Nota beantwoording
Tekst van het document
Nota van beantwoording Het ontwerpbestemmingsplan ‘Partiële herziening Landelijk Gebied-Geitenhouderijen’ heeft vanaf 16 januari 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In die periode kon eenieder een zienswijze indienen tegen dit plan. Wij hebben een zienswijze ontvangen. De schriftelijke zienswijze is hieronder verkort weergegeven met datum van binnenkomst. Indiener 1: De Elsenburg B.V. Zienswijze d.d. 26 februari 2020 a. De Elsenburg B.V. geeft aan dat ruim voor het voorbereidingsbesluit was genomen, namelijk op 28 september 2018, zij al een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) heeft ingediend, ter vestiging van een geitenhouderij aan de Elsenburg 21E te Enkhuizen. Alleen omdat het van B&W benodigde besluit beoordeling vormvrije mer tot 6 december 2018 uitbleef, heeft De Elsenburg B.V. de aanvraag opnieuw op 6 december 2018 ingediend. Deze aanvraag is buiten behandeling gelaten omdat het college van B&W van oordeel was dat de beoogde geitenhouderij niet binnen het bestemmingsplan paste en De Elsenburg B.V. geen aanvullende aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan heeft ingediend. Hiertegen is De Elsenburg B.V. in bezwaar gekomen, en – na ongegrondverklaring van het bezwaar – in beroep. Omdat het college tot dusver de vestiging van de geitenhouderij tegenhoudt, is de geitenhouderij nog niet in werking. De Elsenburg B.V.
wil de geitenhouderij nog steeds realiseren en verzet zich daarom tegen het ter visie liggende ontwerp-bestemmingsplan, omdat dat vestiging van geitenhouderijen binnen het gebied waar ook de Elsenburg onder valt, beoogt te voorkomen. b. Het argument dat wordt gebruikt om de geitenhouderij te beperken is het voorzorgsbeginsel voor de volksgezondheid. Dit wordt echter niet nader gemotiveerd. Weliswaar wordt in de toelichting op het ontwerpplan kort het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (hierna: VGO) van 2016 (en 2018) aangehaald, maar een nadere toelichting is niet gegeven. Uit de VGO-onderzoeken kunnen echter geen algemene, landelijke conclusies worden getrokken. Het onderzoek is namelijk uitgevoerd in het oostelijk deel van de provincie NoordBrabant en het noordelijk deel van de provincie Limburg. Daar is sprake van een "zeer hoge veedichtheid" en een relatief hoge achtergrondconcentratie van fijn stof. De resultaten van het (aanvullend) VGO onderzoek kunnen daarom niet zonder meer worden toegepast in andere gebieden in Nederland. Dit geldt te meer nu de veedichtheid en achtergrondconcentratie in de provincie NoordHolland aanzienlijk lager zijn.
Daar komt bij dat uit het VGO-onderzoek uit 2017 weliswaar blijkt van een consistent verband tussen het optreden van longontsteking en de nabijheid van pluimvee- en (melk)geitenhouderijen, maar uitdrukkelijk niet van een oorzakelijk verband. Voor het belemmeren van geitenhouderijen in Noord-Holland en meer in het bijzonder de gemeente Enkhuizen bestaat dan ook aanleiding noch grondslag. Dit geldt te meer nu de VGO-onderzoeken geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bevatten op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat een veehouderij onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid veroorzaakt. Dit blijkt uit meerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het VGO-onderzoek 2017 staat zélfs niet in de weg aan het verlenen van een omgevingsvergunning (bouwen, planologisch strijdig gebruik en OBM) voor een geitenhouderij in het VGO-onderzoeksgebied. Een vergelijkbare uitspraak heeft de Raad van State gedaan ten aanzien van een bestemmingsplan voor het omzetten van een melkveebedrijf in een melkgeiten bedrijf in de gemeente Wormerland (Noord-Holland) (zie de uitspraak van de Raad van State 21 november 2018, ECLl:NL:RVS:2018:3781).
