Bijlage bij RA21.0084 Toelichting bestemmingsplan geitenhouderijen (RIS.10395)
Tekst van het document
www.handbook.cochrane.org. Hooiveld M, Smit LAM, Van der Sman-de Beer F, Wouters IM, van Dijk CE, et al. 2016. Doctordiagnosed health problems in a region with a high density of concentrated animal feeding operations: a cross-sectional study. Environ Health 15:24. IJzermans CJ, Smit L, Heederik D, Hagenaars T. 2018. Veehouderij en gezondheid omwonenden III. longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 – 2016. Utrecht: Nivel. Kalkowska DA, Boender GJ, Smit LAM, Baliatsas C, Yzermans J, et al. 2018. Associations between pneumonia and residential distance to livestock farms over a five-year period in a large population-based study. PLoS One 13(7):e0200813. Lamberts H, Wood M. 1987. International Classification of Primary Care. Oxford: Oxford University Press. Maassen K, Smit L, Wouters I, van Duijkeren E, Janse I, et al. 2016. Veehouderij en gezondheid omwonenden. RIVM rapport 2016-0058. Bilthoven: RIVM. NIVEL. 2017. Incidenties En Prevalenties. www.nivel.nl/nl/zorgregistraties-eerste-lijn/incidentiesen-prevalenties. Post PM, Hogerwerf L, Huss A, Petie R, Boender GJ, et al. 2019. Risk of pneumonia among residents living near goat and poultry farms during 2014-2016. PLoS One 14(10):e0223601. Poulsen MN, Pollak J, Sills DL, Casey JA, Nachman KE, et al. 2018.
High-density poultry operations and community-acquired pneumonia in Pennsylvania. Environmental Epidemiology 2(2):e013. Smit LAM, Boender GJ, de Steenhuijsen Piters WAA, Hagenaars TJ, Huijskens EGW, et al. 2017. Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: Does the upper respiratory tract microbiota play a role? Pneumonia 9 (3). Smit LAM, van der Sman-de Beer F, Opstal-van Winden AW, Hooiveld M, Beekhuizen J, et al. 2012. Q fever and pneumonia in an area with a high livestock density: A large population-based study. PLoS One 7(6):e38843. van Dam MHP, Dijksma SAM. 2017. Reactie op diverse onderzoeken naar de relatie tussen veehouderij en gezondheid. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28973-191. Verheij T, Hopstaken RM, Prins JM, Salomé P, Bindels PJ, et al. 2011. NHG-standaard acuut hoesten (eerste herziening). Huisarts Wet 54:68-92.
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 28
Lijst van afkortingen ATC-codes
Anatomisch Therapeutisch Chemisch (indeling geneesmiddelen)
BI/CI
Betrouwbaarheidsinterval/Confidence Interval
BAB
Bestand Agrarische Bedrijfssituatie
BVB
Bestand Veehouderij Bedrijven
COPD
Chronic Obstructive Pulmonary Disease (Chronische Obstructieve Longziekte)
CRP
C-reactieve proteïne
ELAPSE
Effects of Low-Level Air Pollution: A Study in Europe
EPD
Elektronisch Patiënten Dossier
EZ, ministerie van
Economische Zaken
GDI
Gecombineerde Data Inwinning
GIAB
Geografisch Informatiesysteem Agrarische Bedrijven
HIS
Huisarts Informatie Systeem
ICPC
International Classification of Primary Care
IRAS/UU
Institute for Risk Assessment Sciences/ Universiteit Utrecht
I&R
Identificatie en registratie (oormerken)
IVG
Intensieve Veehouderij & Gezondheid
LNV, ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
NHG (-standaard)
Nederlands Huisartsen Genootschap
Nivel
Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg
NZR
Nivel Zorg Registraties (eerste lijn)
OR
Odds Ratio
PAR
Populatie-Attributief Risico
RVO
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
TTP
Trusted Third Party
VGO
Veehouderij & Gezondheid Omwonenden
VWS, ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WBVR
Wageningen Bioveterinary Research, onderdeel van WUR
