4_Energievisie_bijlage 3_vastgestelde versie.pdf
Tekst van het document
Windenergie In de periode 2020 – 2030 faciliteren van de bouw van 2 (á 3) grote windturbines (3 á 4 MW met een tiphoogte van 190 – 230 meter11) en de bouw van meerdere kleine (tot 25 meter) windturbines. Zonne-energie Het beoogde ruimtelijk beleid voor het opwekken van zonne-energie gaat uit van een aantal voorkeurlocaties voor het plaatsen van zonnepanelen in Enschede, deze bestaan uit: a. daken, parkeerterreinen en andere onbebouwde ruimtes in de bouwde kom; b. c.
d.
locaties langs de A35; grote wateroppervlakten, voor zover deze niet voor de scheepvaart worden benut, de instandhouding van soorten en habitattypen zich daartegen niet verzet en het gebruik voor het opwekken van zonne-energie geen overwegende bezwaren van recreatieve aard ontmoet; de Technology Base (bedrijventerrein vliegveldlocatie).
De voorkeur voor deze locaties sluit het gebruik van andere, in de groene ruimte gelegen locaties niet uit. Ook impliceert het noemen van deze voorkeurslocaties niet een
9
https://online.ibabs.eu/ibabsapi/publicdownload.aspx?site=enschede&id=f638a391-c2e0-4eb4-b0b3e00ae4240d7f 10 Het gaat daarbij om 8% bovenop de bestaande hoeveelheid duurzame energie die al geproduceerd wordt op het moment van het vaststellen van de Energievisie (verwachting mei 2021). Wat die hoeveelheid is, is nu nog niet bekend, de Klimaatmonitor heeft die gegeven pas later beschikbaar. Omdat nog niet bekend is waaruit het aandeel hernieuwbare energie op dit moment bestaat, is in het MER uitgegaan van de stand van zaken per 31 december 2018 van een hoeveelheid duurzame energie van 9,9% (bron: Klimaatmonitor, 2020). (In de periode 1 januari 2019 – begin 2021 zijn geen grote zonneparken of windturbines gerealiseerd, waardoor de kans klein is dat gecumuleerde hinder in het MER over het hoofd is gezien). 11
Dit is nu in de beschrijving van het VKA opgenomen. Opgemerkt kan worden dat in de periode tot 2030 mogelijk windturbines met een zwaardere generator (meer MW’s) en grotere rotor gangbaar kunnen worden. Daarbij zal een windturbine met een zwaardere generator niet leiden tot grotere milieueffecten maar een grotere rotor en tiphoogte (mogelijk) wel.
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
SAMENVATTING
volgtijdelijkheid. De voorkeur voor de benutting van onder a t/m d genoemde locaties zal tot uitdrukking komen in de vorm van stimuleringsmaatregelen. In het landelijk gebied lenen zich niet alle gronden even goed voor het opwekken van zonneenergie. In het Natuurnetwerk Nederland wordt de aanleg van zonnevelden uitgesloten. De beoordeling van initiatieven voor andere locaties vindt plaats aan de hand van de Waarderingskaart Buitengebied Enschede en de daaraan gekoppelde ontwikkelingsstrategieën. De aanleg van grote zonnevelden, c.q. de clustering van zonnevelden in gebieden met een basiskwaliteit wordt geprioriteerd. In de periode 2020 – 2030 richt de gemeente zich op de gebieden die hieronder met de kleur geel zijn geaccentueerd. Voorkeurslocatie grootschalige opwek zonne-energie (bron: gemeente Enschede, 2020)
Biomassa In de Energievisie houden we rekening met een beperkte toename van de productie van energie uit biomassa. Geothermie Geothermie draagt in de periode 2020 – 2030 niet bij aan de klimaatdoelstellingen van de gemeente. Verbeelding VKA met invulling van windturbines en zonnevelden Onderstaande figuur geeft een kaartbeeld met een voorbeeld van een mogelijke invulling van het VKA weer. In deze kaart zijn drie in plaats van twee windturbines aangegeven.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
SAMENVATTING
Figuur Voorbeeld invulling VKA (met drie windturbines in plaats van twee)
Samenvatting VKA Bovenstaande energiebronnen uit het VKA produceren gezamenlijk een bepaalde hoeveelheid duurzame energie. Onderstaande tabel vat dit samen en geeft tevens aan in welke mate de bronnen bijdragen aan het bereiken van de doelstelling van het VKA om minimaal 8% extra duurzame energie op te wekken in de periode 2020-2030 (uitgaande van 8% van 10,2 TJ totaal energieverbruik in 2030). Energieproductie en doelbereiking in 2030 met het VKA Energiebron
Aandeel / bijdrage aan doelbereiking
VKA
Benodigd voor ambitieniveau van 8% extra opwekking in 2030
816 TJ
100%
Productie vanuit zon op dak, zon op parkeerterreinen etc.
210 TJ
26%
Geothermie
0 TJ
0%
Biomassa
186 TJ
23%
Veldopstellingen Zon
328 TJ
40%
Windenergie
92 TJ
11%
Totaal
816 TJ
100%
Beoordeling van het voorkeursalternatief Effectbeoordeling van het VKA Ook het VKA is beoordeeld op de milieueffecten die optreden. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de beoordeling van het VKA en een vergelijking met de beoordeling van de
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
SAMENVATTING
alternatieven op basisniveau. Het basisniveau komt globaal overeen met de doelstelling van het VKA, al gaat het VKA uit van meer inzet van zon op dak en in het stedelijk gebied waardoor iets minder zonnevelden en windturbines nodig zijn om de doelstelling te bereiken. Tabel Samenvatting beoordeling alternatieven 1 tot en met 5 op Basisniveau en het VKA Alternatief 1 Natuur en landschap centraal
Alternatief 2 Netaansluiting centraal
Alternatief 3 Leefomgeving centraal
Alternatief 4 Landbouw centraal
Alternatief 5 Evenredige verdeling
VKA
Leefomgeving
-
--
0
-
0
-
Natuur
0
-
-
-
-
0
Landschap
-
---
---
---
--
--
Ruimtegebruik
-
-
-
0
-
-
Energieproductie
+
+
+
+
+
+
Netaansluiting
+
+++
0
0
--
+
Aspect
Ten aanzien van de verschillende aspecten in vergelijking met de alternatieven is het volgende op te merken: Leefomgeving De effecten op de leefomgeving scoren licht negatief. Alternatief 3 Leefomgeving centraal scoort hier beter en dat is niet verwonderlijk omdat dit alternatief specifiek gericht is op het minimaliseren van deze effecten. Door andere windturbinelocaties te kiezen (maar wel 5 in plaats van 2 (tot 3) windturbines) en de zonneparken extensief in het landschap te verspreiden wordt hier een lagere score bereikt. Alternatief 5 Evenredige verdeling heeft ook een betere score op dit aspect. Dit alternatief gaat op basisniveau uit van alleen zonnevelden, wat in sommige buurtschappen echter zal leiden tot een intensieve benutting van de beschikbare ruimte en leidt tot het niet kunnen aansluiten van een deel van de zonnevelden. Natuur en landschap Op het aspect landschap scoort alternatief 1 Natuur en landschap centraal beter, zoals te verwachten is omdat dit alternatief hierop gericht is. Door drie windturbines te kiezen die landschappelijk beter scoren (havengebied, Grolsch en Marssteden) en alleen de minst kwetsbare landschappen (basiskwaliteit in nieuwe veldontginningen) te benutten voor zonnevelden ontstaat deze score. Op dit aspect naderen het VKA en alternatief 1 elkaar wel heel dicht.
