Beleidsregels jeugdhulp
Tekst van het document
Ondersteuningsprofiel 3: behoefte aan het vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden van ouders met een beperking Gewenst resultaat : de ouder(s) doet(n) wat in zijn(hun) vermogen ligt in de opvoeding van zijn(hun) kinderen. Het netwerk om het gezin ondersteunt waar dit nodig is. De jeugdige functioneert leeftijdsadequaat, thuis, op school en buitenshuis. Hij heeft steunfiguren om zich heen, waar hij terecht kan om zijn emoties over de gezinssituatie te delen. -
Ondersteuningsprofiel 4: behoefte aan het vergroten van specifieke opvoedingsvaardigheden voor ouders met eigen problematiek plus hulp voor de jeugdige(n) bij zijn/haar ontwikkeling Gewenst resultaat: de ouder(s) staat(n) in zijn(hun) eigen kracht als opvoeder, los van de persoonlijke problemen en beperkingen. Om het gezin is een steunend netwerk aanwezig, dat bijspringt en aanvult waar en wanneer dit nodig is. Daar waar dit niet haalbaar is gebleken, is er voor de jeugdige een veilige en stimulerende opvoedsituatie gevonden. De ontwikkelings-, gedrags- en emotionele problemen zijn grotendeels verdwenen en de jeugdige kan zich weer leeftijdsadequaat ontwikkelen binnen zijn mogelijkheden thuis, op school en buitenshuis. -
Ondersteuningsprofiel 5: behoefte aan verminderen problematiek en verbeteren van functioneren jeugdige(n); hulp en behandeling voor jeugdige Gewenst resultaat: de kind-factoren zijn dusdanig beïnvloed dat de jeugdige zich zo leeftijdsadequaat mogelijk ontwikkelt en functioneert, gebruik makend van zijn sterke kanten. De lijdensdruk van de jeugdige is sterk verminderd. Ouders en andere betrokkenen hebben inzicht in de kind eigen factoren van de jeugdige, weten zijn gedrag te hanteren en zijn ontwikkeling optimaal te stimuleren (versterking eigen kracht ouders). -
Ondersteuningsprofiel 6: behoefte aan leren van vaardigheden en verbeteren functioneren voor jeugdige(n), rekening houdend met verminderen van eigen problematiek ouders en waarborgen veiligheid jeugdigen Gewenst resultaat: de ouders hebben regie over de opvoeding van hun kinderen weer in handen genomen en weten waar ze terecht kunnen voor hulp en ondersteuning. Er is een steunend netwerk om het gezin heen aanwezig. Er is een plan in uitvoering voor alle problemen die zich in de gezinssituatie voordoen. Alle betrokken zorgverleners voeren samen met de ouders dit plan in samenhang uit. Door de gezamenlijke aanpak zijn de problemen van de jeugdige verminderd en functioneert hij beter thuis, op school en buitenshuis. Daarbij wordt gebruik gemaakt van zijn sterke kanten. De jeugdige maakt een gezonde positieve en veilige ontwikkeling door binnen zijn vermogen waarin acceptatie van blijvende kind problematiek een onderdeel kan zijn. De ouders beschikken over toereikende en bij jeugdige passende opvoedvaardigheden om op eigen kracht en eigen regie de ontwikkeling van hun kind(eren) positief aan te sturen en te stimuleren. De ouders werken als ouders goed samen in de opvoeding van hun kinderen en maken gebruik van een goed steunnetwerk.
