CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte SED-gemeenten

commissie Grondgebied 14 september 2021, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: Transitievisie Warmte19.075 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierdoor is het ruimtegebruik in de woning relatief groot ten opzichte van andere technieken. 3. Warmtenetten Warmtenetten zijn netwerken van (goed geïsoleerde) buizen waar warm water doorheen stroomt. Dit warme water wordt gebruikt om gebouwen mee te verwarmen. Mogelijke energiebronnen zijn aardwarmte of geothermie, restwarmte van bedrijven, zonwarmte, en vormen van aquathermie zoals warmte uit oppervlaktewater of rioolwaterzuiveringen. Afhankelijk van de bron en de mate van isolatie kan het gaan om een hoge temperatuur (HT), midden temperatuur (MT) of lage temperatuur (LT) warmtenet. Hierbij geldt dat hoe lager de temperatuur van de warmte is, hoe beter je de woning moet isoleren. Ook zijn er extra eisen aan het afgiftesysteem (radiatoren, convectoren of vloerverwarming). Een voordeel van MT en LT netten is dat er meer duurzame MT en LT bronnen beschikbaar zijn dan HT bronnen. De aanleg van een warmtenet heeft effect op de openbare ruimte, omdat hiervoor de straat open moet voor de aanleg van het leidingnetwerk. Wat is het verschil tussen LT, MT en HT warmte? Afhankelijk van de beschikbare warmtebron en de eigenschappen van de woningen in een wijk wordt voor een warmtenet een bepaalde temperatuur gekozen. Hieronder zijn de verschillende temperaturen weergegeven met de mogelijke bronnen die de warmte kunnen leveren. •

HT (hoge temperatuur) warmtebronnen: ultra diepe geothermie, restwarmte (zware industrie), biomassa, hernieuwbare gassen, doorgaans 75-90°C;

•

MT (midden temperatuur) warmtebronnen:, diepe geothermie,restwarmte (industrie), doorgaans 65-75°C;

•

LT (lage temperatuur) warmtebronnen: ondiepe geothermie, restwarmte (bijvoorbeeld datacenters). Temperatuur tussen de 30-40 °C.

•

ZTL (zeer lage temperatuur) warmtebronnen: grondwater, lucht, energie uit afvalwater, oppervlaktewater.Temperatuur rond de 10-20 °C.

De temperatuur van de warmtebron bepaalt voor een groot deel op welke temperatuur een warmtenet warmte levert. Deze temperatuur heeft weer invloed op de eisen die aan woningen gesteld worden op het gebied van isolatie en afgiftesysteem (radiatoren of muur- en vloerverwarming). Voor HT & MT-warmtebronnen zijn de eisen aan isolatie laag. Dit is daarom met name geschikt voor oudere woningen, omdat deze vaak slecht geïsoleerd zijn en beperkt na-geïsoleerd kunnen worden. Bij LT& ZLT-warmtebronnen zijn de eisen aan isolatie en de rest van

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

30

de woning hoog (grote radiatoren of vloerverwarming etc.). LT-warmtebronnen zijn daarom met name voor recent gebouwde woningen geschikt. De figuur op de volgende pagina geeft het temperatuurniveau van diverse warmtebronnen weer op een schaal van ZLT (links) naar HT (rechts).

Figuur 9 -Temperatuur van verschillende warmtebronnen

7.2

Marktrijpheid en geschiktheid voor woningen

De verschillende alternatieven voor aardgas hebben allemaal voor- en nadelen. Niet elke techniek is al marktrijp of een logische keuze voor alle woningen. Sommige technologieën moeten nog verder worden uitgewerkt, terwijl andere technologieën zich meer lenen voor bedrijven en industrie. In bijlage 4 laten we de marktrijpheid en toepasbaarheid van technieken voor woningen zien. Op dit moment zijn met name een warmtenet en all-electric verwarming (met een warmtepomp) interessante oplossingen voor de bestaande woningbouw. Ook is de hybride warmtepomp een geschikte oplossing.

7.3

Beschikbare bronnen in SED

Geothermie Geothermie is een veelbelovende toekomstige bron in de SED gemeenten. Het gebied tussen Heerhugowaard en Stede Broec heeft samen met het Westland en Den Haag de grootste potentie voor geothermie, volgens de huidig bekende kennis van de ondergrond. Op basis van de beschikbare data van ThermoGIS heeft Drechterland de beste bodemlagen voor geothermie. Een enkele bron in Hoogkarspel heeft naar verwachting een vermogen van ongeveer 21 MW. Bij 5000 vollasturen komt dit ongeveer neer op 400 TJ per jaar. Dit is ongeveer 1/3 van de totale warmtevraag van de SED gemeenten en genoeg om ongeveer 10.000 woningen te verwarmen. De verwachting is dat ook in Stede Broec de potentie groot is, ongeveer 16 MW. Voor Enkhuizen is de potentie waarschijnlijk te laag om een rendabele bron te boren. De afstand naar Stede Broec en Drechterland is echter dusdanig kort, dat ook Enkhuizen geothermie opgewekt in deze gemeenten kan gebruiken. Een belangrijke volgende stap is het toetsen van de potentie van geothermie. Door middel van een verdiepend onderzoek naar geschikte bodemlagen en boorlocaties, een opsporingsvergunning en uiteindelijk een proefboring kan gekeken worden of geothermie werkelijk geschikt is. Een eerste goede stap is een verdiepend onderzoek naar een geschikte bodemlagen en boorlocaties (zie ook § 7.4, Bronnenstrategie).

Aandachtspunt bij geothermie is dat een minimaal aantal aansluiting nodig is. Voor een gemiddeld systeem zijn 4.000-5.000 woningequivalenten nodig om de geothermiebron rendabel te gebruiken. Bij deze schaal heeft geothermie een lage kostprijs, lager dan veel andere bronnen van duurzame warmte. Voordat een geothermiebron aangeboord kan worden is het aan te raden alvast een warmtenet aan te leggen die tijdelijk gevoed wordt door een andere bron.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

31

Biomassa Bij biomassa wordt warmte opgewekt uit organische materialen die in de natuur voorkomen. Bij de verbranding van deze biomassa komt veel warmte vrij, waarmee water tot hoge temperatuur verwarmd kan worden. Daarmee is het een zeer geschikte bron voor HT warmtenetten. Gezien de discussie over de duurzaamheid van uit het buitenland geïmporteerde biomassa gaan we alleen uit van lokale reststromen. Dit is bijvoorbeeld lokaal snoeiafval of afval van boomkap. De lokale reststromen wordt voor de SED geschat op 64 TJ/jaar (Warmteatlas). Dit is genoeg voor ongeveer de verwarmin van zo’n 1.800 woningen. Deze reststromen zijn niet continu beschikbaar. Snoeiafval wordt slechts in bepaalde periodes van het jaar ‘ eoo st’. Biomassa is daarmee vooral geschikt als tijdelijke bron voor een lokaal warmtenet en als brandstof voor de piekvoorziening. Groengas Biogas is het gas dat vrijkomt bij de vergisting van natte biomassa zoals mest en GFT afval, en dat kan worden omgezet naar groengas. Hiervoor moet biogas ‘op ewaardeerd’ worden, o.a. door het te reinigen (onttrekken van CO2 en andere schadelijke stoffen) en door de energie-inhoud van het gas te verhogen. Na dit proces is biogas opgewaardeerd tot groengas. Groengas kan aardgas één-op-één vervangen en kan in het huidige gasnet getransporteerd worden. Voor groengas hoeft de CV installatie niet aangepast worden.

