20250211 Nota beantwoording zienswijzen ontwerp definitief na college
Tekst van het document
Nota beantwoording zienswijzen ontwerp-omgevingsvergunning Immerhornpolder 1 t/m 49 Enkhuizen
Procedure Het college heeft op 10 september 2024 ingestemd met de ontwerp-omgevingsvergunning Immerhornpolder 1 t/m 49 Enkhuizen. De terinzagelegging van de ontwerp-omgevingsvergunning is op 5 december 2024 gepubliceerd op officielebekendmakingen.nl. De ontwerp-omgevingsvergunning met bijbehorende stukken was digitaal raadpleegbaar en kon ook op het gemeentehuis worden ingezien. Van 6 december 2024 tot en met 16 januari 2025 kon eenieder zienswijzen bij de gemeenteraad naar voren brengen. Er is één zienswijze ontvangen. Ingediende zienswijzen en reactie op de zienswijzen Tegen de ontwerp-omgevingsvergunning is een zienswijze ingediend door 1: 1. Reclamant, d.d. 16 januari 2024 De zienswijzen zijn tijdig ingediend en daarmee ontvankelijk. De zienswijzen zijn hieronder samengevat en van een reactie voorzien. Zienswijzen ontwerp-omgevingsvergunning Zienswijze 1. Reclamant 1. Meewegen van belangen Reclamant
Gemeentelijk Standpunt De aanvraag voor de plaatsing van tijdelijke woningen is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. In deze ruimtelijke onderbouwing, “Bouwen noodopvang Enkhuizen” Reclamant is van opvatting dat diens belangen onvoldoende van 12 november 2024, is gemotiveerd hoe het project zich verhoudt tot de relevante in de besluitvorming zijn betrokken. Het is volgens ruimtelijke aspecten, zoals archeologie, bodem, externe veiligheid, geluid, flora en Reclamant van belang dat ook het belang en de positie van fauna, luchtkwaliteit en water. Reclamant wordt erkend. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een afwijking van het bestemmingsplan moet het bevoegd gezag een afweging maken van alle betrokken belangen. In dat kader beoordeelt het college onder meer of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het college heeft bij het nemen van een besluit beleidsruimte. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de locatie geschikt is voor de tijdelijke huisvesting van Oekraïners, en voor een vervolggebruik als reguliere huisvesting. Het project heeft geen tot een beperkte ruimtelijke invloed op de omgeving. De belangen van Reclamant c.q. de eigenaren en gebruikers van de tegenover de locatie gelegen recreatiewoningen zijn niet expliciet benoemd, maar wel in de
1
De betreffende zienswijzen zijn geanonimiseerd
ruimtelijke beoordeling meegenomen. Naast de leefbaarheid zijn deelaspecten zoals de verkeersafwikkeling en het parkeren positief beoordeeld. Reclamant heeft geen tot een zeer beperkt zicht op de woningen, die bovendien tijdelijk zijn en eenvoudig te verwijderen. De tijdelijke woningen passen qua uitstraling in de omgeving, en de afstanden tussen de tijdelijke woningen en het recreatiepark zijn zodanig dat daarvan geen negatieve effecten op het recreatiepark mogen worden verwacht. De tijdelijkheid is geborgd door een vergunningvoorschrift. Hetgeen namens Reclamant is aangevoerd in de zienswijze leidt niet tot andere conclusies over de ruimtelijke aanvaardbaarheid ten opzichte van diens belangen. 2. Ontbreken van informatie Reclamant is van opvatting dat de besluitvorming moet Opgemerkt wordt dat de projecten over de opvang van Oekraïners in het gehele land worden aangehouden tot op zijn Woo-verzoeken is besloten. gepaard gingen met een zodanige spoedeisendheid dat de uitvoering in sommige gevallen vooruit liep op de besluitvorming. Dat is ook hier gebeurd, de klachten over de besluitvorming zijn in dat licht begrijpelijk. Dat neemt niet weg dat verzoeken op grond van de Wet Open Overheid geen grond vormen voor aanhouding van de ruimtelijke besluiten. Reclamanten hebben kennis kunnen nemen van alle informatie m.b.t.
deze aanvraag omdat alle relevante stukken hiertoe digitaal beschikbaar zijn gesteld bij de publicatie van de ontwerp omgevingsvergunning.
