Algemene verklaring van geen bedenkingen inzake het projectafwijkingsbesluit (2012)
Tekst van het document
GEMEENTERAAD ENKHUIZEN
RAADSVOORSTEL
VOORSTEL VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS 2012055
ALGEMENE
‘VERKLARING
VAN
GEEN
BEDENKINGEN’
INZAKE
HET
PROJECTAFWIJKINGSBESLUIT (ONTHEFFING BESTEMMINGSPLAN) Inhoud Dit voorstel gaat over het vaststellen van categorieën van gevallen waarin u aan ons college overlaat te besluiten omtrent het nemen van een projectafwijkingsbesluit 1. Met een projectafwijkingsbesluit kan ons college, uiteraard binnen de door uw raad vastgestelde kaders, voor (bouw-)projecten van het bestemmingsplan worden afgeweken. In het voorstel wordt ingegaan op de drie amendementen die tijdens de eerste behandeling van dit voorstel door uw raad op 12 juni 2012 zijn ingediend (en voor stemming zijn ingetrokken).
Inleiding In 2005 heeft uw raad het ‘Delegatiebesluit vrijstellingsprocedure artikel 19 lid 1 WRO’ vastgesteld (zie bijlage I). Hierin werden categorieën van gevallen benoemd waarvoor uw raad zelf de bevoegdheid behield om voor de grotere projecten vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. De bevoegdheid om voor overige projecten vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen werd daarbij door uw raad aan ons college gedelegeerd. Met de wijziging van de WRO (Wet op de Ruimtelijke Ordening) is dit delegatiebesluit komen te vervallen. In de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is een vervangend planologisch instrument opgenomen in de vorm van een ‘omgevingsvergunning ten behoeve van activiteiten met een grote planologisch afwijking’, hierna: het ‘projectafwijkingsbesluit’. Op grond van de Wabo is ons college bevoegd om te besluiten omtrent een dergelijk besluit. Uw raad moet echter een ‘verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeven alvorens ons college een op basis van het projectafwijkingsbesluit tot stand gekomen omgevingsvergunning af kan geven. Met dit voorstel vragen wij u, op basis van artikel 6.5 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, categorieën van gevallen vast te stellen waarbij van uw raad geen VVGB is vereist voor het afgeven van een dergelijke omgevingsvergunning.
1
Op basis van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Met het vaststellen van deze categorieën, wordt de proceduretijd om dergelijke omgevingsvergunningen af te geven aanzienlijk bekort. Daarnaast wordt uw raad niet meer (onevenredig) belast met het beoordelen van elk plan/project waarbij een projectafwijkingsbesluit moet worden genomen.
Beoogd resultaat Het efficiënt doorlopen van de juridisch planologische procedure om te komen tot een projectafwijkingsbesluit.
Wettelijk- / beleidskader Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht.
Voorstel Gelet op de volgende overwegingen en de op 12 juni 2012 ingediende (en voor stemming ingetrokken) amendementen doen wij u het hieronder vermelde concrete voorstel. Het vaststellen van categorieën van gevallen is in lijn met het doel van de Wabo Het vaststellen van categorieën van gevallen waarbij van uw raad geen VVGB is vereist is in lijn met het (algemene) doel van de Wabo planologische procedures efficiënter te laten verlopen, duidelijkheid te scheppen en om regeldruk en vertragingen zoveel als mogelijk te beperken. Het werken met een lijst van categorieën betekent voor de burger een heldere, snellere en efficiëntere besluitvorming op zijn of haar aanvraag. Ons college hoeft in het kader van de procedure immers niet in alle gevallen een VVGB van uw raad te vragen. Het vaststellen van categorieën is in lijn met uw delegatiebesluit 2005 Met dit voorstel wordt aangesloten bij de categorieën van gevallen waarvan u in 2005 heeft besloten deze ter besluitvorming aan ons college te delegeren. In het betreffende delegatiebesluit werden categorieën van gevallen benoemd waarvoor uw raad zelf de bevoegdheid behield om voor projecten in gevolge artikel 19 lid 1 WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Met dit voorstel wordt aansluiting gezocht bij deze lijst van categorieën, die destijds na een zorgvuldige afweging tot stand is gekomen.
Ons college neemt bij zijn besluitvorming de door de raad gestelde kaders in acht Bij het besluiten omtrent een aanvraag om een omgevingsvergunning neemt ons college de kaders die door uw raad zijn gesteld in acht. Als een activiteit valt onder de onderhavige vast te stellen categorieën van gevallen waarbij van uw raad geen VVGB is vereist, zal de activiteit, wil ze door ons college worden vergund, tevens moeten voldoen aan de door uw raad gestelde kaders. Het vaststellen van categorieën zal er daarom in geen geval toe leiden dat er besluiten worden genomen die buiten de door uw raad gestelde kaders vallen. Bevoegdheid om een exploitatieplan vast te stellen kan worden gedelegeerd aan ons college Zoals vermeld ligt de bevoegdheid te besluiten omtrent een omgevingsvergunning bij ons college. Het ligt daarom voor de hand om ook de bevoegdheid een exploitatieplan, dat betrekking heeft op een omgevingsvergunning, vast te stellen te delegeren aan ons college. Artikel 6.12 derde lid van de Wro geeft daarvoor de wettelijke grondslag.
