2025-12-05 Beantwoording Technische vragen EV! Vaststellen Visiedocument Mooi Gaan EV
Tekst van het document
Technische vragen aan college van BenW Fractie
Enkhuizen Vooruit!
Opsteller Commissie
R. Zeegerman commissie Sociaal Domein, Financiën en Bedrijfsvoering 02-122025
Onderwerp
Vaststellen visiedocument Mooi Gaan
Agendapunt
6.
Datum aanvraag
02-12-2025
Inleiding: Tijdens de behandeling van bovenstaand agendapunt in de commissie van 2 december 2025 heeft de wethouder gevraagd een aantal gestelde vragen technisch te stellen. Bijgaand treft u deze vragen aan. Als lokale partij vinden wij het belangrijk dat nieuwe initiatieven zoals Mooi Gaan goed aansluiten bij de behoeften van onze inwoners én voldoen aan wettelijke kaders. We zien kansen in preventie en laagdrempelige ondersteuning, maar willen ook zeker weten dat transparantie, rechtmatigheid en financiële verantwoording op orde zijn. Dat is immers de taak van de gemeenteraad. Wij twijfelen niet aan de nut en noodzaak van een dergelijke algemene voorziening; Echter lijkt wat voorligt hierin te voorzien en direct een mogelijkheid te bieden om het ten uitvoer te brengen. Waarvoor dus ook een compliment voor het college en de ambtelijke staf te geven valt. Echter overvalt ons daarmee tevens ook hetgeen voorligt. Daarom hebben wij nog wel een aantal aanvullende vragen, welke in lijn zijn met eerder gestelde schriftelijke vragen van andere fracties, zodat we bij de raadsbehandeling samen zorgen voor een toekomstbestendig beleid en een betrouwbare uitvoering.
Vragen: Algemene vragen over relatie met andere stukken die voorliggen: Voor ons ligt een visie voor een subsidie ten behoeve van wijksteunpunten, welke ingezet wordt als algemene voorziening. Het andere agendapunt is de Visie sociaal domein. De WMO (wet) biedt de mogelijkheid om algemene voorzieningen in een beleidsplan op te nemen op de vraag of het nieuwe visie document gezien mag worden heeft de portefeuillehouder een voorzichtig bevestigend antwoord gegeven 1. Vraag: Is dit juist. En in dien dit het geval is waarom is er niet voor gekozen om dit op termijn onder een dergelijk beleidsplan te hangen en wordt dit als een separaat voorstel behandeld? Naar aanleiding van deze visie en de eerder gestelde vragen van CDA en SP eerder met betrekking tot resultaten van de aanbesteding en het verlies van lokale aanbieders komt bij ons
de volgende vraag naar voren: 2. Is er een risico dat deze steunpunten worden gebruikt of gezien als een verkapte manier om aanbieders die niet gegund zijn alsnog toe te laten? In eerder vastgestelde beleidsuitgangspunten voor de inmiddels afgeronde aanbesteding/inkoopprocedure is het uitgangspunt om strenger aan de poort te willen zijn, waarbij diverse aanbieders vermoedelijk zijn afgevallen om moverende redenen. 3. Hoe wordt geborgd dat de subsidieregeling niet leidt tot indirecte compensatie van aanbieders die eerder om deze moverende (of kwalitatieve) redenen niet gegund zijn? 4. Hoe verhouden deze steunpunten zich tot de oorspronkelijke doelstellingen uit vastgestelde beleidsuitgangspunten van de eerdergenoemde aanbesteding? Dan nog een aantal vragen over de rechtmatigheid en transparantie. Inhoudelijke vragen over de subsidieregeling: 5. Door toevoeging van een begroting veronderstellen wij dat er sprake is van een begrotingssubsidie, is deze veronderstelling juist? 6. Zo ja, Volgens recente uitspraak van de RvS inzake dat begrotingssubsidies onder de regels van verdeling van schaarse publieke middelen vallen en zijn hier tevens kamervragen over gesteld. Met als uitkomst ; “Wanneer er meer potentiële gegadigden zijn voor dezelfde subsidiemiddelen, moet mededingingsruimte worden geboden”.