Als de VGO-onderzoeken zelfs niet in de weg staan aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor een geitenhouderij in het onderzoeksgebied van de VGOonderzoeken, dan valt niet in te zien hoe een algemene gebruiksregel die ertoe strekt om
geitenhouderijen tegen te gaan - zoals voorgesteld in artikel 3 van het ontwerpplan, waarin aan artikel 17 van het vigerende bestemmingsplan een zesde lid wordt toegevoegd - is te rechtvaardigen. c. Gelet op het voorgaande verzoeken De Elsenburg B.V. om van (ongewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan af te zien. Indien en voor zover niet op algemeen niveau van (ongewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan wordt afgezien, verzoeken De Elsenburg B.V. om de percelen behorende bij Elsenburg 21 E in Enkhuizen van het plan(gebied) uit te zonderen. De Elsenburg B.V. heeft voor haar geitenhouderij reeds vóór het voorbereidingsbesluit van de gemeenteraad, alsook vóór het besluit van 27 mei 2019 van Provinciale Staten van Noord-Holland tot wijziging van de Provinciale Ruimtelijke Verordening, alsook vóór het voorbereidingsbesluit van 10 december 2018 van Provinciale Staten een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets ingediend. De geitenhouderij van De Elsenburg B.V. mag hierdoor dan ook niet belemmerd worden, reden waarom de percelen behorende bij Elsenburg 21 E in Enkhuizen van het plan(gebied) moeten worden uitgezonderd. d. Voor het geval de gemeenteraad zou besluiten om het bestemmingsplan in zijn geheel vast te stellen en de percelen behorende bij Elsenburg 21 E in Enkhuizen niet zou uitzonderen van het plan(gebied) en De Elsenburg B.V.
hierdoor - mede in combinatie met de reeds aangehaalde besluitvorming van het college ten aanzien van de door De Elsenburg B.V. aangevraagde omgevingsvergunning - schade zullen lijden, stelt De Elsenburg B.V. de gemeenteraad reeds nu aansprakelijk. Deze schade zal in ieder geval bestaan uit de winst die iedere dag niet kan worden geworven zo lang de geitenhouderij niet gerealiseerd kan worden. Overeenkomstig het handboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) is het saldo per geit - uitgaande van een gemiddelde productie van 1.100 kg melk per geit per jaar - € 246,85 (opbrengst -/- direct toegerekende kosten). Dit betekent een jaarlijkse winstderving van (1.800 x € 246,85 =) €444.330. Reactie Ad a: De door De Elsenburg B.V. beschreven voorgeschiedenis is juist. Inmiddels heeft de rechtbank het beroep van De Elsenburg B.V. gegrond verklaard, maar is het college daartegen in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Aangezien de uitspraak van de rechtbank niet werd geschorst door de Voorzieningenrechter van de Raad van State, heeft het college op 22 december 2020 alsnog een beslissing genomen op de aanvraag OBM genomen. De aanvraag OBM is verleend tezamen met de bij de aanvraag gevoegde beoordelingsbesluit vormvrije mer van 6 december 2018.
Hiermee is realisering van de geitenhouderij evenwel nog niet mogelijk gemaakt: de vraag of de aanvraag OBM terecht buiten behandeling door het college was gesteld vanwege strijd met het (toen) vigerend bestemmingsplan ligt nog voor in hoger beroep. Ad b: De raad is bekend met de reikwijdte en voorbehouden van de genoemde onderzoeken, op basis waarvan het bestemmingsplan partiele herziening Landelijk gebied-geitenhouderijen deels is onderbouwd. Gelet op het voortschrijdend wetenschappelijk onderzoek en de daarbij beschreven risico’s voor de volksgezondheid aangaande geitenhouderijen, hebben verschillende provincies in het land, waaronder de provincie Noord-Holland, zogenaamde “geitenstops” vastgesteld. Ook hier is het voorzorgsbeginsel leidend geweest, juist ook omdat steeds vaker kwam vast te staan dat de volksgezondheid in het geding was. Inmiddels heeft de Provincie Noord-Holland de in de provinciale verordening vastgelegde “geitenstop”, in juni 2020 verlengd. Daarbij is overwogen dat het Rijk op 24 april 2020 het
onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III: Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht’ heeft gepubliceerd. De onderzoekers concluderen in het rapport dat de associatie tussen wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en longontsteking in Gelderland, Overijssel en Utrecht in het algemeen niet afwijkt van de eerder gevonden associatie in Noord-Brabant en Limburg. Daarnaast is het volgens hen aannemelijk dat deze associaties ook worden gevonden in andere Nederlandse provincies met geitenhouderijen. Dit onderzoek bevestigt volgens de provincie het besluit om uit voorzorg voor de volksgezondheid een stop te zetten op de geitenhouderij. Om diezelfde reden, en in navolging op het besluit ter zake van de provincie Noord-Holland, heeft de raad besloten tot het voorbereidingsbesluit en thans tot het in procedure brengen van een bestemmingsplan dat aan dit voorzorgsbeginsel tegemoet komt. Inmiddels zijn weer nieuwe onderzoeken afgerond en gepubliceerd, zoals ook de Provincie constateerde. Een en ander heeft geleid tot het in oktober 2020 publiceren van de GGDrichtlijn medische milieukunde Veehouderij en gezondheid (RIVM-rapport 2020-0092).