3. Locatie-onderzoek Reclamant stelt zich op het standpunt dat de ruimtelijke onderbouwing ontoereikend is om af te wijken van de vereisten zoals gesteld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Daarnaast merkt Reclamant op dat het alternatieven onderzoek pas is uitgevoerd nadat de bebouwing en bewoning reeds had plaatsgevonden. Tevens wijst
De uitkomst van deze procedure is niet van invloed op de besluitvorming over de omgevingsvergunning. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vereist dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in het kader van duurzame verstedelijking een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling en – indien relevant – waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In dit geval is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6. van het Bro, hetgeen is toegelicht in de ruimtelijke onderbouwing. Zo is onder meer sprake van een locatie op een bestaand sportveld in bestaand stedelijk gebied.
Reclamant erop dat bij de concept-omgevingsvergunning een locatieonderzoek is gevoegd waarin een andere conclusie wordt getrokken. In dit onderzoek is ten aanzien van de locatie Immerhornweg geconcludeerd dat plaatsing van flexwoningen niet mogelijk zou zijn.
Een onderbouwing van de behoefte is dus juridisch niet vereist. Toch is in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning vanuit een oogpunt van extra zorgvuldigheid uiteengezet waarom deze tijdelijke huisvesting noodzakelijk en passend is. Ten aanzien van het door Reclamant genoemde eerdere concept-locatieonderzoek wordt opgemerkt dat dit onderzoek is ingehaald door gewijzigde inzichten en omstandigheden. Het buitendijks bouwen bleek oplosbaar, en de sportvelden waren niet langer in gebruik. Dit maakte heroverweging van de locatie mogelijk en gerechtvaardigd. Bij de ruimtelijke onderbouwing is een nieuw alternatievenonderzoek gevoegd. Reclamant merkt terecht op dat dat onderzoek dateert van na de realisatie van de woningen. Dat is het gevolg van het feit dat de realisatie wegens de spoedeisendheid van de huisvestingsproblematiek deels vooruit liep op de vergunningverlening. Dat doet niet af aan de noodzaak en juistheid van het alternatievenonderzoek. Rho is gevraagd om alle betrokken locaties te beoordelen op geschiktheid. In tegenstelling tot wat Reclamant stelt, is in dat onderzoek niet gestuurd op een specifieke uitkomst. Voor alle andere locaties waren er onoplosbare factoren, waardoor – zoals ook in oktober 2023 informeel de conclusie was – de gekozen locatie als meest logisch alternatief uit de bus is gekomen.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning – zoals in dit geval – moet worden besloten op grondslag van de aanvraag, en dat het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking kan leiden als op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vgl. bv. ABRvS 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1871, r.o. 7.1). Uit het alternatievenonderzoek blijkt duidelijk dat deze situatie zich niet voordoet.
4. Tijdelijkheid Reclamant uit de zorg dat de tijdelijke woningen na afloop van de vergunde termijn van 10 jaar niet daadwerkelijk zullen worden verwijderd. Daarnaast stelt Reclamant dat uit documenten, verkregen via een Woo-verzoek, blijkt dat de intentie bestaat om de woningen tot 15 jaar te laten staan en dat de termijn van 10 jaar is gehanteerd vanwege de beperkingen van een tijdelijke vergunning. Reclamant wijst erop dat er consensus is over de maximale termijn van 10 jaar, maar dat hierover geen garanties zijn verstrekt. Evenmin zijn er garanties gegeven over de verwijdering van de woningen en de huisvesting van bewoners na afloop van deze termijn. De Belangenvereniging vreest dat de woningen, gezien afspraken met Welwonen over een termijn van 15 jaar, langer aanwezig zullen blijven.
