Ruimtelijke onderbouwing Zonneweide Peijnenburg
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Zonneweide Koninklijke Peijnenburg Enkhuizen Gemeente Enkhuizen
Datum:
28 oktober 2022
Contactpersoon Buro SRO:
H.J.M. van Arendonk | F.M Polderman
Kenmerk Buro SRO:
SR220278
Opdrachtgever:
Zonnegilde
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 8
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 11 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 13
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 15 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 15 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 16 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 16 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 17 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 17 4.6 Lichtreflectie ..................................................................................................................................................... 18 4.7 Externe veiligheid ..............................................................................................................................................
18 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 19 4.9 Water ................................................................................................................................................................ 20 4.10 Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................................................................ 21 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 22
5 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 24 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 25
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens een zonneweide te realiseren op het perceel Oosterdijk 3E in Enkhuizen, achter de koekfabriek van Koninklijke Peijenburg. De energie die met de zonneweide wordt opgewekt dient de koekfabriek van energie te voorzien. De restenergie zal terug aan het energienet geleverd worden. Initiatiefnemer heeft op 25 mei 2022 voor de beoogde ontwikkeling een principeverzoek bij de gemeente Enkhuizen ingediend. De gemeente heeft bij brief van 20 juli 2022 (kenmerk 979491) aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek, onder de volgende voorwaarden:
• •
een positief advies van de Welstandscommissie van de gemeente Enkhuizen; ondertekening van een planschadeovereenkomst.
De beoogde ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan 'Kadijken'. Artikel 3.2 sub c onder 5 van het bestemmingsplan bepaalt dat de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde ten hoogste 100 m² mag bedragen. De beoogde zonneweide heeft een oppervlakte van ongeveer 10.000 m². De zonneweide dient te worden gekwalificeerd als een bouwwerk, geen gebouw zijnde en is wegens de oppervlakte in strijd met het bestemmingsplan. Voor de aanleg van de zonneweide dient een uitgebreide afwijkingsprocedure van het bestemmingsplan (conform artikel 2.12, lid 1 onderdeel a onder 3 van de Wabo) gevolgd te worden. Een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan slechts worden afgegeven indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De omgevingsvergunning moet dan ook voorzien zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende document voorziet hier in.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied betreft het terrein aan de Oosterdijk 3E in Enkhuizen, achter de Enkhuizer Koekfabriek Peijnenburg, in het noordelijke deel van Enkhuizen. Het plangebied maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel gemeente Enkhuizen, sectie H, perceelnummer 940. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
4
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan De planlocatie ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Kadijken', vastgesteld op 5 februari 2013 door de raad van de gemeente Enkhuizen. Dit bestemmingsplan is op 14 januari 2014, met de uitspraaknr 201304383/1/R1 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onherroepelijk geworden. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede bestemmingsplan 'Kadijken', plangebied rood omlijnd (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Bedrijf', voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, alsmede voor een productiebedrijf van levensmiddelen in de vorm van koek, biscuit en aanverwante producten. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bouwvlak, voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken. Tevens zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, waarvan de oppervlakte ten hoogste 100 m² mag bedragen.
5
De beoogde zonneweide vormt een bouwwerk, geen gebouwen zijnde en past met de beoogde oppervlakte van ongeveer 10.000 m² derhalve niet binnen deze bestemmingsbepalingen. Tevens geldt ter plaatse het Parapluplan Enkhuizen, vastgesteld op 3 oktober 2017. Relevant in dit verband is dat dit parapluplan zorgt voor een algemene regeling voor parkeren.
1.4 Leeswijzer Dit hoofdstuk is de inleiding op het plan. In hoofdstuk 2 wordt het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. In hoofdstuk 5 wordt de economische uitvoerbaarheid doorgenomen. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan beschreven.
6
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het noordoostelijke deel van Enkhuizen, een kern en gemeente in de regio West-Friesland. Het plangebied grenst in het noorden en het westen aan het buurtbos Enkhuizen. Verder ten noorden van het plangebied bevindt zich het bedrijvencomplex met kassen van Enza Zaden. Het plangebied bevindt zicht direct ten westen van de Enkhuizer Koekfabriek van Koninklijke Peijnenburg. De onderstaande afbeelding toont een impressie van het entree naar de koekfabriek. Achter de bebouwing bevindt zich het plangebied van het onderhavige initiatief.