17 / 27
-
Ondersteuningsprofiel 7: behoefte aan begeleiding en behandeling in samenhang met een verstandelijke beperking van de jeugdige Gewenst resultaat: de ouders hebben goed zicht op de sterke kanten en de beperkingen van hun kind en hoe dit van invloed is op zijn ontwikkeling. Zij weten hoe zij hun kind kunnen stimuleren in zijn ontwikkeling en welke opvoedkundige aanpak effectief is. Zij weten waar zij ondersteuning kunnen vinden om overbelasting te voorkomen. De jeugdige weet indien mogelijk, waar zijn sterke kanten liggen en beseft dat hij beperkingen heeft. Hij functioneert overeenkomstig zijn mogelijkheden thuis, op school en buitenshuis. -
Ondersteuningsprofiel 8: behoefte aan begeleiding en behandeling in samenhang met een verstandelijke beperking en gedragsproblematiek van de jeugdige Gewenst resultaat: de klachten die samenhangen met de beneden gemiddelde intelligentie in combinatie met de ontwikkelings- en gedragsproblemen, zijn verminderd. Er is sprake van minder lijdensdruk en herstel van functioneren, thuis en buitenshuis. De jeugdige weet, indien mogelijk, waar zijn sterke kanten liggen en maakt daar gebruik van. De ouders beschikken over kennis en opvoedkundige vaardigheden die nodig zijn om de ontwikkeling positief te stimuleren. Zij weten waar zij ondersteuning kunnen vinden om overbelasting te voorkomen. -
Ondersteuningsprofiel 9: behoefte aan begeleiding vanwege een lichamelijke beperking en/of nietaangeboren hersenletsel van de jeugdige Gewenst resultaat: de jeugdige maakt zo goed mogelijk gebruik van zijn sterke kanten. Hij ontwikkelt zich positief thuis en buitenshuis, binnen zijn mogelijkheden. Hij ontwikkelt een positief zelfbeeld. De ouders bieden de hulp en ondersteuning die hun kind nodig heeft, zo nodig met behulp van anderen. Zij weten waar zij ondersteuning kunnen vinden om overbelasting te voorkomen. -
Ondersteuningsprofiel 10: behoefte aan leren van vaardigheden en verbeteren functioneren voor 0 tot 6 jarige(n) binnen het gezin (rekening houdend met verminderen van eigen problematiek ouders en waarborgen veiligheid van het jonge kind) Gewenst resultaat: het jonge kind maakt een gezonde, positieve en veilige ontwikkeling door binnen het vermogen van het kind. Hier is acceptatie van blijvende kind problematiek een onderdeel van. De ouders beschikken over toereikende en bij het kind passende opvoedvaardigheden, om op eigen kracht en eigen regie de ontwikkeling van hun kind(eren) positief aan te sturen en te stimuleren. De ouders werken als ouders goed samen in de opvoeding van hun kinderen, en maken gebruik van een goed steunnetwerk. Zowel leerkrachten en groepsleidsters weten hoe zij het kind optimaal kunnen stimuleren in de ontwikkeling. De ontwikkeling en het gedrag van het jonge kind laat positief herstel zien thuis, op het kinderdagverblijf, de voorschool, op school en buiten.
Artikel 18. Herstel of duurzaam arrangement Het uitgangspunt is dat het in te zetten arrangement gericht is op herstel. Het gaat immers om hulp vallend onder de Jeugdwet. Zou er in het geheel geen perspectief zijn op herstel dan is de Wet langdurige zorg van toepassing. Niettemin is er ook onder de Jeugdwet wel een accentverschil aan te brengen tussen: hulp gericht op duidelijke ontwikkeldoelen, waarbij er voor de jeugdige/het gezin nog een uitgesproken ontwikkelperspectief is en hulp gericht op stabilisatie, dat wil zeggen het behouden en versterken van de eigen zelfredzaamheid en het vergroten van sociale participatie, rekening houdend met eventuele beperkingen van de jeugdige/het gezin. Eventueel kan na een hersteltraject een vervolg worden ingezet op duurzame begeleiding. Bij een hersteltraject is er geen einddatum vastgesteld. Het traject wordt pas afgesloten als de resultaten uit het perspectiefplan zijn behaald. Bij een duurzaam traject wordt de beschikking voor maximaal een jaar afgegeven. Hier kan van worden afgeweken als, passend bij de chronische problematiek, resultaten en noodzakelijke hulp, de jeugdconsulent het noodzakelijk acht voor de jeugdige en/of ouder(s) de beschikking voor langer dan een jaar af te geven.
18 / 27
Indien een jeugdige binnen een half jaar na vaststelling van de noodzaak tot inzet jeugdhulp de leeftijd van 18 jaar bereikt, en de jeugdhulp valt met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar onder een andere wetgeving, zal er een duurzaam traject worden toegekend, ondanks dat de resultaten herstelgericht zijn.
Artikel 19. Componenten In de toekenning van jeugdhulp is het mogelijk één arrangement te kiezen waarbinnen de zorgaanbieder alle zorg levert om het resultaat te behalen. Er zijn extra componenten die aanvullend op het arrangement toegekend kunnen worden. Dit dient wel in het perspectiefplan meegenomen en gewogen te worden. Het extra component maakt dan deel uit van de toekenning of afwijzing. ThuisPLUS Wanneer gedurende een bepaalde periode in een traject gericht op herstel extra intensieve ambulante begeleiding en/of dagbesteding nodig is, kan boven het arrangement ThuisPLUS worden ingezet, aanvullend aan het ondersteuningsprofiel. Het is aan de zorgaanbieder om aan te geven of de ThuisPLUS component noodzakelijk is. De jeugdconsulent bepaalt of het ThuisPLUS component ingezet mag worden. Voorwaarde voor deze inzet is dat de methode is beschreven in het perspectiefplan. Vervoer Het vervoer van een jeugdige van en naar school valt onder leerlingenvervoer en niet onder het bereik van de Jeugdwet. (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-2-2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1156 en Rechtbank NoordHolland 13-4-2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:2916 )
De Jeugdwet hanteert het uitgangspunt eigen kracht. Dat betekent concreet het volgende voor het vervoer in de praktijk: - Vervoer door ouders/verzorgers dan wel eigen netwerk Het vervoer van en naar een jeugdhulplocatie is in beginsel de verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers. In de praktijk komt het vaak voor dat ouders werken of zorg dragen voor meerdere kinderen en dit als reden aanvoeren waarom zij niet voor begeleiding van het vervoer van hun kind kunnen zorgen. Dit kan echter nog gezien worden als eigen kracht. Van iedere ouder wordt verwacht dat zij kinderen van en naar school, (sport) clubs en dergelijke brengen. De beperking van een kind maakt niet dat ouders deze verplichting niet meer hebben als het gaat om hulp aan hun kind. Indien de mogelijkheden van jeugdige, ouders en het sociaal netwerk ontoereikend zijn om het vervoer zelf te regelen, wordt onderzocht wat mogelijk is vanuit de Jeugdwet. - Vervoer door zorgaanbieder Binnen de regio West-Friesland zijn de tarieven berekend op het aanbieden van jeugdhulp exclusief vervoer. Deze berekening gaat er vanuit dat de ouders/verzorgers of het netwerk het vervoer regelt. Alleen in uitzonderingsgevallen kan de zorgaanbieder hierin voorzien. Hierbij gaat het wel om vervoer binnen de regio West-Friesland.
