7.2 SED was-wordt lijst
Tekst van het document
WAS-WORDT LIJST SED
Huidige tekst
Tekst na wijziging
Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. adviescommissie: een commissie als bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet; 2. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de SED organisatie; 3. ambtenaar: hij die door of vanwege de SED organisatie is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; 4. begroting: een overzicht van de inkomsten en uitgaven van een boekjaar van de SED organisatie; 5. burgemeesters: de burgemeesters van de gemeenten; 6. colleges: burgemeester en wethouders van de gemeenten; 7. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de SED organisatie; 8. directie: de directie van de SED organisatie als bedoeld in artikel 30; 9. derde: een andere partij dan de gemeenten; 10. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland; 11. gemeente: een van de deelnemende gemeenten Stede Broec, Enkhuizen of
Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. adviescommissie: een commissie als bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet; 2. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de SED organisatie; 3. ambtenaar: hij die door of vanwege de SED organisatie is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; 4. begroting: een overzicht van de inkomsten en uitgaven van een boekjaar van de SED organisatie; 5. burgemeesters: de burgemeesters van de gemeenten; 6. colleges: burgemeester en wethouders van de gemeenten; 7. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de SED organisatie; 8. directie: de directie van de SED organisatie als bedoeld in artikel 30; 9. derde: een andere partij dan de gemeenten; 10. gemeente: een van de deelnemende gemeenten Stede Broec, Enkhuizen of
Pagina 1 van 14
2.
Drechterland, waaronder zowel de rechtspersoon als de daartoe behorende bestuursorganen kunnen zijn begrepen; 12. gemeenten: de deelnemende gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland, waaronder zowel de rechtspersonen en/of de daartoe behorende bestuursorganen kunnen zijn begrepen; 13. raden: de gemeenteraden van de gemeenten; 14. verdeelsleutel: de maatstaf die aanduidt op welke wijze de SED organisatie gefinancierd wordt; 15. voorzitter: degene die het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur leidt; 16. SED organisatie: de SED organisatie opgericht bij deze Regeling; 17. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen. Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van andere wet- en regelgeving van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter in de plaats van respectievelijk de gemeente, de raad, het college of de burgemeester.
Drechterland, waaronder zowel de rechtspersoon als de daartoe behorende bestuursorganen kunnen zijn begrepen; 11. gemeenten: de deelnemende gemeenten Stede Broec, Enkhuizen en Drechterland, waaronder zowel de rechtspersonen en/of de daartoe behorende bestuursorganen kunnen zijn begrepen; 12. raden: de gemeenteraden van de gemeenten; 13. verdeelsleutel: de maatstaf die aanduidt op welke wijze de SED organisatie gefinancierd wordt; 14. voorzitter: degene die het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur leidt; 15. SED organisatie: de SED organisatie opgericht per 1 januari 2015; 16. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van andere wet- en regelgeving van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter in de plaats van respectievelijk de gemeente, de raad, het college of de burgemeester.
Pagina 2 van 14
Artikel 14 Geheimhouding
Tekst artikel 14 vervalt
Het algemeen bestuur kan in een besloten vergadering op grond van de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid vanbestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft. 2. Op grond van de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het dagelijks bestuur, de voorzitter van het openbaar lichaam en door een bestuurscommissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan het algemeen bestuur of aan de leden van het algemeen bestuur overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. 3. De krachtens het tweede lid aan het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht, wordt bekrachtigd. 4.
De krachtens het tweede lid aan leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding wordt door hen in acht genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het onderwerp waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigd meer dan de helft van het aantal stemmen is bezocht. Artikel 22 Bestuurscommissies 1. Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op
Artikel 21 Bestuurscommissies Het algemeen bestuur kan met inachtneming van artikel 25 van de wet
1.
2. 3.
4.
5. 6.
7.
