CConstaterende datEnkhuizen
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 bestemmingsplan Enkhuizerzand 221123

gemeenteraad 20 december 2022, gemeente EnkhuizenBij agendapunt: * Partiële herziening bestemmingsplan Enkhuizerzand en IJsselmeergebied30.379 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.3

Gemeentelijk beleid

Stadsvisie Enkhuizen 2030 In 2030 is Enkhuizen modern met een zichtbaar rijke geschiedenis als waterstad. Het is een functionele en overzichtelijke stad, door slimme zonering van gerichte gebieden voor toerisme, wonen en werken. De drie pijlers van het Enkhuizen van 2030 zijn: 1. een uniek historisch hart dat in de eerste plaats een rustige plek is voor bewoners; 2. een sterke toeristische functie die zich ook uitstrekt naar het buitengebied; 3. Seed Valley: grootschalige werkgelegenheid in de buitenste ring van Enkhuizen, zoals op Krabbersplaat en de Schepenwijk. Toerisme en recreatie Op het gebied van toerisme en recreatie zijn de volgende doelen in de Stadsvisie geformuleerd:  Enkhuizen wil in 2030 de toonaangevende toeristische trekpleister van West-Friesland zijn;  Enkhuizen kiest voor toerisme en recreatie voor concentratiegebieden om overlast en drukte te voorkomen en synergie tussen faciliteiten te bevorderen;  Enkhuizen zet in op verbetering van de openbare ruimte en verbindende routes en op versterking en uitbreiding van het groen in de hele stad;  de gemeente verkent in hoeverre waterrecreatie op en rond het IJsselmeer, maar ook in het achterland kan worden uitgebreid;  de gemeente onderzoekt of er behoefte is aan een nieuw toeristisch buitengebied en zo ja, wat er nodig is om dit te realiseren.

Toetsing De ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt past binnen de tweede pijler uit de stadsvisie. De verkenningen die zijn uitgevoerd hebben geleid tot voorliggend plan. Structuurvisie Enkhuizen 2020 De structuurvisie beperkt zich tot het ruimtelijk beleid en is daarmee de ruimtelijke vertaling van de Stadsvisie. De economische pijlers van Enkhuizen zijn het toerisme, de zaadteeltbedrijven, de kunststofindustrie, de nautische bedrijvigheid en de middenstand. Toetsing Op de structuurvisiekaart is het Enkhuizerzand specifiek aangeduid zie figuur 3.4.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

31

Figuur 3.4

Uitsnede Structuurvisie 2020

Aangegeven wordt dat Enkhuizerzand wordt opgewaardeerd tot een toeristisch recreatieve locatie. De ruimtelijke indeling van het gebied is vastgelegd in het zogenaamde Vlekkenplan, dat door de gemeenteraad is vastgesteld. Het plan gaat uit van intensivering en nieuwe recreatieve voorzieningen. Voor het totale gebied is door de raad een Beeldkwaliteitsplan vastgesteld met kwaliteits- en inrichtingseisen (zie bijlage 3). Daarnaast zijn in een aanvulling op het beeldkwaliteitsplan de verschillen tussen het vast te stellen bestemmingsplan en het Beeldkwaliteitsplan 2015 beschreven (zie bijlage 4) Het bestemmingsplan moet de nieuwe ontwikkeling ruimtelijk mogelijk maken. Uitgangspunt bij deze ontwikkeling is dat de kosten voor de openbare voorzieningen budgettair volledig gedekt kunnen worden door de opbrengsten van gronduitgifte. Het totale exploitatiegebied omvat circa 40 ha en loopt vanaf het Zuiderzeemuseum tot aan de waterinlaat, nabij de Haling. Het Enkhuizerzand ligt direct tegen de binnenstad aan, waardoor de recreanten gemakkelijk van de bestaande voorzieningen van de stad gebruik kunnen maken. Binnen de diverse vlekken worden dan ook geen grootschalige voorzieningen gerealiseerd. In het plan zijn recreatieve fiets- en wandelroutes naar de binnenstad opgenomen.

Enkhuizen Routekaart voor de toekomst De routekaart is een integraal kader voor de onderwerpen Havens, Economie en Recreatie & Toerisme (HERT). De routekaart geeft uitvoering aan de uitspraken uit de stadsvisie en geeft een samenhangende richting aan de speerpunten en projecten uit de HERT visie en. De HERT visie dient als onderbouwing voor de routekaart. De gemeente zet in op een flexibele, dynamische en verbindende stad. Dit heeft gevolgen voor de ruimtelijk-economische en programmatische opzet van Enkhuizen en het bepaalt de wijze van samenwerken. Het heeft tot doel om de economische clusters te versterken en van Enkhuizen een aantrekkelijke woon-, werk- en recreatiestad te maken.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

32

Enkhuizen heeft een aantrekkelijke omgeving voor een breed aanbod aan verblijfsrecreatie. Het nog beperkte aanbod wordt uitgebreid door ruimte te bieden en samenwerking te stimuleren. In de toekomst wordt het mogelijk om meerdaagse arrangementen aan te bieden in de stad en regio. De havens bieden nu al ruimte aan vele passanten en vaste ligplaatsen en kunnen in de toekomst uitgroeien tot de nieuwe verblijfsplekken van de stad. Hier is wellicht ruimte voor Boat Housing (huurboten), een hotel, camperplaatsen. Toetsing Specifiek voor het plangebied wordt aangegeven dat Enkhuizerzand kan uitgroeien tot een interessant kustlandschap met grote attracties én unieke recreatiewoningen voor bijvoorbeeld actieve gezinnen. De intieme waterstad, waaronder de Boerenhoek, is juist geschikt voor een netwerk van B&B's. De verblijfsrecreatie versterkt het arrangement en het merk Enkhuizen als intieme waterstad. Het plan is hiermee in lijn met de Enkhuizer Routekaart voor de toekomst. Beeldkwaliteitsplan herontwikkeling recreatieoord Enkhuizerzand Het Beeldkwaliteitsplan herontwikkeling Recreatieoord Enkhuizerzand (zie bijlage 3) is een document dat dient ter inspiratie en toetsing. De ideeën die de gemeente heeft over de toekomstige ruimtelijke kwaliteit in het gebied worden hierin verwoord.