Voor biogas zal dit wel moeten gebeuren. Voordeel van biogas is dat het minder bewerkt hoeft te worden voordat het in het gasnet vervoerd kan worden. Uit natte biomassastromen kan waarschijnlijk 80 TJ/jaar worden gewonnen (bron: Warmteatlas), goed voor ongeveer 2.300 woningen. Groengas en biogas zijn vooral geschikt voor woningen en gebouwen waar andere technieken niet mogelijk zijn, zoals oude woningen in het buitengebied of monumentale panden in de binnensteden. Aquathermie Een andere bron van warmte is water. Onder aquathermie scharen we drie soorten bronnen: Thermische energie uit Oppervlaktewater (TEO), Thermische energie uit Afvalwater (TEA) en thermische energie uit drinkwater (TED). TEO. De SED gemeenten liggen in een waterrijk gebied, waardoor de potentie van aquathermie groot is. In een aantal gevallen is de potentie zo groot dat we gelimiteerd worden door de hoeveelheid die we in de praktijk uit het water kunnen halen. Hieronder wordt de potentie van TEO, TEA en TED kort besproken. •

Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). Door energie uit zonlicht worden rivieren, meren en kanalen in de zomer warm. De energie in het warme water kan gebruikt worden voor verwarming van gebouwen in de winter. Het IJsselmeer en het Markermeer hebben een enorme potentie voor aquathermie, ruim voldoende om de SED van warmte te voorzien (Aquathermie viewer, STOWA). Voor het gebruik van warmte uit aquathermie is een soort tussenoplossing nodig. De uitdaging van deze bron is namelijk het winnen van deze beschikbare warmte. In de zomer is het water het warmst, meer dan 19 graden in juli en augustus. Deze warmte moet gewonnen worden met een warmtewisselaar en opgeslagen worden in een WKO, zodat het in de winter gebruikt kan worden. De WKO-bron is de tussenoplossing. Een aquathermie-bron is daarom vooral geschikt voor bebouwing aan de randen van het IJsselmeer en het Markermeer. Langs de West-Friese Omringdijk zijn echter een aantal aandachtsgebieden natuur waar rekening mee gehouden moet worden.

•

Thermische energie uit afvalwater (TEA). Afvalwater heeft over het algemeen een hogere temperatuur dan oppervlaktewater, bijvoorbeeld doordat u warm water na het douchen of afwassen wegspoelt. Deze warmte kan gebruikt worden als bron. Om TEA op grote schaal toe te passen is het aan te raden vooral te kijken naar de waterzuivering. Omdat al het water bij elkaar komt op de zuivering is de potentie hier het grootst. Het voordeel van energie uit afvalwater is dat de temperatuur redelijk constant is over het jaar. Opslag in een WKO is daarom geen vereiste. Het kan wel gebruikt worden als buffer zodat warmte uit de zomer gebruikt kan worden in de winter. Hierdoor kan met dezelfde TEA bron meer warmte geleverd worden. In de SED gemeenten zijn geen grote zuiveringen aanwezig die als bron kunnen bieden voor een warmtenet.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

32

•

TED. Thermische energie uit drinkwater wordt nog weinig toegepast. Een kans voor de SED gemeenten is de persleiding van PWN van het IJsselmeer naar de duinen ten behoeve van de drinkwatervoorziening. De potentie van deze leiding is momenteel onbekend.

Restwarmte Restwarmtebronnen is de warmte die “overblijft” in na koeling of een industrieel proces. Restwarmte komt voor met verschillende temperaturen. De temperatuur en hoeveelheid warmte die geleverd kan worden verschilt sterk per bron. Uit een eerste analyse op basis van de Warmteatlas komen geen bronnen van restwarmte in de SED gemeenten voor. Uit de stakeholder gesprekken kwam wel een casus naar voren waarbij een bollenkwekerij restwarmte van de WKO wil delen met de nabijgelegen wijk. Een andere optie voor restwarmte die onderzocht kan worden is restwarmte, of ongebruikte capaciteit van de geothermiebron van het kassencomplex aan de Nieuwe Weg in Andijk. Deze bron ligt op redelijke afstand van Hoogkarspel en Stede Broec. Deze restwarmte kan een goede bron zijn om de eerste kleine netwerken in de SED gemeenten mee te voeden. WKO WKO staat voor warmte-koudeopslag. Het potentieel voor WKO in de SED is in principe groter dan de warmtevraag. De bodem in de SED gemeenten is zeer geschikt voor het plaatsen van WKO systemen. In alle drie de gemeenten zijn al veel systemen geplaatst. Daarmee is dit een geschikte bron voor de SED gemeenten, eventueel in combinatie met aquathermie of andere bronnen. WKO is vooral geschikt voor gebouwen met zowel een warmtevraag alsook een koude vraag, zoals kantoren.

Maar ook appartementencomplexen of een recent gebouwde wijk kunnen met WKO verwarmd en gekoeld worden. WKO wordt zowel als bron van warmte als opslag van warmte gezien. WKO wordt vaak toegepast in combinatie met koeling. In de zomer worden gebouwen gekoeld, waarbij tegelijkertijd warmte gewonnen wordt. Deze warmte wordt in de winter gebruikt om de gebouwen te verwarmen, waarbij weer koude gewonnen wordt. Daarmee is WKO dus een bron van warmte en koude. Warmte uit de lucht (lage temperatuur) Een warmtepomp haalt warmte uit de lucht. Omdat lucht overal aanwezig is, is de potentie van deze bron groot. De hele warmtevraag kan gedekt worden met deze bron, wat een groot voordeel is. De warmte wordt uit de lucht gewonnen met een lucht warmtepomp. Nadeel is dat de warmtepomp op de koudste dagen niet zo efficiënt werkt. Dat komt omdat op het moment dat je de meeste warmte nodig hebt, in de winter, de lucht erg koud is. Dit maakt het moeilijk warmte te onttrekken. Warmte uit lucht kan zowel als warmtebron dienen voor individuele woningen, als voor een kleinschalig warmtenet in de wijk. Bodemwarmte (lage temperatuur) Bodemwarmte is warmte uit de bovenste laag van de aarde. De bodemwarmte wordt uit de bodem gehaald met een gesloten bodemlus. In de zomer wordt de bodem opgewarmd door warm water door de bodemlus te laten stromen. De bodemlus koelt dan direct het gebouw.

In de winter wordt deze warmte weer uit de grond gehaald om de woning te verwarmen. Het lijkt dus qua principe op een WKO, alleen is dit een gesloten systeem. Voordeel van deze bron is dat het individueel toegepast kan worden (dus op een enkele woning of gebouw), en dat de efficiëntie hoger is dan van de lucht-warmtepomp. De totale potentie van bodemwarmte is groot, maar er moet wel rekening gehouden orden met interferentie (concurrentie om de warmte in de bodem) als bodemlussen te dicht bij elkaar geplaatst worden.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

33

7.4

Bronnenstrategie voor warmtenetten

Een warmtenet wordt aangeraden voor een groot deel van de gebouwde omgeving. Er zijn een aantal mogelijke bronnen om een warmtenet te voeden. Geothermie is een veelbelovende mogelijkheid in de SED gemeenten. De potentie is groot en de prijs van warmte laag. Er is echter een groot aantal aansluitingen nodig om geothermie te kunnen gebruiken. Daar starten we met kleinere warmtenetten. Starten met kleinschalige warmtenetten op andere bronnen Op de korte termijn ligt de focus op het aanleggen van kleinere warmtenetten gevoed door andere bronnen. Mogelijke bronnen in de SED gemeenten zijn aquathermie uit het IJsselmeer of Markermeer, biomassa of restwarmte van het warmtenet van Andijk. Ook WKO, bodemenergie of lucht kunnen tot de oplossingen horen. Omdat het niet zeker is dat geothermie op den duur de bron kan vervangen, moet ook de tijdelijke bron voldoen aan de eisen qua kosten en duurzaamheid. Bij de aanleg van deze kleine netten moet nagedacht worden of deze in de toekomst aan elkaar gekoppeld kunnen worden tot één groot netwerk dat geschikt is voor voeding met een geothermie-bron als basis. Daarbij is vooral het temperatuurregime van belang. Geothermie levert meestal warmte tot ongeveer 70 graden. Het warmtenet moet op deze temperatuur ontworpen worden om in de toekomst over te stappen op geothermie.