Het VKA scoort net als alternatief 1 ook neutraal op natuur omdat er op basis van de Beleidsregels zonne-energie veel aandacht is voor de inpassing van de zonnevelden door een maximum te stellen aan het gebied dat benut mag worden door de panelen en eisen te stellen aan verbetering van de biodiversiteit en vervaardigen van groene omzomingen. Ruimtegebruik Het VKA maakt net als de meeste andere alternatieven, behalve Alternatief 4 Landbouw centraal, gebruik van grote zonnevelden die landbouwgrond innemen. Dat verklaart met name de negatieve score op het aspect ruimtegebruik.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
SAMENVATTING
Energieproductie Hier scoren de alternatieven allemaal positief evenals het VKA dat voor wat betreft energieproductie op het zelfde niveau zit als het basisniveau dat elk van de alternatieven ook weet te realiseren. Netaansluiting Het VKA scoort positief omdat voor een groot deel rekening gehouden wordt met de netaansluitingsmogelijkheden. Alleen voor de cluster aan zonnevelden in het transformatiegebied is extra netcapaciteit te realiseren om de energieproductie ook aan te kunnen sluiten op het net en de energie af te voeren. Alleen Alternatief 2 Netaansluiting centraal scoort hier beter. Cumulatie In het VKA zijn er geen windturbines gepland in of nabij de gebieden waar zonnevelden worden geplaatst. Cumulatie van wind en zon treedt dan ook niet op. Cumulatie met andere ontwikkelingen zijn beschreven in de tabel in paragraaf 6.1.2. Mitigatie Vergelijkbare mitigerende maatregelen als beschreven bij de alternatieven zijn mogelijk om negatieve effecten in het VKA te verminderen. Het toepassen van de mitigerende maatregelen leidt niet tot een wijziging in de scores in beoordelingstabel.
LEEMTEN IN KENNIS EN EVALUATIE Kennisleemten Een aantal kennisleemten is geconstateerd bij het opstellen van het MER. -
-
-
Het betreft een planMER hetgeen betekent dat een brede scope en een globaal detailniveau is aangehouden, ook zijn vuistregels en expert judgement gebruikt bij de effectbepaling van onder meer zon- en windprojecten. Bij de voorbereiding van de realisatie van projecten zijn nadere studies, berekeningen en veldwerk nodig om een exacter beeld te verkrijgen van de effecten. Bij het bepalen van effecten is geen aandacht besteed aan kabeltracés en eventuele toegangswegen die aangelegd dienen te worden, noch zijn de milieueffecten van de eventuele uitbreiding van stations van Enexis onderzocht. Ook dit zal bij de concrete uitwerking nog in beeld gebracht dienen te worden. Ten aanzien van stikstofemissies en -depositie, is er vanuit gegaan dat het mogelijk is om aanlegtechnieken en -middelen toe te passen die ervoor zorgen dat dit geen obstakel zal gaan vormen. Nagegaan dient te worden voorafgaand aan de uitvoering van projecten of deze aanname juist is.
Evaluatieprogramma Het bevoegd gezag is verplicht een evaluatieprogramma op te stellen. Een dergelijk programma heeft als doel om de voorspelde effecten te kunnen vergelijken met de daadwerkelijk optredende effecten. De opzet voor een evaluatieprogramma kan gebaseerd worden op de hiervoor geconstateerde leemten in kennis.
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
SAMENVATTING
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
1
HOOFDRAPPORT PLAN-MER INLEIDING Aanleiding Energievisie Enschede De gemeente Enschede bereidt een Energievisie voor. In de Energievisie zal beleid voor de periode tot 2030 worden vastgelegd, met een doorkijkje naar de situatie in 2050. Het is de bedoeling deze Energievisie vast te stellen in de vorm van een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. De Energievisie zal richting geven aan de manier waarop de geformuleerde energiedoelen worden bereikt. De voorbereiding van de Energievisie wenst de gemeente te combineren met de procedure van een plan-milieueffectrapportage (plan-m.e.r.) zodat de milieugevolgen van de keuzes in de visie inzichtelijk zijn. Achtergrond van het energiebeleid van de gemeente Enschede De beweegredenen van de gemeente Enschede om de energietransitie in de gemeente te willen versnellen zijn divers. “We zullen moeten overschakelen op duurzame bronnen van energie, als we toekomstige generaties in staat willen stellen om de aarde op dezelfde manier te gebruiken als wij hebben gedaan en we voor onze energievoorziening niet afhankelijk willen zijn van instabiele regio’s. De energietransitie biedt volop kansen. Voor ons bedrijfsleven is er perspectief op werk. Er moeten zonnepanelen, windturbines, warmtepompen en vergistingsinstallaties worden geplaatst en Enschede telt nog veel te verduurzamen gebouwen.
Een verdienmodel is er ook voor onze kennisintensieve bedrijven, die met hun innovaties de energietransitie kunnen aanjagen.”, aldus de gemeente Enschede in de nota waarin de bevindingen van de publiekscampagne worden besproken1. De energietransitie vraagt om korte en meer lange termijn acties en maatregelen. Ook zal zowel op energiebesparing als op het duurzaam opwekken van energie ingezet dienen te worden. Beide kunnen leiden tot een versterking van de sociaal-economische structuur van Enschede. Energiebesparing draagt bij aan stabilisering van de energielasten. Wanneer inwoners financieel kunnen participeren in lokale energieprojecten vloeit het geld dat in deze regio aan energie wordt uitgegeven voor een deel terug naar de lokale gemeenschap. Voor het landelijk gebied geldt dat er een wens is om de ruimtelijke kwaliteit te bestendigen en waar mogelijk te verbeteren, maar dat daarvoor economische dragers nodig zijn. Energieprojecten kunnen in die zin van betekenis zijn.
Doelstelling MER In het coalitieakkoord 2018-2022 is het doel gesteld om de gemeente Enschede in 2050 klimaatneutraal te laten zijn. Duurzame energieopwekking is hiervoor noodzakelijk. Hiervoor liggen kansen in de opwekking via zon, wind, geothermie en biomassa. Deze energieopwekking vraagt om ruimtelijke keuzes. De plan-milieueffectrapportage (plan-m.e.r.2) brengt de milieugevolgen van een plan (in dit geval een structuurvisie: de Energievisie) in beeld voordat er
1 2
Enschede wekt op, Gemeente Enschede, 14 maart 2017 De m.e.r.: de procedure voor milieueffectrapportage; het MER: het milieueffectrapport
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
2
een besluit genomen wordt. Door de Raad3 is besloten dat aan de hand van het planmilieueffectrapport (planMER/MER4) een concreet doel wordt geformuleerd voor 2030. Het MER dient als hulpmiddel bij het opstellen van de Energievisie. In de Energievisie zal worden uitgewerkt hoe Enschede haar energiedoelstellingen kan verwezenlijken. De Energievisie gaat in op: •
Energiebesparing en uitfasering van het gebruik van aardgas;
•
Aanwijzing productielocaties voor duurzame energie;
•
Aanpak voor bevordering draagvlak;
•
Samenwerking op regionaal niveau;
•
innovaties rondom productie en opslag van duurzame energie.