Op deze manier wordt bereikt dat het ruimtelijk beeld van het recreatiegebied vanuit één integrale visie ontstaat. De context waarbinnen deze ontwikkelingen plaatsvinden zijn de buitendijkse ligging, de weidsheid van het IJsselmeergebied, de loopafstand tot de historische binnenstad van Enkhuizen en het veranderende (recreatie)landschap van West-Friesland en de regio. Toetsing De ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn geïnspireerd op de uitgangspunten uit het beeldkwaliteitsplan. De welstandscriteria, die op basis van dit beeldkwaliteitsplan zijn opgesteld ten behoeve van de herontwikkeling van het recreatieterrein, hebben gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan in 2019 ter inzage gelegen. Na vaststelling van deze welstandscriteria zullen deze integraal onderdeel uitmaken van de gemeentelijke Welstandsnota. Deze vervangen daarmee de criteria die momenteel in de Welstandsnota zijn opgenomen voor het gebied Enkhuizerzand. Omdat het Beeldkwaliteitsplan al in 2015 is vastgesteld, komt dit op onderdelen niet meer overeen met het voornemen zoals opgenomen in het vast te stellen bestemmingsplan, dat bovendien naar aanleiding van zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan op onderdelen is gewijzigd.

Om die reden is een aanvulling op het beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin de verschillen tussen het vast te stellen bestemmingsplan en het Beeldkwaliteitsplan 2015 zijn beschreven (zie bijlage 4). De uitwerking als toetsingskader zal binnenkort plaatsvinden in de nog vast te stellen welstandscriteria.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

33

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Naar aanleiding van zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de reactie van het Rijk op de landaanwinning in het IJsselmeer in het kader van het Barro (Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening), is het plan voor Enkhuizerzand aangepast. De aanpassingen betreffen:  Het vakantiepark (paarse vlek in onderstaande figuur) zal niet langer in het IJsselmeer liggen, maar binnen de huidige kustlijn worden gerealiseerd;  De maximale bouwhoogte van de recreatiewoningen op het vakantiepark wordt aangepast van 9 meter naar 7 meter. De recreatiewoningen die direct aan het IJsselmeer liggen, krijgen een maximale bouwhoogte van 6 meter.  Er komt geen vaargeul. Het vakantiepark zal geen aanlegplaatsen voor schepen krijgen.  De convexe kustboog wordt marginaal aangepast, zodat de oppervlakte van het nieuw aan te winnen land beneden de 5 ha blijft (conform eis Barro);  Ten noorden van de camping wordt 2 hectare buitendijks aanwezig moerasgebied planologisch geborgd aangelegd. Voor de andere delen van het plan kan worden uitgegaan van de uitgangspunten en inrichting conform het eerdere plan. Daar wijzigt niets. Een kleine afwijking is zoals genoemd dat de convexe kustboog iets smaller wordt gemaakt om beneden de 5 ha landaanwinning te blijven. De keuze voor ophoging van het vakantiepark tot 1,75 +NAP blijft gehandhaafd.

De voorlandkering die het vakantiepark, het zwembad, Sprookjeswonderland, de parkeerkoffers langs het strand en de camping beschermt tegen overstroming krijgt een hoogte van 2,08 m +NAP. Daarmee wordt beschermd tegen een overstroming met een kans van 1/4.000 jaar. De relatief hoge grondwaterstand is van invloed op maatregelen die nodig zijn om de vereiste bouwtechnische drooglegging van de recreatiewoningen voldoende te kunnen garanderen. De recreatiewoningen op het vakantiepark worden daartoe om bouwtechnische redenen maximaal 0,60 m boven bestaand maaiveld geplaatst.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

34

Figuur 4.1 Oorspronkelijk plan (linkerzijde) en nieuwe plan (rechterzijde) Voor dit plan is een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht geschreven waarin alle onderzoeken zijn verwerkt. Wat is te vinden in de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht? De m.e.r.-beoordelingsnotitie geeft de effecten en onderbouwing op het gebied van milieu weer en dient rechtstreeks als onderbouwend onderzoeksrapport voor het bestemmingsplan. In de m.e.r.-beoordelingsnotitie zijn dan ook het toetsingskader, de milieuonderzoeken en de conclusies met betrekking tot het bestemmingsplan opgenomen. Uit de m.e.r.-beoordelingsnotitie blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belangrijke negatieve milieugevolgen op kunnen treden die het doorlopen van een volledige (plan)m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. De m.e.r-beoordelingsnotitie en alle bijbehorende onderzoeken zijn gebaseerd op het oorspronkelijke plan. Gelet op de verminderde milieugevolgen van het gewijzigde plan, zoals afgewogen in de milieuparagrafen en oplegnotities, blijft het oorspronkelijke m.e.r.-besluit van 19 maart 2019 van kracht. Wat is te vinden in dit milieuhoofdstuk? In dit milieuhoofdstuk zijn de milieugevolgen van het gewijzigde plan afgewogen op basis van de bestaande m.e.r.

beoordelingsnotitie met bijbehorende onderzoeken en de oplegnotities waarin de milieugevolgen van het gewijzigde plan zijn beoordeeld. Ten opzichte van het vastgestelde bestemmingsplan uit 2019 is het aantal recreatiewoningen, dat maximaal mogelijk is op basis van de bestemming Recreatie - Vakantiepark, verlaagd van 200 naar 160. Dat betekent dat de effecten als gevolg van dit bestemmingsplan lager zijn dan oorspronkelijk onderbouwd. De conclusies uit onderstaande milieuonderzoeken blijven dan ook intact.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

35

4.2

M.e.r.-beoordeling

In het Besluit milieueffectrapportage valt dit project onder onderdeel D10 lid d. In dit artikel is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen, permanente kampeer- en caravanterreinen mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 ha of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 ha of meer in gevoelig gebied (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D10). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de doorontwikkeling van recreatiegebied Enkhuizerzand. Dit omvat o.a. de verplaatsing van het bestaande kampeer- en caravanterrein, de realisatie van een nieuw vakantiepark met maximaal 200 recreatiewoningen, realisatie van een strand en wijzigingen aan infrastructuur. In een m.e.r.-beoordeling dient de totale samenhangende ontwikkeling te worden beoordeeld. Aangezien de totale samenhangende ontwikkeling groter is dan 25 ha wordt de drempelwaarde uit artikel D10 overschreden. Bij overschrijding van de drempelwaarde dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht is beoordeeld of voor de beoogde activiteiten een uitgebreide m.e.r. noodzakelijk is.

Uit de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht blijkt dat, gelet op de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de m.e.r. beoordeling en de volgende paragrafen zijn opgenomen. De m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 7. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. Het college van burgemeester en wethouders hebben dan ook besloten dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld voor de herontwikkeling van het Recreatieoord Enkhuizer Zand (zie bijlage 8). Gewijzigde plan Gelet op de verminderde milieugevolgen van het gewijzigde plan, zoals afgewogen in de hierna volgende milieuparagrafen en oplegnotities, blijft het oorspronkelijke m.e.r.-besluit van 19 maart 2019 van kracht.