Bij warmtenetten met een lagere basistemperatuur (zoals aquathermie) kan bijvoorbeeld een centrale warmtepomp gebruikt worden om de gewenste temperatuur van 70 ⁰C te bereiken. Bij het tracé van een warmtenet moet zoveel mogelijk rekening gehouden worden dat de lokale bron op termijn vervangen kan worden door een aansluiting op een regionaal warmtenet gevoed door geothermie. Voor de uitwerking van deze strategie is nog het nodige onderzoek noodzakelijk. Geothermie op de lange termijn Daarom willen we een bronnenstrategie ontwikkelen, waarbij geothermie (MT-bron) op de lange termijn als belangrijkste bron wordt gebruikt. Geothermie fungeert als basislast, andere warmtebronnen zijn nodig om de piekvraag te leveren op de koudste dagen. Groengas, waterstof, biomassa zijn bronnen die hiervoor geschikt zijn. Op de korte termijn zou ook aardgas gebruikt kunnen worden, omdat de piekvoorziening maar een klein deel van de totale warmte levert (15% ongeveer), kan dan toch een flinke besparing op CO2 uitstoot worden behaald. Ook kan gekeken worden naar het bufferen van warmte in de zomer voor de koudste winterdagen, zodat dit als piek ingezet kan worden. We onderzoeken SED-breed de potentie van Geothermie Tijdens de aanleg van de kleine warmtenetten kan parallel onderzoek gedaan worden naar de werkelijke potentie van geothermie.

Hiervoor moet verder onderzoek gedaan worden naar de ondergrond onder de SED gemeenten, een opsporingsvergunning worden aangevraagd en een proefboring worden gedaan. Met de informatie die uit het onderzoek en de proefboring naar voren komt kan een verder plan gemaakt worden. Gezien de schaalgrootte die nodig is voor een warmtenet op geothermie is samenwerking op SED-niveau een belangrijk aandachtspunt. Een enkele geothermiebron heeft waarschijnlijk genoeg potentie om aan meerdere gemeenten warmte te leveren. Een groter netwerk kan zich organisch vormen door een aantal kleine warmtenetten in de SED kan aan elkaar te knopen door middel van een transportleiding. Doordat een groot aantal woningen aangesloten is wordt geothermie rendabel ingezet. De andere bronnen kunnen gebruikt blijven worden als aanvulling op geothermie, bijvoorbeeld als piekvoorziening. Voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de beschikbare biomassa in de gemeente. Ook kan voor de piek gekeken worden naar toekomstige ontwikkelingen, zoals waterstof of tijdelijke opslag van warmte.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

34

osten en betaalbaarheid

8

In hoofdstuk 6 is de meest geschikte techniek per wijk besproken. Welke techniek het meest geschikt is werd bepaald aan de hand van de laagste maatschappelijke kosten. Voor de grote kernen is de verwachting dat een warmtenet de laagste maatschappelijke kosten heeft, voor het buitengebied hebben individuele technieken met de voorkeur. De opbouw van de kosten van verschillende technieken wordt in dit hoofdstuk besproken. In het Klimaatakkoord staat dat ‘de verduurzamin voor iedereen betaalbaar moet zijn, maar ook efinancierd moet kunnen worden.

ok voor de enen die daar nu een toe an toe hebben’.

et kabinet heeft toegezegd de

komende periode middelen vrij te maken om gemeenten te ondersteunen bij de transitie naar aardgasvrije gebieden. De financieringsconstructies kunnen de drempel tot het treffen van verduurzamingsmaatregelen voor bewoners een stuk verlagen. De kosten voor de transitie hangt sterk af van een aantal factoren: •

Het type gebouw: oppervlakte en het aantal buitenmuren van een woning zijn van invloed op de investeringskosten en maandlasten

•

De huidige staat van het gebouw: afhankelijk van de leeftijd van de woning en de mate van onderhoud en renovatie (inclusief de mate van isolatie)

•

Het warmtealternatief dat beschikbaar is in de gemeente: het ene alternatief zal duurder zijn dan het andere. Ook de kostenopbouw verschilt: in de ene optie gaat het vooral om kosten in de woning (all-electric: isolatie, installatie) in de andere optie gaat het vooral om kosten buiten de woning (warmtelevering: infrastructuur). Daarmee komen de investeringen bij verschillende partijen terecht.

•

Ook zijn er externe factoren die de kosten van verduurzaming van een gebouw beïnvloeden, waarvan de belangrijkste marktwerking is. De Transitievisie Warmte wordt om de 5 jaar herzien. Gedurende die periode kunnen er ook op de markt dingen veranderen, waar we dan rekening mee kunnen houden.

Subsidies Subsidies zijn er met name om de ‘onrendabele top’ af te dekken. Een nieuwe maatre el levert vaak besparin op, of meerwaarde voor de woning. Soms is dit niet genoeg om de maatregel terug te kunnen betalen, of is het goed om deze maatregel extra te stimuleren. Er zijn verschillende subsidies: •

Subsidies voor particulieren bij het doen van maatregelen of aanschaf van installaties (ISDE, SEEH

•

Subsidies voor energieproducenten voor het produceren van duurzame energie (SDE+, SDE++)

•

Proeftuinsubsidie aardgasvrije wijken voor gemeenten (PAW).

•

Gemeentelijke subsidies: a

Stede Broec: Energiesubsidie voor bestaande woningen

b

Enkhuizen: Toekomstbestendig wonen lening Enkhuizen, Woonhuissubsidie Rijksmonumenten

c

Drechterland: Energiesubsidie voor bestaande woningen1, Subsidie voor gemeentelijke monumenten

Duurzaamheidsleningen Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand bij de start een grote investering uit eigen geld moet doen. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren. Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent in de regel een lage rente. Er zijn verschillende soorten duurzaamheidsleningen, waaronder:

1 Wordt opnieuw bekeken.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

35

•

Energiebespaarfondsen voor particulieren. Deze zijn er op nationaal (Nationaal Warmtefonds) en provinciaal niveau

•

Starterslening en blijverslening . Deze zijn er vaak op lokaal niveau en kunnen voor een deel worden gebruikt voor duurzame maatregelen.

Maatschappelijke kosten Dit zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om in een wijk of dorp van het aardgas af te gaan, ongeacht wie die kosten betaalt. Dit is inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het gaat hier onder andere om de aanleg van een warmtenet, de verzwaring van het elektriciteitsnet, verwijderen van het gasnet en onderhoud van infrastructuur. Ook de investeringen van de bewoners zitten hierin. De maatschappelijke kosten zijn meegenomen in de afweging om te komen tot de technische oplossingen per gebied, zoals beschreven in hoofdstuk 6. Kosten voor bewoners Kosten voor de bewoners kunnen worden onderverdeeld in investeringskosten en jaarlijkse kosten per woning. De investeringskosten zijn eenmalige kosten voor een duurzamere warmtetechniek. Dit is afhankelijk van de techniek. Voor all-electric warmtepompen moeten bewoners zelf investeren in zowel isolatie als de warmtepomp. Bij collectieve warmtenetten betalen bewoners een aansluitbijdrage om aan te sluiten op een warmtenet. De warmteleverancier investeert in het warmtenet. De jaarlijkse kosten zijn de kosten voor de bewoner voor bijvoorbeeld onderhoud van de techniek en voor de energie, bestaande uit elektriciteit, gas, duurzame gassen of warmte uit een warmtenet.

Wanneer de investering wordt betaald met een verduurzamingslening zullen ook de financieringslasten bij de jaarlijkse kosten worden opgeteld.

Verschil in kosten tussen technieken Verschillende technieken brengen andere kosten met zich mee als het gaat om investeringen en de maandelijkse kosten voor eindgebruikers. Deze kosten worden nader berekend in de uitvoeringsplannen. De globale kosten voor woningeigenaren zijn te vinden op www.milieucentraal.nl en te berekenen met hun rekentool Verbeterjehuis.nl. Tot slot zijn, naast energiebesparing en onderhoud, comfort en toekomstbestendigheid van de woning ook argumenten om rekening mee te houden bij het opstellen van een financiële analyse. Als gemeente gaan we op

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

36

zoek naar de maatschappelijk goedkoopste oplossing op basis van een optimale afstemming met de stakeholders en werken we aan financieringsconstructies en betaalbare proposities voor woningeigenaren. Er is een ‘one-size-fits-all’ oplossin .

aandewe de transitie moet actief ezocht worden naar de juiste

financiële prikkels en instrumenten.

8.1

Opbouw kosten voor verschillende technieken.

