12.2 GR WFA was-wordt lijst
Tekst van het document
WAS-WORDT LIJST WESTFRIES ARCHIEF Huidige tekst
Tekst na wijziging
Artikel 1, onder b Artikel 4
Verwijderd. De overige artikelen worden vernummerd. Toegevoegd lid 4: Het openbaar lichaam verleent inspraak aan ingezetenen en andere belanghebbende bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Op inspraak is in beginsel de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het openbaar een andere inspraakverordening heeft vastgesteld. Artikel 17, lid 2 Het algemeen en dagelijks bestuur en/of voorzitter geven ongevraagd aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten alle informatie die voor een juiste beoordeling van het gevoerde beleid nodig is. Zij verstrekken hiertoe in ieder geval tweemaal per jaar informatie over de voortgang van de uitvoering van de taakstelling zoals opgenomen in het operationele plan en de daarmee gepaard gaande kosten. Schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (dagelijks bestuur, algemeen bestuur en/of voorzitter) rechtstreeks aan en gelijktijdig aan de raden en in cc aan de colleges van de deelnemers. Als de informatie wordt verstrekt door het dagelijks bestuur of voorzitter dan wordt het algemeen bestuur vooraf geïnformeerd. Hoofdstuk 3 Personeel en organisatie
Artikel 17, lid 2 Het algemeen en dagelijks bestuur geven ongevraagd aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten alle informatie die voor een juiste beoordeling van het gevoerde beleid nodig is. Zij verstrekken hiertoe in ieder geval tweemaal per jaar informatie over de voortgang van de uitvoering van de taakstelling zoals opgenomen in het operationele plan en de daarmee gepaard gaande kosten
Hoofdstuk 3 Centrumgemeente en organisatie Paragraaf 1 Centrumgemeente Artikel 19 Taken en kostenverdeling 1. De centrumgemeente waarborgt een goede uitvoering van de werkzaamheden voor het vermelde in artikel 3 en 4 van deze regeling door de inzet van vakbekwaam personeel, het beschikbaar stellen van apparatuur, hulpmiddelen en
Artikel 19 Personeel 1. Het personeel is in dienst van de gemeente Hoorn en wordt gedetacheerd naar het openbaar lichaam. 2. Tussen het openbaar lichaam, de gemeente Hoorn en de betreffende medewerker wordt een detacheringsovereenkomst gesloten waarin de nadere afspraken zijn uitgewerkt.
1
2.
3.
4.
5.
huisvesting, alsmede ondersteuning in de bestuurs-, financiële, planning & controlcyclus. De centrumgemeente zal in het kader van het in het vorige lid vermelde ervoor zorgen dat voor medewerkers die enkel werkzaamheden verrichten voor het openbaar lichaam specifieke functie- dan wel competentieprofielen worden vastgesteld. Deze profielen worden ter kennisneming van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam gebracht. De centrumgemeente draagt er zorg voor dat de huisvesting van het openbaar lichaam exclusief beschikbaar is en blijft voor de adequate taakvervulling daarvan, zoals vermeld in de artikelen 3 en 4 van de regeling. Het openbaar lichaam kan niet zelf medewerkers in dienst nemen of hebben op publiekrechtelijke dan wel privaatrechtelijke basis. De met de taken van centrumgemeente gepaard gaande kosten zullen jaarlijks in de begroting van het openbaar lichaam worden opgenomen. De kosten worden verrekend op basis van het bepaalde in artikel 23 van deze regeling. De centrumgemeente deelt de kosten voor 1 maart gespecificeerd aan het dagelijks bestuur mede.
Paragraaf 2 Organisatie Artikel 20 Organisatie: directeur-archivaris en secretaris 1. De centrumgemeente zal de medewerkers, zoals bedoeld in het vorige artikel, indelen in een afzonderlijke organisatorische eenheid genaamd: “Westfries Archief, Regionaal Historisch Centrum voor West-Friesland”. 2. De centrumgemeente zal de aansturing en dagelijkse leiding van de in het vorige lid vermelde organisatorische eenheid opdragen aan de directeur van het “Westfries Archief, Regionaal Historisch Centrum voor West-Friesland”.
Artikel 20 Organisatie 1. Middels een dienstverleningsovereenkomst met de gemeente Hoorn worden afspraken gemaakt over de faciliteiten die de gemeente Hoorn ter beschikking aan het openbaar lichaam. 2. De gemeente Hoorn draagt er zorg voor dat de huisvesting van het openbaar lichaam exclusief beschikbaar is en blijft voor de adequate taakvervulling daarvan, zoals vermeld in de artikelen 3 en 4 van de regeling. 3. De kosten die de gemeente Hoorn maakt voor het openbaar lichaam zullen jaarlijks in de begroting van het openbaar lichaam worden opgenomen. De kosten worden verrekend op basis van het bepaalde in artikel 23 van deze regeling. De gemeente Hoorn deelt de kosten voor 1 maart gespecificeerd aan het dagelijks bestuur mede. Artikel 21 De directeur 1. De aansturing en dagelijkse leiding van het openbaar lichaam wordt opdragen aan de directeur van het “Westfries Archief, Regionaal Historisch Centrum voor West-Friesland”. 2. Het algemeen bestuur stelt een instructie en mandaatregeling vast voor het functioneren van de directeur. 3. Het algemeen bestuur zal de directeur aanwijzen als archivaris in de zin van de Wet. 4. De directeur is secretaris van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
2
3. Het college van de centrumgemeente zal een instructie en
4. 5.