4.3

Bodemkwaliteit

In het plangebied zijn in de loop der jaren diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn beschreven in de m.e.r.-beoordeling. Ten aanzien van het noordelijke en zuidelijke deel van het is bodemonderzoek uitgevoerd. De bodemonderzoeken zijn beoordeeld door het RUD (Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord) (zie bijlage 9). Ten aanzien van het noordelijke deel van het plangebied geldt dat de aangetroffen lichte verontreinigingen geen aanleiding geven tot nader onderzoek. Op basis van het bodemonderzoek voor het zuidelijke deel van het plangebied gelden de volgende aandachtspunten:  Locatie 1: Afvalhoop verwijderen. Veengrond is geen belemmering bij grondverzet.  Locatie 4: Als grondverzet plaatsvindt rond boring 4-17 dan moet vrijkomende puinhoudende grond apart worden gehouden en afgevoerd naar een verwerker.  Locatie 5: De grond ter plaatse van boring 5-07 is sterk verontreinigd. De boringen daaromheen niet. Aangezien de verontreiniging op diepte zit is deze nog niet verder afgeperkt. Pas als ter plaatse grondverzet plaatsvindt is aanvullend onderzoek nodig. De grond ter plaatse van boring 5-14 is sterk verontreinigd. Dit is ter plaatse van de rotonde. Pas als ter plaatse grondverzet plaatsvindt is aanvullend onderzoek nodig. Daarbij moet ook nog op asbest worden onderzocht.

Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten en met inachtneming van de aandachtspunten zijn er uit milieu hygiënische overwegingen in relatie tot de bodemkwaliteit na verwijdering van verontreinigingen geen

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

36

belemmeringen ten aanzien van het beoogde gebruik van het plangebied. De bodemkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Ten tijde van de omgevingsvergunning dient mogelijk nader onderzoek plaats te vinden.

4.4

Water

Beleid Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt deels binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en Rijkswaterstaat Midden-Nederland. Bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de betrokken waterbeheerders over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerders zijn verwerkt in onderstaande waterparagraaf. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW);  Natura 2000. Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan;  Provinciale Verordening ruimte. Rijkswaterstaat  Beheer- en Ontwikkelplan voor de rijkswateren (Bprw). Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die doelen stelt voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en het grondwater. De lidstaten van de Europese Unie moeten zelf ecologische doelstellingen vastleggen. Met het opstellen van maatlatten voor de ecologische toestand van de verschillende typen oppervlaktewateren in Nederland zijn de ecologische doelen bepaald.

Om de doelen te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen, met name op het gebied van emissiereductie, beheer en inrichting. In het plan wordt rekening gehouden met de KRW-doelen. De KRW-doelen hebben daarnaast raakvlakken met de Natura 2000 doelstellingen. Binnen het plan worden maatregelen genomen om de kwaliteit van oppervlakte- en het grondwater te borgen. Natura-2000 Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Natuurnetwerk Nederland. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

37

Voor onderhavig plan is met name het Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017-2023 van toepassing. Het beheerplan bekijkt per deelgebied welke instandhoudingsdoelen in de planperiode wel en niet worden gehaald bij voortzetting van het huidige beheer en het huidige gebruik. De kernopgaven voor Natura 2000 voor het IJsselmeer zijn: Evenwichtig systeem met goede waterkwaliteit voor waterplanten, vissen en schelpdieren (met name in kranswierwateren en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden) mede ten behoeve van vogels zoals de kleine zwaan, tafeleend, kuifeend en nonnetje;  Rust- en ruiplaatsen: voldoende open water met ruiplaatsen en rustgebieden voor watervogels zoals fuut, ganzen, slobeend en kuifeend;  Moerasranden: moerasvorming aan de randen van de meren voor land-water interactie, paaigebied vis, noordse woelmuis en voor moerasvogels als roerdomp en grote karekiet;  Plas-dras situaties: plas-dras situaties voor smienten en broedvogels, zoals kemphaan. Nationaal Waterplan (NW) De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan. Het Nationaal Waterplan is vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken.

In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met het Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Voor het IJsselmeergebied is in het Nationaal Waterplan opgenomen dat het Rijk voornemens is een gebiedsagenda 2050 op te stellen, die input geeft voor de omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten. Er wordt gewerkt aan kwaliteitsverbetering van het ecosysteem door het vergroten van de habitatdiversiteit en verbindingen tussen land achter de dijk en het water. In het Nationaal waterplan is de deltabeslissing IJsselmeergebied verankerd. De deltabeslissing IJsselmeergebied gaat over drie strategische keuzes: de afvoer naar de Waddenzee, het waterpeil op het IJsselmeer, Markermeer en de Randmeren en de zoetwatervoorraad. Belangrijk onderdeel van de voorgestelde deltabeslissing is dat het gemiddelde winterpeil in het IJsselmeer tot 2050 gelijk blijft. Het water wordt met een combinatie van spuien en pompen naar de Waddenzee afgevoerd. Als de zeespiegel en het weer het toelaten, vindt afvoer plaats via spuien. Als spuien niet kan, is met inzet van pompen toch een voldoende afvoer te waarborgen.

Om dit mogelijk te maken worden meer pompen op de Afsluitdijk gebouwd. Dit is veel goedkoper dan het waterpeil geleidelijk mee te laten stijgen met de zeespiegel. Voor de periode na 2050 blijft de optie open om het winterpeil beperkt mee te laten stijgen met de zeespiegel (maximaal 10-30 cm), maar alleen als dat noodzakelijk en kosteneffectief is. De voorgestelde deltabeslissing voorziet ook in flexibeler beheer van de streefpeilen. Daarmee kan de waterbeheerder beter inspelen op de verwachte weersomstandigheden en een grotere zoetwatervoorraad in de zomer creëren. Als het klimaat of de economie verandert kunnen ook het wateraanbod en het watergebruik veranderen. Het is belangrijk vraag en aanbod in evenwicht te houden. Met flexibel peilbeheer is het mogelijk de zoetwaterbuffer in het IJsselmeergebied stapsgewijs te vergroten en tegelijkertijd te besparen op de vraag. Met de eerste stap van flexibel peilbeheer neemt de voorraad in het zomerseizoen toe met 20 cm in het IJsselmeer, Markermeer en de Zuidelijke Randmeren. Als de vraag naar zoetwater toeneemt, is de buffer verder te vergroten tot een waterschijf van 40-50 cm. Om flexibel peilbeheer mogelijk te maken, krijgen de oevergebieden een flexibele inrichting. Na 2050 kan het wenselijk zijn in droge perioden meer water via de IJssel naar het IJsselmeer te laten stromen.

Of dat nodig is, is afhankelijk van de klimaatverandering.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

38

Waterschapsbeleid In het waterprogramma 2016-2021 presenteert het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die in deze periode worden uitgevoerd. Met dit Waterprogramma geeft het hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Hierin wordt antwoord gegeven op de vragen: Hoe zorgt het hoogheemraadschap in de toekomst voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering worden daarvoor gekozen? En welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? De klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van keuzes in het waterbeleid. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen van het hoogheemraadschap grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Onderzoek IJsselmeer De veiligheid van een groot deel van Nederland is afhankelijk van de waterkeringen rond het IJsselmeergebied en de mogelijkheden voor het tijdelijk bergen van overtollig rivierwater.