Er zitten veel verschillen in de kosten van verschillende technieken. Vanuit het oogpunt van bewoners zijn de verschillende technieken kort beschreven. All-electric warmtepompen. Voor all-electric warmtepompen zijn de investeringen hoog, maar de jaarlasten vaak laag. Bewoners moeten veel doen aan isolatie, aanpassing van het afgiftesysteem (radiatoren, vloerverwarming) en moeten een warmtepomp laten plaatsen. Hier is een flinke investering voor nodig. Voor warmtepompen zijn een aantal subsidies beschikbaar, zoals de ISDE subsidie. De overheid neemt hierbij een deel van de kosten op zich. Door de goede isolatie en de efficiëntie van de warmtepomp is tijdens gebruik het energiegebruik laag. Daardoor zijn ook de energielasten laag. Warmtenetten Bij warmtenetten is de investering en de jaarlasten gemiddeld. De jaarlasten van aansluiting op een warmtenet zijn ongeveer gelijk aan de jaarlasten voor aardgas. Dat komt door de huidige wetgeving, die stelt dat warmte uit een warmtenet niet duurder mag zijn dan dezelfde hoeveelheid warmte die je uit aardgas kan halen. In de toekomst wordt dit losgelaten en zal de prijs van warmte onder de prijs van aardgas liggen. Isoleren is ook bij een warmtenet voordelig omdat de warmtevraag daalt zal ook de energielasten dalen. Om aan te sluiten op een warmtenet is wel een investering nodig. In veel gevallen zal er nog extra geïsoleerd moeten worden.

Ook de aansluitbijdrage aan de warmteleverancier is een investering die ten laste komt van de woningeigenaar. Sinds 2021 is ook voor de aansluiting op een warmtenet ISDE subsidie beschikbaar. Duurzaam gas. Duurzaam gas kent een lage investering voor bewoners maar de jaarlasten zullen waarschijnlijk hoog zijn. De investeringen om over te stappen op duurzaam gas zijn laag. Waarschijnlijk is een aangepaste CV ketel voldoende, mogelijk kan de huidige ketel zelfs omgebouwd worden. De kosten van het duurzame gas zullen echter hoger zijn dan van aardgas. Het is daarom aan te raden het groene gas te combineren met een hybride warmtepomp. De investeringen zijn dan iets hoger omdat er een kleine warmtepomp naast de gasketel geplaatst moet worden. De energielasten van de warmtepomp zijn echter lager.

8.2

Verdeling maatschappelijke kosten

De maatschappelijke kosten zijn de totale kosten voor de maatschappij. Dit is een nuttig gegeven voor de transitievisie, waarin we zoeken naar technieken die overall het minste kosten. Om de bewoners te helpen zijn echter de bewonerskosten van belang. Maatschappelijke kosten worden over verschillende partijen verdeeld. Bijvoorbeeld over de overheid (Rijk, Provincie en gemeenten), netbeheerders, warmteleveranciers, bewoners en energiebedrijven. Afhankelijk van de techniek zijn deze kosten anders verdeeld. Afhankelijk van de gekozen techniek is de verdeling van de kosten anders. All-electric warmtepompen. Bij de grootschalige toepassing van warmtepompen moet in veel gebieden het elektriciteitsnet verzwaard worden. Dit geldt ook bij installatie van zonnepanelen of overstap op elektrisch rijden. De kosten voor deze verzwaring liggen bij de netbeheerder. Omdat deze gefinancierd worden door de overheid worden deze kosten dus indirect betaald uit belastingen. Bij een zwaardere elektriciteitsaansluiting kunnen netbeheerders echter wel een hoger vastrecht vragen, waardoor kosten voor individuele bewoners wel weer toenemen.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

37

Warmtenetten Warmtenetten worden in Nederland (nog) niet gezien als nutsvoorzieningen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het elektriciteitsnetwerk. Dit houdt in dat een commerciële partij het warmtenet en de bron moet aanleggen en exploiteren. Een warmteleverancier verdient deze investering plus winstmarge terug door de verkoop van warmte aan hun klanten. Als bewoner bestaan je jaarlasten uit een vastrecht en de kosten voor energie. Daarnaast vraagt de warmteleverancier vaak een aansluitbijdrage om aan te kunnen sluiten op het warmtenet. Bewoners zijn zelf verantwoordelijk voor de aanpassingen in de woning zoals isolatie. Voor warmteleveranciers is het voor een aantal duurzame technieken mogelijk SDE++ subsidie aan te vragen. Duurzaam gas Duurzaam gas is nog niet beschikbaar, maar de verdeling van de kosten ervan zullen lijken op de huidige constructie met aardgas. (De kosten per eenheid voor duurzaam gas zullen echter naar verwachting wel hoger zijn dan die van het huidige aardgas). Bewoners betalen een vastrecht voor de aansluiting op het gasnet. Daarnaast betalen zij voor de geleverde hoeveelheid gas aan de energieleverancier. Het onderhoud van het gasnet is een publieke taak, die door de netbeheerders wordt uitgevoerd.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

38

9 Communicatie en participatie De SED gemeenten vinden heldere communicatie hun bewoners over de energietransitie erg belangrijk. Bij het opstellen van deze visie zijn verschillende klankbord- en bewonersgroepen uit de drie gemeenten geraadpleegd. In de volgende stappen wordt de transitie voor bewoners steeds concreter. Daarom zetten we in op duidelijke communicatie en participatie met onze inwoners. Onze visie op deze communicatie is te vinden in dit hoofdstuk.

9.1

De rol van de SED gemeenten

De gemeente vervult een belangrijke rol in de energietransitie. Naast deze transitievisie hebben zij de verantwoordelijkheid voor het opstellen en begeleiden van de wijkuitvoeringsplannen en stimuleren van de isolatieopgave. De gemeente heeft vanuit de nationale overheid hierin de regierol gekregen. De gemeente bepaalt zelf hoe zij invulling geeft aan deze regierol om te zorgen dat woningen en gebieden in de gemeente aardgasvrij worden. De SED gemeenten ziet voor zichzelf een regierol die gedurende de transitie ontwikkelt. In de (begin)fase neemt de gemeente de rol in als luisterende regisseur. Een snelle transitie is geen prioriteit, we zetten in op zoveel mogelijk reduceren van de CO2-uitstoot. Deze keuze is gemaakt om diverse redenen: geheel aardgasvrij maken van woningen is vaak kostbaar. We willen kijken naar maatregelen die het meeste CO2 besparen voor zo laag mogelijke kosten. In het vervolg willen de SED gemeenten meer de rol aannemen van een actieve procesregisseur. Voor de kansrijke wijken wordt gestart met het opstellen van wijkuitvoeringsplannen. De gemeente neemt de leiding in dit proces en houd het overzicht van de verschillende ontwikkelingen in deze gebieden. Voor het buitengebied wil de gemeente vooral een platform bieden waardoor inwoners geholpen worden om zelf aan de slag te gaan met verduurzaming.

Tot slot heeft de gemeenteraad van Stede Broec uitgesproken te willen kijken naar mede-eigenaarschap van warmtenetten. Enkhuizen en Drechterland hebben aangegeven eerst naar collectieve systemen te willen kijken. Hoe deze taak ingevuld wordt gaan we bepalen in een volgende fase van de transitie.

9.2

Communicatie en participatie

De gemeente vindt het belangrijk om de inwoners, ondernemers, bedrijven en alle andere partijen in SED gemeente te betrekken bij de warmtetransitie. Hiervoor stelt de gemeente een communicatie- en participatiestrategie op die recht doet aan de (diverse) rollen en de invloed die de gemeente zelf heeft en die stakeholders hebben. Deze strategie geeft duidelijkheid aan inwoners, bedrijven, overheden, instellingen over wat ze kunnen verwachten. Deze strategie wordt per deelgebied (straat of wijk) in de uitvoering in een plan concreet maakt. Dat houdt in dat dan wordt bekeken wat er nodig is voor optimale participatie. Na vaststelling van de TVW door de raden wordt hierover gecommuniceerd naar de inwoners van de gemeente en in het bijzonder naar de inwoners, stakeholder en andere direct betrokken in de aangewezen gebieden. Hierbij zal al een doorkijk gegeven worden naar de stappen om tot een WUP voor het gebied te komen.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

39

et landelijke platform ‘Pro ramma ard asvrije Wijken’2 heeft voor het opstellen van een WUP veel informatie beschikbaar en o.a. een ‘Stappenplan Wijkuitvoerin splan’ en een ‘ andreikin Participatie Wijkaanpak ard asvrij’ op esteld wat oede instrumenten zijn voor de vervol stappen.

et stappenplan kent de vol ende

onderdelen: -

Opstellen wijkanalyse Dit is een verdieping van de analyse dit gedaan is bij het opstellen van de TVW voor deze specifieke wijk. Ook hier zullen stakeholders en inwoners van het gebied belangrijke gesprekspartners zijn.