Dit betekent dat overheden niet zomaar een subsidie kunnen toekennen zonder anderen de kans te geven om mee te dingen.Is hier rekening gehouden en hoe? En een vervolgvraag hieromtrent: 7. Welke juridische en procedurele waarborgen zijn ingebouwd om te voorkomen dat dit in strijd is met aanbestedingsregels en het gelijkheidsbeginsel? Verder aanvullende vragen: 8. Hoe wordt geborgd dat de kostenbesparing op maatwerkvoorzieningen daadwerkelijk gerealiseerd wordt? 9. In mei is €25.000 beschikbaar gesteld voor een onderzoek naar de resultaten van dagbesteding als algemene voorziening. Klopt het dat de raad hierover nog geen terugkoppeling heeft ontvangen? Wanneer wordt deze terugkoppeling verwacht? (zie onderstaande beslispunten uit het raadsbesluit met zaaknummer 262924 van destijds: “3. Een verkenning opstellen om dagbesteding als algemene voorziening op SED-niveau te verkennen en de resultaten hiervan in het vierde kwartaal van 2025 te delen met de gemeenteraad; 4. Een plan van aanpak op te stellen voor het opzetten van laagdrempelige steunpunten en deze in het derde kwartaal van 2025 te delen met de gemeenteraad. 5.
Een incidenteel budget van € 25.000,- beschikbaar te stellen voor de ontwikkeling van laagdrempelige steunpunten (projectleiding) en deze te dekken uit de financiële ruimte 2025.” ) Daarnaast nog een aantal vragen over de inhoudelijke tekst: Onder artikel 2.1 lid 1a staat het volgende:
“1. De laagdrempelige steunpunten richten zich op inwoners van alle leeftijden die: a. niet in aanmerking komen voor reguliere, geïndiceerde dagbesteding,” Echter zegt de WMO 2015 het volgende: algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; En nader uitgewerkt wordt in 2.3.2 van dezelfde wet. 10. Dit lijkt tegenstrijdig met elkaar, begrijpen wij goed uit de stukken die voorliggen dat er toch eerst onderzoek (als bedoeld in de Wmo) gedaan wordt? 11. Zo niet, hoe moeten we dit dan tot elkaar zien? Onder Artikel 2.3 Activiteitenaanbod en werkwijze lid 1valt het volgende te lezen: “De steunpunten: a. Bieden een dag-structuur van maximaal 33 dagdelen van 3 uur per week;” Een dagdeel heeft blijkbaar 3 uur per dagdeel. Ook merken wij op dat er de mogelijkheid bestaat om meerdere dagdelen op een dag te nuttigen bijvoorbeeld 2. 12. Indien dit het geval is, wordt dan het gebruik voor de gebruiker gemaximeerd op een totaal van 33 dagdelen per jaar?
Antwoorden Algemene vragen over relatie met andere stukken die voorliggen: Voor ons ligt een visie voor een subsidie ten behoeve van wijksteunpunten, welke ingezet wordt als algemene voorziening. Het andere agendapunt is de Visie sociaal domein. De WMO (wet) biedt de mogelijkheid om algemene voorzieningen in een beleidsplan op te nemen op de vraag of het nieuwe visie document gezien mag worden heeft de portefeuillehouder een voorzichtig bevestigend antwoord gegeven. 1. Vraag: Is dit juist. En in dien dit het geval is waarom is er niet voor gekozen om dit op termijn onder een dergelijk beleidsplan te hangen en wordt dit als een separaat voorstel behandeld? Antwoord vraag 1: De Visie Sociaal Domein is geen beleidsplan zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Deze visie is overkoepelend bedoeld voor het gehele sociaal domein. Een nader uitgewerkt Wmo-beleidsplan kan door uw raad worden vastgesteld en deze wordt dan weer op kaders getoetst aan de Visie Sociaal Domein. Naar aanleiding van deze visie en de eerder gestelde vragen van CDA en SP eerder met betrekking tot resultaten van de aanbesteding en het verlies van lokale aanbieders komt bij ons de volgende vraag naar voren: 2.