De Afsluitdijk beschermt het IJsselmeergebied tegen hoge waterstanden op zee. De overige dijken langs de meren beschermen de bewoners in de omringende laaggelegen gebieden tegen overstromingen vanuit de meren. De Houtribdijk vormt de verbinding tussen Lelystad en Enkhuizen en scheidt het IJsselmeer van het Markermeer. De dijk voorkomt verdergaande hoge waterstanden in het Markermeergebied als gevolg van opstuwing (scheefstand door wind). De dijken van de primaire waterkering zijn ontworpen om het water ook bij extreem hoge waterstanden te kunnen keren. Het IJsselmeer behoort tot het stroomgebied de Rijn. Het IJsselmeer wordt bijna volledig gevoed door de IJssel (een zijrivier van de Rijn) en de Overijsselse Vecht. Daarnaast wordt het IJsselmeer gevoed door de kleine rivieren, kanalen, RWZI's, kwel en neerslag. De afvoer vindt plaats via de spuisluizen (de Stevinsluizen bij Den Oever en de Lorentzsluizen bij Kornwerderzand) in de Afsluitdijk weg naar de Waddenzee. Het IJsselmeer heeft een belangrijke functie in de zoetwatervoorziening voor zowel landbouw als drinkwater. Het stromingspatroon in het IJsselmeer wordt voornamelijk bepaald door de windrichting. Door het grote oppervlak van het meer kan de wind echter een aanzienlijke scheefstand veroorzaken die tevens resulteert in een zekere peildynamiek.

Met de vaststelling van het nieuwe peilbesluit (2018) zal voor het meer de volgende streefpeilen gehanteerd worden. Het streefpeil zomer zal bewegen tussen NAP - 0,10 m en NAP-0,30 m en het winter streefpeil wordt NAP -0,25. Het plangebied is deels gelegen binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het betreft hier de buitendijkse delen waarbij in de huidige situatie land aanwezig is. In het noorden van het plangebied is de inlaat Immerhorn gelegen. Deze heeft een belangrijke functie voor de zoetwatervoorziening van het achterland. De Polder Immerhorn wordt bemalen door het gemaal Kooizand dat zich aan de noordkant van de sportvelden bevindt. Er is sprake van 2 peilvakken. Ter plaatse van de sportvelden wordt een peil van NAP-1,2 m nagestreefd en voor het overige gebied NAP -0,40 m. In de memo “Advisering aanleghoogte Enkhuizerzand” is uitgebreid ingegaan op het hoofdwatersysteem IJsselmeer en Markermeer alsmede de daarin voorkomende hydraulische omstandigheden en overstromingsrisico's. Deze memo is toegevoegd in bijlage 2 van de m.e.r.-beoordeling. Watersysteem en waterhuishouding Binnendijks zijn de polders gelegen. Het HHNK is verantwoordelijk voor onder meer het peilbeheer in de polders. Noord-Holland bestaat uit verschillende polders, die ieder hun eigen afwatering hebben op het boezemwater en/of op het IJsselmeer.

Per polder en daarbinnen liggend peilvak is een streefpeil vastgelegd. Buitendijks is het IJsselmeer gelegen. Op dit moment hanteert het Hoogheemraadschap ter plaatse van het plangebied een waterpeil van -0,40 m NAP. Het bestemmingsplan maakt de verplaatsing van de camping naar het gebied ten noorden van het sportpark Immerhornpolder mogelijk. Daarmee maakt de camping plaats voor de ontwikkeling van recreatiewoningen.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

39

Ten noorden van de Polder Immerhorn bevindt zich de inlaat Immerhorn. In het plan wordt rekening gehouden met deze inlaat. Daarbij is het ter plaatse van de camping en inlaat verboden om het water van het IJsselmeer te betreden. Gezien de ligging nabij het gemaal is het niet mogelijk om in het water van de inlaat voor het gemaal te zwemmen. Met een fysieke scheiding en informatieborden wordt voorkomen dat bezoekers het water in zullen gaan. De nu aanwezige tertiaire waterloop/greppel nabij de bestaande camping zal bij uitvoering van het plan niet verdwijnen. Deze waterloop blijft gehandhaafd en zal dienen als inlaatsloot. Dit betekent mogelijk wel dat de categorie (nu tertiair) wijzigt. In het plangebied worden ter ontsluiting van o.a. de parkeerplaatsen twee dammen met duikers gerealiseerd. Deze dammen zullen één op één worden gecompenseerd. Tevens vindt compensatie van gedempt oppervlaktewater plaats. In het kader van de watervergunning en dus voorafgaand aan de werkzaamheden moet aangetoond zijn dat er geen gevolgen voor het watersysteem en waterhuishouding zijn.

Waterkwantiteit Voor het wateraspect 'waterkwantiteit' geldt dat moet worden aangegeven hoe rekening is gehouden met de compensatie van gedempt oppervlaktewater, de compensatie van de toename van verharding en de verbetering van de waterhuishouding door realisatie van extra waterberging (eventueel in combinatie met andere functies). Ter plaatse van de sportvelden wordt een peil van NAP-1,2 m nagestreefd en voor het overige gebied NAP -0,40 m. De exacte toename van verharding is nog niet bekend. Wel is besproken met RWS dat de afwatering van hemelwater op het IJsselmeer plaatsvinden. Hierbij wordt rekening gehouden met het flexibele waterpeil van het IJsselmeer. Voor het lozen van hemelwater op het IJsselmeer wordt een lozingsvergunning aangevraagd bij RWS. Dit geldt voor het vakantiepark en tevens de overige aan te leggen verharding met o.a. de parkeerterreinen. Eventueel benodigde maatregelen ter voorkoming van wateroverlast worden in overleg met de waterbeheerders vastgesteld. Voor de beoogde ontwikkeling is een watervergunning noodzakelijk. Hiermee wordt geborgd dat er geen negatieve effecten op de waterhuishouding kunnen ontstaan. Waterkwaliteit en ecologie De ontwikkeling heeft geen direct invloed op de toename van de verontreinigde stoffen. Wel moet onderzocht worden wat de kwaliteit van de waterbodem is.