8.
de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling. Artikel 2, tweede lid, alsmede de artikelen 139 tot en met 144 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het algemeen bestuur kan aan een commissie bevoegdheden van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid tot het vaststellen van de begroting of van de jaarrekening, het heffen van rechten en het vaststellen van verordeningen door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven. Bevoegdheden van het dagelijks bestuur worden slechts op voorstel van het dagelijks bestuur overgedragen. Ten aanzien van een commissie als bedoeld in het eerste lid regelt het algemeen bestuur tevens voor zover zulks in verband met aard en omvang van de overgedragen bevoegdheden nodig is: 1. de werkwijze van de commissie; 2. de openbaarheid van de vergaderingen; 3. de voorbereiding, de uitvoering en de openbaarmaking van besluiten van de commissie; 4.
het toezicht van het algemeen, respectievelijk het dagelijks bestuur op de uitoefening van bevoegdheden van die commissie; 5. de verhouding van de overgedragen bevoegdheden tot die van het algemeen en het dagelijks bestuur; 6. de verantwoording aan het algemeen bestuur. Ten aanzien van de vergadering van een commissie waaraan bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn overgedragen is artikel 11 van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van door het algemeen bestuur vastgestelde nadere regels. Indien de commissie zich ter zake van het behandelde
commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.
waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot het algemeen bestuur heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat het algemeen bestuur haar opheft. Artikel 25 Verantwoordings- en informatieplicht 1. Het algemeen bestuur verschaft de raden en colleges binnen een redelijke termijn alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van hun leden worden gevraagd. 2. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd. 3. Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 4. De colleges bepalen op welke wijze de door hen aangewezen leden aan hun plichten in de vorige leden moeten voldoen. 5. Het tweede tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden
Artikel 29 Verantwoordings- en informatieplicht 1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. 2. Hij geeft het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het
Artikel 24 Verantwoordings- en informatieplicht 1. Het bestuur van het openbaar lichaam verstrekt de raden van de deelnemers de inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Bij de informatieverstrekking geldt dat: Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium schriftelijk wordt verschaft; Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd; De schriftelijke inlichtingen zendt het algemeen bestuur rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de raden en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door het dagelijks bestuur of voorzitter dan wordt het algemeen bestuur vooraf geïnformeerd. 2. Het algemeen bestuur verschaft de colleges binnen een redelijke termijn alle inlichtingen die door de colleges of een of meer van hun leden worden gevraagd. 3. Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan het college dat hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door dit college of één of meer leden daarvan worden verlangd. 4. Een lid van het algemeen bestuur is aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid. 5. De colleges bepalen op welke wijze de door hen aangewezen leden aan hun plichten in de vorige leden moeten voldoen. 6.
Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden. Artikel 28 Verantwoordings- en informatieplicht 1. De voorzitter is aan het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur. 2. Hij geeft het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.
openbaar belang. De voorzitter verschaft de gemeenteraden en colleges alle inlichtingen die door deze organen of een of meer van hun leden worden gevraagd. Artikel 30 Directie 1. De directie van de SED organisatie bestaat uit een of meer leden. 2. De directie wordt door het algemeen bestuur benoemd. Het algemeen bestuur schorst en ontslaat de directie. Na het ontslag wordt zo spoedig mogelijk voorzien in de opvulling van de vacature. 3. Het dagelijks bestuur kan in spoedeisende gevallen tot schorsing van de directie overgaan. Het doet daarvan terstond mededeling aan het algemeen bestuur. De schorsing vervalt, wanneer het algemeen bestuur haar niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt. 4. De directie staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter alsmede door hen ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde. 5. Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de directie. 6. De directie is bij de vergadering van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. 7. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de directie meeondertekend. 8. Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de directie. Artikel 31 Overig personeel 1.
Binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde formatie is het dagelijks bestuur belast met het aanstellen, schorsen en ontslaan van ambtenaren, de directie uitgezonderd. 2. Behoudens de in het eerste lid genoemde gevallen regelt het dagelijks bestuur de rechtspositie van de ambtenaar, de directie uitgezonderd, en neemt daartoe de benodigde besluiten. 3. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan de directie. 4. De collectieve arbeidsvoorwaarden regelingen van de 3.
Artikel 29 Directie 1. De directie van de SED organisatie bestaat uit een of meer leden. 2. De directie wordt door het algemeen bestuur benoemd. Het algemeen bestuur schorst en ontslaat de directie. Na het ontslag wordt zo spoedig mogelijk voorzien in de opvulling van de vacature. 3. Het dagelijks bestuur kan in spoedeisende gevallen tot schorsing van de directie overgaan. Het doet daarvan terstond mededeling aan het algemeen bestuur. De schorsing vervalt, wanneer het algemeen bestuur haar niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt. 4. De directie staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter alsmede door hen ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde. 5. Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels vast betreffende de taak en de bevoegdheid van de directie. 6. De directie is bij de vergadering van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig. 7. De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de algemeen directeur meeondertekend. 8. Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de directie. Artikel 30 Overig personeel 1. Binnen het raam van de door het algemeen bestuur vastgestelde formatie is het dagelijks bestuur belast met het aannemen, schorsen en ontslaan van ambtenaren, de directie uitgezonderd. 2.