De doelstelling van het MER kan als volgt samengevat worden: Informatie aanleveren op basis waarvan er een zorgvuldig afgewogen besluit kan worden genomen over: 14. de energiedoelstelling voor het jaar 2030; 15. de duurzame energiebronnen die daarvoor worden ingezet; 16. de omvang en spreiding van de duurzame energiebronnen; 17. de locaties waar de duurzame energiebronnen kunnen worden ingezet. Dit gebeurt in dit MER door alternatieven te ontwikkelen vanuit verschillende oogpunten (landschap/natuur, landbouw etc.) en de milieueffecten en het doelbereik van deze alternatieven in beeld te brengen.
Aanpak Om de informatie aan te leveren die van het MER gevraagd wordt voor het goed kunnen nemen van besluiten ten aanzien van de Energievisie wordt een stapsgewijze aanpak in het MER gehanteerd. Deze aanpak is in onderstaande figuur schematisch weergegeven. Achtereenvolgens worden de volgende stappen gezet (nummers verwijzen naar de blokken in het schema): 1. Allereerst wordt het huidige energieverbruik van de gemeente Enschede vastgesteld.
2.
3.
Daarna wordt het energieverbruik in 2030 bepaald aan de hand van een scenario van de ontwikkeling van energieverbruik en energiebesparing. Hiermee is het verwachte verbruik in 2030 bepaald. Vervolgens wordt vastgesteld welke doelstellingen de gemeente Enschede gaat hanteren voor het percentage duurzame energie dat in 2030 minimaal opgewekt moet worden. Hiermee is vastgelegd hoeveel duurzame energie minimaal opgewekt dient te worden in 2030 om de minimumdoelstelling te bereiken. Nagegaan wordt welke duurzame energiebronnen ter beschikking staan en welke ruimte er technisch gezien is om deze in te zetten.
3
Op 10 december 2018 In dit rapport wordt zowel MER als planMER gebruikt, met MER wordt in dit geval telkens planMER bedoeld. Het zelfde geldt voor m.e.r., waar ook telkens plan-m.e.r. wordt bedoeld. 4
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
3
4.
5.
Aan de hand van de mogelijk in 2030 in te zetten duurzame energiebronnen worden 5 alternatieven uitgewerkt op basis van verschillende thema’s. Van de inzet van de duurzame energiebronnen in deze 5 alternatieven worden de milieueffecten die er mee gepaard gaan, vastgesteld en beoordeeld. Na een afweging van de milieueffecten en van eventuele andere belangen, overwegingen en argumenten wordt door de gemeente een inzet en invulling van duurzame energiebronnen gekozen. Dit is het voorkeursalternatief (VKA) dat wordt vastgelegd in de energievisie. Ook dit VKA wordt beoordeeld op de milieueffecten die er mee gepaard gaan.
Figuur 1.1 Aanpak opstellen milieueffectrapport (met verwijzing naar paragrafen en hoofdstukken)
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
4
Proces van totstandkoming van dit milieueffectrapport Start van m.e.r. in 2017 Het initiatief om een milieueffectrapportage te gaan doorlopen voor de op te stellen Energievisie dateert al uit 2016 en het opstellen van het MER is in 2017 begonnen. Duurzame energie, en dan met name de inpassing van grootschalige zonnevelden en het plaatsen van windturbines ligt gevoelig en vraagt om een goede interactie met inwoners en belangengroepen. Het proces was tijdrovend. De volgende stappen zijn gezet: Tabel 1.1 Stappen en activiteiten in de totstandkoming van de Energievisie Periode
Activiteit
April – juni 2017
In gesprek over betekenis van de door de gemeenteraad genomen beslissingen (amendementen en moties). Dit resulteerde in de raadsbrief van 22 juni 2017
Juli 2017 – november 2017
Voorbereiding Notitie reikwijdte en detailniveau
Oktober 2017 – maart 2018
Met bewoners en belangenorganisaties verkennen van mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie op de Usseler es Terinzagelegging van de Notitie reikwijdte en detailniveau Energievisie
Februari 2018 – augustus 2018
Geen ontwikkelingen i.v.m. verkiezingen, formatiebesprekingen en zomerreces.
September 2018 – november 2018
Beoordeling zienswijzen en adviezen Notitie reikwijdte en detailniveau Energievisie. Dit mondde uit in het raadsbesluit van 10 december 2018.
November 2018 – juni 2019
Opstellen van de rapportages over landschap (H+N+S Landschapsarchitecten), de landbouw (het Kadaster) en het milieu (milieurapport Pondera Consult), In aansluiting daarop opstellen van een discussienota Visie landelijk gebied en Energievisie. Deze werd 24 juni 2019 in de stedelijke commissie besproken.
Juli 2019 – januari 2020
Voorbereiding nota uitgangspunten Energievisie
Februari 2020 – december 2020
Raadsdebatten over de Energievisie. Vaststelling van de nota Uitgangspunten Energievisie op 7 september 20205. Oponthoud in het besluitvormingsproces door de maatregelen ten gevolge van de coronapandemie.
Na een reeks debatten heeft het college uiteindelijk eind 2020 een voorkeursalternatief kunnen bepalen waarvoor naar verwachting voldoende steun bestaat in de gemeenteraad. De totstandkoming van het MER beslaat een periode van uiteindelijk vrijwel 4 jaar.
5
https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/enschede/4ceb860d-8b4c-45df-a743-fa782b4cd93c
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
5
Rol van het MER in het traject van de Energievisie Het proces van de m.e.r. en de onderzoeken en conceptversies van het milieueffectrapport hebben in het traject naar het opstellen van de Energievisie de rol gespeeld waar ze voor bedoeld zijn: het leveren van informatie, beantwoorden van vragen en inzichtelijk maken van keuzemogelijkheden. In het bijzonder kan genoemd worden: -
-
-
Van start doen gaan van het traject door het ter inzageleggen van de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) en deze NRD voorafgaand daaraan goed voorbereiden met belanghebbenden. Inzicht bieden in de duurzame energiebronnen die de gemeente ter beschikking staan voor het bereiken van de doelstellingen van 2030; Duidelijk maken wat de maximaal te verwachten bijdragen van deze bronnen kunnen zijn, zowel de technische mogelijke bijdrage als wel de bijdrage indien aandacht wordt besteed aan de effecten van de inzet van de energiebronnen. Met behulp van alternatieven de consequenties laten zien indien met name op een bepaald aspect wordt gelet, door dit in alternatieven uit te werken en effecten te beoordelen; Door middel van presentaties aan raadscommissies, belanghebbenden en college nadere uitleg te geven, vragen te beantwoorden en de bevindingen te tonen van de deelstudies van het MER.