Werkzaamheden in de waterbodem kunnen ervoor zorgen dat de kwaliteit van het water achteruit gaat. Bijvoorbeeld doordat meer zwevend stof vrijkomt of doordat verontreinigende stoffen uit de waterbodem vrijkomen. Voorafgaand aan de vergunningaanvraag wordt waterbodemonderzoek uitgevoerd. Indien hierin verontreinigingen worden aangetroffen zullen in overleg met het bevoegd gezag maatregelen worden getroffen om verspreiding van de verontreiniging te voorkomen. Het bevoegd gezag zal, indien noodzakelijk, in de watervergunning voorwaarden aan werkzaamheden verbinden om verontreinigingen te voorkomen. Verder is het voor de kwaliteit van het oppervlaktewater van belang om diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Zwemwaterkwaliteit Achter de nieuwe landtong wordt nieuw zwemwater aangelegd dat geleidelijk dieper wordt tot een maximaal diepte van twee. Eventueel kunnen er hier ook speeltoestellen in of op het water worden geïnstalleerd. Net als in de huidige situatie is het mogelijk dat er achter de landtong gedurende warme periodes blauwalgbloei ontstaat. Dit zal gemonitord moeten worden. Na het afronden van de werkzaamheden is er een positief effect op het zwemwater bij Enkhuizerzand.

BPRW-toets Ten behoeve van het oorspronkelijk plan is een BPRW-toets uitgevoerd (zie bijlage 10). Met betrekking tot de effecten van het uitbreiden van recreatiepark Enkhuizerzand in KRW-waterlichaam IJsselmeer (NL92) zijn er geen effecten gevonden die nadelig zijn voor de chemische kwaliteit van het KRW-waterlichaam.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

40

Met betrekking tot de ecologische kwaliteit kan er beperkte invloed zijn op de primaire productie (fytoplankton), vis, waterflora en macrofauna. Effecten die potentieel optreden zijn echter van tijdelijke aard, en zullen ook om die reden geen nadelig effect hebben op ecologische KRW-maatlat van het waterlichaam. Oplegnotitie BPRW-toets Ten behoeve van het gewijzigde plan is een oplegnotitie BPRW-toets opgesteld (zie bijlage 11). In de oorspronkelijke BPRW-toets is rekening gehouden met zand dat per schip en vrachtwagen aangeleverd moet worden. Het zand is nodig om de convexe kustboog in het Noorden van het plangebied en de landwinning voor het vakantiepark aan de zuidkant van het plangebied te realiseren. Ook is er in het plan rekening gehouden met het aantal scheepsbewegingen en eventuele verstoring door kranen en milieugrijpers voor het uitbaggeren van de vaargeul. Door het wegvallen van de vaargeul en de landwinning voor het vakantiepark uit het plan, worden de verstorende werkzaamheden in het IJsselmeer sterk verminderd. Er kan daarom gesteld worden dat de conclusies die zijn opgenomen in de BPRW-toets ook gelden voor het nieuwe plan. Met betrekking tot de effecten van het uitbreiden van recreatiepark Enkhuizerzand in KRW-waterlichaam IJsselmeer (NL92) zijn er geen effecten gevonden die nadelig zijn voor de chemische kwaliteit van het KRW-waterlichaam.

Met betrekking tot de ecologische kwaliteit kan er beperkte invloed zijn op de primaire productie (fytoplankton), vis, waterflora en macrofauna. Doordat de baggerwerkzaamheden vervallen, vervallen ook eventuele effecten op de primaire productie door vertroebeling. De werkzaamheden hebben dan ook geen nadelig effect op ecologische KRW-maatlat van het waterlichaam. Op de overige maatschappelijke functies van het IJsselmeer: visserij, scheepvaart, drinkwaterwinning en zwemwater hebben de planveranderingen geen invloed, er worden daarom geen negatieve effecten verwacht. Zoals ook gesteld in de BPRW-toets heeft de herontwikkeling van Enkhuizerzand een positief effect op de functie recreatie doordat er meer faciliteiten beschikbaar zijn na de aanleg. Waterveiligheid en waterkering De bescherming en waterveiligheid van het voorland zijn onderzocht in de memo's memo “Advisering aanleghoogte Enkhuizerzand” en “profiel vrije ruimte”. De memo's zijn toegevoegd in bijlagen 2 en 3 van de m.e.r.-beoordeling. Er is o.a. een berekening gemaakt waarbij de aanleghoogte voor de beoogde ontwikkelingen is bepaald. In deze berekening van de aanleghoogte is o.a. klimaatverandering, scheefstand en mogelijke stijging van het IJsselmeerpeil meegenomen. De aanleghoogte van de bebouwing is op basis van deze berekening bepaald op NAP +1,75 m en voor de camping op +NAP 1,50 m.

Het ontwerp van de aanleghoogte is in meerdere overleggen met gemeente, HHNK, en de provincie besproken waarbij deze aanleghoogte aanvaardbaar is geacht. In het nieuwe plan wordt geen vaargeul meer aangelegd en wordt het vakantiepark op het bestaande land aangelegd. Hierdoor is er geen risico meer op het doorsnijden van een afdichtende laag en blijft de waterveiligheid voldoende gehandhaafd. In het kader van de uitwerking van de inrichting is in aanvulling op het bovenstaande aanvullend hydraulisch advies gevraagd aan Svasek. Op basis hiervan is er voor gekozen de voorlandkering een hoogte van 2,08 m+NAP te geven. Deze voorlandkering beschermt het vakantiepark, het zwembad en Sprookjeswonderland, de parkeerkoffers langs het strand en de camping tegen overstroming. Daarmee wordt beschermd tegen een overstroming met een kans van 1/4.000 jaar. Oplegnotitie PVVR Ten behoeve van het gewijzigde plan is een oplegnotitie PVVR opgesteld (zie bijlage 12). De oplegnotitie neemt de aanpassing op de gebiedsontwikkeling in beschouwing in relatie tot het opgestelde PVVR. Het doel is om inzichtelijk te maken of de aanpassing invloed heeft op de uitgangspunten en daarmee op de beschikbare ruimte vanuit het profiel van vrije ruimte.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

41

Op basis van de in de inleiding benoemde aanpassingen, worden de volgende conclusie getrokken.  De ontwikkelingen komen niet dichter bij de waterkering te liggen en blijven daardoor buiten het opgestelde PVVR, hierdoor is er geen effect;  De ophoging van het maaiveld blijft hetzelfde, dus dat zorgt niet in een verandering in geometrie die is gebruikt voor het berekenen van het PVVR, hierdoor is er geen effect;  De aanpassingen hebben geen invloed op de geotechnische parameters, op basis waarvan het PVVR is vastgesteld.  Doordat de vaargeul komt te vervallen, veranderd de input voor het bepalen van de hydraulische belastingen (met name de benodigde kruinhoogte). Voor het opstellen van het PVVR is het HBN bepaald uitgaande van een grotere strijklengte. Doordat de geul niet aanwezig is, is meer voorland aanwezig en kunnen theoretisch gezien minder golven optreden. Naar verwachting zou de kruin lager kunnen, maar dat is een positief effect. Het huidige PVVR is in ieder geval veilig, een nieuwe analyse op de kruinhoogte is niet noodzakelijk. Conclusie De aanpassing in de gebiedsontwikkeling hebben geen invloed op het opgestelde PVVR. Zolang met het vakantiepark buiten het PVVR wordt gebleven, is er vanuit de waterkering geen bezwaar.

