9. Amendement Sandstra - Bestuurlijke boete
Tekst van het document
Amendement [PvdA] Samenvatting / strekking: wijziging ontwerp-Verordening Bestuurlijke boete overlast openbare ruimte. Agendapunt: 9 Overeenkomstig artikel 35 van het Reglement van Orde dienen ondergetekenden het volgende wijzigingsvoorstel in: De Raad van de gemeente Enkhuizen, in vergadering bijeen op 23 april 2024; besluit de volgende zinsneden in de concept-verordening: Artikel 2 Boetehoogte 1. Bij overtreding door een natuurlijk persoon van een voorschrift als genoemd in artikel 1 van deze verordening, is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het betreffende voorschrift. 2. Bij overtreding door een rechtspersoon van een voorschrift als genoemd in artikel 1 van deze verordening, is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het betreffende voorschrift. Hierbij geldt dat de hoogte van de bestuurlijke boete voor een rechtspersoon de hoogte is van de bestuurlijke boete voor een natuurlijk persoon vermenigvuldigd met factor vijf. te wijzigen in: 1. Bij overtreding door een natuurlijk persoon van een voorschrift genoemd in artikel 1 van deze verordening is de bestuurlijke boete die ten hoogste kan worden opgelegd gelijk aan het bedrag dat in bijlage 2 voor het betreffende overlastfeit is bepaald. [Verdere tekst van dit artikellid blijft.] 2.
Bij overtreding door een rechtspersoon van een voorschrift genoemd in artikel 1 van deze verordening is de bestuurlijke boete die ten hoogste kan worden opgelegd gelijk aan het bedrag dat in bijlage 2 voor het betreffende overlastfeit is bepaald. Hierbij geldt dat de bestuurlijke boete die een rechtspersoon ten hoogste kan worden opgelegd gelijk is aan het bedrag van die voor een natuurlijk persoon, vermenigvuldigd met factor vijf. en gaat over tot de orde van de dag. De indieners,
J. Sandstra PvdA
B. Ermis SP
F. Jans HEA
Toelichting: In artikel 5:46 lid 3 van de Algemene Wet Bestuursrecht wordt over de bestuurlijke boete gezegd: ‘Indien de hoogte van de bestuurlijk boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld [en dat is bij de Verordening Bboor het geval] legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.’ Kennelijk heeft de wetgever op dit punt een hardheidsclausule in het boetesysteem ingelast. Daarbij past niet dat de ontwerp-verordening een rigide boetetabel kent. Wanneer bij voorbaat vaststaat dat voor overtredingen steeds uitsluitend een boete tot een vast bedrag kan worden opgelegd, spelen eventuele bijzondere omstandigheden van het desbetreffende geval per definitie geen rol. En dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever, die deze bijzondere omstandigheden kennelijk juist wel wil kunnen laten meespelen. Het gevolg van het in de ontwerp-verordening voorgestelde systeem zou kunnen zijn dat de rechter die, in een zaak waarin de overtreder bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, over het opleggen van de boete moet beslissen, de overtreder vrijspreekt omdat hij geen mogelijkheid heeft een gematigde boete op te leggen. Of om die reden juist beslist dat het volle bedrag blijft staan.
Dat er in het algemeen maar een kleine kans is dat een overtreder aannemelijk kan maken dat in zijn geval bijzondere omstandigheden gelden (zoals het college in de commissievergadering van 8 april jl. tegenwierp)is niet relevant. Het gaat erom dat de hardheidsclausule van 5:46 lid 3 Awb nu eenmaal in de wet is opgenomen, en de burger er daarom rechten aan moet kunnen ontlenen. Bij de invoering van de bepaling heeft de wetgever overwogen (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 143): ‘Resumerend betekent dit, dat een door de wetgever voorgeschreven sanctie als regel wel evenredig is, maar dat niet kan worden uitgesloten dat deze sanctie in een concreet geval wegens bijzondere omstandigheden onbillijk uitwerkt. De afweging door de wetgever is nu eenmaal naar zijn aard een abstracte, waarbij niet altijd met alle bijzondere omstandigheden rekening kan worden gehouden. Voor dergelijke gevallen bevat het derde lid van artikel [5:46 lid 3 Awb] een «anti-hardheidsclausule»: het bestuursorgaan is dan bevoegd een lagere boete op te leggen dan de wet voorschrijft.’ Dat betekent dat het het bestuursorgaan niet vrijstaat een verordening te maken waarin laatstgenoemde bevoegdheid bij voorbaat wordt uitgesloten.
Voor de in dit amendement voorgestelde tekst is aansluiting gezocht bij het systeem van ons Wetboek van Strafrecht, waarin over het opleggen van geldboetes is bepaald (artikel 23 lid 3 WvS): ‘De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste [eigen cursivering] kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald’ [volgt een opsomming van de zes categorieën]. Dit is een algemene bepaling, die voor ons hele strafrecht geldt. Ten overvloede wordt in het volgende artikel, 24 WvS, nog eens bepaald dat de op te leggen boete ‘passend’ moet zijn en de verdachte er niet ‘onevenredig’ door mag worden getroffen. Allemaal argumenten tegen een systeem waarbinnen bij het opleggen van boetes met de persoonlijke omstandigheden van de overtreder geen rekening kan worden gehouden.