Buitengebied Nieuw-Weerdinge, mast 92_Bijlagen_Bijlage 7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Locatie 3 Emmen
projectnummer 0479579.101 concept revisie 00 22 november 2023
www.anteagroup.nl
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Locatie 3 Emmen projectnummer 0479579.101 concept revisie 00 22 november 2023
Auteurs V.d.V. K.D.
Opdrachtgever TenneT TSO B.V. Postbus 428 6800 AK ARNHEM
Goedgekeurd R.M.
datum 22 november 2023
beschrijving Definitief
vrijgave AK
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Inhoudsopgave Inhoudsopgave
3
1.
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
2.
Beoogde ontwikkeling
5
2.1 2.2
Aanleiding Begrenzing
5 5
3.
Toetsingskader
7
3.1 3.2 3.3
Algemeen Activiteit en drempelwaarde Vormvrije m.e.r.-beoordeling
7 7 8
4.
Beoordeling
9
4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6 4.1.7 4.2 4.2.1 4.2.2
9 9 9 9 9 9 9 10 10 10
4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.3.6 4.3.7 4.3.8 4.3.9 4.3.10 4.3.11 4.3.12 4.3.13 4.3.14
Kenmerken van het project Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Risico’s voor de menselijk gezondheid Plaats van het project Het bestaande grondgebruik Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Kenmerken van het potentiële effect Landschap en cultuurhistorie Archeologie Bodem Water Ecologie Stikstof Veiligheid Geluid Verkeer en transport Luchtkwaliteit Magneetvelden Kabels en leidingen Licht Gezondheid
5.
Conclusie en advies
22
10 10 11 11 11 12 13 14 15 16 17 17 18 19 19 20 21
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien of afwijken van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Voorliggende aanmeldingsnotitie is opgesteld in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied Nieuw-Weerdinge, mast 92. In deze aanmeldingsnotitie zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage. Deze aanmeldingsnotitie baseert zich op de milieuonderzoeken behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied Nieuw-Weerdinge, mast 92, geeft een korte omschrijving van het onderzoek maar neemt niet het volledige onderzoek over. In deze aanmeldingsnotitie wordt enkel ingegaan op de elementen die van toepassing zijn in het plangebied of de directe omgeving.
1.2
Leeswijzer en bronnen Het vervolg van het rapport is als volgt opgebouwd: hoofdstuk 2: de beoogde ontwikkeling en begrenzing hoofdstuk 3: het toetsingskader ten behoeve van dit rapport hoofdstuk 4: de beoordeling waar ingegaan wordt op de plaats van de activiteit en de kenmerken van de activiteit (aard en omvang, de wijze van aanleg). Daarna wordt ingegaan op de kenmerken van het potentiële effect van de activiteit; hoofdstuk 5: conclusie. Voor de planinformatie is het bestemmingsplan dat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt gemaakt, geraadpleegd. Ook zijn de door de opdrachtgever aangeleverde stukken meegenomen.
blad 4 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
2.
Beoogde ontwikkeling
2.1
Aanleiding TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) is landelijke netbeheerder van het hoogspanningsnet. Aanpassingen en uitbreidingen van het hoogspanningsnet zijn noodzakelijk. In het noorden van Nederland, voornamelijk in de provincies Groningen en Drenthe, zijn er veel verkenningen / initiatieven op het gebied van nieuwe zonne-parken. De verwachte groei in het noorden van Nederland, voornamelijk in de provincies Groningen en Drenthe is zo sterk, dat deze niet gefaciliteerd kan worden op het huidige 110kV net. Wanneer deze hoeveelheden zonne-energie vermogen op het huidige 110kV net worden aangesloten, zullen ernstige overbelastingen in het 110 kV net optreden. Om deze redenen dient het 110 kV net aangepast te worden, en dienen extra koppelingen met het 380 kV hoogspanningsnet gerealiseerd te worden. Onderdeel van deze netversterking vormt het versterken van de bestaande 110kV verbinding ‘Zwolle-Meeden’ tussen masten 097 en 201. Dit om te zorgen voor een goede aan- en afvoer van elektriciteit van het (verstopte) onderliggende 110kV-hoogspanningsnet op het hoofdnet (380kV). Aanpassing en/of verzwaring van verschillende masten, opstijgpunten en verbindingen op dit deel van het tracé is daarom nodig.