Is er een risico dat deze steunpunten worden gebruikt of gezien als een verkapte manier om aanbieders die niet gegund zijn alsnog toe te laten? Antwoord vraag 2: nee, artikel 3.1 van de subsidieregeling stelt dat een aanbieder een contract voor Dagbesteding
A of B op grond van de Wmo moet hebben (al dan niet in onderaanneming). Dit betekent dat organisaties die volledig buiten de aanbesteding zijn gevallen, niet zomaar kunnen instromen. De reden hiervoor is dat wij een mate van kwaliteit willen bieden aan onze cliënten en deze is gewaarborgd doordat voor gunning of onderaanneming een kwaliteitstoets is gedaan door de NWO Zorg in Regio Westfriesland. In eerder vastgestelde beleidsuitgangspunten voor de inmiddels afgeronde aanbesteding/inkoopprocedure is het uitgangspunt om strenger aan de poort te willen zijn, waarbij diverse aanbieders vermoedelijk zijn afgevallen om moverende redenen. 3. Hoe wordt geborgd dat de subsidieregeling niet leidt tot indirecte compensatie van aanbieders die eerder om deze moverende (of kwalitatieve) redenen niet gegund zijn? Antwoord vraag 3: Er is geen sprake van compensatie voor de aanbieders, om dat zij al een onder aannemingscontract hebben voor het leveren van de maatwerkvoorziening dagbesteding A en/of B. Mooi Gaan is een andere voorziening en bedoeld als algemene voorziening speciaal in Enkhuizen voor de inwoners van Enkhuizen, te leveren door aanbieders die een vestiging in Enkhuizen hebben. We hopen hiermee een goed en goedkoper alternatief te kunnen bieden aan mensen die dat nodig hebben.
Wanneer de ondersteuningsvraag verzwaart kunnen cliënten een melding/aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding via een keukentafelgesprek, een indicatie en een beschikking. 4. Hoe verhouden deze steunpunten zich tot de oorspronkelijke doelstellingen uit vastgestelde beleidsuitgangspunten van de eerdergenoemde aanbesteding? Antwoord vraag 4: De steunpunten zijn bedoeld als voorveld en algemene voorziening omdat daar slechts met een lichte toets toegang is tot de voorziening. Daarmee passen ze prima in de beleidsuitgangspunten die de gemeenten in de regio Westfriesland hebben vastgesteld. In de beleidsuitgangspunten voor de inkoop wordt ook gesproken over het afschalen naar algemene voorzieningen en het voorveld. Hiermee wordt beoogd om de ondersteuning zo eenvoudig mogelijk in te zetten. Alleen bij meer problematiek en een grotere ondersteuningsvraag wordt opgeschaald naar een maatwerkvoorziening zoals dagbesteding. Dan is er meer professioneel personeel om te voldoen aan de ondersteuningsvraag. Hierbij kan gedacht worden aan gedragsproblematiek of lichamelijke ondersteuning zoals helpen bij de toiletgang of bij het uitvoeren van activiteiten. De meeste mensen kunnen zeer waarschijnlijk met een algemene voorziening geholpen worden en we hopen dat zij ook langer van deze voorziening gebruik maken.