Impressie oprit/afrit van de Koekfabriek Peijnenburg (bron: google.steetview, d.d. april 2021)
Het plangebied betreft een grasveld gelegen achter de koekfabriek. Het is onderdeel van het perceel van de koekfabriek en is momenteel geheel onbebouwd. Aan de noord- en westzijde wordt het veld afgeschermd door een overgroeid hek. Alleen via de oprit van de Enkhuizer Koekfabriek Peijnenburg, vanaf de Oosterdijk, is het plangebied te bereiken.
7
De onderstaande afbeelding toont een impressie van het plangebied.
impressie plangebied (bron: initiatiefnemer)
2.2 Toekomstige situatie Met de beoogde ontwikkeling wordt een zonneweide beoogd op het onbebouwde veld ten westen van de Enkhuizer Koekfabriek Peijnenburg. Naar verwachting zal ca. 60% van de opgewekte energie voor eigen verbruik zijn en zal de overige 40% van de opgewekte energie aan het energienet worden teruggeleverd. Hierover zijn afspraken gemaakt met Liander. Onderstaande afbeelding toont de situering van de beoogde zonneweide.
Concepttekening beoogde zonneweide (bron: Zonnegilde, d.d. 19 september 2022)
In totaal wordt er ca. 10.000 m² aan zonnepanelen aangelegd, met bijbehorende voorzieningen. De panelen worden in de grond vastgezet met pinnen die tot 50 cm in de grond reiken. Door ligging achter de koekfabriek en door de begroeiing rondom het plangebied zullen de zonnepanelen voor buitenstaanders
8
buiten het zicht blijven. Het terrein onder de zonnepanelen blijft groen van karakter. De voorgenomen ontwikkeling zal in de nabije toekomst aan de welstandscommissie voorgelegd worden. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de installatie van zonnepanelen.
Impressie zonnepanelen (bron: Tree System)
9
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het onderhavige initiatief draagt in algemene zin bij aan de als derde genoemde prioriteit. Maar gezien de aard en omvang van het project is de Nationale Omgevingsvisie niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Nationale Omgevingsvisie zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling geen raakvlak met één van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen. De belangen van het Barro zijn derhalve niet specifiek van toepassing, waarmee het geen belemmering vormt voor voorliggende planontwikkeling. 3.1.3 Ladder van duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
10
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling In dit verband is relevant of hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt voor ontwikkelingen in de vorm van een terrein 'in beginsel' als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt. Met de beoogde ontwikkeling wordt een zonneweide gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 10.000. Daarmee is er sprake van een toevoegen van een terrein met een ruimtebeslag groter dan 500 m² en wordt de ontwikkeling gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderstaand zal worden ingegaan op de ligging van het plangebied en de behoefte aan de beoogde ontwikkeling. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied bevindt zich aan de noordzijde van de kern Enkhuizen. In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden van het plangebied reeds voorzien van een bedrijfsbestemming en van een bouwvlak behorend bij de koekfabriek van Peijnenburg. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied ligt.
Behoefte Er bestaat een behoefte om te komen tot een duurzame energievoorziening. De SED gemeenten (Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland) hebben de ambitie om al in 2040 energieneutraal te zijn. Om dat te bereiken is grootschalige opwek van duurzame elektriciteit nodig. Deze ambitie is vastgelegd in de Regionale Energiestrategie (RES) van de regio Noord-Holland Noord. De regio Noord-Holland Noord wil 3,6 TWh duurzame energie in 2030. Zonneweide Peijnenburg Enkhuizen draagt zichtbaar bij aan het behalen van de regionale doelstellingen en ambities. Conclusie Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte en voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a. b. c.
Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
11
Gebruik van de leefomgeving a.
b.
c. d.
Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie a.
De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten en houvast te bieden. Daarvoor wordt een aantal bewegingen voor de toekomst benoemd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst. Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging. Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem. Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal. Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector.
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek De ambitie van de provincie is onder andere het streven naar een goede balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling. Om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en te versterken is een goed beheer van de bestaande kwaliteiten en het toevoegen van nieuwe kwaliteiten van belang. Er dient te worden voldaan aan de wettelijke basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel dat deze waarden en karakteristieken van landschap en cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. Omdat de beoogde ontwikkeling enkel bestaat uit de realisatie van een zonneweide op een locatie die momenteel reeds over een bedrijfsbestemming met een bouwvlak beschikt, zullen de waarden en karakteristieken van het landschap niet worden aangetast. Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld.