Figuur 2.1: Overzicht en locatie plangebied
2.2
Begrenzing De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op mast 152 op de lijn Zwolle – Meeden, mast 92 op de lijn Beilen – Emmen Vesterswijk en mast 94 op de lijn Emmen Vesterswijk – Emmen Barger Oosterveld. De ligging van deze locatie is afgebeeld in figuur 2-1. De locatie is gelegen in de gemeente Emmen in de provincie Drenthe. Alle drie de masten worden voorzien van nieuwe
blad 5 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
opstijgpunten in het kader van de netversterking. De verkabeling tussen mast 92 en 94 komt ondergronds te liggen.
Figuur 2.2: Mast 92 (bron: Streetsmart)
Figuur 2.3: Mast 152 (bron: Streetsmart)
Figuur 2.4: Mast 94 (bron: Streetsmart)
blad 6 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
3.
Toetsingskader
3.1
Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.
Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd.
3.2
Activiteit en drempelwaarde In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘ondergrondse hoogspanningsleiding‘ (D24.2) opgenomen. De beoogde ontwikkeling valt onder dit begrip. Tabel 3.1: Uitsnede onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
D De aanleg, 24.2 wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met:
De structuurvisie, Het plan, bedoeld in bedoeld in de artikelen artikel 3.6, eerste lid, 2.1, 2.2 en 2.3 van de onderdelen a en b, van Wet ruimtelijke ordening, de Wet ruimtelijke 1° een spanning van 150 en de plannen, bedoeld ordening dan wel bij het kilovolt of meer, en in de artikelen 3.1, eerste ontbreken daarvan van lid, 3.6, eerste lid, het plan, bedoeld in 2° een lengte van 5 onderdelen a en b, van artikel 3.1, eerste lid, van kilometer of meer in een die wet. die wet of het besluit, gevoelig gebied als bedoeld bedoeld in artikel 6.5, onder a, b (tot 3 zeemijl uit onderdeel c, van de de kust) of d van punt 1 van Waterwet. onderdeel A van deze bijlage.
Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding’ een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een spanning van 150 kilovolt of meer, en
blad 7 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
2.
een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b (tot 3 zeemijl uit de kust) of d van punt 1 van onderdeel A van de bijlage.
Het onderhavige planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van opstijgpunten bij bestaande masten en de ondergrondse verkabeling tussen drie masten ten behoeve van het onderliggende 110kV-hoogspanningsnet. De voorgenomen activiteit blijft daarmee onder de drempel van de spanning van 150 kilovolt zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht.
3.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De aanmeldingsnotitie moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in Bijlage III Richtlijn 2011/92/EU. De criteria vallen uiteen in criteria betreffende de:
Kenmerken van het project: o omvang van het project, o cumulatie met andere projecten, o gebruik van natuurlijke hulpbronnen, o productie van afvalstoffen, o verontreiniging en hinder, o het risico op ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering, o risico’s voor de menselijke gezondheid.
Plaats van het project: Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: o het bestaande grondgebruik, o relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, o het opnamevermogen van het natuurlijke milieu
Kenmerken van het potentiële effect: Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.
blad 8 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.
Beoordeling
4.1
Kenmerken van het project
4.1.1
Omvang van het project Het planvoornemen betreft primair de ontwikkeling in de ontwikkeling van opstijgpunten bij bestaande masten en de ondergrondse verkabeling tussen drie masten ten behoeve van het onderliggende 110 kV-hoogspanningsnet. De ontwikkeling vindt plaats in het noordoosten van Emmen.
4.1.2
Cumulatie met andere projecten Er is geen sprake van relevante cumulatie met andere projecten in de directe omgeving van het plangebied. Indien sprake zal zijn van cumulatieve effecten, dan zullen deze vanwege de aard en omvang van de onderhavige ontwikkeling naar verwachting niet onevenredig nadelig zijn. De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
4.1.3
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het merendeel van het projectgebied bestaat uit agrarische gronden en is onbebouwd. Langs het tracé en binnen de werkgebieden van het project zijn af en toe meerdere bomen en bosschages te vinden en ook graslanden. De bomen, bosschages en graslanden op de gronden groeien door natuurlijke hulpbronnen, die voor een deel in het projectgebied aanwezig zijn en voor een deel in het projectgebied terecht komen. Er zijn dan ook geen specifieke noemenswaardige natuurlijke hulpbronnen aanwezig in het plangebied. Voor de werkzaamheden worden diverse mobiele werktuigen en transportmiddelen gebruikt. De voorgenomen activiteiten zullen niet leiden tot een significante toename van het verbruik en gebruik van grond- en hulpstoffen. Indien grond vrijkomt in het gebied tijdens de uitvoering, dan wordt deze zoveel mogelijk hergebruikt binnen het projectgebied.