Verschillende referentiejaren in het MER Nadeel van een lange doorlooptijd is dat bepaalde delen van het MER andere uitgangspunten hebben voor wat betreft het aandeel opgewekte duurzame energie. Hoofdstuk 4 waarin huidige opwek en verbruik worden beschreven, gaat uit van 2017 als destijds meest recent beschikbare jaar voor informatie vanuit de Klimaatmonitor. Ook de alternatieven in hoofdstuk 5 zijn hierop gebaseerd. Het voorkeusalternatief dat recent is vastgesteld heeft cijfer van einde 2018 ter beschikking. Er is voor gekozen om hoofdstukken 4 en 5 niet helemaal te gaan updaten (dat is bijvoorbeeld bij de beschrijving van het beleid in hoofdstuk 3 wel gebeurd), omdat dit niet tot wezenlijk andere inzichten zou leiden. Wat hierbij meewerkt is dat de doelstelling die de gemeente heeft geformuleerd is uitgedrukt in een extra inzet (van minimaal 8% van het verbruik in 2030) in plaats van in een absoluut percentage in 2030. Zowel in 2017 als in 2021 is 8% van het verwachte verbruik in 2030 een zelfde getal en vraagt dus om een zelfde inzet van duurzame energiebronnen. Bij het lezen van het MER is het van belang dit verschil in referentiejaar tussen hoofdstukken 4 en 5 ten opzichte van hoofdstuk 9 te beseffen, consequenties voor de milieubeoordeling heeft het echter niet.
Leeswijzer •
Hoofdstuk 1 omvat inleiding, doel en opzet van het MER.
•
Hoofdstuk 2 gaat in op de procedure van het doorlopen van de milieueffectrapportage (m.e.r.), het vervaardigen van het milieueffectrapport (MER) en het vaststellen van de Energievisie.
•
In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleid en de doelstellingen van rijk, provincie, regio en de gemeente Enschede.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
6
•
Hoofdstuk 4 beschrijft: −
de huidige hoeveelheid duurzame energie die geproduceerd wordt;
−
de verschillende duurzame energiebronnen die de gemeente Enschede ter beschikking heeft;
−
de energiebronnen en gebieden die binnen de scope van het MER liggen;
−
de maximale hoeveelheid energie die met deze bronnen geproduceerd kan worden;
−
de ambitieniveaus (‘basis’ en ‘maximale opbrengst’) voor 2030 waar vanuit wordt gegaan;
−
de hoeveelheid duurzame energie die daarvoor geproduceerd dient te worden.
•
In hoofdstuk 5 worden de alternatieven gepresenteerd, opgesteld op basis van het centraal stellen van telkens één thema, respectievelijk natuur en landschap, netaansluitingsmogelijkheden, leefomgeving, landbouw en evenredige bijdrage door buurtkringen in Enschede.
•
Hoofdstuk 6 schetst het toegepaste beoordelingskader met milieuaspecten en beoordelingscriteria, waarmee de milieueffecten in beeld zijn gebracht en beoordeeld.
•
Hoofdstuk 7 omvat de effectbeoordeling van de alternatieven aan de hand van de beoordelingscriteria.
•
In hoofdstuk 8 worden conclusies getrokken op basis van de uitwerking en beoordeling van de alternatieven.
•
Hoofdstuk 9 gaat in op het voorkeursalternatief (VKA) dat wordt uitgewerkt en vastgelegd in de Energievisie van de gemeente Enschede, en brengt de milieueffecten van het VKA in beeld.
•
Hoofdstuk 10 gaat ten slotte in op leemten in kennis en het evaluatieprogramma.
•
De bijlagen bevatten achtergrondinformatie en uitwerkingen.
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
7
PROCEDURES EN BESLUITVORMING Plan-m.e.r.-plicht Het doel van de m.e.r.-procedure is om milieubelangen naast andere belangen een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. De procedure van de m.e.r. is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving, indien sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Deze activiteiten zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage dat is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De Energievisie biedt een kader voor latere plannen en projecten die mogelijk dergelijke activiteiten betreffen. Daarom geldt een plicht voor een zogenaamde plan-m.e.r.
M.e.r.-procedure Een m.e.r.-procedure bestaat uit verschillende onderdelen, waarvan het milieueffectrapport (MER) het belangrijkste is. Figuur 2.1 geeft de belangrijkste stappen weer. In de eerste stap is door de gemeente Enschede de mededeling gepubliceerd dat een energievisie met daarvoor een plan-milieueffectrapportage (planMER) opgesteld gaat worden. In de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) die daarbij wordt gepubliceerd, wordt beschreven waarover deze energievisie zal gaan en wat onderzocht zal gaan worden. Eenieder kan zienswijzen indienen op de NRD en aangeven wat eventueel nog aanvullend onderzocht zou moeten worden. Ook worden relevante andere (overheids)instanties geraadpleegd en kan optioneel de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie m.e.r.) geraadpleegd worden. Op basis van de inspraak en de reacties uit de raadplegingen wordt de NRD vastgesteld, die vervolgens geldt als de richtlijn voor het opstellen van het milieueffectrapport (MER). Het MER reikt informatie aan die gebruikt wordt bij het opstellen van de concept energievisie. De concept energievisie die een ontwerpstructuurvisie is in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt vervolgens samen met het planMER ter inzage gelegd en aan de Cie m.e.r. voorgelegd voor toetsing. Na het verwerken van de zienswijzen en het toetsingsadvies van de Cie m.e.r.
wordt de energievisie met als bijlage het planMER, vastgesteld door de gemeenteraad.
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
8
Figuur 2.1 Hoofdlijnen plan-m.e.r.-procedure Energievisie Enschede
De inhoudelijke vereisten aan een m.e.r. zijn vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Dat houdt samengevat in dat een milieueffectrapport wordt opgesteld om de (mogelijke) effecten in beeld te brengen van de voorgenomen activiteiten op de leefomgeving, en op natuur en landschap van het omliggende gebied, teneinde daarmee bij te dragen aan de besluitvorming en daarbij een goede afweging mogelijk te maken. Op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer (Wm par. 7.7 en 7.9) wordt het MER door de initiatiefnemer opgesteld.
Benodigde besluiten De gemeente Enschede wil de energietransitie in Enschede in goede banen leiden. Daarom wordt er een Energievisie opgesteld. De Energievisie wordt in de vorm van een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening vastgesteld. Deze structuurvisie zal richting geven aan de manier waarop de geformuleerde ambities voor het opwekken van duurzame (hernieuwbare) energie worden bereikt. Eerst wordt het ontwerp van het planMER ter inzage gelegd. Tevens wordt er een ontwerp Energievisie ter inzage gelegd. Na een inspraakperiode wordt de definitieve planMER en Energievisie vastgesteld, rekening houdend met de zienswijzen, de adviezen van andere overheden en van de Commissie voor de m.e.r. Na vaststelling van de Energievisie kunnen initiatieven voor duurzame energie, volgens de regels uit de Energievisie, worden ontwikkeld. Per project zullen daarvoor nog de benodigde procedures doorlopen moeten worden6.