De tijdelijke aard van de geplaatste units is in de eerste plaats feitelijk gewaarborgd doordat deze eenvoudig te verwijderen zijn. In de tweede plaats is dit geborgd in de omgevingsvergunning. Daarin is het volgende voorschrift opgenomen: "De vergunning wordt verleend voor een periode van 10 jaar, ingaande op de dag nadat de woningen in gebruik zijn genomen. Na deze termijn moet de situatie met de wettelijk voorgeschreven toestand in overeenstemming worden gebracht." (onderstreping aangebracht). Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3276) is uitsluitend vereist dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd en dat dit feitelijk mogelijk en aannemelijk is. Publiekrechtelijk wordt in de omgevingsvergunning in elk geval vastgelegd dat dit niet mag. Als de woningen toch langer zouden blijven staan, dient het College van B&W daartegen in beginsel handhavend op te treden. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de vergunde situatie in strijd is met de geldende regelgeving of een goede ruimtelijke ordening. Indien op enig moment zou worden besloten de woningen langer te laten staan dan de vergunde tien jaar, dient hiervoor een nieuw vergunningentraject te worden doorlopen. In dat traject zal een nieuwe beoordeling moeten plaatsvinden.
5. Buitendijks bouwen Het feit dat de locatie buitendijks is gelegen, is oplosbaar gebleken door onder meer de Reclamant stelt dat uit het locatieonderzoek blijkt dat locatie op te hogen. Gelet hierop is de bezwaarlijkheid van buitendijks bouwen in dit buitendijks bouwen ongewenst is. Desondanks wordt concrete geval vervallen. volgens Reclamant het risico op overstromingen bewust aanvaard, zonder dat voldoende wordt onderbouwd waarom Het standpunt van Reclamant dat sprake is van strijd met het Barro, is niet juist. In de dit risico wordt genomen. kaart in bijlage 4 bij het Barro is aangegeven wat het IJsselmeergebied is en waarvoor bijzondere regels gelden. De onderhavige locatie ligt niet binnen dit gebied. Daarnaast wijst Reclamant op het Barro, waaruit volgens hem volgt dat woningbouw buitendijks bij het IJsselmeer zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Reclamant betwijfelt of het plan in overeenstemming is met deze
regelgeving en vraagt zich af waarom in dit geval wordt afgeweken van de uitgangspunten ten aanzien van waterveiligheid en ruimtelijke ordening.
6. Provinciaal beleid Reclamant stelt dat het College het Provinciaal beleid niet in acht heeft genomen. Volgens artikel 6.19 van de Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat, voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied provinciaal landelijk gebied het alleen kan voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte schriftelijke afspraken.
Reclamant verwijst naar de Omgevingsverordening NH2022, die samen met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden. Echter, op de onderhavige omgevingsvergunning is nog de Omgevingsverordening NH2020 van kracht. De ruimtelijke onderbouwing is dan ook hieraan getoetst. Volgens artikel 6.3 van de Omgevingsverordening NH2020 kan een nieuwe stedelijke ontwikkeling worden gerealiseerd indiendaarover regionale afspraken zijn gemaakt en de ontwikkeling daarin is opgenomen.. Voor de gemeente Enkhuizen, onderdeel van Westfriesland, zijn dergelijke afspraken vastgelegd in het afwegingskader Wonen Westfriesland 2019. Het onderhavige woningbouwplan is besproken in de regionale ambtelijke werkgroep en vervolgens goedgekeurd in het bestuurlijke overleg (VVRE). Daarnaast is voor de regio West-Friesland een Woonakkoord opgesteld en door alle gemeenteraden vastgesteld. Dit akkoord, in combinatie met het afwegingskader Wonen Westfriesland 2019, ondersteunt de ambitie om de regio tot de top 10 woonregio’s van Nederland te laten behoren. Het project sluit aan bij deze doelstellingen door bij te dragen aan een toekomstbestendige woningmarkt.
7. Noodopvang vs. reguliere huisvesting Reclamant stelt dat de onderbouwing van de omgevingsvergunning voornamelijk is gericht op de noodopvang van Oekraïense ontheemden. Hoewel Reclamant zich hier niet tegen verzet, kan hij zich niet vinden in de realisatie van reguliere huisvesting op deze locatie. Volgens Reclamant zijn de gevolgen van reguliere huisvesting onvoldoende onderzocht, waardoor niet kan
Omdat het project past binnen de schriftelijke afspraken binnen de regio, hierdoor voldoet het project dus aan artikel 6.3 Omgevingsverordening NH2020. Het standpunt van Reclamant dat de onderbouwing van de omgevingsvergunning voornamelijk zou zijn gericht op de noodopvang van Oekraïense ontheemden wordt niet gevolgd. Zoals vermeld op pagina 6 van de ruimtelijke onderbouwing, is de beoordeling over een goede ruimtelijke ordening mede gebaseerd op de ontwikkeling van een tijdelijke woonlocatie ten behoeve van tijdelijke huisvesting. Hierin is het volgende expliciet aangegeven: "Het betreft voor het eerste twee jaar tijdelijke huisvesting voor ontheemde Oekraïners. Vervolgens zullen de woningen worden gebruikt voor de tijdelijke opvang van woningbehoeftigen in verband met de wooncrisis."
worden geconcludeerd dat hiervoor een vergelijkbare urgentie geldt.