4.1.4
Productie van afvalstoffen Bij de realisatie van de ondergrondse kabelverbindingen en opstijgpunten komt afval vrij. Het bouwafval wordt volgens de geldende regels afgevoerd. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt die nadelige gevolgen hebben voor het milieu tijdens de bouwfase.
4.1.5
Verontreiniging en hinder Tijdens de realisatie wordt er zo veel mogelijk naar gestreefd om hinder te voorkomen. Tijdens de realisatiefase kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden mogelijk een (tijdelijke) verslechtering van de lokale luchtkwaliteit optreden en kan er bouwlawaai optreden. Verdere afweging van de (milieu)aspecten vindt plaats in paragraaf 4.3.
4.1.6
Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie van de kabelverbindingen en opstijfpunten leiden niet tot grotere kansen op ongevallen of rampen, dan in de huidige situatie. Er wordt tijdens de bouw geen verhoogde kans van het risico op een ongeval verwacht. Er zal voldaan worden aan alle bestaande richtlijnen en regels rondom het werken met kabelverbindingen en opstijgpunten.
blad 9 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het is dan ook niet aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling een effect heeft op eventuele ongevallen en/of rampen. Het is niet aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling een bijdrage heeft op het klimaat. Verdere afweging van de (milieu)aspecten vindt plaats in paragraaf 4.3.
4.1.7
Risico’s voor de menselijk gezondheid Tijdens de realisatiefase kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden mogelijk een (tijdelijke) verslechtering van de lokale luchtkwaliteit optreden en kan er bouwlawaai optreden. Het is echter niet aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling risico’s oplevert voor de menselijke gezondheid. Verdere afweging van de (milieu)aspecten vindt plaats in paragraaf 4.3.
4.2
Plaats van het project
4.2.1
Het bestaande grondgebruik Het plangebied is in de huidige situatie voornamelijk agrarisch gebied waar de ondergrondse kabelverbindingen komen te liggen. De opstijgpunten liggen bij bestaande masten. Het plangebied wordt rondom begrensd door agrarische percelen.
4.2.2
Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het plangebied bestaat uit verharding en op diverse plaatsen staan bomen en struiken. De bomen en struiken op de gronden groeien door natuurlijke hulpbronnen, die voor een deel in het plangebied aanwezig zijn en voor een deel in het plangebied terecht komen. Er zijn dan ook geen specifieke noemenswaardige natuurlijke hulpbronnen aanwezig in het plangebied.
4.2.3
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied of een ander beschermd natuurgebied. De locatie ligt in het landelijk gebied van Emmen. De plaats van het project rechtvaardigt geen MER.
blad 10 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.3
Kenmerken van het potentiële effect In deze paragraaf worden de (mogelijke) verwachte milieueffecten van het project beoordeeld om per milieuaspect te bepalen of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor deze beoordeling zijn de gebieds- en milieuonderzoeken gebruikt die zijn uitgevoerd in het kader van het nieuwe bestemmingsplan.
4.3.1
Landschap en cultuurhistorie Op grond van de Erfgoedwet dient bij een ruimtelijk besluit rekening te worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Deze verantwoordingsplicht omvat zowel het boven- als ondergronds erfgoed. Toetsing In het plangebied liggen geen Rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten en is geen sprake van beschermde stads- of dorpsgezichten. Voor aardkundige waarden geldt een generieke bescherming vanuit de provinciale Omgevingsverordening. Het plangebied ligt niet binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), aangewezen in de provinciale Omgevingsverordening. De CHS verbindt alle elementen, structuren en gebieden die in hun onderlinge samenhang van provinciaal belang worden geacht. Voor dit gebied staan twee provinciale doelstellingen centraal: herkenbaar houden van de cultuurhistorie; versterken van de ruimtelijke identiteit. Het plangebied ter plekke van het beoogde opstijgpunten heeft de bestemming 'agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen'. De gronden zijn onder andere bestemd zijn voor 'behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden'. Conclusie Het plan voorziet niet in de wijziging of wezenlijke aantasting van beeldbepalende of belangrijke (cultuurhistorische) landschapselementen.