Amendement Kunst-Bokhove-Quasten In het amendement wordt voorgesteld voor activiteiten, waarvoor met een projectafwijkingsbesluit van het bestemmingsplan af moet worden geweken, elders (niet zijnde in het beschermde stadsgezicht) in de bebouwde kom slechts een ‘algemene VVGB’ af te geven als niet hoger wordt gebouwd van 3 woonlagen (i.c. 10 meter). Bij meer dan 3 woonlagen wijzigt namelijk de maat en schaal van de betreffende wijk. Gelet hierop en op het feit dat dergelijke aanvragen niet vaak voorkomen stellen wij uw raad dan ook voor dit amendement aan te nemen en bij beslispunt 1, onder a, sub ii, onder 3 dit extra criterium toe te voegen.
Amendement Kunst-Van der Werf-Bokhove-Quasten De strekking van het amendement is dat wanneer gedurende de procedure (of daarvoor in de informele fase) zienswijzen of bedenkingen worden ingediend, de gemeenteraad alsnog een VVGB wil kunnen afgeven. Gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht blijkt een dergelijke constructie echter niet mogelijk. Kort samengevat komt het erop neer dat de gemeenteraad (in het kader van de rechtszekerheid voor initiatiefnemers van een bouwplan) vooraf en zonder condities categorieën dient aan te wijzen waarbij een VVGB niet noodzakelijk is. Voor een initiatiefnemer moet de te volgen procedure bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning duidelijk zijn en gedurende
het
proces,
bijvoorbeeld
naar
aanleiding
van
ingediende
zienswijzen/bedenkingen, niet meer kunnen wijzigen.
Amendement Van der Pluijm Met het amendement wordt voorgesteld alvorens over te gaan tot het vaststellen van categorieën van gevallen waarbij van de raad geen VVGB is vereist de bestemmingsplannen en de gemeentelijke monumentenlijst te actualiseren. Juist in de huidige situatie waarbij de bestemmingsplannen nog niet zijn geactualiseerd levert het aanwijzen van categorieën van gevallen waarbij van uw raad geen VVGB is vereist, de meest (tijds-)winst op. Naar verwachting zal na het actualiseren van de bestemmingsplannen
immers
veel
minder
sprake
zijn
van
projectafwijkingsbesluiten waarbij van het (nieuwe) bestemmingsplan wordt afgeweken. De eventuele monumentenstatus van een pand staat volledig los van het al dan niet afwijken van een bestemmingsplan. De daarop van toepassing zijnde
regelgeving
wordt,
als
met
een
projectafwijkingsbesluit
van
een
bestemmingsplan wordt afgeweken, niet buiten werking gesteld. Concreet wordt het volgende besluit aan uw raad voorgelegd: 1.
dat overeenkomstig artikel 6.5, derde lid van het Besluit omgevingsrecht een verklaring van geen bedenkingen zoals bedoeld in artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet vereist is in de volgende gevallen: a.
bij het weigeren van een aanvraag om toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
b.
bij het beslissen op een aanvraag om toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
mits
de
aanvraag
voldoet
aan
de
volgende
kenmerken: i. de aangevraagde activiteiten zijn gelegen in het beschermde stadsgezicht en: 1.
in het geval van een woningbouwproject er sprake is
van 4 of minder woningen/wooneenheden of 2.
in alle overige gevallen indien de bruto oppervlakte van het projectgebied 1000 m² of minder bedraagt en
3.
indien de bouwhoogte van het project 15 meter of minder bedraagt of
ii. de
aangevraagde
activiteiten
zijn gelegen
elders in de
bebouwde kom en 1.
in geval van een woningbouwproject er sprake is van 9 of minder woningen/wooneenheden of
2.
in alle overige gevallen indien de bruto oppervlakte van het projectgebied 3000 m² of minder bedraagt en
3.
indien de bouwhoogte van het project 10 meter of minder bedraagt of
iii. de aangevraagde activiteiten passen binnen de kader van een nieuw bestemmingsplan dat in voorbereiding is en waarover de gemeenteraad zich positief heeft uitgesproken. 2.
de bevoegdheid tot het nemen van besluiten ex artikel 6.12, eerste en tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, voor zover deze betrekking hebben op een omgevingsvergunning, overeenkomstig artikel 6.12, derde lid Wro te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders;
3.
dat
de
aanvragen
om
omgevingsvergunningen,
alsmede
de
daaruit
voortvloeiende omgevingsvergunningen en weigeringen waarbij gelet op het eerste beslispunt geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist, ieder half jaar ter kennisname worden gebracht aan de commissie grondgebied 4.
de beslispunten 1, 2 en 3 van toepassing te verklaren op alle aanvragen om een omgevingsvergunning die vanaf de dag na het bekendmaken van het onderhavige raadsbesluit worden ingediend.
Enkhuizen, 28 augustus 2012 Burgemeester en wethouders van E n k h u i z e n De secretaris,
De burgemeester,
( R.M. Reus)
(J.G.A. Baas)