Hierin zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving.
12
In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRAregio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
•
het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;
• •
het behoud en herstel van de biologische diversiteit; het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken. Planspecifiek In artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 wordt gesteld dat een ruimtelijk plan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakt schriftelijke afspraken. In toelichting paragraaf 3.1.3 is ingegaan op de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Hieruit is gebleken dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.62 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. Met de beoogde ontwikkeling wordt een zonneweide gerealiseerd. Het plangebied is volledig onverhard. Met de beoogde ontwikkeling worden zonnepanelen geïnstalleerd, maar er wordt geen extra verharding aangelegd. Uit de Klimaateffectatlas blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een kleine kans op overstromingen. Het plangebied word door bestaand groen omgeven. De effecten van hitte en droogte zijn voor de beoogde ontwikkeling niet van toepassing.
Conclusie Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020. Derhalve kan worden gesteld dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Stadsvisie Enkhuizen Op 2 december 2009 is de stadvisie Enkhuizen 2030 vastgesteld door de raad van de gemeente Enkhuizen. In de Stadsvisie is beschreven dat Enkhuizen in 2030 een gewilde woonplaats zal zijn door de combinatie van kleinschaligheid en levendigheid. Teven wil Enkhuizen in 2030 een modern zijn met een zichtbaar rijke geschiedenis als waterstad. Het is een functionele en overzichtelijke stad, door slimme zonering van gerichte gebieden voor toerisme, wonen en werken. De drie pijlers van het Enkhuizen van 2030 zijn:
• • •
een uniek historisch hart dat in de eerste plaats een rustige plek is voor bewoners; een sterke toeristische functie die zich ook uitstrekt naar het buitengebied; Seed Valley: grootschalige werkgelegenheid in de buitenste ring van Enkhuizen, zoals op Krabbersplaat en de Schepenwijk.
13
Planspecifiek In 2030 wil Enkhuizen in de top 25 van de Noord-Hollandse Energieneutraal Index staan. De gemeente wil dat de energievraag wordt verminderd en dat er zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van duurzame energie. Met de beoogde ontwikkeling wordt een zonneweide gerealiseerd. Hiermee kan de koekfabriek van Koninklijke Peijnenburg zich van eigen energie voorzien en ook nog eens energie terugleveren aan het energienet. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Stadvisie Enkhuizen 2030.
14
4 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk zal, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling past binnen de uitwerkingsregels van het globale bestemmingsplan en past binnen de geldende milieuwetgeving. Hiermee wordt aangetoond dat onderhavig project uitgaat van een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene
15
wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is momenteel bestemd als 'Bedrijf'. Het voorgenomen plan omvat het plaatsen van zonnepanelen in een veldopstelling. Gezien de beperkte aard en omvang van deze ontwikkeling en de ligging van het plangebied in op een bedrijventerrein is bij het voorgenomen plan geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom D 11.2 zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Evenmin is de beoogde herontwikkeling te categoriseren als een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan (Besluit m.e.r., kolom D 9) of als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (Besluit m.e.r., kolom D 11.3). Een m.e.r. toets, al dan niet vormvrij, is niet noodzakelijk. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen voor een gewogen besluit omtrent dit uitwerkingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Derhalve zal opstellen van een milieueffectrapportage geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een zonneweide gerealiseerd. Het plangebied bevindt zich aan de westzijde van een bedrijfspand. Deze gronden hebben in de huidige situatie een bedrijfsbestemming. De beoogde ontwikkeling betekent geen wijziging naar een strenger bodemgebruik. Een bodemonderzoek wordt voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de geluidgevoelige objecten beschermd aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet niet in de realisatie van geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Er wordt tevens geen nieuw geluidgezoneerd industrieterrein, een nieuwe weg of een nieuwe
16
spoorweg mogelijk gemaakt. Daarmee is de Wet geluidhinder in het onderhavige geval niet relevant en is een akoestisch onderzoek niet vereist. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 μg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een zonneweide gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 10.000 m². Het voorliggende initiatief is een kleinschalige ontwikkeling. Derhalve kan de ontwikkeling worden gezien als een ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 14,2 μg/m³, 7,0 μg/m³ en 9,9 µg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
17
