuur en ontspanning – dassen” voor evenementen, leisure, het plaatsen van tijdelijke en/of permanente bouwwerken, het aanbrengen van verhardingen, alsmede het kappen/rooien van bomen en struweel aan te merken als verboden gebruik. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de omgevingsvergunning Milieu en het verkeersbesluit.
Nr. 5
5.1
Inhoud zienswijze Indiener van de zienswijze meent dat de ontwikkeling de wettelijke grenswaarden als referentiepunt neemt. Natuur wordt op basis van de Wet geluidshinder niet als een geluidsgevoelige functie beschouwd. Indiener betreurt dat de randen van de geluidsbelasting worden opgezocht en de zonering volgt op basis van de woningen die ver van het evenemententerrein liggen.
Gemeentelijke reactie Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de bescherming van de natuurlijke waarden in de omgeving is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Op grond hiervan wordt de exploitatie in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, maar zijn daaraan wel specifieke voorwaarden verbonden die de ruimtelijke effecten van die exploitatie beperken. De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding om dit standpunt te wijzigen en wordt voor kennisgeving aangenomen.
Aanpassing -
5.2
Indiener heeft een Nationaal Park als droom, waarbij Enschede als middelpunt fungeert en dat loopt van Haaksbergen tot noordoost Twente, waarin natuur, landschap, cultuurhistorie, recreatie en duurzame voedselproductie in samenhang met elkaar ontwikkeld worden en het ensemble van grote waarde is voor uw inwoners én een grote aantrekkingskracht heeft op bedrijven, bewoners en toeristen. In deze droom passen geen hardcore-festivals en racewedstrijden met verbrandingsmotoren.
De zienswijze van indiener wordt voor kennisgeving aangenomen.
5.3
Volgens indiener zou het bestemmingsplan een natuurinclusieve ontwikkeling moeten stimuleren.
De zienswijze van indiener wordt voor kennisgeving aangenomen.
5.4
Indiener betreurt dat de randen van het wettelijk toelaatbare worden opgezocht op basis van woningen die ver weg van het evenemententerrein liggen. Indiener vraagt om vanuit een maatschappelijke noodzaak om tot een evenwichtige ontwikkeling te komen met een omgevingsbelasting (licht, geluid, stikstof, verkeer) die rekening houdt met de kwetsbare omgeving.
Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin (onder meer) het belang om de kwetsbare omgeving te beschermen is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Om dat te kunnen doen is onderzoek verricht naar de relevante feiten en de af te wegen belangen. Dat onderzoek heeft ook betrekking op de aspecten die door indiener worden genoemd. De belangenafweging heeft geleid tot een bestemmingsplanregeling waarin beperkingen zijn verbonden aan het gebruik van het evenemententerrein. Met deze beperkingen wordt het gebruik in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening. De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding om dit standpunt te wijzigen.
5.5
Indiener van de zienswijze verzoekt om ’mega’-
Aan het bestemmingsplan ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin
evenementen met extreme omgevingsbelasting niet toe te staan.
het belang van de bescherming van de natuurlijke waarden in de omgeving is afgezet tegen het belang van de exploitatie van het evenemententerrein. Op grond hiervan wordt de exploitatie in overeenstemming geacht met een goede ruimtelijke ordening, maar zijn daaraan wel specifieke voorwaarden verbonden die de ruimtelijke effecten van die exploitatie beperken. De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding om dit standpunt te wijzigen