De zorgaanbieders regelen het vervoer in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) en ontvangen hiervoor een extra component bovenop het arrangement. In het perspectiefplan wordt onderbouwd welke opties voor eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen zijn onderzocht en waaruit blijkt dat deze niet toereikend of beschikbaar zijn. - Vervoer buiten de regio en rolstoelvervoer: Voor vervoer buiten de regio Westfriesland en rolstoelvervoer, waarin de jeugdige, ouders of het netwerk de jeugdige niet zelf kunnen vervoeren wordt gezocht naar een oplossing. Verblijf Alle arrangementen zijn voor ambulante hulpverlening (behandeling en begeleiding). Is voor het bereiken van de beoogde resultaten nodig dat de jeugdige tijdelijk in een voorziening verblijft, dan kan een verblijfscomponent worden toegevoegd aan het gekozen arrangement. Hier wordt een bepaalde duur voor afgesproken. De behandeling en/of begeleiding worden vanuit het arrangement bekostigd. Medicatiecontrole
19 / 27
Na beëindiging van een arrangement kan medicatiecontrole worden ingezet wanneer slechts de medicatiecontrole nodig is. Medicatiecontrole kan ook als extra component worden ingezet gestapeld op een arrangement. De medicatiecontrole hoeft niet plaats te vinden bij de hoofdaannemer. Er wordt altijd afgewogen door de zorgaanbieder of er eventueel een overdracht kan plaatsvinden naar de huisarts.
Artikel 20. Individuele voorzieningen (producten) die buiten een arrangement vallen Dyslexiezorg Voor jeugdigen met (een vermoeden van) ernstige enkelvoudige dyslexie kan een voorziening worden aangevraagd in de vorm van onderzoek en/of behandeling. Voor de dyslexiezorg is het niet mogelijk een persoonsgebonden budget aan te vragen. Pleegzorg Er kan een beschikking afgegeven worden voor (tijdelijke) plaatsing van een kind in een pleeggezin. De gemeente geeft een beschikking af, ongeacht of er sprake is van een vrijwillig dan wel een gedwongen kader. Aan een pleegzorgplaatsing ligt altijd een gemeentelijke beschikking ten grondslag, tenzij er sprake is van een crisisplaatsing. Voorzieningen uit het landelijk transitiearrangement Indien er een zeer specialistische voorziening nodig is, is het mogelijk een voorziening in te zetten die landelijk is ingekocht via het Landelijk Transitie Arrangement. Indien uit onderzoek blijkt dat het nodig is om naast deze voorziening nog jeugdhulp in te zetten, kan een arrangement toegewezen worden. Crisishulp Art. 2.6, eerste lid aanhef en onder b, van de Jeugdwet bepaalt onder meer dat jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. De verplichting tot het zorgen voor spoedhulp laat zich niet vertalen in beleidsregels, maar is afhankelijk van de individuele situatie.
In de regio West-Friesland is de Crisisdienst Jeugd Noord-Holland-Noord, naast het college, de gecertificeerde instelling en de medisch verwijzer, een toegangspoort tot crisishulp. De Crisisdienst Jeugd Noord-Holland-Noord is er voor kinderen en jeugdigen met een psychische, sociale of verstandelijke kwetsbaarheid die in crisis zijn en waarbij direct deskundige hulp of zorg geboden moet worden. Daarnaast is de daadwerkelijke crisishulpverlening beschikbaar binnen het gecontracteerde aanbod van regio West-Friesland.