‘Tijdens de verbouwing is de winkel open’: de beslissing op aanvragen die binnenkomen tijdens de voorbereiding van de Energievisie, zal niet worden aangehouden. De vast te stellen Energievisie vormt dan ook het beleidskader voor toekomstige aanvragen. 6
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
9
Initiatiefnemer, bevoegd gezag en andere overheden Initiatiefnemer en bevoegd gezag De initiatiefnemer voor deze plan-m.e.r.-procedure en Energievisie zijn Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede. De gemeenteraad is het bevoegd gezag voor het vaststellen van het milieueffectrapport (MER) en voor de Energievisie. Te raadplegen andere overheden Tijdens de m.e.r.-procedure en opstellen van de Energievisie worden andere overheden geraadpleegd. Dit zijn bijvoorbeeld de provincie Overijssel, buurgemeenten, waterschap Vechtstromen en dergelijke.
Inspraak, advies en meedenken Notitie reikwijdte en detailniveau Met de publicatie van de NRD is eenieder geïnformeerd over het voornemen tot het opstellen van een Energievisie, de te onderzoeken milieueffecten en de procedures. Ook maatschappelijk organisaties zijn uitgenodigd om mee te denken over de te onderzoeken scenario’s en aspecten. Hiertoe is het eerste concept van de NRD gepresenteerd in het Energie Beraad7; dit heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassingen. De (concept) NRD heeft zes weken ter inzage gelegen, zodat een ieder op deze notitie heeft kunnen inspreken en zienswijzen kenbaar heeft kunnen maken. De ontvangen inspraakreacties en adviezen van de wettelijke adviseurs hebben er toe geleid dat de NRD aangepast is. De NRD, samen met de inspraakreacties en adviezen, zijn aangeboden ter vaststelling door het bevoegd gezag. De vastgestelde NRD8 vormt de richtlijnen voor het milieueffectrapport (MER). MER De publicatie van het MER is bedoeld om eenieder te informeren over de uitkomsten van het milieuonderzoek en de procedures. De Commissie voor de m.e.r. zal een advies geven over het MER. Dit advies wordt betrokken bij de definitieve besluitvorming. In het MER worden verschillende alternatieven beschreven en onderling vergeleken om de doelstellingen uit de energievisie te verwezenlijken.
Op basis van onder andere de informatie uit het Milieueffectrapport kiest het bevoegd gezag een voorkeursalternatief (VKA) of stelt dit samen uit verschillende alternatieven. Het VKA wordt vervolgens ook in het MER beschreven en beoordeeld op milieueffecten. Het VKA wordt tenslotte uitgewerkt en verankerd in de Energievisie. Het MER wordt als bijlage bij de Energievisie gevoegd. Bij de terinzagelegging van de ontwerp Energievisie inclusief MER kan eenieder inspreken en zienswijzen kenbaar maken.
7
Het Energie Beraad is een klankbordgroep waaraan op uitnodiging van de gemeente Enschede een aantal maatschappelijke organisaties deelneemt. 8 De NRD is te downloaden via: https://online.ibabs.eu/ibabsapi/publicdownload.aspx?site=enschede&id=7b7e670b-d825-4b6b-8e376fa3bcadbd56
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
10
DOELSTELLING EN BELEID Inleiding Om het beleidskader waarbinnen de gemeente Enschede opereert te beschrijven, is in dit hoofdstuk een overzicht gegeven van het (ruimtelijk) relevante beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien van allerlei milieu- en ruimtelijke aspecten zoals bodem en water, geluid, externe veiligheid, ecologie etc. is er specifiek sectoraal beleid en wetgeving. Daar wordt in dit MER waar dit relevant is bij het betreffende milieuthema op ingegaan.
Mondiaal en Europees beleid Klimaatconferentie Parijs 2015 In december 2015 zijn (onder toezicht van de Verenigde Naties) op de eenentwintigste klimaatconferentie in Parijs (COP21)9 195 landen akkoord gegaan met een nieuw klimaatverdrag dat de uitstoot van broeikasgassen moet terugdringen. De Europese Unie heeft dit verdrag ook mede ondertekend. Hieronder de belangrijkste punten uit het akkoord: •
de gemiddelde temperatuur op de aarde mag niet meer dan 2 graden Celsius stijgen. Landen streven er naar de temperatuurstijging zelfs te limiteren tot maximaal 1,5 graden Celsius;
•
de partijen zullen zo snel mogelijk hun best doen om de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen te verminderen in combinatie met de beschikbare techniek van dat moment. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen landen;
•
er is extra inzet nodig om negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en de hoeveelheid broeikasgassen terug te brengen zonder dat dit de voedselproductie in gevaar brengt;
•
alle partijen moeten financieel bijdragen aan het verlagen van de hoeveelheid broeikasgassen en onderzoek doen naar klimaatbestendige ontwikkelingen;
•
voor de klimaatconferentie van 2025 moeten de partijen van de klimaatovereenkomst van Parijs zich samen ten doel stellen elk jaar minstens 100 miljard dollar (91 miljard euro) ter beschikking te stellen aan armere landen die economisch moeite hebben de klimaatdoelstellingen te halen. Het geld zou vanaf 2020 beschikbaar moeten zijn;
•
het verdrag is bindend en de landen verplichten zich het na te leven.
Europese doelstelling Het Europese doel voor 2020 is om 20% van het totale energieverbruik duurzaam te realiseren, voor Nederland is dit vertaald in een doel van 14% in 2020. Dit is vastgelegd in de EU-richtlijn 2009/28/EG (2009)10. In juni 2011 presenteerde de EU de "Energieroutekaart 2050"11 als doorkijk naar 2050 en de in tussentijd te nemen stappen om te komen tot een verdere 9
De klimaatconferentie van Parijs 2015 (officieel: 2015 United Nations Climate Change Conference), die van 30 november tot 12 december 2015 plaatsvond in Parijs leidde tot het afsluiten van het "Akkoord van Parijs", dat op 22 april 2016 in New York is ondertekend. Het klimaatverdrag is 4 november 2016 in werking getreden. 10 "Richtlijn 2009-28-EG- energie uit hernieuwbare bronnen NL, ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG", European Commission, 23 april 2009. Geraadpleegd van: http://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/ALL/?uri=CELEX:32009L0028 [artikel 3, lid 1 juncto bijlage 1, deel A]. 11 Mededeling van de Europese Commissie: "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050", 8 maart 2011, COM (2011) 112 definitief. Geraadpleegd van: http://eurlex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0112:FIN:NL:PDF
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
11
verduurzaming van de energiemarkt en een verdere CO2-reductie (80-95%). De EU-landen hebben in 2014 overeenstemming12 bereikt met betrekking tot een nieuwe duurzame energie doelstelling. In 2030 moet tenminste 27% van het energieverbruik van de Europese Unie duurzaam zijn opgewekt. Deze doelstelling is onderdeel van de energie en klimaatdoelen van de EU voor 2030. Op 14 juni 2018 is er politieke overeenstemming13 bereikt waarin een bindende doelstelling ten aanzien van duurzame energieopwekking is vastgelegd. De Europese Unie moet in 2030 32% van het totale energieverbruik duurzaam realiseren. In december 2020 heeft de Europese Unie haar klimaatdoelstellingen aangescherpt. De Raad van de Europese Unie heeft overeenstemming bereikt over het voorstel voor een Europese klimaatwet, met inbegrip van een nieuwe EU-doelstelling voor de vermindering van de broeikasgasemissies van ten minste 55% in 2030 ten opzichte van 1990 (in plaats van 40%). Het belangrijkste doel van de Europese klimaatwet is om de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie in 2050 in wetgeving vast te leggen
Rijksbeleid Het rijksbeleid voor duurzame energie, en specifiek voor wind, heeft zich in eerste instantie altijd gericht op doelen in 2020. Nu 2020 bereikt is, overigens zonder het halen van bijbehorend doel, komt vooral het doel voor 2030 in beeld. In deze paragraaf worden zowel de doelstellingen voor 2020, als die voor 2030 en daarna behandeld zoals deze chronologisch in tijd zijn gesteld. Want alhoewel 2020 al bereikt is zijn de doelen voor 2020 en onderliggende beleidsstukken nog steeds van belang voor de horizon waar nu op gericht wordt.