8. Onzorgvuldig
Daarnaast wordt op pagina 8 van de ruimtelijke onderbouwing herhaald dat de woningen na de eerste twee jaar zullen worden ingezet tegemoet te komen aan de woningbehoefte in het kader van de wooncrisis. Deze situatie is ook in de achterliggende onderzoeken betrokken. Wanneer in de ruimtelijke onderbouwing wordt gesproken over de “urgentie van de situatie”, wordt daarmee niet alleen de opvang van Oekraïense ontheemden bedoeld, maar ook de bredere behoefte aan tijdelijke huisvesting in Nederland. Zoals vermeld op pagina 12, draagt het project bij aan de nationale woningbouwopgave door te voorzien in de actuele vraag naar tijdelijke huisvesting. Verkeersbewegingen
Reclamant is van mening dat de ontwerpomgevingsvergunning op diverse onderdelen onzorgvuldig is opgesteld. Volgens Reclamant bestaat er een inconsistentie tussen het stikstofonderzoek, waarin wordt uitgegaan van 88,4 verkeersbewegingen per etmaal, en het verkeersonderzoek, dat uitgaat van 149 motorvoertuigen per etmaal.
Reclamant kan niet worden gevolgd in het standpunt dat er een inconsistentie zou bestaan tussen het stikstofonderzoek en het verkeersonderzoek. In de ruimtelijke onderbouwing (pagina 24) wordt aangegeven dat de beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 149 motorvoertuigen per etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Dit wordt bevestigd in paragraaf 4.2.2 van het stikstofonderzoek, waarin het volgende is opgenomen:
Daarnaast stelt Reclamant dat onvoldoende rekening is gehouden met de richtafstand voor geluid ten opzichte van het vakantiepark. Er wordt uitgegaan van een richtafstand van 50 meter, maar Reclamant betwist dat sprake is van een gemengd gebied, waardoor de richtafstand niet verkleind zou mogen worden naar 30 meter.
"Met de woningen en de kantoorunit komen de verkeersbewegingen uit op 149 per etmaal, licht verkeer." Er is dus geen tegenstrijdigheid tussen de verschillende onderzoeken. Daarnaast blijkt uit het stikstofonderzoek dat er vanuit ecologisch oogpunt geen belemmeringen zijn. Geluid en richtafstanden
Verder stelt Reclamant dat de onderzoeken niet actueel zijn. De gebruikte onderzoeken en memo’s dateren uit de periode Het standpunt van Reclamant dat er ten onrechte wordt uitgegaan van een richtafstand van 30 meter in plaats van 50 meter wordt niet gedeeld. In de directe omgeving van van augustus tot november 2023. de beoogde ontwikkeling bevinden zich een sportveld, een vakantiepark, infrastructuur en recreatieve functies, waardoor de kwalificatie "gemengd gebied" gerechtvaardigd is. Ten noorden van de projectontwikkeling ligt een kampeerterrein en vakantiepark. Daarvoor geldt een richtafstand van 50 meter. Omdat de omgeving gezien de aanwezige functiemenging kan worden getypeerd als gemengd gebied kan de
richtafstand worden verkleind naar 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De afstand tussen de buitenste rij chalets en die van Europarcs bedraagt 40 meter. De geluidproducerende functies van het vakantiepark liggen daarentegen ruim verder dan 50 meter. De ontwikkeling zorgt er niet voor dat het vakantiepark in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd en ter hoogte van de tijdelijke woningen kan er voldaan worden aan de richtafstanden, waardoor er geen hinder (en risico) van functies in de omgeving wordt verwacht. Significant negatieve effecten worden uitgesloten. Onderzoeken niet actueel
9. Belangenafweging Reclamant is van mening dat zijn belangen niet worden meegewogen in de plannen voor woningbouw nabij de camping en het vakantiepark. Hij verwacht dat de aantrekkelijkheid van de vakantiewoningen en kampeerplaatsen zal afnemen door de nabijheid van (sociale) woningbouw. Vakantiegangers zullen deze ontwikkeling op online reviews zien en hun keuze daarop aanpassen. Daarnaast kunnen bewoners van de nieuwe wijk ongestoord gebruik maken van de faciliteiten op het terrein, wat de situatie verder verslechtert. Dit zal leiden tot lagere inkomsten voor de eigenaren van de kampeerplaatsen en vakantiewoningen, die hun bezit vaak als pensioenvoorziening hebben aangeschaft.