Oplegnotitie oeverbescherming en kruiend ijs Ten behoeve van het gewijzigde plan is in een oplegnotitie de oeverbescherming en het gevaar van kruiend ijs onderzocht (zie bijlage 13). Het doel is om inzichtelijk te maken of de planaanpassing invloed heeft op de uitgangspunten en daarmee op het advies over de aanleghoogte, de oeverbescherming en vaargeul. Op basis van de in de inleiding van dit hoofdstuk benoemde aanpassingen aan het ontwerp, worden de volgende overwegingen gemaakt:  De aanleghoogte blijft gelijk ten opzichte van het eerdere plan. Dit zorgt niet voor andere omstandigheden en heeft geen effect op het eerdere advies (expert judgement) over de harde oeverbescherming;  De vaargeul vervalt. Doordat de geul niet aangelegd wordt, blijft meer ondiep water voor de oever aanwezig en worden de hydraulische belastingen enigszins gunstiger. Ook de golfinvloed in het vakantiepark zelf is beperkt;  De oeverlijn van het vakantiepark tot en met het zwembad bestaat in het nieuwe plan uit een zandstrand. Dit strand is zonder kribben of golfbrekers niet stabiel. Met behulp van kribben kan het strand worden vastgelegd. De kribben dienen dwars op de oever te worden aangelegd. Lengte en onderlinge afstand van de kribben houden verband met elkaar. Hoe kleiner de afstand tussen de kribben hoe korter ook de kriblengte wordt.

Naast klassieke kribben van stortsteen zijn er ook andere uitvoeringen mogelijk. Te denken valt aan houten kribben (palenrijen met vlechtwerk van rijshout). Ook een (houten) damwand of scherm behoort tot de mogelijkheden. Een damwand of palenrij neemt nauwelijks oppervlak in en is wel effectief tegen erosie. Kruiend ijs De nieuwe oeverbescherming die voor het plan Enkhuizerzand wordt aangelegd is georiënteerd op het noordoosten. De kans op kruiend ijs vanuit deze richting is minimaal. Kruiend ijs treedt op bij inval van dooi na een vorstperiode en gaat gepaard met windrichtingen uit westelijke richting. Hierdoor wordt eventueel aanwezig drijvend ijs bij Enkhuizerzand van de oever weggeblazen en vormt dit dus geen gevaar voor de oeverbescherming, eventuele kribben en de achtergelegen constructies. Dit geldt niet alleen voor de meer beschermde oever ter plaatse van de camping, maar ook voor de open oeverzone ter plaatse van het vakantiepark. Soms kan invallende dooi ook gepaard gaan met een Z-ZO wind. In dat geval kun je ook opstuwing van ijs krijgen bij dijken die open zijn naar Z/ZO. Maar dit is uiterst zeldzaam. Kruiend ijs kan over de oever/dijk worden geduwd en daarbij (stortsteen) taludbekleding beschadigen. Over een zandtalud glijdt het ijs heen zonder schade aan te richten. Eventuele schade kun je na de dooi eenvoudig herstellen.

Alleen bouwwerken die vlak langs de oever staan kunnen grotere problemen krijgen. Bij Enkhuizerzand is dit allemaal niet aan de orde.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

42

Conclusie De voorgestelde aanpassingen in de gebiedsontwikkeling hebben geen invloed op de eerder bepaalde oeverbescherming. Het risico van extra belastingen op oeverbescherming, kribben en/of achtergelegen constructies als gevolg van kruiend ijs is verwaarloosbaar. Afvalwater en riolering Een afkoppeling van afvalwater en hemelwater zal plaatvinden. Het hemelwater zal worden geloosd op het oppervlakte water (IJsselmeer). Er zal daarnaast een rioleringssysteem worden aangelegd voor het vakantiepark en de camping. Nautische veiligheid Ten opzichte van de huidige situatie is er geen toename van boten die het IJsselmeer op zullen gaan. Vanuit het vakantiepark zal het niet mogelijk zijn om met een boot het IJsselmeer op te varen. Er wordt geen vaargeul aangelegd. Morfologische aspecten Deze aspecten zijn onderzocht de memo “Advisering aanleghoogte Enkhuizerzand”. De focus ligt daarbij op de effecten van golfaanvallen. De oevers van vakantiepark, durfstrand, zeilschool en camping worden verhard en zijn zo beschermd tegen golfaanvallen. Het strand tussen het vakantiepark en het durfstrand ligt beschermd en door de gebogen ligging zal er geen zand wegspoelen. Alleen ter plaatse van het zwembad is een bescherming voorzien. Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling is een watervergunning noodzakelijk.

De milieugevolgen van het gewijzigde plan zijn aanzienlijk minder dan van het oorspronkelijke plan. De conclusies van de onderzoeken zoals toegevoegd aan de m.e.r.-beoordelingsnotitie (bijlage 2) blijven intact. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. het aspect water vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Gezien de tijdelijke aard van bewoning wordt de verblijfsrecreatie in het plangebied niet beschouwd als milieugevoelige functie. In de beoogde ontwikkeling wordt een camping verplaatst en wordt een vakantiepark gebouwd. Beide functies vallen in milieucategorie 3.1 met een maatgevende richtafstand van 30 m in gemengd gebied. Rondom de beoogde ontwikkelingen zijn in een straal van 50 m geen bedrijven gevestigd. Hierdoor worden er door de beoogde ontwikkeling geen bedrijven geschaad in hun bedrijfsvoering is tevens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de camping en het vakantiepark gegarandeerd. In een straal van 50 m rondom de beoogde functies staan geen woningen. Ter plaatse van de bestaande woonwijken zal geen hinder ontstaan. De verkeersaantrekkende werking is in de paragraaf verkeer beschouwd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de camping, het vakantiepark en de bestaande woonwijken sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

43

4.6

Verkeer en parkeren

Mobiliteitstoets Voor de herontwikkeling van recreatieoord Enkhuizerzand is in november 2018 door Rho Adviseurs een mobiliteitstoets opgesteld ('Mobiliteitstoets Enkhuizerzand', 02-11-2018). De mobiliteitstoets is als bijlage opgenomen in de m.e.r.-beoordeling. Daarnaast is een oplegnotitie opgesteld die een nadere onderbouwing levert op basis van nieuwe verkeerstellingen, de meest recente CROW-kentallen voor de verkeersgeneratie en het ruimtelijke programma uit dit vast te stellen bestemmingsplan (zie bijlage 14). Beide stukken gaan uit van het ruimtelijke programma dat in het eerder in 2019 vastgestelde bestemmingsplan was opgenomen. In het bestemmingsplan 2020 is het ruimtelijk programma naar beneden bijgesteld. Om die reden is de mobiliteitstoets voorafgaand aan de zitting van de Raad van State over het het in 2020 vastgestelde bestemmingsplan geactualiseerd. De geactualiseerde mobiliteitstoets is in Bijlage 24 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder zijn de conclusies uit deze mobiliteitstoets samengevat. Voorgenomen ontwikkeling De ontwikkeling van het plangebied leidt tot veranderingen op het gebied van verkeer en parkeren. In het plangebied wordt een nieuwe weg aangelegd met daarlangs nieuwe parkeerplaatsen. Ook de weginfrastructuur rond het nieuwe vakantiepark is nieuw. Daarnaast is voorzien in diverse loop- en fietsroutes.