De opstijgpunten worden gerealiseerd bij al bestaande hoogspanningsmasten en de nieuwe bekabeling loopt ondergronds. Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema landschap en cultuurhistorie.
4.3.2
Archeologie Toetsing De gemeente Emmen heeft archeologie beleid vastgesteld, d.d. 30 mei 2013. Hiervoor is een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt met daarbij een rapport, dit rapport dient als toelichting op de kaart. Het doel van deze documenten is om aan te geven wat de kern vormt van het archeologie beleid en waar de beleidskeuzen zijn gemaakt. De verschillende archeologische waarden en verwachtingen en de maatregelen die daaraan zijn gekoppeld zijn in gemeentelijk archeologische beleidsadvieskaart vertaald naar diverse categorieën "Waarde - Archeologie" in het bestemmingsplan. Met de vertaling is op eenvoudige wijze voor het gehele gebied van de gemeente Emmen in beeld gebracht of archeologische waarden in het geding zijn of kunnen zijn en zo ja, op welke manier daarmee dient te worden omgegaan, de onderstaande tabel geeft de onderverdeling van de vier gemaakte categorieën weer. Tabel 4.1: Onderverdeling archeologische waarden Categorie Archeologische waarden Oppervlakte
Diepte
Drainage
Rijksmonument
Beschermd
-
-
Verbod
Waarde Archeologie 1
Zeer hoge archeologische waarde
0 m2
30 cm + 10 cm
Verbod
blad 11 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Categorie
Archeologische waarden
Oppervlakte
Diepte
Drainage
Waarde Archeologie 2 Waarde Archeologie 3 Waarde Archeologie 4
(zeer) (hoge) archeologische waarde Middelhoge of hoge verwachting Middelhoge of hoge verwachting
100 m2
30 cm + 10 cm
Verbod
1000 m2
30 cm + 10 cm
Verbod
1000 m2
30 cm + 10 cm
Toegestaan
Het plangebied heeft geen archeologische dubbelbestemming. De onderstaande kaart laat de meest nabije dubbelstemmingen zien.
Figuur 4.1: Facetbestemmingsplan Emmen, archeologische dubbelbestemmingen (zwarte arcering)
Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema archeologie
4.3.3
Bodem Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht in verband met de uitvoerbaarheid van een plan dat er onderzoek verricht dient te worden naar de bodemgesteldheid in het onderzoeksgebied. Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
blad 12 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsing In het uitgevoerd historisch bodemonderzoek zijn een aantal verdachte locaties naar voren gekomen waar nader onderzoek en mogelijk sanering aan de orde zijn. Op mastlocaties 092 en 152 zijn gedempte sloten en wijken (vaarten) aanwezig die mogelijk asbestverdacht zijn. De werkweg tussen mast 092 en 152 passeert een dam met onbekende inhoud. Mogelijk is de dam verhard met asbestverdacht puin. De werkweg naast mastlocatie 094 passeert een demping uit de jaren ’50. Deze locatie is daarom mogelijk asbestverdacht indien hier puin in is gestort. Op mastlocatie 152 is puin aanwezig onder de klinkerverharding. Deze locatie is daarom potentieel asbestverdacht aangezien de periode van aanleg onbekend is. Op mastlocatie 152 is een te dempen sloot aanwezig naast de wegberm van de N391. Deze is verdacht op minerale olie en PAK vanwege het verkeer. Aanbevelingen Voor grondroerende werkzaamheden binnen de verdachte bodemlocaties zoals benoemd in het vooronderzoek dient verkennend bodemonderzoek op basis van de NEN 5740 of verkennend asbestonderzoek op basis van de NEN 5707/NEN 5897, te worden uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit te bepalen. Bij het aantreffen van (bijmengingen met) onvoorzien puin in het opgeboorde materiaal dient tevens een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 of NEN 5897 uitgevoerd te worden.
Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema bodem, mits voorgenomen bodemonderzoeken uitgevoerd worden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig. Deze wordt pas gegeven indien er geen belemmeringen zijn ten aanzien van eventuele bodemverontreinigingen. Het aspect bodem is hiermee voldoende beschermd.