WUR
Wageningen University & Research
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 29
Bijlage I - Samenvatting Vignetten Achtergrond In eerdere studies over mogelijke associaties tussen wonen in de nabijheid van veehouderijen en het voorkomen van luchtwegproblemen (Heederik 2011; Maassen 2016; Hagenaars 2017; IJzermans 2018) werd in de nabijheid van veehouderijen meer pneumonie gevonden en tegelijkertijd minder acute bronchitis dan in controlegebieden elders in het land. Pneumonie en acute bronchitis zijn beide een ontsteking van de lagere luchtwegen. Een pneumonie verloopt echter vaak ernstiger en komt meer voor bij kwetsbare groepen (jonge kinderen en 75-plussers). Dat komt onder meer omdat pneumonie vaker berust op een bacteriële infectie en acute bronchitis op een virale. Diagnosticering door de huisarts is gebaseerd op het klinische beeld, de voorgeschiedenis en eventuele comorbiditeit. Er is nauwelijks plaats voor aanvullende diagnostische hulpmiddelen, zoals X-thorax, sputum- of bloedonderzoek. Wel heeft de huisarts beschikking over een C-reactieve proteïne (CRP)-test, een hulpmiddel om onderscheid te maken tussen ernstige en minder ernstige infecties van de lagere luchtwegen, respectievelijk een hogere of lagere kans op een bacteriële verwekker. Doelstelling VGO-III is vooral opgezet om te achterhalen waarom er een oorzakelijke associatie is tussen geitenhouderijen in de onmiddellijke omgeving en pneumonie.
Diagnosticering van pneumonie door de huisarts kan daarbij een rol spelen. Doel van het huidige onderzoek was om te verkennen of huisartsen in het studiegebied in verschillende casus met luchtwegklachten tot een eenduidig oordeel komen of het gaat om pneumonie of acute bronchitis. Methode Met behulp van vignetten en open vragen is nagegaan welke elementen een rol spelen bij de besluitvorming. Deze vignetten zijn voorgelegd aan ca. 100 huisartsen die deelnamen aan VGO, afkomstig uit de provincies Noord Brabant, Limburg, Utrecht, Gelderland en Overijssel. Dertig huisartsen reageerden. Bevindingen In een open vraag gaven de huisartsen aan dat zij de theorie van het verschil tussen diagnosticeren van pneumonie en acute bronchitis kennen. Zij volgen daarbij de NHG-Standaard ‘Acuut hoesten’. Met de betekenis van een lagere waarde van de CRP-test wordt echter relatief liberaal omgegaan. Eén van de vignetten bevatte specifieke informatie over mogelijke pneumonie (verwardheid, lokale longgeluiden, klappertanden, een score >100 op de CRP-test) en dat werd door 29 van de 30 huisartsen herkend. Bij drie andere vignetten werden pneumonie en acute bronchitis beide genoemd, met een aanzienlijke inter-doktervariatie. Bij twee van deze vignetten was een (lichte) overschatting van pneumonie, vooral omdat de Standaard ‘Acuut hoesten’ niet werd gevolgd.
Implicaties Opportunistisch gezien kunnen in VGO-onderzoek acute bronchitis en pneumonie worden samengenomen tot ‘acute infecties van de lagere luchtwegen’. Daarbij zou echter voorbij worden gegaan aan de potentiële ernst van een pneumonie, in dit geval ook vanuit het belang van de volksgezondheid. Uit de vignetten en de open vragen ontstaat het beeld dat de huisartsen de theorie grotendeels goed beheersen. De vertaling naar de praktijk volgt echter niet altijd de Standaard. Dit onderzoek moet worden gezien als een eerste pilot onder de aan VGO deelnemende huisartsen. Voor preciezere informatie zouden ook vignetten moeten worden voorgelegd aan de huisartsen van de controlepraktijken en in tweede instantie aan een grote, representatieve steekproef van Nederlandse huisartsen.