De toekomstige parkeerbehoefte kan opgevangen worden binnen in het plangebied. In geval van extreem drukke dagen kan de huidige Immerhornweg gebruikt worden als buffer om het parkeren op te vangen. In de mobiliteitstoets uit 2018 is rekening gehouden met een nieuw parkeerterrein van het Zuiderzeemuseum op drie mogelijke locaties en bijbehorende gevolgen hiervan op de verkeerdrukte in het gebied. Het bestemmingsplan voorziet echter niet in deze parkeerplaatsen zodat hiermee in de “Oplegnotitie mobiliteitstoets Enkhuizerzand” (Bijlage 14) en de Mobiliteitstoets 2020 (Bijlage 24) en en de hierin opgenomen kruispuntonderzoeken geen rekening meer mee hoeft te worden gehouden. Verkeersgeneratie plangebied De ontwikkeling van het plangebied zorgt voor een toename van de verkeersgeneratie van en naar het gebied. Deze extra verkeergeneratie kan op toekomstige piekmomenten goed worden verwerkt via het bestaande wegennet en zal niet leiden tot problemen op het gebied van verkeersafwikkeling. De berekening van de toekomstige piekmomenten is gebaseerd op een van de drukste dagen in het jaar voor Sprookjeswonderland (Heksendag), waarbij tevens de gemiddelde verkeersgeneratie van alle bestemmingen in het plan is meegenomen en bovendien een autonome verkeersgroei van 1 % per jaar (tussen 2019 en 2030) is meegenomen.

Onderbouwd is dat piekmomenten op Heksendag hoger zijn dan piekmomenten op een drukke zomerse dag met veel strandbezoek. Onderzoek verkeersafwikkeling Op basis van de indicatieve kruispuntberekeningen uit de mobiliteitstoets 2020 kan worden geconcludeerd dat op de ongeregelde kruispunten en de rotonde op de Dreef en de Nelson Mandeladreef geen doorstromingsproblemen ontstaan op het piekmoment in de toekomstige situatie. Het VRI-geregelde kruispunt Lindenlaan-N505 heeft daarentegen niet genoeg capaciteit om het verkeer op het piekmoment in de toekomstige situatie te kunnen afwikkelen met de huidige vormgeving van het kruispunt. Wanneer de gecombineerde rechtdoor-rechtsafstrook op de zuidelijke tak op de N505 opgedeeld wordt tot afzonderlijke opstelstroken voor rechtdoor en rechtsaf, wordt de capaciteit van het kruispunt verhoogd. Uit de kruispuntberekeningen volgt dan dat ook tijdens het piekmoment in de toekomstige situatie het verkeer zonder problemen afgewikkeld kan worden.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

44

Als op het Enkhuizerzand bij grote drukte incidenteel extra ruimte voor parkeren wordt geboden (ruim 250 parkeerplaatsen), leidt dat tot een extra verkeergeneratie van het Enkhuizerzand. Dit heeft in eerste instantie effect op de Noorderweg-Noord. Deze weg zal geen doorstromingsproblemen ervaren, maar de hoge verkeersintensiteiten zijn niet wenselijk wanneer de fietsers op dezelfde smalle rijbaan rijden. Op de ongeregelde kruispunten en de rotonde leidt het extra verkeer nog steeds niet tot doorstromingsproblemen op het piekmoment (met evenemt Heksendag in Sprookjeswonderland) in de toekomstige situatie. Het VRI-kruispunt Lindenlaan-N505 met extra opstelstrook op de zuidelijke tak kan het verkeer dan nog net verwerken. De berekende cyclustijd op het piekmoment is dan 120 seconden en zit daarmee aan zijn capaciteit. Parkeren In de mobiliteitstoets is de huidige en toekomstige parkeerbehoefte in het plangebied beschreven. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling kan worden opgevangen met het toekomstige parkeeraanbod. Op extreem drukke (zomer)dagen kan de Immerhornweg gebruikt worden als overloopgebied om de grotere parkeerbehoefte op te vangen. Net als in de huidige situatie zal er ook in de toekomstige situatie sprake zijn van uitwisseling van parkeerplaatsen.

Eindconclusie Door de beoogde ontwikkelingen neemt de verkeersintensiteit op de ontsluitende wegen toe, maar zullen er geen problemen ontstaan in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het plangebied. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.7

Wegverkeerslawaai

In de bestaande situatie omvat het terrein o.a. Sprookjeswonderland, kampeerterreinen, een overdekt zwembad, strand en lig- en speelweiden. Het plangebied heeft in de huidige situatie een verkeersgeneratie van 1.355 mvt/etmaal. In de bestaande situatie zijn er geen geluidsgevoelige functies zoals bedoeld in de Wgh in het plangebied aanwezig. Tevens zijn in de omgeving van het terrein geen woningen of andere gevoelige functies gelegen. Recreatiewoningen zijn volgens de Wet geluidhinder niet geluidgevoelig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wenselijk zijn de geluidbelasting ter plaatse van recreatiewoningen te toetsen. Omdat de geluidbelasting ter plaatse van de recreatiewoningen wordt bepaald door 30 km-wegen binnen het plangebied en niet al het gegenereerde verkeer de recreatiewoningen passeert, mag worden uitgegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Voor de bestaande woningen aan de Asterstraat is er een toename van geluid vanwege het toegenomen verkeer op met name de Noorderweg. De berekende toename bedraagt van 1.770 mvt/etmaal in 2020 naar in totaal 3.305 mvt/etmaal. Dit betekent globaal een verdubbeling en daarmee een toename van 3 dB.