Duurzame energie Energieakkoord voor duurzame groei (2013) De energiesector in Nederland is verantwoordelijk voor meer dan twintig procent van de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse energievoorziening betekent een forse inspanning. Deze ambities sluiten aan bij in Europees verband geformuleerde doelstellingen waaraan de lidstaten zich gecommitteerd hebben. In 2013 hebben ruim veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen zich verbonden aan het Energieakkoord voor duurzame groei (hierna: Energieakkoord, 2013) 14. Met het Energieakkoord komt een duurzame energievoorziening een stap dichterbij. In het Energieakkoord is vastgelegd dat in 2020 14% van alle energie duurzaam moet zijn opgewekt met een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. Het doel van het akkoord is bovendien dat het nieuwe banen oplevert en een positief effect heeft op de energierekening van consumenten. In het akkoord zijn tien pijlers opgenomen die moeten leiden tot een duurzame energieopwekking. Het opschalen van hernieuwbare energieopwekking vormt één van deze pijlers.
Dit vraagt een intensieve inzet op verschillende bronnen van hernieuwbare opwekking.
12
Geraadpleegd van: https://ec.europa.eu/energy/en/topics/renewable-energy Europese Commissie (14 juni 2018). Geraadpleegd van: http://europa.eu/rapid/pressrelease_STATEMENT-18-4155_en.htm 14 "Energieakkoord voor duurzame groei", Sociaal-Economische Raad (SER), september 2013. Geraadpleegd van: http://www.energieakkoordser.nl/energieakkoord.aspx 13
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
12
Energierapport 2016 Het Energierapport 2016 (2016)15 geeft aan dat Nederland voor de uitdaging staat om de uitstoot van broeikasgassen drastisch terug te brengen, waarbij in de 2e helft van de 21e eeuw, zoals afgesproken in het klimaatakkoord van Parijs (2015) er mondiaal een balans moet zijn tussen de uitstoot en vastlegging van broeikasgassen (ofwel klimaatneutraliteit). Het kabinet houdt dus onverkort vast aan de Europese afspraken voor 2020, 2030 en 2050 en aan de afspraken uit het Energieakkoord die samen met milieuorganisaties, bedrijfsleven en overheden zijn gemaakt. Het Energierapport geeft daarom een integrale visie op de toekomstige energievoorziening van Nederland. Het kabinet stelt, voor de transitie naar duurzame energie, drie uitgangspunten centraal: 1. sturen op CO2-reductie; 2. verzilveren van de economische kansen die de energietransitie biedt; 3. integreren van energie in het ruimtelijk beleid. De Nederlandse energiehuishouding moet duurzamer en minder afhankelijk worden van eindige fossiele brandstoffen. Het kabinet wil onder meer de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 80-95% terugdringen op Europees niveau. Op dit moment zijn we voor onze energievoorziening nog voor bijna 95% afhankelijk van fossiele brandstoffen. De energietransitie biedt bovendien kansen voor behoud en ontwikkeling van het Nederlandse verdienvermogen.
Ten slotte heeft de energietransitie alleen kans van slagen als vroegtijdig en zorgvuldig het gesprek wordt aangegaan met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties over de ruimtelijke inpassing van productie, opslag en transport van energie. Zoveel als mogelijk moet gezamenlijk de afweging plaatsvinden tussen de bijdrage van een initiatief aan de energievoorziening en de overlast of risico's die dit voor omwonenden met zich meebrengt. Dit wordt de ‘energiedialoog’ genoemd. Klimaat en Energieverkenning 2019 De eerste Klimaat en Energieverkenning16 (KEV) heeft twee boodschappen: De eerste is dat er nog veel moet gebeuren om het kabinetsdoel van 49 procent reductie van broeikasgasemissies in 2030 te halen. In 2018 had Nederland een reductie van iets minder dan 15 procent ten opzichte van 1990. In ruim 10 jaar moet er dus nog meer dan twee keer zoveel worden bereikt als in de afgelopen kleine 30 jaar. De tweede hoofdboodschap is dat het daadwerkelijk uitvoeren van beleid in de praktijk moeilijk is; de 2020- doelen voor broeikasgasreductie, besparing en hernieuwbare energie worden daardoor naar verwachting niet of waarschijnlijk niet gehaald. Nationaal Klimaatakkoord (2019) Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord.
In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in 2030 in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren denken mee over concrete plannen. De vijf sectortafels zijn: gebouwde
15
"Energierapport 2016 - Transitie naar duurzaam", Ministerie van Economische Zaken, januari 2016. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/01/18/energierapport-transitienaar-duurzaam 16 “Klimaat- en Energieverkenning 2019” Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), november 2019. Geraadpleegd van: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2019-klimaat-en-energieverkenning2019-3508.pdf
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
13
omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit. Op 10 juli 2018 is het ‘voorstellen voor hoofdlijnen’ document gepresenteerd. In december 2018 is het ontwerp van Klimaatakkoord gepresenteerd. De eerste maanden van 2019 rekende het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de afspraken door. De doorrekeningen van het ontwerp-Klimaatakkoord door het PBL en Centraal Planbureau (CBP) toonden aan dat de reductieopgave van 49% gehaald kan worden. Op 28 juni 2019 is het definitieve Klimaatakkoord door het Kabinet gepresenteerd aan de Tweede Kamer. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op onze leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën (RES) een belangrijke rol.
Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonneenergie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Ook wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Voor hernieuwbaar op land (35 TWh) wordt vooral gekeken naar wind op land en zonneenergie. Om deze opwekcapaciteit te realiseren is in het Klimaatakkoord opgenomen dat in dertig regio’s door gemeenten wordt samengewerkt aan een regionale energiestrategie (RES). In deze RES wordt opgenomen waar en op welke manier deze opwekcapaciteit moet worden gerealiseerd. Klimaatwet (2019) In de Klimaatwet zijn de Nederlandse klimaatdoelstellingen wettelijk vastgelegd. De Klimaatwet is op 1 september 2019 in werking getreden.