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 30
Bijlage II – Appendix Tabellen en Figuren Tabel S1. Demografische kenmerken van de VGO onderzoekspopulatie in Noord-Brabant en Limburg (2014-2016). Variabele
Frequentie
Percentage
Totale populatie
90.169
100
Geboren tussen 2014 en 2016
1.900
2,1%
Mannen
45.433
50,4%
<=19
17.897
19,85
19< = < 37
17.912
19,86
37< = < 52
17.265
19,15
52< = < 66
19.462
21,58
66< = < 102
17.633
19,56
Drie jaar ingeschreven bij HA
77.105
85,51
Patiënt in Noord-Brabant
80.978
89,81
Patiënt in Limburg
9.191
10,19
Leeftijdscategorie*
Leeftijd (gem, std)*
44,06 (23,36)
Geboortejaar (range)
1914-2016
* Leeftijd in 2016
Tabel S2. Aantal en percentage personen in de onderzoekspopulatie met aanwezigheid van een veehouderij binnen een bepaalde straal rondom de woning. Gelderland, Overijssel en Utrecht
Noord-Brabant en Limburg
(n=65.251)
(n=90.169)
Aantal
%
Aantal
%
>2000m
9.429
14,5
1.830
2,0
1000-2000m
25.347
38,8
28.929
32,1
500-1000m
20.969
32,1
44.021
48,8
<500m
9.506
14,6
15.403
17,1
Varkenshouderij
Rundveehouderij >2000m
425
0,7
387
0,4
1000-2000m
9.416
14,4
18.716
20,8
500-1000m
27.672
42,4
44.708
49,6
<500m
27.738
42,5
26.372
29,2
>2000m
27.387
42,0
63.423
70,3
1000-2000m
26.699
40,9
14.165
15,7
500-1000m
8.429
12,9
8.898
9,9
<500m
2.736
4,2
3.697
4,1
>2000m
61.651
94,5
78.089
86,6
1000-2000m
2.378
3,6
10.320
11,4
500-1000m
1.002
1,5
1.587
1,8
<500m
220
0,3
187
0,2
Schapenhouderij
Nertsen
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 31
Tabel S3. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebied (Gelderland, Overijssel en Utrecht) en controlegebied. 2014
2015
2016
2017
Aandoening Pneumonie
1,41 (1,02–1,95)
1,44 (0,99–2,09)
1,38 (0,98–1,95)
1,40 (1,01–1,93)
Pneumonie bij
1,45 (0,94–2,22)
1,80 (1,03–3,15)
1,78 (1,02–3,10)
1,96 (1,17–3,30)
Pneumonie bij ouderen└
1,47 (1,03–2,10)
1,37 (0,95–1,96)
1,45 (1,03–2,05)
1,36 (0,99–1,86)
Lage luchtweginfecties
1,29 (0,95–1,74)
1,33 (0,91–1,93)
1,32 (0,94–1,88)
1,37 (1,00–1,89)≠
Hoesten, benauwdheid,
1,31 (1,09–1,58)
1,26 (0,97–1,62)
1,26 (0,91–1,73)
1,37 (1,15–1,60)
Astmaa
0,99 (0,82–1,18)
0,96 (0,81–1,15)
0,96 (0,81–1,13)
0,98 (0,81–1,18)
Astma bij kinderenb
1,23 (0,91–1,65)
1,07 (0,81–1,41)
1,02 (0,78–1,33)
1,00 (0,74–1,34)
Chronische bronchitis/
1,25 (0,85–1,83)
1,38 (0,94–2,02)
1,40 (0,96–2,06)
1,52 (1,02–2,28)
COPDc