Artikel 21. Hoogspecialistische jeugdhulp Hoogspecialistische jeugdhulp betreft zeer specifieke, intensieve specialistische jeugdhulp. Het betreft jeugdigen met een ernstige en meervoudige hulpvraag waarbij een intensieve, intersectorale en meer multidisciplinaire aanpak nodig is. Het gaat om een tijdelijke, op herstelgericht traject. Toegang tot hoogspecialistische jeugdhulp kan enkel na positief advies door het Regionaal Adviesteam HS. In dit team zitten professionals vanuit de zeven West-Friese gemeenten die hun expertise inzetten voor het uitbrengen van adviezen over de toelating tot hoogspecialistische jeugdhulp. Het team heeft een adviserende rol, maar geen mandaat voor toewijzing. Ook wanneer de verwijzing naar hoogspecialistische jeugdhulp gedaan wordt door een bij de wet aangegeven autonoom verwijzer wordt de situatie beoordeeld door het Regionaal Adviesteam HS
Artikel 22. JeugdzorgPlus Gesloten jeughulp (hierna JeugdzorgPlus) is een vorm van jeugdhulp waarbij de vrijheid van de jeugdige wordt beperkt. Op grond van internationale regelgeving moet de mogelijkheid om iemands vrijheid te ontnemen of beperken bij of krachtens een wet geregeld zijn. Artikel 15 van de Grondwet vormt de grondslag voor de vrijheidsbeperkende maatregelen in de Jeugdwet. JeugdzorgPlus is een vorm van jeugdhulp voor jeugdigen met ernstige gedragsproblemen, die bescherming nodig hebben tegen zichzelf of tegen anderen. De jeugdige wordt daarom gedwongen opgenomen in de
20 / 27
JeugdzorgPlus. De gedwongen opname moet voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de hulp die nodig is of daaraan onttrokken dreigt te worden. Doel van gesloten jeugdhulp is jeugdigen met zeer ernstige gedragsproblemen weer te laten terugkeren in de samenleving. In de gesloten accommodatie krijgen zij kwalitatief hoogwaardige, specialistische hulp die op hun toekomst is gericht. De opname in de gesloten accommodatie kan in het kader van een ondertoezichtstelling of voogdij, of als de wettelijk vertegenwoordiger met de gesloten jeugdhulp instemt. Voor het inzetten van JeugdzorgPlus is een machtiging nodig van de kinderrechter. Eerst moet het college of de gecertificeerde instelling een besluit hebben afgegeven, inhoudende dat gesloten jeugdhulp nodig is. Vervolgens geeft de rechter een machtiging af. De jeugdige wordt hierbij vertegenwoordigd door een advocaat.
Artikel 23. Toekenningsbeschikkingen In de toekenningsbeschikking komt het arrangement te staan. Indien van toepassing staan in de beschikking de extra componenten, producten of hoogspecialistische jeugdhulp vermeld. Het perspectiefplan moet als onderdeel gezien worden van de toekenningsbeschikking en wordt om die reden ook mee gezonden met de beschikking. In de afspraken die opgenomen zijn in het perspectiefplan staat naar welk resultaat toegewerkt gaat worden met behulp van doelen.
Artikel 24. Proces na toewijzing De jeugdige, (gezaghebbende) ouder(s), pleegouders, het gebiedsteam/de jeugdconsulent en de zorgaanbieder hebben regelmatig contact over de voortgang, conform de afspraken in het perspectiefplan. Tijdens de afronding en evaluatie wordt besproken of de resultaten en doelen uit het perspectiefplan behaald zijn. De beleving van de jeugdige en/of zijn ouder(s) zijn hierbij leidend. Als de resultaten niet zijn behaald, dan wordt besproken wat het vervolgtraject wordt. Voor uitgebreide informatie over het resultaat gericht werken en de uitgebreide beschrijving van de ondersteuningsprofielen zie https://www.zorginregiowestfriesland.nl/.
Hoofdstuk 7. Persoonsgebonden budget Als tot de conclusie wordt gekomen dat ondersteuning in de vorm van een individuele voorziening noodzakelijk is kan een keuze worden gemaakt tussen zorg in natura (zin) en persoonsgebonden budget (pgb). Bij zorg in natura wordt de hulp ingezet vanuit het gecontracteerde aanbod van de gemeente. Administratieve processen en betalingen vinden plaats tussen de gemeente en de zorgaanbieder. In de toelichting op de Jeugdwet is te lezen dat het uitganspunt van de wetgever is dat jeugdigen en/of ouder(s) een voorziening in natura krijgen. Uit artikel 8.1.1 lid 1 Jeugdwet volgt dat het college een pgb moet toekennen als de jeugdige en/of ouder(s) dat wensen en ook aan alle voorwaarden voldoen. Als iemand een persoonsgebonden budget wil ontvangen, wordt in eerste instantie het onderzoek gedaan naar de hulpvraag en worden de onderzoekstappen zoals beschreven in artikel 13 doorlopen.