-

Opstellen projectplan Hier worden samen met betrokken de ambities en uitganspunten voor het plan maar ook de rolverdeling en organisatie verder ingevuld.

-

Opstellen wijkuitvoeringsplan Hier worden onderwerpen als technische oplossing, financiering, bestuurlijke/juridische aspecten, ruimtelijke inpassing en participatie uitgewerkt

-

Vaststellen wijkuitvoeringsplan In deze laatste stap zijn o.a. de vaststelling van het uitvoeringsplan door het college van B&W en de verankering als programma onder de Omgevingswet voorzien.

Voorafgaand aan al deze stappen maar ook tijdens de uitvoering ervan zal gekeken moeten worden naar de organisatie ervan. Hierbij spelen o.a. de volgende vragen: Welke rollen zijn er vanuit de gemeentelijke organisatie nodig? Hoe gaan we dit organiseren? Welke middelen zijn er nodig en beschikbaar? Wat doet de Rijksoverheid met de afspraken hierover in het Klimaatakkoord? Over de antwoorden hiervan zal de raad regelmatig geïnformeerd worden en daar waar nodig om de besluiten gevraagd worden.

9.3

Samenwerking tussen stakeholders

De warmtetransitie is een collectieve opgave die vraagt om bundeling van kennis, investeringen en belangen. De samenwerking van veel verschillende stakeholders en een brede communicatie en participatie is daarom belangrijk. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid, waarin de gemeente de regie heeft. Daarnaast staat de opgave niet op zich, maar maakt deel uit van de bredere energietransitie en klimaatopgave. De belangrijkste stakeholders in de warmtetransitie zijn: •

allereerst zijn dat de SED gemeenten zelf. De gemeenten hebben een regierol bij het opstellen van de TVW.

•

netbeheerder Liander is een belangrijke stakeholder. Liander is verantwoordelijk voor de aanleg en het onderhoud van de elektriciteits- en gasnetten, en aanpassingen van deze netten die noodzakelijk zijn om de energietransitie te faciliteren.

•

In SED gemeenten zijn woningcorporaties Welwonen, De Woonschakel en woningstichting Het Grootslag belangrijke stakeholders. Door de omvang van hun (gezamenlijke) bezit kunnen zij een waardevolle bijdrage leveren aan de duurzaamheidsopgave binnen de energietransitie.

•

De warmtetransitie kan niet plaatsvinden zonder actieve participatie van bewoners en ondernemers. Zij willen en kunnen hun gedrag en woon- en leefomgeving (helpen) aanpassen aan de nieuwe realiteit. Een voorbeeld van de betrokkenheid en motivatie van bewoners is het initiatief in Oude Gouw-Gommerwijk.

De SED gemeenten zijn onderdeel van de RES regio Noord-Holland Noord. De RES komt tot stand met medewerking van verschillende stakeholders zoals de Provincie Noord-Holland en Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. De provincie faciliteert het proces met kennis en financiële middelen. Het waterschap wordt ook betrokken wanneer er kansen in de gemeente zijn op het gebied van aquathermie. 2 https://www.aardgasvrijewijken.nl/themas/regieenorganisatie/uitvoeringsplan/default.aspx

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

40

Bovenstaande is geen uitputtende lijst van stakeholders, gaandeweg de transitie naar aardgasvrij spelen vele andere stakeholders eveneens een rol. Geen enkele stakeholder kan deze transitie zelfstandig bereiken, samenwerking is daarom noodzakelijk.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

41

10

e route naar aardgasvrij in 2050

Aardgasvrij is een lange termijn doel. De SED gemeenten willen alvast beginnen met de eerste stappen op weg naar dit doel. Focus ligt in eerst instantie op isoleren en het nemen van no-regret maatregelen. Parrallel wil de gemeente aan de slag in een aantal wijken met wijkuitvoeringsplannen. Voor het buitengebied en woningen die vrij zeker individueel aan de slag kunnen wordt een eigen wijkuitvoeringsplan uitgewerkt. De routekaart die de SED gemeenten volgen is weergegeven in Figuur 10. De verschillende onderdelen worden kort toegelicht.

Figuur 10 - Routekaart naar aardgasvrij voor de SED gemeenten

10.1 Routekaart tot 2030 We beginnen met isoleren en no-regret maatregelen Een van de uitgangspunten van de SED gemeenten is dat we beginnen met isoleren en energie besparen. Aardgasvrij is geen doel, maar een middel. Het doel is de CO2-uitstoot van de gebouwde omgeving zoveel mogelijk te verminderen. Besparen door het plaatsen van isolatie is altijd een goede keus. Er wordt direct bespaard op aardgas en de jaarlasten zijn lager. Naast isolatie zijn er een aantal andere maatregelen die in alle gevallen bijdragen aan een duurzamere woning en hoger wooncomfort. Het plaatsen van zonnepanelen is bijvoorbeeld een duurzame techniek die in een aantal jaar terug te verdienen is. Andere maatregelen zijn vooral toe te passen op natuurlijk momenten, bijvoorbeeld een verbouwing. Het is dan aan te raden te kijken naar een zuinige douche met warmte terugwinning, elektrisch koken of vloerverwarming. Vloerverwarming geeft een prettig comfort in de woning, maar is ook een techniek die woningen geschikt maakt om op lage temperatuur te verwarmen. Daarmee

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

42

zijn warmtepompen beter geschikt voor de woning. Elektrisch koken is aan te raden bij verbouwing van de keuken, zodat de gasleiding niet aangehouden hoeft te worden wanneer je voor verwarming een andere techniek gaat gebruiken. We gaan aan de slag met wijkuitvoeringsplannen in 6 wijken De SED gemeenten gaan aan de slag in 6 startbuurten. Hiervan zullen Enkhuizen-Noord, Oude GouwGommerwijk het eerst gestart moeten worden, omdat hier binnen korte termijn kansen voordoen. Met de aanpak voor het buitengebied willen we ook op korte termijn starten (zie hierna). Andere wijkuitvoeringsplannen zullen later gestart kunnen worden. In Stede Broec moet een plan voor Plan zuid en Princenhof en Centrum Grootebroek klaarliggen voor het moment dat de straat opengaat voor rioolvervanging. In Drechterland moet gekeken worden of een warmtenet de voorkeur heeft boven individuele technieken. In de wijkuitvoeringsplannen zal de voorkeurstechniek nogmaals vergeleken worden met andere technieken, om zo een goed onderbouwde keuze te maken voor elke wijk. Er wordt breed gekeken naar alle mogelijke technieken zoals all-electric warmtepompen, warmtenetten of de route met hybride warmtepompen en uiteindelijk duurzaam gas. Bij de keuze voor technieken staat uiteindelijk de mening van de bewoners centraal.

Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar de investeringen die bewoners moeten doen, de jaarlasten en praktische zaken als ruimtegebruik in de woning of overlast in de straat. Ook wordt hier gekeken naar de verdeling van de kosten en baten over bewoners, overheid en andere partijen. Als een warmtenet de voorkeur lijkt te hebben wordt naar verschillende bronnen gekeken. Voorbeelden zijn WKO, zonthermie, aquathermie, (lokale) biomassa, buitenlucht of andere lokale bronnen. Waarschijnlijk wordt dan gestart met lokale warmtenetten per wijk. de uitwerking van de bronnenstrategie is een apart spoor (zie ook §7.4). We maken een eigen wijkuitvoeringsplan voor woningen in het buitengebied Voor woningen waarvan zeker is dat er individueel verduurzaamd moet worden, wordt een SED-breed plan opgesteld. Individuele techniek betekend niet dat we niet collectief aan de slag kunnen voor deze woningen. Bewoners worden zoveel mogelijk geholpen in de transitie. De invulling van dit plan zal in een later stadium bepaald worden. Tot de mogelijkheden behoren een goede informatievoorziening naar bewoners, in combinatie met bijvoorbeeld collectieve inkoopacties georganiseerd door de gemeente. Voor de woningen in het buitengebied is een dergelijk plan het meest belangrijk. Collectieve systemen als een warmtenet zijn daar namelijk niet mogelijk.