Behoudens de in het eerste lid genoemde gevallen regelt het dagelijks bestuur de rechtspositie van de ambtenaar, de directie uitgezonderd, en neemt daartoe de benodigde besluiten. 3. Het dagelijks bestuur kan de in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan de directie. 4. De collectieve arbeidsvoorwaardenregeling Samenwerkende Gemeentelijke Organisatie (SGO) regelt de rechtspositie van de ambtenaar.
5.
sector gemeenten regelt de rechtspositie van de ambtenaar. Waar in de in het vierde lid bedoelde regelingen gesproken wordt van "gemeenteraad", "college" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directie.
5. Waar in de in het vierde lid bedoelde regelingen gesproken wordt van "gemeenteraad", "college" dan wel "hoofd van dienst" wordt voor de toepassing in het kader van deze regeling respectievelijk gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de directie.
Artikel 31 Vaststellen kadernota 1. Het dagelijks bestuur biedt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de begroting wordt vastgesteld, de kadernota aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. 2. De gemeenteraden geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de kadernota aan het dagelijks bestuur. 3. Het dagelijks bestuur stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de Kadernota, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in eerste lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Artikel 32 Voorbereiding begroting 1. Het dagelijks bestuur stelt een ontwerpbegroting vast. 2. Acht weken voordat de ontwerpbegroting aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, zendt het dagelijks bestuur deze toe aan de raden. 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbare kennisgegeven. 4. De raden beraadslagen over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. 5. De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de
Artikel 32 Voorbereiding begroting en jaarrekening 1. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting op voor het volgende kalenderjaar. 2. Het dagelijks bestuur biedt uiterlijk 15 april de ontwerpbegroting aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. Het dagelijks bestuur dient gelijktijdig met de ontwerpbegroting de voorlopige jaarrekening van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de raden toe te sturen. 3. De gemeenteraden kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken aan het dagelijks bestuur. 4. Indien de gemeenschappelijke regeling gebruik maakt van een strategisch of meerjarenplan biedt het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling dit in concept aan de gemeenteraden aan voor zienswijze. 5. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennisgegeven. De raden beraadslagen over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving
ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Artikel 33 Vaststelling begroting 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 16, tweede lid, wordt de begroting unaniem vastgesteld. 2. Na vaststelling zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden. 3. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 4. Een wijziging van de begroting, voor zover deze wijziging van invloed is op de hoogte van de bijdrage van de gemeenten, is slechts mogelijk bij unanimiteit van stemmen. Artikel 35 Vaststelling jaarrekening 1. Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvan de begroting dient, de algemene en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden. 2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening aan gedeputeerde staten binnen twee weken na vaststelling hiervan, maar in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling aan de raden.
Artikel 40 Wijziging van de regeling
6. De gemeenteraden geven uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de ontwerpbegroting en de concept bestemming van het rekeningresultaat aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 7. De gemeenteraden geven binnen 10 weken na ontvangst van het concept strategisch of meerjarenplan hun zienswijze hierover aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 8. Het dagelijks bestuur stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting vóór 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het zesde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 9. Het dagelijks bestuur stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening en het strategisch of meerjarenplan schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde en vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Artikel 33 Vaststelling begroting 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van artikel 15, tweede lid, wordt de begroting unaniem vastgesteld. 2. Na vaststelling zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden. 3.
Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. 4. Een wijziging van de begroting, voor zover deze wijziging van invloed is op de hoogte van de bijdrage van de gemeenten, is slechts mogelijk bij unanimiteit van stemmen. Artikel 34 Vaststellen jaarrekening 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Na vaststelling zendt het algemeen bestuur de jaarrekening binnen twee weken aan de raden. 3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten Artikel 40 Wijziging van de regeling
De colleges, de burgemeesters, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling. 2. De regeling wordt gewijzigd bij unaniem besluit van de colleges en burgemeesters. 3. De colleges en burgemeesters besluiten niet tot wijziging dan nadat zij ingevolge artikel 1, tweede lid, van de wet toestemming hebben gekregen van hun raden. Artikel 41 Toetreding 1. Tot de regeling kunnen uitsluitend burgemeesters en colleges van andere gemeenten en bestuursorganen van andere openbare lichamen toetreden. 2. Toetreding is slechts mogelijk na toestemming van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten 3. Aan toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden. Artikel 42 Uittreding en opheffing 1. De colleges en burgemeesters kunnen uit de regeling treden na verkregen toestemming van hun gemeenteraad met inachtneming van een opzegtermijn van twee kalenderjaren. 2. Het uittreden van een van de colleges of burgemeesters leidt tot opheffing van de regeling, tenzij er meer dan één gemeente na uittreding overblijft. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding. 3. Op voorstel van het algemeen bestuur kunnen de colleges en burgemeesters van de gemeenten besluiten tot opheffing van de regeling. 4. De uittredende gemeente is een schadeloosstelling verschuldigd.
Deze wordt vastgesteld door een commissie van een drietal onafhankelijke deskundigen welke wordt aangewezen door het algemeen bestuur. De schadeloosstelling bedraagt in ieder geval het aandeel in de oprichtingskosten, frictiekosten en investeringen van de uittredende partij. De uittredende partij betaalt tevens alle kosten die uittreding met zich meebrengt. 1.
1.
2.
De colleges, de burgemeesters, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling. De regeling wordt gewijzigd bij unaniem besluit van de colleges en burgemeesters.
Artikel 41 Toetreding 1. Tot de regeling kunnen uitsluitend burgemeesters en colleges van andere gemeenten en bestuursorganen van andere openbare lichamen toetreden 2. Aan toetreding kan het algemeen bestuur voorwaarden verbinden. Artikel 42 Uittreding 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 4 van deze regeling wenst terug te nemen. 3. Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste 1 jaar in acht wordt genomen. 5.
Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een concept uittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op
reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. In de conceptuittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. 6. Indien het algemeen bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling SED Organisatie redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling SED organisatie als bedoeld in artikel 43 van deze regeling. 7.
Het algemeen bestuur van de SED organisatie en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 8. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van maximaal 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 10.
De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaatsvindt.
11. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 12. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kostenafwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 13. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode.
De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 36 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 12 en 13 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste en tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en
Artikel 43 Archief 1. Het bestuur van de SED organisatie is verplicht de onder haar berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de SED organisatie. 3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de SED organisatie. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de SED organisatie wijst het dagelijks bestuur de archiefbewaarplaats van één van de gemeenten aan. 5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de SED organisatie, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks
het (dagelijks) bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 16. Het algemeen bestuur stelt de concept- uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 17. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het vijftiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Artikel 44 Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam overeenkomstig en volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling. 2. Het dagelijks bestuur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3.
Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 4. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Westfries Archief. 5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Westfries Archief. 6. De archivaris van het Westfries Archief brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7. Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het
bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 de archivaris belast. Met betrekking tot dit toezicht bevat de verordening bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen. Voor het beheer van de archiefbescheiden is de archivaris van de archiefbewaarplaats belast.
Artikel 46 Bestaande samenwerkingen en deelnemingen 1. De op het moment van inwerkingtreding van deze regeling
algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. 8. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 9. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. Artikel 46 Evaluatie 1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen, uitgebracht door de deelnemers, wordt aangenomen. 2. Het dagelijks bestuur van de regeling zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en, wanneer een stemverhouding ontbreekt, het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het dagelijks bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4.
De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. 5. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het (dagelijks) bestuur deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daarop volgende evaluatieperiode. Artikel vervalt
bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van de gemeenten afzonderlijk of gezamenlijk met derden blijven bestaan. Dit tot het moment waarop ieder van de colleges van de gemeenten, na een gezamenlijke inventarisatie daarvan met het dagelijks bestuur, besloten heeft welke van de per gemeente geïnventariseerde samenwerkingsverbanden door de betreffende gemeente gehandhaafd of opgezegd moet worden. In geval van opzegging kan een college besluiten de betreffende taken te laten uitoefenen door de SED organisatie 2. De in het vorige lid vermelde inventarisatie is uiterlijk binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze regeling voltooid. Artikel 48 Toezending regeling Het college van Enkhuizen zendt de regeling aan gedeputeerde staten. Artikel 49 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2016
Artikel vervalt Artikel 49 Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2016 2. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.