Artikel 25. Beoordelingskader (artikel 8.1.1 Jeugdwet) Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, verstrekt het college hen een persoonsgebonden budget dat hen in staat stelt passende jeugdhulp door middel van een individuele voorziening, in te kopen. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien: a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen en in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Indien nodig met hulp uit hun sociale netwerk,
21 / 27
van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp; en b. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.
Artikel 26. Pgb plan Wanneer de jeugdige en zijn ouders het perspectiefplan ontvangen hebben moet er een pgb-plan opgesteld worden. Dit pgb-plan wordt getoetst door een jeugdconsulent. Daarbij wordt beoordeeld of de omschreven ondersteuning in het pgb-plan van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van de in het perspectiefplan opgenomen resultaten. Voorts wordt getoetst op (wettelijke) verlenings- en weigeringsgronden en de pgb-vaardigheid. (zie artikel 25 en 29) In het pgb-plan wordt gemotiveerd: • waarom er voor een pgb gekozen wordt; • op welke wijze de inzet bijdraagt aan het behalen van de resultaten uit het perspectiefplan; • bij wie de ondersteuning wordt ingekocht; • hoe deze wordt georganiseerd; • welke afspraken er worden gemaakt; • hoe de kwaliteit is gewaarborgd. Ook moet er een financieel overzicht, begroting of een offerte bijgevoegd worden. . In dit plan legt de jeugdige en/of ouder(s) en, indien van toepassing, de vertegenwoordiger de pgb-verklaring af. Met het indienen van het pgb-plan wordt verklaard dat het pgb op verantwoorde wijze beheerd zal worden. Dit houdt onder andere in dat men zich bewust is van de verantwoordelijkheid die de rol van budgethouder, dan wel vertegenwoordiger voor het pgb, inhoudt. Na het opstellen van het pgb-plan wordt er een gesprek ingepland met de jeugdige en/of ouder(s).
Wanneer er sprake is van een vertegenwoordiger, dient deze ook aanwezig te zijn bij het gesprek.
Artikel 27. Pgb-vaardigheden Een budgethouder dient in staat te zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het beheren van een pgb is geen simpele en ook geen vrijblijvende taak. Met een pgb neemt een gezin zelf de regie in handen over zijn ondersteuning. De jeugdige en/of zijn ouders moeten zelf zorgverleners inhuren, goede afspraken maken, zorgverleners aansturen, zorgdragen voor tijdige declaratie van ondersteuning, de administratie bijhouden, bijdragen aan tijdige en correcte betaling door de Sociale verzekeringsbank (of het college) via het zogeheten trekkingsrecht, op basis van declaraties en zorgovereenkomsten. De jeugdige en/of zijn ouders zijn primair verantwoordelijk voor dat de kwaliteit van de ondersteuning die hij inhuurt voldoende is. Ook dient hij zelf zorg te dragen voor vervanging tijdens ziekte en verlof. Het is noodzakelijk dat de budgethouder, of in voorkomende gevallen diens vertegenwoordiger, voldoende in staat is het pgb te beheren en zijn belangen te behartigen. Bij de beoordeling van pgb-vaardigheid zou gebruik gemaakt kunnen worden van de pgb-test zoals deze wordt aangeboden door Per Saldo. Voor deze test kan iemand niet slagen of zakken en de uitslag op zich kan dan ook geen reden zijn om een pgb af te wijzen.
De test is bedoeld om cliënt meer inzicht te geven in de mate waarin cliënt beschikt over de vaardigheden die noodzakelijk zijn om een pgb te beheren.
Artikel 28. Relevante omstandigheden met betrekking tot de pgb-vaardigheid Onderstaande omstandigheden worden meegenomen in de overweging van het college om al dan niet een pgb toe te kennen. Deze omstandigheden zijn geen direct reden om een pgb af te wijzen, maar zijn omstandigheden die worden meegewogen in het uiteindelijke besluit. Na zorgvuldige afweging kunnen deze omstandigheden alsnog leiden tot een afwijzingsbesluit. Problematische schuldenproblematiek
22 / 27
Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat iemand voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat iemand, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, zelf een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden bij de jeugdige en /of zijn ouders (of zijn vertegenwoordiger), zijn bijvoorbeeld dat de men zelf aangeeft dat er (verwijtbare) schulden zijn, het gezin in de schuldsanering zit of onder bewindvoering staat. Ernstige verslavingsproblematiek Ernstige verslavingsproblematiek maakt dat men vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de cliënt bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat de cliënt minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een onafhankelijk medisch advies.
Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij de beoogde budgethouder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat tijdens het onderzoek verslaving gerelateerd gedrag vertoond wordt. Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag Wanneer een beoogde budgethouder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien de jeugdige en/of zijn ouders, dan wel vertegenwoordiger, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een (zeer) laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die- zonder ondersteuning- participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. Een pgb-test zoals Per Saldo aanbiedt zou meer informatie hierover kunnen bieden. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de cliënt om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb.
Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de cliënt en de pgb-aanbieder. Een aanbod van Zorg in Natura past vaak beter in het (zorg)belang van de jeugdige en/of zijn ouders. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis Wanneer een beoogde budgethouder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat men daarmee de regie over het welzijn van de jeugdige en/of zijn ouders niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de ziekte van Korsakov. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer iemand de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen (en dus kunnen lezen) van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, zijn niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het pgb.
Twijfels op andere gronden over de pgb-vaardigheid Er kunnen, naast de eerder genoemde omstandigheden, ook twijfels zijn op andere gronden over de pgbvaardigheid van de jeugdige, zijn ouder(s), dan wel vertegenwoordiger, waardoor sterk de indruk bestaat dat
23 / 27
iemand niet in staat is om een pgb te beheren. Een beslissing hieromtrent dient goed onderbouwd en gemotiveerd worden.
Artikel 29. Weigeringsgronden (artikel 8.1.1 lid 4 jeugdwet) De Jeugdwet noemt een aantal situaties waarin het college een pgb kan weigeren: a) Kosten PGB hoger dan voorziening in natura Als de gemeente door verstrekking van een pgb duurder uit zou zijn, kan het college het pgb voor dat deel weigeren. Het college kan het budget slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Jeugdigen of hun ouders kunnen zelf bijbetalen als het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Let wel: het pgb dat het college biedt, moet voor een jeugdige of zijn ouders toereikend zijn om de vastgestelde jeugdhulp ook werkelijk te kunnen inkopen. Anders is het budget geen zinvol alternatief (TK 2013–2014, 33 684, nr. 10, p. 148). b) Het PGB is in een eerdere beslissing ingetrokken/herzien Het college kan een pgb weigeren als het eerder een beslissing om een pgb te verstrekken heeft herzien of ingetrokken, omdat: de ontvanger van het budget onjuiste of onvolledige gegevens had verstrekt; niet werd voldaan aan de gestelde voorwaarden van het persoonsgebonden budget, of het persoonsgebonden budget niet werd gebruikt of voor een ander doel dan waarvoor het bestemd was. c) Wanneer niet wordt voldaan aan de eisen uit artikel 8.1.1 lid 2 jeugdwet (zie artikel 25).
d) de behandeling geboden wordt door een ouder of door personen waarbij sprake is van een persoonlijke band die de behandeling mogelijk in de weg staat. e) De zorg welke geboden wordt tot overbelasting leidt van de persoon uit het sociaal netwerk.
Artikel 30. Vertegenwoordiger Iemand kan (of moet) zich, laten vertegenwoordigen in de uitoefening van het budgethouderschap. Een derde persoon wordt dan gemachtigd om voor hem de taken, verbonden aan het pgb, uit te voeren. De vertegenwoordiger dient pgb-vaardig te zijn. Uitgangspunt is dat degene die de cliënt vertegenwoordigt, de belangen van de cliënt centraal stelt. Deze vertegenwoordiger kan niet de uitvoerder zijn van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. De vertegenwoordiger mag geen financiële relatie hebben met de uitvoerder van de ondersteuning. Hierdoor wordt immers een objectieve beoordeling van wat noodzakelijk is voor de cliënt, en de aansturing van de werkzaamheden bemoeilijkt. Dit kan ten koste gaan van het bereiken van de gewenste resultaten en doelen. Zo mag de vertegenwoordiger bijvoorbeeld niet betaald worden door de aanbieder van de zorg voor de desbetreffende cliënt. Dit geldt ook voor een pgb conform het informele tarief, wanneer bijvoorbeeld een familielid de hulp verleent. Het uitgangspunt is dat er geen belangenverstrengeling mag ontstaan doordat deze informele hulp twee taken in zich verenigt, namelijk van hulpverlener en beheerder van het pgb.
In uitzonderlijke gevallen kan hier van worden afgeweken, wanneer dit, gezien de situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s), de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden. Dit kan aan de orde zijn wanneer de jeugdige en/of zijn ouders geen andere keuze kunnen maken, de kwaliteit van de verleende ondersteuning voldoende gewaarborgd is, alsmede het beheer van het pgb. In deze gevallen wordt de looptijd van de verstrekking beperkt of wordt frequent tussentijds onderzocht hoe de ondersteuning en het beheer van het pgb verlopen.