Er wordt dan vooral ingezet op individuele technieken als warmtepompen of hybride warmtepompen. Mogelijk is deze aanpak uit te breiden. Bijvoorbeeld naar recent gebouwde woningen (na 2012) met goede isolatie, vloerverwarming en goede ventilatie. Voor deze woningen is all-electric namelijk vaak de beste oplossing. Er hoeft enkel nog een warmtepomp geïnstalleerd te worden om aardgasvrij te worden. Of wijken met dit soort woningen zich beter lenen voor de wijkaanpak of worden meegenomen in het individuele plan wordt later bepaald. We onderzoeken de potentie van warmtebronnen als geothermie en restwarmte Geothermie lijkt een zeer goede warmtebron voor de SED gemeenten. We willen de mogelijkheden van deze techniek verder bekijken. Dit begint met een verkennend onderzoek naar de samenwerking en schaal waarmee deze kans en techniek verder onderzocht kunnen worden. Daardoor moet eerst meer inzicht ontstaan in de werkelijke potentie van deze bron. Wanneer we zeker weten dat deze bron genoeg warmte kan lever, gaan we verder kijken naar de inzet van geothermie.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

43

10.2 Vergezicht naar 2050 Verder met wijkuitvoeringsplannen en aanpak individuele woningen Voor 2030 zijn we in de eerste wijken begonnen met de wijkuitvoeringsplannen. Er moeten echter nog veel wijken na 2030 worden gedaan. Voor alle wijken waar niet direct gestart wordt met een wijkuitvoeringsplan geldt dat er altijd mogelijkheden zijn om wel alvast aan de slag te gaan (zie figuur 11).

Figuur 11 – Duurzaamheidsopties voor individuele woningen waarmee nu al gestart kan worden

De verwachting is dat het tempo richting 2050 steeds sneller gaat, waardoor we naarmate het einde nadert steeds meer gaan verduurzamen. Dit wordt mogelijk gemaakt door ervaring die opgedaan is in de eerste wijken. Inzetten op het koppelen van warmtenetten met geothermie als bron De eerste kleinschalige warmtenetten in de SED gemeenten zullen door verschillende bronnen gevoed worden. Na 2030 is hopelijk een kritische hoeveelheid gebouwen en woningen aangesloten op warmtenetten. Door het aan elkaar koppelen van de verschillende kleine netten met een transportleiding ontstaat dan een groot warmtenet voor de SED gemeenten. Geothermie kan dan de kleinschalige bronnen vervangen of aanvullen. Tot slot is het belangrijk de piekvraag te verduurzamen. Bij de aanleg van warmtenetten zal deze piekvraag waarschijnlijk nog door aardgas verzorgd worden. In de toekomst moet ook de piekvraag door duurzame bronnen verzorgd worden. Hier kunnen bijvoorbeeld de kleinschalige technieken, die eerst de bron waren voor lokale netten, gebruikt worden. Ook kan hier gekeken worden naar toekomstige innovaties. Voorbeelden zijn hiervan piekvoorzieningen op duurzaam gas of hoge temperatuur opslag in de ondergrond. Oplossing voor woningen met een hybride warmtepomp De woningen in het buitengebied zullen aansluiten op een warmtepomp of op een hybride warmtepomp.

De hybride warmtepomp zal de eerste jaren aardgas gebruiken. Om aardgasvrij te worden moet hier op termijn een oplossing voor gevonden worden. De opties die nu mogelijk lijken zijn alsnog overstappen op all-electric of overstappen op duurzaam gas.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

44

Een aantal woningen zal de hybride warmtepomp moeten blijven gebruiken. Het aardgas moet dan op termijn vervangen worden door duurzaam gas. Reden dat de woningen afhankelijk blijven van de hybride warmtepomp is omdat ze niet op het gewenste isolatieniveau kunnen komen, bijvoorbeeld omdat er geen spouwmuur is of omdat het een monumentaal pand is. Voor deze woningen blijft de gasleiding dus intact en wordt het aardgas vervangen worden door duurzaam gas. Dit zal enkele aanpassingen vereisen aan de gasketel, of mogelijk moet de gasketel vervangen worden door een nieuw exemplaar. Deze optie lijkt aantrekkelijk maar er is veel onzekerheid over de prijs en beschikbaarheid van duurzaam gas in de toekomst. Bij de overstap naar all-electric wordt de hybride warmtepomp vooral gebruikt als tijdelijke energie efficiënte oplossing. In de tijd dat de hybride warmtepomp gebruikt wordt kan de woning stapsgewijs beter geïsoleerd worden, zodat de hybride warmtepomp een steeds groter deel van de verwarming voor zich neemt en er uiteindelijk geen ketel meer nodig is. De ketel wordt dan vervangen door een warmtepomp en een boilervat voor warm water, waardoor de woning gasloos is.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

45

Bijlage 1 -

e opgave in

De Transitie naar een aardgasvrij is een flinke opgave. Door de opgave te verspreiden over de komende 30 jaar blijft de opgave behapbaar voor de gemeente en bewoners. In deze bijlage wordt de opgave voor de SED gemeenten geschetst.

B1.1 De warmtevraag en het aardgasverbruik Gemeente breed In Figuur 11 wordt de totale warmtevraag van de gemeente weergegeven over de verschillende sectoren. De totale warmtevraag van SED gemeenten bedraagt 1.200 TJ (vergelijkbaar met 43 miljoen m3 aardgas). Dit is bepaald op basis van het werkelijke gasgebruik van Liander, aangevuld met een schatting van de warmtevraag van utiliteit. De warmtevraag per wijk is weergegeven in Figuur 12. In de TVW wordt alleen gekeken naar aardgas dat wordt gebruikt voor het verwarmen van de gebouwde omgeving en het verhitten van tapwater. Het gaat daarbij om het verwarmen van alle woningen en gebouwen, maar exclusief proceswarmte (warmte die benodigd is voor industriële processen). De gebouwen die niet bedoeld zijn om in te wonen, zoals kantoren en scholen, noemen we utiliteitsgebouwen. Voor dit gasverbruik moeten alternatieven worden gevonden voor 2050. Van de totale warmtevraag in de SED gemeenten wordt 92% gebruikt voor woningen.

Figuur 12 - Warmtevraag SED gemeenten

De warmtevraag van de gebouwen in de SED is een groot deel van het totale energiegebruik. In totaal hebben de drie gemeenten gezamenlijk een energievraag van 4.300 TJ per jaar. Hiervan is 28% nodig voor het verwarmen van woningen. Het totale gasgebruik van de drie gemeenten is 2.350 TJ per jaar. Hiervan is de helft nodig voor het verwarmen van woningen. De rest is nodig voor industrie, landbouw en opwek van elektriciteit.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

46

Figuur 13 - Warmtevraag per buurt

In de woning Waar gebruiken we aardgas precies voor in onze woningen? Ongeveer 75 procent gebruiken we voor het verwarmen van de ruimte, 20 procent voor warm water (voornamelijk douchen) en een heel klein deel voor het koken.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

47

B1.2 Woningen in de SED gemeenten Woningen spelen een grote rol in de Transitievisie Warmte. De verduurzaming van de industrie is een ander terrein, en valt buiten de Transitievisie Warmte. Deze sector kent een eigen route vanuit het klimaatakkoord. Van alle gebouwen zijn de meeste gebouwen woningen. Door het grote aantal verdient de verduurzaming van woningen veel aandacht in de visie. In Figuur 13 is te zien dat woningen een groot deel van de totale oppervlakte van gebouwen voor zijn rekening neemt, ongeveer 65%. Daarnaast is een groot gedeelte van het gebouwoppervlakte industrie, waar ook landbouwbedrijven onder vallen.