Omdat de Wgh formeel niet van toepassing is, zou voor wat betreft de beoordeling kunnen worden aangesloten bij het toetsingskader voor vergunningverlening in het kader van de Wet milieubeheer/Wabo. Dit toetsingskader betreft de Circulaire “Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wm” (VROM, 29 februari 1996). De voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder bedraagt volgens de circulaire 50 dB(A) en de maximale grenswaarde bedraagt 65 dB(A) als etmaalwaarde. Uit een indicatieve berekening is gebleken dat op basis van een etmaalintensiteit van 3.305 mvt/etmaal en een afstand van 30 m (woningen Asterstraat) de geluidbelasting niet meer bedraagt dan 56 dB(A) als etmaalwaarde. Op basis van bovengenoemde circulaire kan daarmee worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbare situatie.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

45

Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.8

Luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor emissies wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang indien de emissies grotendeels door verkeer worden veroorzaakt. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is een indicatie van de luchtkwaliteit (emissies) ter plaatse van het projectgebied gegeven. De dichtstbijzijnde weg waarlangs rekenpunten gelegen zijn betreft de Drechterlandseweg/Randweg/Zijlweg/Provinciale weg (N302). Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De hoogste concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 16 µg/m³ voor NO2, 15,5 µg/m³ voor PM10 en 8,6 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6 dagen. In figuur 4.2 zijn de rekenpunten voor het projectgebied in 2017 weergegeven.

Figuur 4.2

Luchtkwaliteit nabij plangebied 2017 o.b.v. NSL-monitoringstool.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

46

De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersgeneratie van 2.190 mvt/etmaal tot gevolg. Met behulp van de nibm-rekentool is de luchtkwaliteit voor het jaar 2020 berekend (tabel 4.2 en 4.3). Tabel 4.2 Nibm-tool

Tabel 4.3 Toetsing aan grenswaarden Wet milieubeheer maximale achtergrond maximaal optredende planbijdrage concentratie (µg/m³) ter concentratie (µg/m³) (µg/m³) plaatse van de volgens Drechterlandseweg / NIBM rekentool Randweg / Zijlweg / Provinciale weg (N302) op basis van NSL-monitoringstool NO2 1,47 16 17,47 PM10 0,34 15,5 15,84 PM2,5 0,34 8,6 8,94

grenswaarde Wm (µg/m³)

40 40 25

Uit de tabellen blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de huidige (worst case) situatie worden opgeteld, alsnog ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. Omdat direct langs de maatgevende wegen ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Conclusie Als gevolg van de ontwikkeling is er een lichte toename van luchtverontreinigende stoffen. Er wordt ruimschoots aan de grenswaarden voldaan uit de 'Wet luchtkwaliteitseisen' (Hoofdstuk 5 Wet milieubeheer).

4.9

Archeologie

Beleid en normstelling In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

47

De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Bestemmingsplan In de Erfgoedwet is invulling gegeven aan het Verdrag van Malta. Deze wet schrijft voor dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel.

Archeologiebeleid gemeente Enkhuizen Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen. De vrijstellingszones in het onderhavige bestemmingsplan zijn dan ook geen exacte weergave van de vastgestelde beleidskaart. Onderzoek In het kader van de voorbereiding van dit plan heeft Archeologie West-Friesland een advies uitgebracht (d.d. 13 september 2016) (zie bijlage 15). Het advies is hieronder beschreven. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca 35 ha. Op dit moment is het voornemen om aan de zuidzijde van het plangebied recreatiewoningen te realiseren. Aan de noordzijde van het gebied komt mogelijk een camping. Verder worden mogelijk één of meer strekdammen in het IJsselmeer gecreëerd. Het grootste deel van het plangebied is vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Ten behoeve van het doen van waarnemingen dient voor dit gebied wel in de omgevingsvergunning te worden opgenomen dat Archeologie West-Friesland toekomstige graafwerkzaamheden wil monitoren. Hierbij kunnen vondsten worden verzameld die in het opgespoten zand aanwezig zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

48

Aan de noordzijde van het plangebied liggen twee zones waar sporen uit de Late Middeleeuwen worden verwacht. Voor deze zones geldt dat rekening dient te worden gehouden met archeologie bij ingrepen groter dan 500 m². Uit het booronderzoek in de Immerhornpolder is gebleken dat de archeologische laag zich op ruim 1 m onder maaiveld bevindt. Zolang bij de voorgenomen herinrichting de bodem niet dieper wordt verstoord dan tot 75 cm onder maaiveld en de ontwikkeling niet groter is dan 500 m² wordt voor het terrein geen vervolgonderzoek geadviseerd. Bij een grotere verstoring of een diepere verstoring (hieronder valt ook het aanbrengen van heipalen) dient nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Indien de beoogde convexe kustboog wordt uitgevoerd, dient vooraf een verkennend onderzoek op de waterbodem te worden uitgevoerd met de side scan sonar en magnetometer. Op basis van de uitslag hiervan, bijvoorbeeld scheepsresten, dient het protocol Waterbodems KNA te worden gevolgd. Conclusie Indien de bodem niet dieper dan 75 cm onder het maaiveld wordt geroerd, zijn nadelige gevolgen op het gebied van cultuurhistorie en archeologie uitgesloten. Graafwerkzaamheden worden gemonitord zodat nadelige gevolgen op het gebied van cultuurhistorie en archeologie zijn uitgesloten.

Daarnaast wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met de side scan sonar en magnetometer wanneer de convexe kustboog wordt uitgevoerd.

4.10

Cultuurhistorie

Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 4.10.1 Onderzoek Het bestemmingsplan betreft de buitendijkse gebieden van Enkhuizen. In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn diverse objecten aanwezig die aangewezen zijn als monument op basis van de Erfgoedwet, als provinciaal of als gemeentelijk monument. Dit zijn bijvoorbeeld de vuurtoren, de Westfriese Omringdijk en de Wierschuur.

Dergelijke objecten genieten bescherming op basis van separate wetgeving. Dit bestemmingsplan leidt niet tot aantasting van deze waarden. 4.10.1.1 Enkhuizerzand Provinciale ruimtelijke verordening De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland geeft een beschrijving waaraan bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen moeten voldoen. Voor de doorwerking van het in de structuurvisie / (ontwerp) omgevingsvisie vastgelegde beleid naar gemeenten toe, heeft de provincie een provinciale ruimtelijke verordening opgesteld. De verordening is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen of projectbesluiten.

Rho adviseurs voor leefruimte

038800.20170665

49

Voor het plangebied is relevant dat de ontwikkeling van het vakantiepark conform de reactieve aanwijzing van GS is gelegen in landelijk gebied. Artikel 15 PRV is daarom van toepassing op het plangebied: 'Artikel 15 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 2. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied, indien gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening wordt gehouden met: i de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble, en; ii de ambities en ontwikkelprincipes van de toepasselijke provinciale structuren, en; b. hierbij wordt betrokken: i de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes, en; ii de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble, en; iii de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van de toepasselijke provinciale structuren. 3. De toelichting van een bestemmingsplan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12183284/1