24 / 27
Artikel 31. Informele ondersteuning Een jeugdige en/of zijn ouders hebben de keuze om de ondersteuning in te kopen bij een professionele hulpverlener/organisatie of ondersteuning te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het informele circuit of een combinatie daarvan. De gemeente toetst of een professioneel hulpverlener voldoet aan de daarvoor gestelde kwaliteitseisen als opgenomen in de nadere regels jeugdhulp. Om de kwaliteit te kunnen wegen bij de inzet van het pgb via een persoon uit het sociaal netwerk, weegt het college of dit tot gelijkwaardig of beter resultaat leidt in vergelijking met de inzet van een professional. Aan de geboden ondersteuning door pgb-aanbieders worden bepaalde kwaliteitseisen gesteld. In eerste instantie is de budgethouder ervoor verantwoordelijk om toe te zien op de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Echter, het college heeft als verstrekker van de indicatie en het budget ook een rol. Er dient beoordeeld te worden of de pgb-aanbieder voldoet aan de kwaliteitscriteria van professioneel of informeel pgb-hulpverlener. Ook kan het college de geboden ondersteuning periodiek toetsen aan gestelde kwaliteitseisen. Tijdens deze toets wordt gecontroleerd of de geboden ondersteuning uit het pgb-plan uitgevoerd wordt en of de gestelde resultaten en doelen uit het perspectiefplan behaald worden.
Voor zowel voor professionele als informele pgb-aanbieders, gelden minimaal de volgende voorwaarden: De zorgverlener/-aanbieder biedt hulp die veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verleend. De zorgverlener/-aanbieder werkt actief en integraal samen met andere zorgverleners/-aanbieders in het belang van de cliënt. De zorgverlener/-aanbieder werkt aantoonbaar aan de resultaten en doelen uit en van het perspectief- en pgb-plan. De zorgverlener/-aanbieder is bij de gemeente niet bekend vanwege ondeskundige zorg, het handelen in strijd met relevante wetgeving of uitvoeringsregels, misleiding en/of fraude. De zorgverlener/-aanbieder kan een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overleggen van niet ouder dan 2 jaar, mits er aantoonbaar sprake is van een registratie in het BIG of SKJ register Ouders hoeven geen VOG te overleggen.
Artikel 32. Pgb bij een verwijzing Huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen zijn op grond van de Jeugdwet bevoegd om een individuele voorziening voor jeugdhulp in te zetten. Ditzelfde geldt voor een gecertificeerde instelling. Bij de inzet van jeugdhulp door een arts of gecertificeerde instelling kan gekozen worden om deze hulp te verzilveren via een pgb. De arts of gecertificeerde instelling dient derhalve, evenals de gemeente, de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een pgb te bespreken met jeugdigen en ouders. Wanneer jeugdigen en ouders voor een pgb willen kiezen, moeten zij een aanvraag indienen bij de gemeente. De gemeente zorgt voor de verdere beoordeling en behandeling van de aanvraag voor het pgb.
Artikel 33. Besteding pgb in het buitenland Het is niet mogelijk een pgb in het buitenland te besteden, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college. De cliënt heeft een inlichtingenplicht en moet de gemeente vooraf toestemming vragen.
Artikel 34. Kwaliteitseisen De zorgaanbieders die de arrangementen, componenten, producten en hoogspecialistische jeugdhulp bieden via Zorg in Natura zijn bij het contracteren al gecontroleerd op de benodigde kwaliteit van de te leveren zorg door het regionale inkoop-en contractmanagementteam. Voor zorgaanbieders, die op basis van een persoonsgebonden budget ingekocht kunnen worden voor het bieden van jeugdhulp, gelden dezelfde kwaliteitseisen. Deze zijn opgenomen in de Nadere Regels. Indien niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan, kan het college overwegen tot een heronderzoek van het verstrekte pgb en bij een negatieve uitkomst van dit onderzoek het pgb beëindigen.
25 / 27
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen Artikel 35. Onafhankelijke cliëntondersteuning De mogelijkheid van cliëntondersteuning in verband met jeugdhulp is geregeld in de Wmo 2015. Het college moet ervoor zorgen dat cliëntondersteuning beschikbaar is voor alle inwoners als algemene voorziening vanuit de Wmo 2015. Anders dan bij de Wmo 2015 is er voor het college, in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet, geen verplichting om de jeugdige en zijn ouders te wijzen op de gratis, onafhankelijke cliëntondersteuning. Het ligt echter wel voor de hand om deze informatie te verstrekken. Inwoners met een ondersteuningsvraag kunnen een beroep doen op een cliëntondersteuner door zich aan te melden bij één van de gecontracteerde aanbieders van de gemeente voor deze vorm van ondersteuning. Dit kan een vrijwilliger en/of een professional zijn. De cliëntondersteuning helpt bij het verduidelijken van de hulpvraag, het maken van keuzes en het ondersteunen bij het organiseren van de juiste hulp. Ook draagt de cliëntondersteuning bij aan een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Cliëntondersteuners zijn onafhankelijk en objectief.
Een cliëntondersteuner kan meedenken met de cliënt, maar mag of zal zelf geen beslissing nemen over een aanvraag voor ondersteuning of voor een voorziening.