6.
7.
mandaatregeling opstellen voor het functioneren van de directeur met betrekking tot de onderwerpen genoemd in artikel 19, lid 1. In de instructie zal in ieder geval worden voorzien in een periodiek overleg met de gemeentesecretaris van de centrumgemeente. De instructie en mandaatregeling zullen ter kennis van het algemeen en dagelijks bestuur van het openbaar lichaam worden gebracht. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam zal de directeur aanwijzen als archivaris in de zin van de Wet. In overleg met het college van de centrumgemeente en op voorstel van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zal het algemeen bestuur de directeur-archivaris aanwijzen als secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur. De secretaris is de bestuursorganen van het openbaar lichaam in alles wat hun taak betreft behulpzaam. Hij woont als zodanig de vergaderingen van die bestuursorganen bij en ondertekent mede alle stukken die van die bestuursorganen uitgaan. Het algemeen bestuur kan regels en afspraken met betrekking tot de bedrijfsvoering van de centrumgemeente, voor zover van belang voor het openbaar lichaam, van overeenkomstige toepassing verklaren. Voor het intern klachtrecht als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, stelt het dagelijks bestuur een klachtenprocedure op naar het voorbeeld van Hoorn.
Artikel 21 Periodieke evaluatie 1. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam en het college van de centrumgemeente zullen iedere twee jaar de effectiviteit en efficiency van de ondersteuning door de
Artikel 22 Periodieke evaluatie 1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats.
3
centrumgemeente en het functioneren van de organisatie, zoals geregeld in het voorgaande artikel, in onderling overleg evalueren. 2. De uitkomsten van deze evaluatie zullen zo nodig met verbeter- dan wel aanpassingsvoorstellen worden voorgelegd aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. 3. Indien het algemeen bestuur besluit verbeter- dan wel aanpassingsvoorstellen over te nemen, stelt het daarvan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten op de hoogte. Indien enig voorstel aanleiding zou zijn tot een wijziging van de regeling, zal het algemeen bestuur het dagelijks bestuur opdragen deze wijziging voor te bereiden overeenkomstig de procedure in artikel 28 van de regeling
2. De dienstverlenende gemeente zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt de dienstverlenende gemeente zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. 5. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt de dienstverlenende gemeente deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven. 6. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daaropvolgende evaluatieperiode.
Artikel 23 Begroting 1. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting op voor het volgende kalenderjaar en zendt deze voor advies aan de commissie zoals vermeld in artikel 16, lid 2 van de regeling. 2. Het dagelijks bestuur zendt voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de
Artikel 24 Beleidsmatige kaders en conceptbegroting 1. Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een conceptbegroting op voor het volgende kalenderjaar en zendt deze voor advies aan de commissie zoals vermeld in artikel 16, lid 2 van de regeling.
4
3.
4.
5.
6.
7. 8.
algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat zij door het algemeen bestuur wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. In de ontwerpbegroting wordt aangegeven de naar raming voor elke deelnemende gemeente verschuldigde bijdrage per inwoner. Voor de berekening van de bijdrage wordt uitgegaan van het inwonertal per 1 januari voorafgaand aan dat, waarvoor de bijdrage verschuldigd is, volgens de door het CBS vastgestelde en gepubliceerde bevolkingsgegevens. De deelnemers kunnen het dagelijks bestuur uiterlijk vóór 1 juni van hun gevoelens over de ontwerpbegroting doen blijken. Het dagelijks bestuur zendt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 15 juni, de ontwerpbegroting, de opmerkingen van de deelnemers en zo nodig een nota van wijzigingen aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur stelt de begroting voor 1 juli vast en zendt terstond afschriften aan de deelnemers. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
2. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 december in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de begroting wordt opgesteld, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten voor zienswijzen. 3. De gemeenteraden geven uiterlijk 1 maart hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 4. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de conceptbegroting aan de gemeenteraden voor zienswijze. Het dagelijks bestuur dient gelijktijdig met de conceptbegroting de voorlopige jaarrekening van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient aan de raden toe te sturen. 5. In de conceptbegroting wordt aangegeven de naar raming voor elke deelnemende gemeente verschuldigde bijdrage per inwoner. Voor de berekening van de bijdrage wordt uitgegaan van het inwonertal per 1 januari voorafgaand aan dat, waarvoor de bijdrage verschuldigd is, volgens de door het CBS vastgestelde en gepubliceerde bevolkingsgegevens. 6. de deelnemers kunnen het dagelijks bestuur uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de ontwerpbegroting doen blijken.76.
Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaand aan het vaststellen van de begroting voor 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het 5de lid , alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 8. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van
5
het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Artikel 24 Jaarrekening en jaarverslag 1. Het dagelijks bestuur legt over elk kalenderjaar verantwoording af over de inkomsten en de uitgaven onder overlegging van de daarop betrekking hebbende bescheiden. 2. Het dagelijks bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar de getrouwheid en rechtmatigheid van de baten en lasten ingesteld door een daartoe overeenkomstig het bepaalde in artikel 213 Gemeentewet aangewezen accountant. 3. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpjaarrekening, en het concept jaarverslag voor advies aan de commissie zoals vermeldt in artikel 16, lid 2 van de regeling. 4. Vervolgens zendt het dagelijks bestuur de ontwerpjaarrekening en het concept jaarverslag, voorzien van het schriftelijk advies van de adviescommissie vóór 15 april aan het algemeen bestuur. 5. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vóór 1 juli vast. De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden. Het dagelijks bestuur doet van de vaststelling mededeling aan de deelnemers. 6. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening en het jaarverslag binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening en het jaarverslag betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
Artikel 25 Toegevoegd worden de leden 4 en 5: 4. De gemeenteraden kunnen op de concept bestemming van het rekeningresultaat hun zienswijze kenbaar maken aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 5. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. De overige leden worden hernummerd.
6
Artikel 25 Lid 1: Eventuele voorschotten voor de taakuitvoering door de centrumgemeente en de organisatie van het openbaar lichaam, zoals bepaald in de artikelen 19 en 20 van de regeling worden jaarlijks voor het begin van ieder kalenderjaar aan de deelnemers op basis van de begroting in rekening gebracht Artikel 27 Uittreding 1. Deelnemers kunnen uittreden door toezending van de besluiten van de betreffende bestuursorganen aan het algemeen bestuur. 2. Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde besluiten geeft het dagelijks bestuur, na overleg met de uittredende deelnemer, opdracht aan een deskundige om de desintegratiekosten als gevolg van de uitreding te bepalen. 3. Op basis van de bepaalde desintegratiekosten besluit het algemeen bestuur tot de financiële en eventueel overige voorwaarden voor de uittreding. 4. De uittreding vindt pas plaats met ingang van 1 januari van het jaar volgend op het in het vorige lid vermelde besluit van het algemeen bestuur. 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste en vierde lid zal er gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze regeling geen uittreding kunnen plaatsvinden.
Artikel 23 Lid 1 en 2: het woord ‘centrumgemeente’ wordt vervangen door ‘de gemeente Hoorn’.
Artikel 28 Uittreding 1. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 2. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het (algemeen) bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 3 van deze regeling, wenst terug te nemen. 3. Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 4. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 5. Na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een conceptuittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze
7
worden afgewogen. In de concept-uittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. 6. Indien het algemeen bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 30 van deze regeling. 7. Het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken. 8.
Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 9. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld.
8
10. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 11. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 12. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 13.
Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 24, zesde lid van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke
9
uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 14. De kosten als bedoeld in lid 12 en lid 13 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 15. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste tot en met het tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 16. Het algemeen bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 17. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 18.
De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Artikel 28. Wijziging Lid 3: De vastgestelde wijziging wordt door het college van de centrumgemeente aan gedeputeerde staten gestuurd. Artikel 29. Opheffing en liquidatie
Artikel 29. Wijziging Lid 3 vervalt. Artikel 30. Opheffing en liquidatie
10
6. De centrumgemeente zorgt voor de afwikkeling van het
vastgestelde liquidatieplan.
6. De gemeente Hoorn zorgt voor de afwikkeling van het vastgestelde liquidatieplan.
Artikel 30 Overgangsregeling en financiering
Verwijderd.
Artikel 32 Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam overeenkomstig en volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling ingevolge artikel 40 van de Wet. 2. De secretaris is belast met de feitelijke bewaring en het beheer van deze archiefbescheiden.
Artikel 31 Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam overeenkomstig en volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling ingevolge artikel 40 van de Wet.
2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 4. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Westfries Archief,
11
5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Westfries Archief, 6. De archivaris van Westfries Archief, Regionaal Historisch Centrum voor West-Friesland of Regionaal Historisch Centrum Alkmaar brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7. Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. 8. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 9. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 8, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. Artikel 33 Toezending
Verwijderd
Artikel 34 Duur en inwerkingtreding 1. Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 2. De regeling treedt in werking op de dag na publicatie en werkt terug tot en met 1 januari 2016.
Artikel 33 Duur, inwerkingtreding, bekendmakingen en registratie 1.
Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
12
2. De gewijzigde regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking door de gemeente Hoorn in het Gemeenteblad. Indien de bekendmaking na 1 juli 2024 plaatsvindt treedt de gewijzigde regeling met terugwerkende kracht in op 1 juli 2024. 3. De gemeente Hoorn maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle gemeenten bekend in het Gemeenteblad. 4. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de Wet.
13