4.3.4
Water Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met een ruimtelijke ontwikkeling die door middel van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Toetsing Verhard oppervlak In de huidige situatie is het plangebied grotendeels onverhard. Ter plaatse van de mastvoeten is een betonnen fundering aanwezig, verder is het in en rondom de mast onverhard. In de toekomstige situatie zal de hoeveelheid verharding toenemen door de te plaatsen opstijgpunten. Er zullen in totaal 3 opstijgpunten geplaatst worden met een betonnen fundering en mogelijk wat half-verharding er omheen. De opstijgpunten zullen een oppervlak krijgen wat ongeveer gelijk is aan het huidige mast oppervlak. Dit zal leiden tot een geschatte toename in verhard oppervlak van 300 m2. Tabel 4.2: Geschat oppervlak hoogspanningsmasten Mast
Oppervlak mast (m2)
Mast 092
70
Mast 152
180
Mast 094
50
Totaal verhard oppervlak
300
blad 13 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Aangezien het plangebied niet binnen de bebouwde kom, binnen uitbreidingsplannen en in glastuinbouwgebied ligt en er minder dan 1.500 m2 verharding wordt gerealiseerd wordt waterberging niet noodzakelijk geacht. Waterhuishouding Er worden geen problemen met de waterhuishouding voorzien bij de aanleg van de opstijgpunten en hoogspanningskabels. De kabels zullen met een gestuurde boring geplaatst worden, hiervoor is dus geen bemaling nodig. Afhankelijk van de grondwaterstand moet er mogelijk wel bemalen worden voor de aanleg van de opstijgpunten. Hiervoor kan indien nodig een bemalingsadvies worden opgesteld. Oppervlaktewater Het geplande tracé zal een aantal sloten en een oppervlaktewatergang kruisen. Doordat de kabels op voldoende diepte onder de watergangen door worden gelegd (dieper dan 20 m) worden geen negatieve effecten verwacht op het oppervlaktewater door de aanleg van de hoogspanningskabels. Waterveiligheid Het plangebied bevindt zich niet binnen een waterkering of de beschermingszone daarvan, hiermee worden dan ook geen problemen voorzien. Ook is er geen overstromingsgevaar in het gebied waar rekening mee moet worden gehouden. Klimaatadaptatie Bij het aanleggen van de opstijgpunten kan gekozen worden voor half verharding of onverhard oppervlak rondom het opstijgpunt.
Door gebruik te maken van halfverharding, zoals grindpaden of poreuze materialen, kan water infiltreren in de bodem en de grondwaterstand verhogen. Dit helpt bij het voorkomen van overstromingen en zorgt voor een natuurlijke afvoer van regenwater. Onverharding, zoals graslanden of natuurlijke vegetatie, helpt ook bij waterabsorptie en draagt bij aan het verminderen van hitte-eilanden. Door slim gebruik te maken van deze technieken kunnen we de veerkracht van het buitengebied en de hoogspanningslocaties vergroten in het licht van klimaatverandering. Bij het realiseren van de 3 opstijgpunten kan waar mogelijk gekozen worden voor halfverhard of onverhard oppervlak, dit vergroot de infiltratie en waterbergingscapaciteit en kan daarmee bijdragen aan de klimaatadaptiviteit van de hoogspanningslocaties. Conclusie Het planvoornemen is om het hoogspanningsnet te verzwaren onder andere bij in de gemeente Emmen tussen masten 092, 152 en 094. Hiervoor zullen ondergrondse kabelverbindingen en 3 opstijgpunten gerealiseerd worden. De ondergrondse kabelverbindingen zullen een watergang kruisen tussen masten 092 en 152, verder zullen een aantal sloten doorkruist worden. Gezien de kabelverbindingen met een gestuurde boring op een diepte van meer dan 20m komen te liggen worden hierbij geen problemen voorzien.
Verder zal de verharding toenemen met een geschat oppervlak van 300 m2, hierbij wordt echter compensatie niet noodzakelijk geacht. Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema water.
4.3.5
Ecologie Ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Dit betreft potentiële effecten op vogel- en vleermuissoorten, maar ook effecten op beschermde natuurgebieden zijn mogelijk. De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om
blad 14 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het bestemmingsplan op de beschermde natuurwaarden. Toetsing Soortenbescherming De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten. Natura 2000 gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000gebieden, waaronder het IJsselmeer en de Waddenzee. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald.
Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000-gebieden niet negatief beïnvloeden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als deze het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd.
Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema ecologie.