Artikel 36. Vertrouwenspersoon Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is ervoor verantwoordelijk dat jeugdigen en hun ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijk vertrouwenspersoon (artikel 1a.1 Jeugdwet). Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) voert dit vertrouwenswerk in de praktijk uit. Jeugdigen en ouders kunnen op deze organisatie terugvallen als ze problemen hebben met (personen werkzaam bij) de gemeente, de zorgaanbieder, de gecertificeerde instelling of Veilig Thuis (artikel 4.1.9 Jeugdwet). Deze vorm van dienstverlening is gratis. De ondersteuning van de vertrouwenspersoon is vooral gericht op het kunnen uitoefenen van rechten door jeugdigen, ouders en pleegouders (artikel 4.1.1 Besluit Jeugdwet). De vertrouwenspersoon geeft informatie en advies aan jeugdigen en (pleeg)ouders over hun (rechts)positie binnen de jeugdhulp en ondersteunt hen bij bemiddeling. Hij kan ook helpen bij het formuleren, indienen en afhandelen van klachten over de jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Op verzoek van cliënten kan de vertrouwenspersoon tevens aanwezig zijn bij gesprekken tussen een cliënt en de hulpverlener (Nota van toelichting Besluit Jeugdwet).
Vertrouwenspersoon anders dan AKJ Het staat jeugdigen, ouders en pleegouders vrij iemand anders te vragen om hen als vertrouwenspersoon te ondersteunen. Deze persoon dient wel over een verklaring omtrent het gedrag te beschikken en dient daarnaast beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger als vertrouwenspersoon te werken. “Alleen vertrouwenspersonen die aan deze voorwaarden voldoen, maken aanspraak op de wettelijke rechtspositie die waarborgt dat de vertrouwenspersoon in de gelegenheid wordt gesteld zijn ondersteunende werk uit te voeren en daarvoor de benodigde informatie verkrijgt van de gemeente, zorgaanbieder, gecertificeerde instelling of Veilig Thuis. De voorwaarde dat iemand beroepsmatig of niet incidenteel als vertrouwenspersoon dient op te treden, vormt een kwalitatieve waarborg en voorkomt tevens dat een familielid van een cliënt zich als zijn vertrouwenspersoon opwerpt om gebruik te kunnen maken van de bedoelde rechtspositie. Dat is niet gewenst omdat in veel situaties de familieleden zelf deel uitmaken van de problematiek rond de te ondersteunen persoon, alsmede van de aanpak daarvan.” (TK 2018-2019 35070, nr.3, p. 19 Mvt wijziging Jeugdwet centraliseren vertrouwenswerk jeugd)
Artikel 37. Verwijsindex De verwijsindex risicojongeren is een landelijk elektronisch systeem, waarin persoonsgegevens en andere gegevens worden verwerkt. Deze informatie is niet openbaar. Meldingsbevoegde hulpverleners kunnen hierin meldingen doen over jongeren met problemen. Zo weet een hulpverlener sneller of een kind ook bekend is bij zijn collega's en kunnen ze zo nodig overleggen over de beste aanpak voor hulpverlening.
26 / 27
In de Verwijsindex leggen professionals alleen vast bij wie zij op dit moment betrokken zijn. Er staat geen inhoud in. Alleen naam, geslacht, geboortedatum en de gegevens van de professional zijn bekend. De Verwijsindex vermeldt nooit wat er aan de hand is, alleen dát er professionals betrokken zijn en wie dat zijn. De verwijsindex is uitsluitend bedoeld om vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegden te bewerkstelligen. Zij kunnen zo snel en gemakkelijk met elkaar in contact komen en tijdig passende hulp, zorg of bijsturing verlenen (artikel 7.1.2.1 Jeugdwet). Het college meldt altijd diens betrokkenheid bij een jeugdige in de verwijsindex, mits hiertegen, beargumenteerd, mondeling of schriftelijk bezwaar wordt gemaakt door de jeugdige en/of ouder(s). Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) over het voornemen de jeugdige te melden in de verwijsindex.
Artikel 38. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Een meldcode ondersteunt professionals bij de afweging om wel of niet een melding te doen bij vermoedens of signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling. De meldcode bevat altijd een stappenplan waarmee professionals een zorgvuldige afweging kunnen maken voordat zij eventueel een melding doen. Het is een professionele norm om melding te doen bij Veilig Thuis als er vermoedens zijn van acute en structurele onveiligheid. Het verplichte gebruik van een meldcode staat in de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en geldt voor onder andere de professionals werkzaam binnen gezondheidszorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en justitie.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen Artikel 39. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van deze beleidsregels, indien toepassing gelet op het doel en strekking van deze regeling leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Bij de toepassing van de beleidsregels heeft het college de plicht om te beoordelen of er geen sprake is van een onbillijke uitwerking van deze regeling.
Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2022. Tegelijkertijd worden de Uitvoeringsregels jeugdhulp gemeente Enkhuizen 2021 ingetrokken. De beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Enkhuizen 2022”
27 / 27