De opschaling richting geïndiceerde, beschikte ondersteuning zal dan pas op een later tijdstip plaatsvinden dan wanneer er geen algemene voorziening is. De steunpunten zijn aanvullend en gericht op preventie. Hiermee wordt beoogd mensen met een lichte hulpvraag buiten de maatwerkvoorzieningen te houden. Dan nog een aantal vragen over de rechtmatigheid en transparantie. Inhoudelijke vragen over de subsidieregeling: 5. Door toevoeging van een begroting veronderstellen wij dat er sprake is van een begrotingssubsidie, is deze veronderstelling juist? Antwoord vraag 5: Ja, er is sprake van een begrotingssubsidie. Deze wordt na vaststelling opgenomen in de jaarlijkse begroting. Voor de eerste drie jaar is gezocht naar een manier van financieren; vanaf 2029 kan de subsidie geheel in de begroting verwerkt worden, mits de algemene voorziening
goede resultaten boekt. Vraag 6: Zo ja, Volgens recente uitspraak van de RvS inzake dat begrotingssubsidies onder de regels van verdeling van schaarse publieke middelen vallen en zijn hier tevens kamervragen over gesteld. Met als uitkomst ; “Wanneer er meer potentiële gegadigden zijn voor dezelfde subsidiemiddelen, moet mededingingsruimte worden geboden”. Dit betekent dat overheden niet zomaar een subsidie kunnen toekennen zonder anderen de kans te geven om mee te dingen. Is hier rekening gehouden en hoe? Antwoord vraag 6: Alle aanbieders vanuit de inkoop die een dagbestedingslokatie in of nabij Enkhuizen hebben worden aangeschreven. Dit is om de kwaliteit te waarborgen, die destijds vastgesteld is bij de aanbestedingsprocedure van de NWO Zorg in Regio Westfriesland. Afhankelijk van het aantal inschrijvingen worden er maximaal zes aanbieders uitgekozen voor de subsidie. De beoordeling ligt in handen van de beleidsafdeling en de Participatieraad voor advisering tot verstrekking aan het college. Deze manier creëert een vorm van mededinging en transparantie. En een vervolgvraag hieromtrent: 7. Welke juridische en procedurele waarborgen zijn ingebouwd om te voorkomen dat dit in strijd is met aanbestedingsregels en het gelijkheidsbeginsel? Antwoord vraag 7: Er is geen sprake van inkoop, maar van subsidie op grond van de Algemene Subsidieverordening 2016.
Gelijke kansen worden geboden via het subsidieplafond en de beoordelingscommissie die bestaat uit de beleidsafdeling en een afvaardiging van de Participatieraad. Artikel 5.1 van de subsidieregeling borgt het gelijkheidsbeginsel door opneming van weigeringsgronden en transparante criteria. Verder aanvullende vragen: 8. Hoe wordt geborgd dat de kostenbesparing op maatwerkvoorzieningen daadwerkelijk gerealiseerd wordt? Antwoord vraag 8: Door instroom van lichte doelgroep in de goedkopere algemene voorziening wordt beoogd een kostenbesparing te realiseren. Verder gaan wij ervan uit dat deze doelgroep pas later een beroep zal doen op geïndiceerde, beschikte en tevens veel duurdere ondersteuning. Via kwartaal- en jaarrapportages wordt de voortgang en het gebruik van de voorziening Mooi Gaan gemonitord. Verder kan het college bij onvoldoende besparing de regeling herzien. 9. In mei is €25.000 beschikbaar gesteld voor een onderzoek naar de resultaten van dagbesteding als algemene voorziening. Klopt het dat de raad hierover nog geen terugkoppeling heeft ontvangen? Wanneer wordt deze terugkoppeling verwacht? (zie onderstaande beslispunten uit het raadsbesluit met zaaknummer 262924 van destijds: “3. Een verkenning opstellen om dagbesteding als algemene voorziening op SED-niveau te verkennen en de resultaten hiervan in het vierde kwartaal van 2025 te delen met de gemeenteraad; 4.