4.3.6
Stikstof Gelet op de Wet natuurbescherming en de Beleidsregels natuurbescherming van de provincie Drenthe mag een plan alleen worden vastgesteld indien er geen significante gevolgen zijn voor een Natura 2000-gebied. Stikstofemissie wordt veroorzaakt door verkeer, mobiele werktuigen, het houden van vee, mest, etc. Als gevolg daarvan kan stikstofdepositie plaatsvinden op grote afstand van de bron. Projecten waarbij tijdens de uitvoering meer dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie plaatsvindt op een Natura 2000-gebied zijn natuurvergunningplichtig. Projecten waarbij het gebruik resulteert in een toename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet toegestaan. Om te bepalen wat de toename door het gebruik is,
blad 15 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
wordt het toekomstige plan vergeleken met de feitelijke, legale, planologische situatie van het huidige plan. Toetsing Realisatiefase Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator is de mogelijke toename van stikstofdepositie in beeld gebracht. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de voornemens niet leiden tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Ter controle zijn er rekenpunten geplaatst op Duitse Natura 2000-gebieden welke zich binnen een straal van 25 km van het projectgebied bevinden. In het doorgerekende model is er geen sprake van stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden. Uit het opgestelde AERIUS-model blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op enig Natura 2000-gebied. Significante effecten op Natura-2000 gebieden zijn daarmee uitgesloten. Gebruiksfase Er is sprake van extra verkeersbewegingen gedurende de gebruiksfase van de kabelverbinding en opstijgpunten. Ook hebben een kabelverbinding en opstijgpunten geen stikstofuitstoot. Significante effecten op Natura-2000 gebieden zijn daarmee uitgesloten. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema stikstof.
4.3.7
Veiligheid
4.3.7.1 Externe veiligheid Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. Toetsing De nieuwe opstijgpunten en ondergrondse kabelverbindingen vallen niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Het zijn geen risicovolle inrichtingen en geen (beperkt) kwetsbaar object. De ontwikkeling zorgt verder niet voor een toename van de kans op een incident bij risicobronnen (plaatsgebonden risico en groepsrisico) of een toename van de effecten van een mogelijk incident. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema externe veiligheid.
4.3.7.2 Ontplofbare oorlogsresten Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de
blad 16 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden. Toetsing Er is een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd voor het onderzoeksgebied. Op basis van de beoordeelde feiten is geconcludeerd dat er onvoldoende, of te globale, indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Het plangebied is niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema ontplofbare oorlogsresten.
4.3.8
Geluid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Toetsing Realisatiefase Tijdens de realisatiefase van de voorgenomen ontwikkeling vinden de nodige werkzaamheden plaats. De werkzaamheden zelf en het materieel om de werkzaamheden uit te voeren veroorzaken een tijdelijke geluidsbelasting voor de omgeving. Het dichtstbijzijnde woonadres is voor de werklocaties bij mast 094, op ruim 100 meter afstand. Dit betekend dat de effecten beperkt zullen zijn. De Wet geluidshinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. Voor bouwen zijn regels voor deze tijdelijke situaties opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (art. 8.3) en voor overige activiteiten in de APV (art. 4:6). Tijdens de realisatie werkzaamheden dient aan deze regels voldaan te worden. Gebruiksfase De voorgenomen ontwikkeling is geen geluidgevoelige functie in de zin van de Wgh en veroorzaakt geen geluidshinder.
Akoestisch onderzoek naar deze verbinding en opstijgpunten is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema geluid.
4.3.9
Verkeer en transport Realisatiefase De werkzaamheden hebben geen gevolgen voor de overige infrastructuur in het gebied. Wel kan er tijdens de uitvoering mogelijk beperkt hinder ondervonden worden door een toename van verkeersintensiteiten in de nabijheid van het plangebied. Naar verwachting kan het bestaande wegennetwerk de tijdelijke toename van het aantal verkeersbewegingen in de aanlegfase goed verwerken. In het kader van de voorbereiding van de uitvoeringsactiviteiten zal in overleg met de wegbeheerders worden nagegaan of/welke specifieke verkeersmaatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld in de vorm van bebording).
blad 17 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Gebruiksfase De voorgenomen ontwikkeling betreft geen ontwikkelingen die leidt tot een toename van het verkeer. Conclusie Daarom wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema verkeer.