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Planspecifiek De zonneweide vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in termen van milieuzonering. Het aspect bedrijven en milieuzonering is dan ook niet relevant voor de ontwikkeling. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het milieuaspect milieuzonering. Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Lichtreflectie Bij zonnepanelen kan lichtreflectie optreden waardoor in sommige gevallen lichtreflectiehinder kan optreden. De hoeveelheid licht dat van een zonnepaneel af komt is ook afhankelijk van de oppervlakte reflectiviteit, bewolkingsgraad, geografische locatie, opstellingsvariant (grootte, hellingshoek, hoogte en oriëntatie) en tijd (jaar en dag). Niet alleen zonnepanelen maar ook bijvoorbeeld gras en bos reflecteren zonlicht. Of de reflectie tot hinder leidt is afhankelijk van de intensiteit en of er sprake is van diffuse straling of directe straling. Bij grasland is meer sprake van diffuse straling terwijl bij zonnepanelen meer sprake is van directe straling. Directe straling leidt tot een hogere intensiteit en dus een fellere reflectie van het licht. Er zijn meerdere factoren die bepalen hoe de reflectie wordt ervaren:
• • • •
De intensiteit van de reflectie; De hoeveelheid achtergrondlicht; De positie van de reflectie in het gezichtsveld van de observeerder; De duur van de verlichting.
Planspecifiek Het plangebied is gelegen op een afgelegen locatie. Afgeschermd door de bomen en andere begroeiing aan de noord-. west-, en zuidzijde van het plangebied en door de afscherming van het pand van de koekfabriek kan lichthinder op vrijwel alle omliggende bebouwing uitgesloten worden. Ten zuidoosten van het plangebied, aan de Oosterdijk 2E, bevindt zich een vrijstaande woning. Het gaat hier om een bedrijfswoning van de koekfabriek welke wordt verhuurd aan een werknemer van het bedrijf. Omdat de beoogde zonnepanelen achter de koekfabriek komen te liggen en omdat er bebouwing tussen de woning en de zonnepanelen in staan (een fietsenstalling bij de koekfabriek en een garage bij de woning), zal er ter plaatse van de woning geen sprake zijn van lichthinder. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect lichthinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe
18
veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn, geen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en geen vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor plaatsvindt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is tot en met 31 december 2016 de Flora- en faunawet van toepassing. Per 1 januari 2017 is de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een zonneweide ten oosten van de koekfabriek van Koninklijke Peijnenburg gerealiseerd. Het betreffende gebied is momenteel een grasveld. Het initiatief heeft mogelijk schadelijke effecten op beschermde soorten of natuurgebieden. Derhalve is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom Ecologie, rapport 2022-1031 d.d. 21 oktober 2022); zie Bijlagen, bijlage 1. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, Natuurnetwerk Nederland inclusief natuurverbindingen, of van een Bijzonder provinciaal landschap. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘IJsselmeer’, op een afstand van circa 350 m. Natuurnetwerk Nederland inclusief natuurverbindingen bevindt zich op een afstand van circa 400 m, terwijl de afstand tot een Bijzonder provinciaal landschap circa 1 km bedraagt. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aeriusberekening (stikstofdepositie), Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
19
Houtopstanden Bij de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie De beoogde realisatie van de zonneweide is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen de volgende maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen: • •
•
• •
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
4.9 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterschapsbeleid Waterplan 2022-2027 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert hierin het beleid, de maatregelen, de programma’s en de projecten die ze in die periode zelf en samen met anderen gaan uitvoeren. Het bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. De komende jaren staat de hoogheemraadschap voor de taak om hun beheergebied klimaatbestendig te maken. De hoogheemraadschap doet zich te richten op vijf thema's:
• • • • •
Ruimtelijke adaptatie Omgevingswet Duurzaamheid Biodiversiteit Datagestruurd werken
20
Keur en Beleidsregels Op grond van de Waterwet is HHNK bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;
Maar ook aan:
• •
Onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij HHNK. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Planspecifiek In de bestaande situatie bestaat vrijwel het gehele plangebied uit grasland en is vrijwel het gehele plangebied onverhard. De zonnepanelen worden boven de grond op een frame geplaatst. De bodem blijft onverhard (grasland). Het hemelwater dat op de zonnepanelen valt kan in zijn geheel vrij het grasland inzijgen waardoor voor de infiltratie geen verandering ontstaat t.o.v. de huidige situatie. Er wordt nauwelijks verharding toegevoegd met het beoogde initiatief. Watercompensatie is daarom niet aan de orde. Waterkering Uit raadpleging van de legger van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier blijkt dat het plangebied niet in of nabij de beschermingszone van een waterkering is gelegen. Oppervlaktewater Binnen het plangebied wordt geen oppervlaktewater gerealiseerd. Grondwater Bij het ontwerpen/realiseren van de beoogde ontwikkeling is het aspect grondwater niet relevant. De ontwikkeling heeft geen effect op de grondwaterstanden of -stromingen. Afvalwatersysteem en hemelwater Aansluiting op het afvalwatersysteem is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling.