Een plan van aanpak op te stellen voor het opzetten van laagdrempelige steunpunten en deze in het derde kwartaal van 2025 te delen met de gemeenteraad. 5. Een incidenteel budget van € 25.000,- beschikbaar te stellen voor de ontwikkeling van laagdrempelige steunpunten (projectleiding) en deze te dekken uit de financiële ruimte
2025.” ) Antwoord vraag 9: Dit bedrag is niet benut. Er is geen apart onderzoek meer gedaan naar de dagbesteding als algemene voorziening. Het rapport van BMC biedt voldoende aanknopingspunten voor het opzetten van de algemene voorziening als Mooi Gaan. Dit is tot stand gekomen door samenwerking met de vier aanbieders die in de pilot meegedraaid hebben, de Participatieraad en beleidsambtenaren van de afdeling Maatschappelijk Beleid en Projecten. De ervaringen van de aanbieders en de kennis van hun doelgroep en cliënten waren voldoende. Eventueel kan dit bedrag worden aangehouden voor een onderzoek als tussenevaluatie na de zomer van 2026. Dan moet dit bedrag overgeheveld worden naar 2026. Met de nieuwe inkoop is immers goed het verschil tussen de algemene voorziening en de maatwerkvoorziening te monitoren. Dat was voorheen niet het geval omdat gewerkt werd met arrangementen en niet met losse producten. Een vergelijking was moeilijk te maken. Daarnaast nog een aantal vragen over de inhoudelijke tekst: Onder artikel 2.1 lid 1a staat het volgende: “1. De laagdrempelige steunpunten richten zich op inwoners van alle leeftijden die: a.
niet in aanmerking komen voor reguliere, geïndiceerde dagbesteding,” Echter zegt de WMO 2015 het volgende: algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; En nader uitgewerkt wordt in 2.3.2 van dezelfde wet. Antwoord vraag 10: Een cliënt kan zich direct melden bij een van de aanbieders van Mooi Gaan. Via een lichte toets door de aanbieder wordt bekeken of de cliënt in aanmerking komt voor het gebruik van de algemene voorziening. Hier ontvangt hij geen beschikking voor. Dit is geen formeel onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2. lid 4. Een andere route kan evenwel met een onderzoek als bedoeld. Mocht een cliënt een melding doen voor ondersteuning (art. 2.3.2. lid 1 Wmo 2015) bij het college kan na het onderzoek (keukentafelgesprek) blijken dat een algemene voorziening een adequate manier van ondersteuning is (art. 2.3.2. lid 4 sub e). Dit wordt verwerkt in een verslag of perspectiefplan. Dan volgt er in principe geen aanvraag en geen beschikking. 11. Zo niet, hoe moeten we dit dan tot elkaar zien? Antwoord vraag 11: Niet van toepassing, zie beantwoording van vraag 10. Onder Artikel 2.3 Activiteitenaanbod en werkwijze lid 1valt het volgende te lezen: “De steunpunten: a.
Bieden een dag-structuur van maximaal 33 dagdelen van 3 uur per week;” Een dagdeel heeft blijkbaar 3 uur per dagdeel. Ook merken wij op dat er de mogelijkheid bestaat om meerdere dagdelen op een dag te nuttigen bijvoorbeeld 2. 12. Indien dit het geval is, wordt dan het gebruik voor de gebruiker gemaximeerd op een totaal van 33 dagdelen per jaar? Antwoord vraag 12:
Nee, de aanbieder heeft een subsidieplafond van 33 dagdelen per week. Een cliënt mag maximaal 4 dagdelen per week gebruik maken van de algemene voorziening. We gaan er hierbij van uit dat wanneer een cliënt een beroep doet op meer dagen ondersteuning per week er ook meer aan de hand is en dat hij waarschijnlijk in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening dagbesteding. De ondersteuningsbehoefte is dan meer dan de algemene voorziening kan bieden. Een consulent zal dit dan onderzoeken in samenspraak met de cliënt. Dit kan eventueel op de locatie van de aanbieder om het laagdrempelige karakter te waarborgen. Anderzijds mag de cliënt ook het gesprek op een andere locatie en in het bijzijn van een mantelzorger, een andere bekende of een onafhankelijk cliëntondersteuner voeren. ⃰ Dit vragenformulier z.s.m. toezenden aan griffie@enkhuizen.nl