4.3.10 Luchtkwaliteit Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). In titel 5.2 van de wet zijn de bepalingen ten behoeve van luchtkwaliteit opgenomen. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft overeenkomstig artikel 5.12 van de Wm het NSL vastgesteld. Op 1 augustus 2009 is het NSL vervolgens in werking getreden. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.
In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Toetsing Realisatiefase Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor een opstijgpunt. In het plangebied liggen de huidige concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de wettelijke grenswaarden. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van verkeer. De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg genereren tijdelijk extra verkeer. In de gebruiksfase zijn bovengenoemde functies onbemand en vinden enkel beperkt verkeersbewegingen plaats voor toezicht en onderhoud. De mast stoot zelf geen stoffen uit die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het project beïnvloedt dan ook niet in betekenende mate de luchtkwaliteit in de zin van het besluit NIBM. Aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Gebruiksfase Er is sprake van extra verkeersbewegingen gedurende de gebruiksfase. Een kabelverbinding en opstijfpunten betreffen geen ontwikkelingen die leidt tot een toename van het verkeer. Bovenstaande overwegingen laten zien dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in het Besluit NIBM en de Regeling NIBM. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema luchtkwaliteit.
blad 18 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.3.11 Magneetvelden Bij transport van elektriciteit ontstaan magnetische velden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen heeft TenneT zich geconformeerd aan: 1. het beleidsadvies van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 april 2023, kenmerk DGKE-DRE / 26746813; Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen De sterkte van elektrische en magnetische velden is afhankelijk van de aanwezige spanning (elektrisch veld) of de stroomsterkte (magnetisch veld), maar is ook sterk afhankelijk van de afstand tot de bron. Net als bij een warmtebron geldt voor elektrische en magnetische velden dat de veldsterkte snel afneemt wanneer de afstand tot de bron groter is. Bij ondergrondse hoogspanningskabels spelen elektrische velden geen rol. Door de metalen beschermingsmantel om de kabel wordt het elektrisch veld volledig afgeschermd. Voor wat betreft magneetvelden rond hoogspanningsinfrastructuur geldt een grenswaarde van maximaal 100 microtesla. Deze waarde komt voort uit aanbevelingen van de Europese Unie en geldt als norm voor de maximale blootstelling aan burgers. Het volledige hoogspanningsnet van TenneT voldoet aan deze norm op alle voor publiek toegankelijke plaatsen.
Toetsing Voor ondergrondse kabelverbindingen (en opstijgpunten) geldt dat bij de aanleg proportionele bronmaatregelen worden getroffen. Die bronmaatregelen zijn opgenomen in het herijkte voorzorgbeleid. Als bronmaatregel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het in driehoeksformatie leggen van kabels of het toepassen van driefasenkabels bij een nieuwe ondergrondse kabelverbinding. De bronmaatregelen zorgen er voor dat de magneetvelden in sterkte verminderen en de magneetveldcontour smaller wordt. Daarmee volgt TenneT het herijkte voorzorgbeleid. Overigens adviseert de Minister het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening om geen specifieke afstanden tot bestemmingen waarin mensen langdurig verblijven te berekenen bij ondergrondse kabelverbindingen en hoogspanningsstation. De Minister acht het voldoende om in deze gevallen enkel de bronmaatregelen te treffen. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan het huidige beleidsadvies (beleidsadvies van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 april 2023, kenmerk DGKE-DRE / 26746813; Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen). Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt.
4.3.12 Kabels en leidingen De ongestoorde ligging van planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dient te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1. buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2. bovengrondse hoogspanningslijnen; 3. overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepalen bevoegd gezag en leidingbeheerders of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
blad 19 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
TenneT, initiatiefnemer van het voornemen waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld, beschouwt haar ondergrondse kabels als planologisch relevant. Gezien het groot maatschappelijk belang van de kabels en omdat er grote problemen ontstaan als de kabels niet meer werken of niet gerealiseerd kunnen worden, is het wenselijk/noodzakelijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Toetsing TenneT draagt er zorg voor dat voor de realisatie van de opstijgpunten en de ondergrondse 110kV-kabelverbinding tijdig met relevante kabel- en leidingbeheerders wordt afgestemd over de uit te voeren werkzaamheden in het plangebied. De bestaande kabels en leidingen onder en nabij het plangebied worden daarbij tijdig geïnventariseerd. Ten behoeve van het project wordt (indien nodig) hierover tijdig afgestemd met de verantwoordelijke netbeheerders. De kabels en leidingen worden waar mogelijk gekruist door middel van een open ontgraving en waar nodig door middel van een persing of gestuurde boring. Alvorens de aanleg plaatsvindt wordt een KLIC-melding gedaan. Aangezien voorliggend bestemmingsplan komt te gelden in aanvulling op de onderliggende bestemmingsplannen is het niet noodzakelijk om bestaande planologisch relevante kabels en leidingen op te nemen in voorliggend bestemmingsplan. De ondergrondse 110kV-kabelverbinding, geldt in aanvulling op de onderliggende bestemmingsplannen.