In de Klimaatwet staan drie doelen: •
een vermindering van 49% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2030;
•
een vermindering van 95% (ten opzichte van 1990) van de broeikasgasuitstoot in 2050;
•
100% broeikasgas-neutrale elektriciteit in 2050.
Elke vijf jaar komt er een Klimaatplan waarin het klimaatbeleid wordt vastgesteld. Dit Klimaatplan past in de systematiek van de Integrale Nationale Energie-en Klimaatplannen die
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
14
voor de EU moeten worden opgesteld en het Klimaatakkoord van Parijs. Het eerste klimaatplan (Klimaatplan 2021-2030) is in april 2020 gepubliceerd17. Artikel 7 schrijft voor dat jaarlijks op de vierde donderdag van oktober de Minister van Economische Zaken en Klimaat een klimaatnota aan de beide kamers der Staten-Generaal stuurt. De klimaatnota reflecteert op de voortgang van het klimaatbeleid ten opzichte van het klimaatplan. Het eerste klimaatplan wordt eind 2019 vastgesteld. Er is dus de derde donderdag van oktober 2019 nog geen klimaatplan, althans geen voortgang, om op te reflecteren in de klimaatnota. De eerste klimaatnota wordt daarom uitgebracht in 2020.
Ruimtelijk beleid Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op nationaal niveau is beleid in voorbereiding in de vorm van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland op basis van de nieuwe Omgevingswet die er aan komt. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden. Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn ‘nationale belangen’. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De Nationale omgevingsvisie (NOVI) richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes. Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn. Voor windturbines op land stelt de NOVI “De molens op land clusteren we zoveel mogelijk en passen we zo goed mogelijk in het landschap in. Bijvoorbeeld langs snelwegen. Hierbij zorgen we dat bewoners goed betrokken zijn en waar het kan meeprofiteren in de opbrengsten”.
“Klimaatplan 2021-2010”, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, april 2020. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2020/04/24/klimaatplan-2021-2030 17
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
15
Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. De in de RES afgesproken maatregelen vinden via de provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies hun weg in omgevingsplannen, -programma’s en -vergunningen van gemeenten. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor 1 januari 2025 omgevingsvergunningen voor zon- en windprojecten zijn verleend. De regio is in toenemende mate de meest relevante schaal om opgaven voor de fysieke leefomgeving op te pakken en keuzes te maken. Gegeven de verantwoordelijkheden van het Rijk op nationaal niveau is een samenspel nodig tussen regio en Rijk om tot regionaal maatwerk te komen: gezamenlijk optrekken, steeds passend bij de opgave. Hiervoor hebben het Rijk en de medeoverheden Samenwerkingsafspraken gemaakt. Gebiedsgericht werken betekent ook ‘samen met de samenleving’. De definitieve NOVI met uitvoeringsagenda is op 11 september 2020 vastgesteld door de Ministerraad en naar de Tweede Kamer gestuurd. Structuurvisie Windenergie op Land (2014) De doelstelling van de Structuurvisie Wind op Land (SWOL, maart 2014)18 is zodanige ruimtelijke voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van ten minste 6.000 MW aan windturbines op land operationeel is. •
Visie: bundeling in gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windenergie (windparken met een vermogen groter dan 100 MW) en daarmee andere gebieden vrijhouden van grootschalige windenergie. Bij het ruimtelijk ontwerp van windturbineprojecten aansluiten bij de hoofdkenmerken van het landschap.
•
Aanwijzen van concrete gebieden die geschikt zijn voor grootschalige windturbineparken. Het kabinet zal initiatieven voor windturbineparken met een omvang van ten minste 100 MW toetsen aan deze gebieden.
•
Taakverdeling tussen Rijk en provincies bij het ruimtelijk mogelijk maken van windenergie, en de prestatieafspraken die daarover met het IPO zijn gemaakt. Verder wordt ingegaan op beleidsonderwerpen die van groot belang zijn voor het slagen van de doelen voor windenergie, zoals de stimuleringsregeling SDE+19 en het landelijke elektriciteitsnet.
Voor de provincie Overijssel is een taakstelling opgenomen van ten minste 85,5 MW. De provincie Overijssel heeft dit vertaald in een specifiek windenergiebeleid. De gemeente Enschede is niet in de SWOL aangewezen als locatie voor de realisatie van grootschalige windenergie, maar draagt wel bij aan de nationale en provinciale doelstellingen. De SWOL biedt provincies en gemeente de mogelijkheid om buiten de voor grootschalige windenergie aangewezen gebieden planologische ruimte te bieden voor windparken kleiner dan 100MW. Ladder duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (voorganger NOVI) wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 2.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in 18 19
"Structuurvisie Windenergie op land" (SWOL), Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 28 maart 2014. Inmiddels is dit de stimuleringsregeling SDE ++
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
16
stedelijke gebieden. Hierbij moet de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling worden aangetoond. Bodemenergie en aardwarmte (geothermie) De RES-directive (Europese richtlijn Hernieuwbare energie) Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen erkent omgevingsenergie en geothermie als hernieuwbare, niet-fossiele en dus duurzame bronnen. De overheid wil dat Nederland 11 PJ van zijn warmtebehoefte verkrijgt uit aardwarmte in het jaar 2020. Om dit te bereiken is in 2011 het Actieplan Aardwarmte opgesteld. In dit plan staat hoe de Rijksoverheid in samenwerking met marktpartijen deze doelstelling wil bereiken. Voorbeelden van maatregelen zijn een verbeterde garantieregeling waarbij de overheid bedrijven steunt die risico’s van boringen naar aardwarmte willen afdekken en een subsidieregeling via de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+). Structuurvisie Ondergrond De structuurvisie (juni 2018) richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. De ondergrond is van groot maatschappelijk belang, ook voor de energietransitie. In de toekomst zullen de duurzame bronnen geothermie en bodemenergie een steeds grotere rol gaan spelen bij de energievoorziening.
Geothermie levert warmte die geschikt is voor ruimteverwarming, glastuinbouw en proceswarmte in de industrie. Geothermie zal zich naar verwachting op korte en middellange termijn vooral ontwikkelen op plekken waar zich bovengronds een geconcentreerde warmtevraag voordoet of waar reeds een warmtenetwerk aanwezig is. Geothermie is een bewezen techniek, die over de gehele wereld wordt toegepast. In Nederland is de toepassing van geothermie relatief nieuw. Professionalisering van de sector is nodig om geothermie te laten groeien tot een volwassen en belangrijk alternatief in de energietransitie. Biomassa De Rijksoverheid ziet een belangrijke rol weggelegd voor biomassa voor het bereiken van de Nederlandse doelstellingen om 14% van ons energieverbruik duurzaam op te wekken in 2020. In de Visie Biomassa 2030 (2015) worden verschillende maatregelen beschreven die nodig zijn om de kansen van biomassa te benutten. Ten eerste wordt ingezet op het vergroten van het aanbod aan duurzame biomassa op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Ten tweede wordt ingezet op het ontwikkelen van de vraag naar duurzame biomassa op EU-niveau. Verder ligt de nadruk op duurzaamheid van productie en gebruik van biomassa, wordt op EU-niveau aangestuurd op integratie van alle toepassingen van biomassa. Ten slotte wordt ingezet op innovatie en verdiencapaciteit in Nederland.