Het hemelwater kan ter plaatse infiltreren. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vorm voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan
21
wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied beschikt verder niet over cultuurhistorische waarden. In het geldende bestemmingsplan ‘Kadijken’ hebben de gronden geen archeologische dubbelbestemming. Volgens de ‘Archeologische Beleidsnota Gemeente Enkhuizen 2013’ beschikken de gronden over archeologische verwachtingen. De onderstaande kaart toont de kaart behorend bij de archeologische beleidsnota van de gemeente Enkhuizen.
Archeologische beleidskaart gemeente Enkhuizen (plangebied zwart omkaderd)
In de 'Archeologische beleidsnota Gemeente Enkhuizen 2013' beschikken de gronden over de 'Archeologische waarde 2', 'Archeologische waarde 3' en 'Archeologische waarde 4'. Archeologisch onderzoek is verplicht bij ontwikkeling met oppervlakte groter dan respectievelijk 500 m², 1.000 m² en 15.000 m². Daarnaast geldt er een vrijstelling voor alle ingrepen ondieper dan 35 cm beneden maaiveld. Naar verwachting zal de impact op verstoring van de bodem gering zijn. De zonnepanelen worden alleen met de punten tot een beperkte diepte de grond in geslagen. De archeologische verwachting van de gronden zal met de beoogde ontwikkeling dan ook niet worden aangetast. Dit is ook afgestemd met de gemeente Enkhuizen. Verder zal Archeologie West-Friesland om een reactie gevraagd worden n het kader van de (concept) ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan worden de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers voor de verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan, de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
22
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De beoogde zonneweide heeft geen dagelijkse bezetting met personeel. De verkeersontsluiting met de Oosterdijk wordt uitsluitend benut bij inrichten van de zonneweide en tijdens het uitvoeren van (periodieke) onderhoudswerkzaamheden. Het aantal voertuigbewegingen zal ten opzichte van de huidige situatie niet significant stijgen. Daarmee is de verkeersveiligheid niet in het geding. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het beoogde initiatief. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek De zonneweide heeft geen dagelijkse bezetting met personeel. Parkeerplaatsen zijn dan ook uitsluitend benodigd bij het inrichten van het zonnepark en tijdens het uitvoeren van (periodieke) onderhoudswerkzaamheden. Hiervoor is voldoende (tijdelijke) parkeergelegenheid op het terrein van het onderhavige bedrijf aanwezig. Daarom is er geen structurele extra parkeergelegenheid nodig. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het initiatief.
23
5 Economische uitvoerbaarheid Onder andere naar aanleiding van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2°en 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van de vergunning. In principe dient bij deze vergunningverlening tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. De vaststelling van zo’n plan kan achterwege blijven indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, Wro niet noodzakelijk is; en
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, Wro niet noodzakelijk is.
Om afspraken vast te leggen over de financiële verantwoordelijkheid en de uitvoering van het plan wordt er tussen de gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst ex artikel 6.24 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) gesloten. Planspecifiek De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer.
24
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a sub 3 van de Wabo stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Participatie Gezien de ligging van het perceel buiten de bestaande bebouwde leefomgeving en het feit dat de zonnepanelen beoogd zijn achter bestaande bedrijfsbebouwing waardoor de zonneweide aan het visuele zicht is onttrokken, is participatie in deze niet noodzakelijk geacht.
25