Ingevolge artikel 3.1a van de Wabo mag het bevoegd gezag zich bij het verlenen van een omgevingsvergunning baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Deze bepaling houdt in dat bestuursorganen zich niet verplicht hoeven te verantwoorden voor het gebruik van onderzoeken die binnen deze termijn vallen. Alle onderzoeken vallen binnen deze termijn. Zie ten aanzien van het meewegen van de belangen van Reclamant het genoemde onder 1. Voor zover Reclamant meent schade te lijden, kan hij verzoeken om nadeelcompensatie.
10. Onjuiste perceptie Reclamant wenst erop te wijzen dat de perceptie over Reclamant onjuist is. Reclamant benadrukt dat zij van mening is dat de locatie niet geschikt is voor woningbouw, ongeacht of het gaat om sociale woningbouw of koopwoningen. Zij meent dat deze locatie ongeschikt is voor woningbouw, in welke vorm dan ook. Het eerste locatieonderzoek heeft aangetoond dat de betreffende locatie niet geschikt is voor dergelijke woningbouw. Reclamant verzet zich niet tegen de mogelijkheid van noodopvang, maar wel tegen reguliere woningbouw, aangezien zij van mening is dat er geen sprake is van een noodsituatie die deze ontwikkeling rechtvaardigt. Volgens Reclamant gaat het plan voorbij aan het feit dat de gemeente jarenlang heeft gewerkt aan het realiseren van deze recreatieve voorziening. Het gebied is bewust ingericht als recreatief gebied, en het toestaan van woningbouw zou het karakter en de aantrekkelijkheid van dit gebied voor recreanten aantasten. 11. Draagvlak Reclamant geeft aan verbaasd te zijn dat er in het voorstel aan de Gemeenteraad wordt gesteld dat er gesprekken worden gevoerd met belanghebbenden, waarmee lijkt te worden geïmpliceerd dat er draagvlak zou bestaan. Reclamant voelt zich echter op geen enkele wijze gehoord of geïnformeerd.
Dit geldt te meer vanwege het gegeven dat Reclamant naar aanleiding van de Woo- verzoeken lang niet alle beschikbare informatie lijkt te hebben ontvangen.
Het standpunt van Reclamant is duidelijk uit diens zienswijze. Voor een beantwoording van dit punt wordt verwezen naar hiervoor onder 3 en 7, waar deze standpunten eerder aan de orde zijn gekomen.
Het gevoel van onvoldoende betrokkenheid van Reclamant is begrijpelijk, zie ook hiervoor onder 2. Tegelijkertijd verdient opmerking dat de afweging voor onderhavige omgevingsvergunning er een is die is ingegeven door (onder meer) het belang van de woningbouw en (deels) woningnood. Het College en de gemeenteraad dienen bij de vergunningverlening het algemeen belang en dat van de “goede ruimtelijke ordening” in het oog te houden. Hoewel draagvlak van betekenis is voor de haalbaarheid van een project, is dat niet van doorslaggevende aard. Ondanks het gebrek aan draagvlak van de zijde van Reclamant is er vanuit andere belangen aanleiding om deze omgevingsvergunning toch te verlenen.
12. Transparantie Reclamanten stellen dat er niet op transparante wijze wordt gehandeld en dat Reclamanten niet over alle stukken beschikken. Reclamant wijst op een gebrekkige Informatieverstrekking en een gebrek aan transparantie. Voorstel De zienswijze leidt niet tot een wijziging.
Zie hiervoor onder 2 ten aanzien van het ontbreken van informatie.