Daarbij blijft de huidige planologische regeling van deze kabels en leidingen behouden, met als aanvulling dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van de hoogspanningsverbindingen die onderdeel uitmaken van dit plan zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt mogelijk gemaakt. Daarnaast vinden er ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling werkzaamheden en/of kruisingen plaats ter hoogte van de bestaande planologisch beschermde bovengrondse hoogspanningsverbindingen Meeden-Zwolle. TenneT TSO B.V. is zowel beheerder van deze verbindingen als mede-initiatiefnemer van voorliggend bestemmingsplan en draagt zorg voor tijdelijke passende maatregelen ten behoeve van het functioneren van de verbindingen tijdens de aanlegfase. Op deze manier worden effecten op het functioneren van deze verbindingen voorkomen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling kruist meerdere kabels en leidingen. Eén hoogspanningsverbinding is planologisch vastgelegd. TenneT draagt zorg voor tijdige afstemming met relevante kabel- en leidingbeheerders. TenneT neemt daarnaast passende tijdelijke maatregelen ten behoeve van het functioneren van de eigen verbindingen tijdens de aanlegfase. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Daarnaast worden door middel van voorliggend plan de nieuwe ondergrondse 110kV-verbindingen van TenneT planologisch beschermd. Er wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt.
4.3.13 Licht Toetsing Realisatiefase Uitgangspunt is dat de aanlegwerkzaamheden vrijwel geheel overdag plaatsvinden. Alleen bij bijzondere omstandigheden kan het noodzakelijk zijn om ook ’s avonds of ’s nachts te werken. Het gaat hierbij om een kans op tijdelijke lichthinder veroorzaakt door het in te zetten materieel.
blad 20 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Eventuele lichthinder is naar verwachting niet aan de orde mede gezien de tijdelijke duur van de werkzaamheden. Gebruiksfase Er zijn drie soorten effecten van kunstmatige verlichting: 1. hinder voor de mens; 2. hinder/verstoring voor de natuur; 3. horizonvervuiling. Hinder voor de mens Hinder bij mensen ontstaat wanneer men zich niet kan onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl er wel behoefte aan is. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen wordt er een afweging gemaakt tussen maatschappelijke belangen (veiligheid op straat of bijvoorbeeld bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen lichtbronnen die lichthinder kunnen veroorzaken voor de mens. Ook zorgt de ontwikkeling niet voor lichtbronnen die lichthinder kunnen veroorzaken. Hinder voor natuur Nachtelijk kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken bij migrerende dieren. Uit de onderzoeken die in het kader van de flora en fauna zijn uitgevoerd blijkt niet dat er vanwege licht hinder optreedt op de natuur.
Horizonvervuiling Bij horizonvervuiling gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand. Bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden. Het plangebied ligt in het buitengebied van Emmen. Er zullen geen lichtbronnen worden toegevoegd die lichthinder kunnen veroorzaken. Er is daarom geen sprake van horizonvervuiling. Conclusie Op basis van bovenstaande gegevens wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema licht.
4.3.14 Gezondheid Mede op basis van de beoordeling ten aanzien van water, lucht, licht en geluid is er geen sprake van specifieke risico’s door het voornemen voor de volksgezondheid of voor bijvoorbeeld waterverontreiniging of luchtvervuiling.
blad 21 van 23
datum 22 november 2023 projectnummer 0479579.101 betreft Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.
Conclusie en advies In het kader van deze notitie en de onderzoeken in het kader van de ruimtelijke onderbouwing (toelichting bestemmingsplan) is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r. procedure. Gelet op het voorstaande wordt voorgesteld om op basis van deze aanmeldnotitie te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
blad 22 van 23
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Monitorweg 29 1322 BK Almere Postbus 10044 1301 AA Almere
Copyright © 2023 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.
www.anteagroup.nl