Kort samengevat wordt op basis van de stand van de wetenschap op dat moment geconcludeerd dat bij een situatie waarin sprake is van uitbreiding of nieuwvestiging van een geitenhouderij binnen twee kilometer van een gevoelige bestemming (zoals woningen), of een nieuwe gevoelige bestemming binnen twee kilometer van een geitenhouderij, alsmede de opvang van gevoelige groepen (zoals ouderen en jonge kinderen) binnen twee kilometer van een geitenhouderij, er voorzien dient te worden in een advies op maat door de GGD, en dat dergelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. De GGD hanteert in advisering twee uitgangspunten: - voorzorg: de gezondheid dient meegewogen te worden bij nieuwe ontwikkelingen in de veehouderij, waarbij voornoemde afstandscriteria worden gehanteerd, en - emissiereductie: waarbij wordt geadviseerd om zoveel mogelijk na te gaan of alle mogelijke moeite is gedaan om emissies (geur, stof, endotoxinen, ammoniak) zo laag mogelijk te houden. Met het oog op dit wetenschappelijk onderbouwd voortschrijdend inzicht, is in ieder geval het ruimtelijk relevante afstandscriterium van 2 kilometer bij geitenhouderijen, voldoende reden om vast te blijven houden aan hetgeen in het ontwerp-bestemmingsplan is beoogd te regelen. Ad c: Hoewel begrijpelijk is dat De Elsenburg B.V.
graag haar geitenhouderij op de beoogde locatie wil realiseren, kan gelet op de voornoemde inmiddels bekend geworden voorzorgsafstandscriteria, niet worden ingestemd met het uitzonderen van de locatie van het plangebied. De Elsenburg 21 E ligt op maximaal 1 kilometer van de aaneengesloten woonbebouwing van Enkhuizen. Dat De Elsenburg B.V. al voordat genoemde besluiten van Provinciale Staten en de gemeenteraad werden gepubliceerd, haar aanvraag OBM indiende, betekent niet dat de gezondheidsrisico’s, op basis waarvan men zich genoodzaakt zag die besluiten te nemen, niet ook voor deze beoogde nieuwvestiging aan de orde zullen zijn. Dat die gezondheidsrisico’s door voortschrijding van de wetenschap en voortschrijdend inzicht inmiddels beter kunnen worden gesubstantieerd, doet daar natuurlijk niet aan af. De risico’s waren er altijd al; alleen het wetenschappelijk bewijs was ter zake nog onduidelijk en tot december 2018 geen reden geweest om een MER te verlangen, op basis waarvan al dan niet een OBM kon worden verleend. Ad d: Deze aansprakelijkstelling wordt voor kennisgeving aangenomen. Een behandeling van de zienswijze leent zich niet voor analyse van de gestelde aansprakelijkheid, het causaal verband tussen de besluiten en de gestelde schade, alsmede de hoogte van de gestelde schade. Het bestemmingsplan is in procedure gebracht om, op basis van voortschrijdende
wetenschappelijke inzichten over de effecten van geitenhouderijen op de volksgezondheid, de te verwachten negatieve ruimtelijke gevolgen van nieuwvestiging of uitbreidingen van geitenhouderijen tegen te gaan.