Functies, oppervlakte 5,1 mln m2 logies, 1%

sport, 1%

cel, 0%

onderwijs, 1% gezondheidszorg, 1%

overige, 1%

bijeenkomst, 2%

industrie, 22%

woning, 65%

winkel, 4% kantoor, 2% Figuur 14 - Functies gebouwen naar oppervlak

In de visie is het belangrijk te weten waar de woningen liggen. Grote kernen, waar de bebouwingsdichtheid met woningen relatief hoog is, zijn namelijk geschikt om aan te sluiten op een warmtenet. Voor kleine kernen of vrijstaande woningen in het buitengebied zijn alleen individueel toe te passen technieken mogelijk. Veel woningen in de SED liggen in een drietal grote kernen die dicht bij elkaar liggen. Dit zijn de kernen van Enkhuizen, Stede Broec en Hoogkarspel. Daarnaast zijn er nog een aantal kleine kernen als Venhuizen en Westwoud. In totaal staan er 26.517 woningen in de drie gemeenten. Ongeveer 81% (+/- 21.000) van deze

Ligging woningen in de SED gemeenten Buitengebied 19%

Totaal aantal woningen: 26.517

Kern 81% Figuur 15 - Woningen in kernen en buitgebied

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

48

woningen staan de in de 3 kernen. De rest van de woningen (19% of +/- 5000 woningen) staan in het buitengebied. Hiervan staan ongeveer 2000 woningen in de kernen van Venhuizen en Westwoud. De verdeling van de woningen over de kernen en het buitengebied is te zien in Figuur 14.

Bouwjaar woningen in de SED gemeenten 2012-heden 5%

1992-2011 27%

Totaal aantal woningen: 26.517

t/m 1945 17%

1945-1964 7%

1965-1974 20% 1975-1991 24%

Figuur 16 - Bouwperiode woningen

Een ander belangrijk gegeven is het bouwjaar van de woningen omdat deze een goede indicatie geven van de huidige isolatiegraad en de redelijkerwijs te behalen isolatiegraad in de toekomst. De bouwjaren van woningen in de SED gemeenten is weergegeven in Figuur 15. De oude woningen van voor 1945 staan vooral in het buitengebied, als oorspronkelijke lintbebouwing in de kernen van Stede Broec en Drechterland en in het historische centrum van Enkhuizen. Deze woningen zijn lastig aardgasvrij te maken. Woningen gebouwd na 1992 zijn relatief eenvoudig aardgasvrij te maken. Een groot deel van de woningen in de SED gemeenten komen uit deze periode, 32% van alle woningen. Woningen gebouwd na 2012 (5%) kunnen met een warmtepomp verwarmd worden. Woningen gebouwd tussen 1992 en 2011 zullen nog extra maatregelen moeten treffen zoals aanpassingen aan de verwarming en extra isolatie, bijvoorbeeld van het glas. De woningen tussen 1945 en 1992 kunnen nog verder geïsoleerd worden. Deze groep woningen is geschikt voor aansluiting op een warmtenet, maar ook andere technieken zijn hier mogelijk. Voor deze woningen zal de voorkeurstechniek bepaald moeten worden in de wijkuitvoeringsplannen. De woningen tussen 1945 en 1964 zijn vaak slecht geïsoleerd, maar hebben wel een spouwmuur die goed nageïsoleerd kunnen worden.

Deze bouw heeft veel variatie in bouwkwaliteit, waardoor er goed naar wijken en woningen gekeken moet worden. De woningen tussen 1965 en 1975 zijn over het algemeen van betere kwaliteit, en hebben eveneens een brede spouw die geïsoleerd kan worden. De woningen tussen 1975 en 1992 zijn al matig geïsoleerd, waardoor een deel van de spouw al geïsoleerd is.

Tot slot is gekeken naar het corporatiebezit in de SED gemeenten. De woningcorporaties zijn een belangrijke speler, omdat zij in een keer een groot aantal woningen kunnen verduurzamen. In totaal zijn ongeveer 6000 woningen in het bezit van corporaties, ongeveer 22% van alle woningen in de gemeente of 27% van de woningen in de kernen.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

49

Bijlage 2 -

oorlopen proces

Om te komen tot een gedragen Transitievisie Warmte in de SED gemeenten zijn een aantal belangrijke stappen gemaakt. Door deze stappen te doorlopen zorgen we voor een visie die breed gedragen is door bewoners, de gemeente en verschillende stakeholders. Startpunt: Gemeenteraden willen naar een breed gedragen visie. Het startschot voor het opstellen van de Transitievisie Warmte is de opdracht van de gemeenteraden van Drechterland, Enkhuizen en Stede Broec om een gezamenlijke visie op te stellen voor de drie gemeenten. Eind 2019 is deze opdracht gegeven waarna gestart is met de visie. De energietransitie is complex, en om de juiste technische kennis in huis te halen is een samenwerking aangegaan met adviesbureau DWA. De SED gemeenten liepen voor ten opzichte van andere gemeenten en hadden DWA al opdracht gegeven om een technische analyse van de mogelijkheden te doen. Deze ‘Verkennin aardgasvrij Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland’ is eind 2019 voorgelegd aan de 3 raden en is ter kennisname aangenomen. Hierna is door de SED gemeenten de opdracht voor het opstellen van een TVW geformuleerd, waarvoor DWA gevraagd is om ondersteuning te leveren. Hierbij heeft DWA gebruik gemaakt van de opgedane kennis en heeft de eerdere technische analyse gebruikt voor het opstellen van een gedragen visie. In de zomer van 2020 is hiervoor opdracht gegeven aan DWA.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

50

De SED gemeenten hebben daarna in samenwerking met projectbureau DWA een aantal stappen doorlopen. Deze stappen zijn te zien in Figuur 16 en worden hieronder kort samengevat. 1. Informatie ophalen bij stakeholders Er is gestart met een tweetal stakeholdersessies. Deze sessies zijn gebruikt om de stakeholders te informeren over de aanstaande opgave, plannen en kansen op te halen en de eerdere studie te herijken. Resultaat zijn een aantal kansen en randvoorwaarden voor de Visie. 2. Uitgangspunten van de gemeente bepalen Een van de belangrijkste stappen is het bepalen van de uitgangspunten van de gemeenteraden. Deze uitgangspunten geven namelijk richting aan de visie, de keuze voor kansrijke startwijken en voorkeurkeurstechnieken. Er is gestart met een thema avond per gemeenteraad in november en december (2020). Hierin zijn het proces, de analyse en de eerste resultaten toegelicht en zijn d.m.v. een interactieve sessie de uitgangspunten opgehaald. De uitgangspunten zijn vervolgens januari (2021) bepaald door de drie gemeenteraden. 3. Bewoners en klankbordleden toetsen De uitgangspunten en de eerste technische analyse zijn getoetst bij de klankbordgroep van de SED gemeenten. Dit is gedaan door middel van een online sessie in maar (2021) met een gemengde groep klankbordleden uit verschillende leeftijdscategorieën

Figuur 17 - Stappen tot vaststellen Transitievisie Warmte

en uit de drie verschillende gemeenten. Besproken punten in deze sessie zijn: •

De groep kon zich vinden in de uitgangspunten van de raden.

•

Feedback op de technische analyse met als belangrijkste punt dat binnen wijken de bouwjaren van woningen kan verschillen, met als gevolg dat je niet alle wijken als één uniform geheel moet beschouwen. DWA heeft hier in de volgende stappen aandacht aan gegeven.

•

Getoetst of de verstrekte informatie voldoende en begrijpbaar is. De groep kon de informatie goed volgen waarom de visie er zo uit zag en snapte de conclusies uit de analyse. Hiermee is richting gegeven op de invulling van de bewoners avonden in de drie .

•

Oproep om naast de wijkaanpak ook bewoners te helpen die buiten de wijken wonen waar de Wijkuitvoeringsplannen worden gestart.