De biomassa zal wel uit duurzame bronnen moeten komen. Dit betekent bijvoorbeeld voor houtige biomassa dat de nieuwe aangroei van nieuwe biomassa geborgd moet zijn, de bodemkwaliteit bewaakt wordt, de productie en het transport van de biomassa niet mag leiden tot veel broeikasgasemissie enzovoort. Europa stelde criteria op voor duurzaamheid van vloeibare biomassa. Voor vaste biomassa adviseert de Europese Commissie lidstaten een eigen duurzaamheidsbeleid te ontwikkelen. In Nederland leidde dat tot duurzaamheidseisen die in de SDE-subsidievoorwaarden staan voor de inzet van vaste biomassa. In het bijzonder voor de bij- en meestook in kolencentrales en ook voor de inzet van houtpellets voor industriële stoomproductie.
716134 | Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
17
Beleid van provincie Overijssel Omgevingsvisie De provincie Overijssel geeft in de Omgevingsvisie en de Actualisatie Omgevingsvisie 2018/2019 (vastgesteld 13 november 2019) aan in 2023 20% van de energie duurzaam op te willen wekken, de ambitie voor 2030 ligt op 30%. Het bereiken van deze ambitie moet voornamelijk plaatsvinden door het investeringsklimaat voor duurzame energie en besparing van energie aantrekkelijk te maken. Een ander belangrijk aspect is het wegnemen van ruimtelijke belemmeringen voor bijvoorbeeld grote windprojecten en geothermie. De energietransitie raakt veel provinciale beleidssectoren, namelijk: energie, economie, ruimtelijke ordening, mobiliteit, infrastructuur en vergunningverlening en toezicht en handhaving. In het coalitieakkoord voor 2019-2023 heeft de provincie Overijssel de volgende kernpunten voor de energietransitie aangegeven: •
verbinden aan de landelijke beleidsdoelen op het gebied van klimaatbeleid en energietransitie;
•
indien voldaan is aan landelijke afspraken worden geen dwingende ruimtelijke instrumenten ingezet. De bottom-up benadering van de Regionale Energiestrategieën sluit hierop aan;
•
het energiebeleid wordt voortgezet en waar nodig aangepast na evaluatie van het programma Nieuwe Energie Overijssel in 2019;
•
er wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn om de voorwaarden van het Energiefonds te verruimen, zodat lokale initiatieven daar ook gebruik van kunnen maken;
•
stimuleren van de energietransitie en initiatieven van onderop;
•
striktere toepassing van de huidige zonneladder om de ruimtelijke kwaliteit en agrarische gronden te beschermen;
•
inzetten op een brede energiemix.
Bij het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie geldt voor windenergie dat de provincie Overijssel in ieder geval de bestuurlijke afspraken met het Rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen (zie hieronder bij interprovinciaal overleg). De provincie Overijssel maakt voor windenergie onderscheid in de volgende gebieden: •
kansrijke zoekgebieden: ten noorden van de Vecht, tussen Staphorst-Zwolle en Hardenberg. In deze gebieden maakt de provincie prestatieafspraken met gemeenten voor de bovenlokale ontwikkeling van windenergie;
•
gebieden met ruimte voor windenergie onder de voorwaarde dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
•
gebieden met beperkingen voor windenergie in verband met aanwezige luchthavens;
•
uitgesloten gebieden: het Natuurnetwerk Nederland, de Nationale Landschappen en de laagvliegroutes en funnels.
Verordening In de ‘Omgevingsverordening Overijssel 2017’ (geconsolideerd 13 november 2019) zijn regels opgenomen die gelden voor windenergieprojecten en hieraan zijn gemeenten gebonden. Voor de gemeente Enschede betekent dit dat windturbines potentieel mogelijk zijn onder de voorwaarde dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing op basis van de
Milieueffectrapport Energievisie Gemeente Enschede | 716134 28 januari 2021 | Definitief v5.0
Pondera Consult
18
gebiedskenmerken en er rekening wordt gehouden met de luchtvaartbeperking die geldt vanuit Enschede Airport Twente. Ten aanzien van installaties voor de opwekking van zonne-energie heeft de provincie een zonneladder opgesteld. De zonneladder is verder uitgewerkt in de ‘Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden’. Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden De provincie Overijssel biedt ruimte voor de aanleg van zonnevelden zoals beschreven in de Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden (april 2020). De Overijsselse zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan voor het opwekken van zonne-energie. Deze aanpak is vervolgens vastgelegd in de Omgevingsverordening (artikel 2.8.1). De zonneladder en aanpak kent drie treden. Een multifunctionele invulling van een zonneveld in de groene ruimte is uitgangspunt (trede 1 'Stimuleren' en 2 'Combineren'). Pas als gemeente en initiatiefnemer hebben verkend en gemotiveerd dat trede 1 en 2 niet mogelijk zijn, dan komen monofunctionele zonnevelden (trede 3) aan de orde. Goede landbouwgronden worden daarbij ontzien. Het draait om het vinden van de balans tussen enerzijds de impact van het zonneveld op het landschap en anderzijds de maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken. Verder zijn zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en passendheid in of bijdragend aan het landschap belangrijke principes.
Initiatiefnemers dienen vroegtijdig met omwonenden en andere belanghebbenden in gesprek gaan. In de Handreiking Kwaliteitsimpuls worden ontwerpprincipes aangedragen die toegepast kunnen worden. Nieuwe Energie Overijssel In het programma Nieuwe Energie Overijssel werkt de provincie Overijssel met zeven kernpartners aan één ambitie: een energieneutraal Overijssel in 2050. Concreet is het doel 20% nieuwe energie en 6% energiebesparing in 2023. Het programma verbindt en versterkt partners en initiatieven die bijdragen aan de energietransitie in Overijssel. Naast de provincie, bestaan de kernpartners van Nieuwe Energie Overijssel uit gemeentes, waterschappen, woningcorporaties, netbeheerder Enexis, VNO-NCW / MKB Nederland midden, Bioenergiecluster Oost Nederland en Natuur en Milieu Overijssel. In het uitvoeringsprogramma 2017-2023 (2017) zijn acties en maatregelen opgenomen om de doelen te bereiken. Eén van de onderdelen van het uitvoeringsprogramma is energieopwekking. In de komende vijf jaar wordt ingezet op een mix van bronnen zoals wind, zon en biomassa. De ambitie is om de hoeveelheid hernieuwbaar opgewekte energie te vergroten naar rond 20 PJ in 2023. Concreet wordt tenminste 1,4 PJ in 2023 gerealiseerd aan windenergie. Voor zonne-energie is de doelstelling bijna 2 PJ. Met betrekking tot bio-energie is het doel om in 2023 ruim 10 PJ aan energie te produceren uit biomassa.