8.2 GR Recreatieschap WF was - wordt lijst
Tekst van het document
WAS-WORDT LIJST RECREATIESCHAP WESTFRIESLAND Huidige tekst HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 2 Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: a) Algemeen bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 5; b) Dagelijks bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 13; c) Gemeenten: de aan deze regeling deelnemende gemeenten; d) Lichaam: het openbaar lichaam, bedoeld in artikel 1; e) Samenwerkingsgebied: het grondgebied van de deelnemende gemeenten; f) Centrumgemeente: de gemeente Stede Broec, onderdeel uitmakend van de SED organisatie. HOOFDSTUK II TAAK, BEVOEGDHEDEN Artikel 3 Taken Het lichaam heeft tot taak de behartiging van de belangen van de openluchtrecreatie en het landschap in het samenwerkingsgebied. Het zal deze taak onder meer behartigen door: a) de vaststelling en uitvoeren van het recreatieve beleid, met name van het Landschapsplan Westfriesland en het Natuur- en Recreatieplan Westfriesland; b) het beheren van de bestaande recreatieterreinen en voorzieningen. HOOFDSTUK IV DAGELIJKS BESTUUR -
Tekst na wijziging Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: a) Algemeen bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 6; b) Dagelijks bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 13; c) Gemeenten: de aan deze regeling deelnemende gemeenten; d) Lichaam: het openbaar lichaam, bedoeld in artikel 1; e) Samenwerkingsgebied: het grondgebied van de deelnemende gemeenten.
Artikel 3 Taken Het lichaam heeft tot taak de behartiging van de belangen van de openluchtrecreatie en het landschap in het samenwerkingsgebied. Het zal deze taak onder meer behartigen door: a) de vaststelling en uitvoeren van het recreatieve beleid, met name van het Natuur- en Recreatieplan Westfriesland en daar op volgende plannen; b) het beheren van de bestaande recreatieterreinen en voorzieningen.
Artikel 5 Het openbaar lichaam verleent inspraak aan ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Op inspraak is in beginsel de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het openbaar lichaam een andere inspraakprocedure heeft vastgesteld.
-
HOOFDSTUK V CENTRUMGEMEENTE Artikel 18 1. De centrumgemeente is belast met de voorbereiding en uitvoering van de besluiten van het Lichaam alsmede met de aansturing van de organisatie en het dagelijks beheer van de projecten binnen de in de artikelen 3 en 4 vermelde taken en bevoegdheden van het Lichaam. 2. De met de in lid 1 gepaard gaande kosten zullen jaarlijks in de begroting van het Recreatieschap worden opgenomen en worden verrekend op basis van het gestelde in artikel 23 van deze regeling. 3. De artikelen 56, 57 en 58 Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK VIII FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 23 1. Het dagelijks bestuur stelt een ontwerpbegroting vast. 2. Uiterlijk 15 april en 8 weken voordat de ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, zendt het dagelijks bestuur deze toe aan de raden. 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van
Artikel 17 Actieve informatieplicht Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt de raden van de deelnemers de inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Bij de informatieverstrekking geldt dat: - Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verschaft; - Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; - Schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (dagelijks bestuur, algemeen bestuur en/of voorzitter) rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden (en staten) en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door dagelijks bestuur of voorzitter dan wordt het algemeen bestuur vooraf geïnformeerd. Vervallen
Artikel 21 Kadernota, begroting, jaarrekening, strategisch- of meerjarenplan 1. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling biedt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin de begroting wordt behandeld, de kadernota aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. 2. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling biedt uiterlijk 15 april de conceptbegroting aan de gemeenteraden aan voor
de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving. 4. De raden beraadslagen over de ontwerp-begroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. 5. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Artikel 23a 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. In de begroting wordt aangegeven de naar raming voor elke deelnemende gemeente voor het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdrage per inwoner. 3. Voor de berekening van de in het voorgaand lid bedoelde bijdrage wordt uitgegaan van het inwoneraantal op 1 januari van het jaar, voorafgaand aan dat, waarvoor de bijdrage verschuldigd is, volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingsgegevens. 4. Na vaststelling zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden. 5. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. Artikel 23b 1.
Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.
zienswijze. Het dagelijks bestuur dient gelijktijdig met de conceptbegroting de voorlopige jaarrekening van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient aan de raden toe te sturen. 3. De gemeenteraden kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 4. Indien de GR gebruikmaakt van een strategisch of meerjarenplan biedt het dagelijks bestuur de gemeenschappelijke regeling dit in concept aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. 5. De gemeenteraden geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de kadernota aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 6. De gemeenteraden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de conceptbegroting en de concept bestemming van het rekeningresultaat aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 7. De gemeenteraden geven binnen 10 weken na ontvangst van het concept strategisch of meerjarenplan hun zienswijze hierover aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 8. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting vóór 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het zesde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 9.
Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de Kadernota, de jaarrekening en het strategisch of meerjarenplan schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde, vijfde en zevende lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 10. De conceptbegroting wordt door de zorg van de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving. 11. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
2. De raden kunnen binnen zes weken na toezending van de jaarrekening het dagelijks bestuur van hun gevoelen doen blijken. 3. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren bij de jaarrekening, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 5. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening aan gedeputeerde staten binnen twee weken na vaststelling hiervan, maar in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 6. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling aan de raden.
12. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. 13. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 14. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Artikel 24 1. Met betrekking tot de regels op het gebied van administratie en het beheer van vermogenswaarden is de betreffende verordening van de centrumgemeente van toepassing. 2. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van doelmatigheid en controle wordt voldaan. 3. Met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van vermogenswaarden is de betreffende verordening van de centrumgemeente van toepassing. Deze regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst.
Artikel 23 regels op het gebied van administratie en het beheer van vermogenswaarden 1. Met betrekking tot de regels op het gebied van administratie en het beheer van vermogenswaarden is de betreffende verordening van de gemeente Stede Broec van toepassing. 2. Deze regels dienen te waarborgen dat aan de eisen van doelmatigheid en controle wordt voldaan. 3. Met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van vermogenswaarden is de betreffende verordening van de gemeente Stede Broec van toepassing. Deze regels dienen onder meer te waarborgen dat de rechtmatigheid en doelmatigheid van de administratie en het beheer worden getoetst. 4. Indien bij de uitvoering van de in lid 1 en lid 3 bedoelde verordeningen mocht blijken dat deze niet volledig dan wel inadequaat toepasbaar zijn, kan het algemeen bestuur besluiten af te wijken van lid 1 en lid 3 door eigen verordeningen vast te stellen.
HOOFDSTUK X HET PERSONEEL Artikel 26 1. Het Lichaam kan noch op basis van een publiekrechtelijke arbeidsverhouding, noch op basis van
Artikel 25 Personeel
een privaatrechtelijke arbeidsverhouding personen in dienst nemen. 2. Het personeel is in dienst van de centrumgemeente.
1.
2.
HOOFDSTUK XI TOETREDING EN UITTREDING Artikel 29 1. Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending van de daartoe strekkende besluiten van haar organen aan het algemeen bestuur. 2. Uittreding kan, behoudens door het algemeen bestuur toe te stane afwijking, slechts plaatsvinden per 1 januari van het jaar volgend op dat waarin het besluit tot uittreding is genomen. 3. Na ontvangst van de besluiten als bedoeld in het eerste lid verleent het dagelijks bestuur aan een in overleg met de uittredende gemeente aan te wijzen deskundige opdracht om een liquidatieplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. Daarbij wordt tevens een afkoopsom berekend als bijdrage in ander relevante kosten. De kosten van dit plan komen voor rekening van de uittredende gemeente. 4. Nadat het in het voorgaande lid bedoelde plan door het algemeen bestuur is vastgesteld, is de uittredende gemeente gehouden om binnen een termijn van zes maanden na de goedkeuring van dit plan de daarin voor de uittredende gemeente omschreven financiële verplichtingen aan het lichaam te voldoen. Eerst na de voldoening hiervan is de uittredende gemeente van haar financiële verplichtingen jegens de overig gemeenten en het lichaam ontslagen.
Het Lichaam kan noch op basis van een publiekrechtelijke arbeidsverhouding, noch op basis van een privaatrechtelijke arbeidsverhouding personen in dienst nemen. Het personeel is in dienst van de gemeente Stede Broec en wordt gedetacheerd naar het openbaar lichaam.
Artikel 27 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het (algemeen) bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 3 van deze regeling, wenst terug te nemen. 3. Het (dagelijks) bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 5. Na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het (dagelijks) bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een concept-uittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen.
In de concept-uittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de
uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. 6. Indien het algemeen bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproept of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Westfriesland redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Recreatieschap Westfriesland als bedoeld in artikel 30 van deze regeling. 7. Het bestuur van het Recreatieschap Westfriesland en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 8.
Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 10. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 11. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van
uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 12. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 13. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar.
Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 22 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 12 en lid 13 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste tot en met het tiende lid, vragen de uittredende
deelnemer en het (dagelijks) bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 16. Het algemeen bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 17. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. HOOFDSTUK XII EVALUATIE, WIJZIGING EN OPHEFFING Nieuw artikel
Artikel 28 Evaluatie 1. Het bestuur draagt tenminste één keer in de vier jaar zorg voor een evaluatie van de regeling. 2. De evaluatie heeft onder meer, doch niet uitsluitend, tot doel na te gaan: a. of, en zo ja in welke mate, de met deze regeling beoogde samenwerking is gerealiseerd; b. of, en zo ja in welke mate, de bij deze regeling opgedragen taken, in het licht van de beoogde samenwerking, aanpassing behoeven.
HOOFDSTUK XIII OVERGANGS-, SLOT-, EN CITEERARTIKEL Artikel 32 Artikel 31 Archiefzorg Ten aanzien van de archiefbescheiden van het Lichaam zijn de Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de voorschriften omtrent de zorg, de bewaring en het beheer van organen van het openbaar lichaam. de archiefbescheiden, alsmede die omtrent het toezicht daarop zoals die voor de SED organisatie zijn of nader zullen worden Artikel 32 Archiefbeheer vastgesteld van overeenkomstige toepassing, tenzij het 1. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van Lichaam hier zelf in heeft voorzien. de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
2.
Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
Artikel 33 Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Westfries Archief. Artikel 34 Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Westfries Archief. Artikel 35 Verantwoording 1. De archivaris van het Westfries Archief brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 36 Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2.
De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. Artikel 34 Het gemeentebestuur van Stede Broec draagt zorg voor de toezending van deze regeling en van de besluiten tot wijziging, toe - en uittreding aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland.
vervalt