4. Uitvoeren technische analyse Aan de hand van de uitgangspunten van de gemeenteraad, de voorgaande technische analyse van DWA en de richting van de klankbordgroep is begonnen met het opstellen van de visie en de technische onderbouwing daarvan. Het identificeren van kansrijke wijken om te starten met de wijkuitvoeringsplannen is een belangrijk onderdeel van de visie. Aan de hand van de uitgangspunten van de gemeenteraden zijn een aantal selectiecriteria opgesteld

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

51

waarop de keuze voor kansrijke wijken is gebaseerd. Samen met de technische en sociale kansen in de gemeenten is door middel van een afwegingskader een aantal wijken geïdentificeerd. Dit afwegingskader is niet gewogen, omdat het al snel duidelijk werd welke wijken kansrijk waren en welke pas na 2030 aan bod komen. Omdat het buitengebied met vrijstaande woningen niet geschikt is voor een wijkaanpak, is de wens uitgesproken om voor het buitengebied een aparte aanpak te maken. Doel is om collectief aan de slag te gaan met individuele technieken. Daarnaast zijn een aantal technische vragen beantwoord. Door middel van het Wijkmodel van DWA is gekeken naar de techniek met de laagste maatschappelijke kosten per wijk. Dit is vergeleken met de startanalyse van het PBL om tot een onderbouwde voorkeurstechniek per wijk te komen. Voor de wijken waar een warmtenet als voorkeurstechniek naar voren komt is een analyse gedaan van de verschillende warmtebronnen in de SED gemeenten. 5. Toetsing resultaten bij klankbord- en bewonersgroepen De bewonersavonden is vooral gericht op het toetsen van de resultaten. Hiervoor is voor elke gemeente, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec, een bewonersavond georganiseerd. Door middel van oproepen in de krant, social media en de website van de gemeente konden bewoners zich aanmelden voor deze avonden.

Resultaat is een toetsing of de visie te begrijpen is en de steun van een groep bewoners kan verdienen. De klankbordgroep is samengesteld via het netwerk en een algemene oproep voor deelname in de media. Ook hier was het doel vooral te toetsen of de resultaten duidelijk zijn en of klankbordleden zich kunnen vinden in de resultaten. Daarnaast is in deze sessie ook nog verdiepend gekeken naar de volgende stappen: De wijkuitvoeringsplannen en de aanpak voor het buitengebied. Er is gekeken hoe we bewoners bij deze stappen kunnen betrekken, en waar rekening mee gehouden moet worden. 6. Rapporteren van de resultaten De uitkomsten van het proces hebben geleid tot een brede Visie voor de transitie naar duurzame manieren van verwarmen. Via een themabijeenkomst voor de drie gezamenlijke raden van SED gemeenten zijn alle raden geïnformeerd over het resultaat zoals vastgelegd in deze rapportage. 7. Vaststellen van de visie De laatste stap in het proces is het vaststellen van de visie door de gemeenteraad.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

52

Bijlage 3 - an uitgangspunten naar selectie De totstandkoming van de uitgangspunten De uitgangspunten van de gemeenteraad leveren belangrijke input voor de analyse die leidt tot de selectie van kansrijke wijken, en vormen daarmee een belangrijk onderdeel van de Transitievisie Warmte. Voor het vaststellen van de uitgangspunten zijn de volgende stappen gezet: •

In thema bijeenkomsten zijn de drie gemeenteraden apart op de hoogte gebracht van de warmte transitie en zijn de belangrijkste aandachtspunten besproken. Door middel van een interactieve sessie is een eerste opzet van de uitgangspunten opgesteld.

•

De opgehaalde uitgangspunten in de thema bijeenkomsten zijn aan de 3 raden voorgelegd. In Stede Broec en Enkhuizen hebben de raden door middel van een besluit de uitgangspunten bekrachtigd. In Drechterland volstond de terugmelding van de opgehaalde uitgangspunten.

Vertaling van de uitgangspunten naar selectiecriteria voor kansrijke wijken De keuze van de kansrijke wijken wordt voor een groot deel bepaald door de uitgangspunten van de gemeente. De uitgangspunten zelf zijn volledig beschreven in Hoofdstuk 3. De uitgangspunten zijn daarvoor vertaald naar bepaalde selectiecriteria. In tabel 2 staat welke uitgangspunten tot welke selectiecriteria leiden. Hoe de selectiecriteria beoordeeld zijn is vervolgens weergegeven met -, +/-, + of ++. Hoe elke criteria beoordeeld is staat aan de rechterkant van tabel 2.

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

53

Tabel 2 - Vertaling uitgangspunten naar selectiecriteria

Uitgangspunt

Selectiecriteria

Beoordeling

-

+/-

+

++

We starten met

Woningen hebben

Wijken gebouwd Wijken gebouwd Wijken gebouwd

isoleren

een goede potentie

na 2012.

tot energiebesparing

voor 1945 of

tussen 1945 en

tussen 1992 en

1992

2011 Iedereen kan

We beginnen in

20-50% van de

0-20% van de

meedoen

wijken met

woningen heeft

woningen heeft

voldoende

hoogste

hoogste

draagkracht

gasgebruik en

gasgebruik en

laagste inkomen laagste inkomen

We sluiten aan

Renovatie

waar kansen zijn corporatiebezit

of inkomen

of inkomen

boven 24.000

boven 28.000

euro per jaar

euro per jaar

Corporatie heeft Corporatie gaat

Gebiedsgerichte

renovatie

aan de slag met

renovatie/

gepland

isolatie

Overstappen op aardgasvrij alternatief

Rioolvervanging

Noodzaak tot

Concrete

opgave binnen 10

vervanging voor

plannen binnen 5

jaar

2030

jaar

Vervanging van het

Noodzaak tot

Concrete

gasnet binnen 10

vervanging voor

plannen binnen 5

jaar

2030

jaar

Roeringsgevoelige

Wanneer er iets

gasleidingen

in de grond gebeurt, moeten gasleidingen ook vervangen worden

We benutten

Wijken met

Bewoners staan Bewoners willen Bewoners

energie in de

bewonersinitiatieven

open voor

verduurzamen,

hebben al een

verduurzaming.

maar weten nog

concreet plan en

niet hoe.

hebben hulp

gemeenten

nodig van de gemeente. We staan open

Alleen startten in

Geen duidelijke

Duidelijke

Duidelijke

voor innovatie

wijken met een

voorkeur voor

voorkeur

voorkeur

duidelijke voorkeur

een techniek.

techniek. De

techniek. De

voor een bepaalde

Verschil tussen

maatschappelijke maatschappelijke

techniek

technieken

kosten zijn meer kosten zijn meer

Transitievisie Warmte Stede Broec, Enkhuizen, Drechterland

54

minder dan 300 dan 300 euro per dan 500 euro per euro per jaar.

jaar.

jaar.

We onderzoeken Lokale warmtebron

Er is een

Er is een bron

collectieve

mogelijke bron

aanwezig die

heeft potentie.

bronnen eerst

die gebruikt moet direct gebruikt worden.

kan worden.

Onderzoek is nodig. Nieuwbouwprojecten

Er is de

Er zijn concrete

komende 5 jaar

plannen voor de

nieuwbouw

komende 2 jaren.

gepland.

Een van de uitgangspunten is dat gestart wordt met isoleren. Om dit te vertalen naar een selectiecriteria wordt gekeken naar het bouwjaar van de woningen, omdat dit een maatstaaf is voor de besparing die nog kan worden behaald met isolatie. De wens om de transitie betaalbaar te maken voor iedereen moet vooral ingevuld worden in de volgende stap. Er is namelijk altijd een investering nodig. Hoe de lasten verdeeld worden is een vraag voor de volgende stap, de wijkuitvoeringsplannen. Bij het opstellen van deze visie is in ieder geval gekeken naar de draagkracht van bewoners, uitgedrukt in het jaarlijks inkomen, spaargeld en een indicator voor energiearmoede. De gemeenten willen het draagvlak zoveel mogelijk het tempo laten bepalen. Daarom wordt vooral gekeken naar wijken waar bewoners zelf al actief bezig zijn met de energietransitie. Deze actieve groepen worden bij de keuze voor een startbuurt extra ondersteund. Het aansluiten op gebieden waar kansen liggen leidt tot een aantal criteria. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar de renovatieopgave van de drie woningcorporaties in de SED gemeenten. Woningcorporaties zijn vaak koplopers in de verduurzaming en als een woningcorporatie een substantieel deel van het woningbezit in een wijk in handen heeft en er tevens verduurzamingsplannen zijn, dan kan dit een kans creëren om in zo’n buurt te starten met de aardgasvrij-opgave.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10478057/1