0,93 (0,77–1,13)
0,98 (0,82–1,18)
1,01 (0,83–1,22)
1,03 (0,84–1,26)
Coronaire hartziektec
0,94 (0,78–1,12)
0,94 (0,80–1,10)
0,92 (0,79–1,09)
0,97 (0,81–1,16)
Vertigosyndroom
1,00 (0,69–1,45)
0,98 (0,69–1,39)
0,96 (0,69–1,34)
0,99 (0,74–1,32)
Vertigo/Duizeligheid
1,06 (0,82–1,38)
1,11 (0,84–1,47)
1,25 (0,94–1,68)
1,32 (1,02–1,70)
Eczeem
0,81 (0,57–1,16)
0,79 (0,57–1,10)
0,81 (0,59–1,12)
0,85 (0,62–1,17)
Eczeem bij kinderen÷
0,94 (0,71–1,23)
0,86 (0,66–1,12)
0,85 (0,66–1,08)
0,89 (0,70–1,12)
Gastro-enteritis
0,80 (0,63–1,01)
0,79 (0,58–1,07)
0,87 (0,63–1,20)
0,89 (0,68–1,17)
Colitis ulcerosa/
1,07 (0,87–1,31)
1,09 (0,89–1,32)
1,10 (0,90–1,35)
1,09 (0,87–1,36)
Hoge luchtweginfecties
0,95 (0,80–1,13)
0,82 (0,64–1,04)
0,83 (0,60–1,13)
0,84 (0,71–1,00)
Hooikoorts
1,18 (0,92–1,52)
1,22 (0,97–1,54)
1,14 (0,82–1,57)
1,35 (1,05–1,72)
Antibioticad
0,99 (0,82–1,20)
0,91 (0,73–1,12)
0,93 (0,75–1,16)
1,02 (0,85–1,22)
Alle anti-
0,88 (0,73–1,05)
0,85 (0,68–1,07)
0,83 (0,65–1,05)
0,95 (0,77–1,17)
kinderen÷
piepende ademhaling
bronchiëctasieënc
Chronische enteritis
Medicatie
infectiemiddelen Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt, ≠ p=0,05 ÷
0-14 jaar
└
≥65 jaar
a
Patiënten met leeftijd ≥6 jaar.
b
Patiënten met leeftijd 6-14 jaar
c
Patiënten met leeftijd ≥40 jaar
d
Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 32
Tabel S4. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in Gelderland (2014, n=23.873; 2015, n=33.919; 2016, n=35.228; 2017, n=36.358) en (alle) controlegebieden. 2014
2015
2016
2017
Pneumonie
1,41 (0,88–2,24)
1,52 (0,94–2,44)
1,47 (0,95–2,27)
1,42 (0,92–2,19)
Pneumonie bij kinderen÷
1,39 (0,78–2,48)
1,88 (0,91–3,88)
1,84 (0,97–3,49)
1,85 (1,00–3,40)
Pneumonie bij ouderen└
1,46 (0,87–2,48)
1,42 (0,90–2,23)
1,48 (0,98–2,25)
1,46 (0,96–2,22)
Lage luchtweginfecties
1,24 (0,82–1,90)
1,32 (0,82–2,12)
1,34 (0,89–2,03)
1,34 (0,88–2,02)
Hoesten, benauwdheid,
1,30 (1,03–1,63)
1,37 (1,09–1,72)
1,39 (1,07–1,82)
1,40 (1,14–1,70)
Astmaa
0,96 (0,75–1,24)
0,93 (0,74–1,18)
0,92 (0,74–1,14)
0,93 (0,73–1,19)
Astma bij kinderenb
1,06 (0,70–1,60)
0,95 (0,66–1,36)
0,90 (0,63–1,29)
0,93 (0,64–1,35)
Chronische bronchitis/
1,31 (0,83–2,08)
1,42 (0,90–2,26)
1,49 (0,96–2,31)
1,54 (0,99–2,40)
COPDc
0,90 (0,71–1,15)
0,95 (0,76–1,20)
1,01 (0,80–1,28)
1,07 (0,85–1,34)
Coronaire hartziektec
0,94 (0,74–1,21)
0,97 (0,78–1,20)
0,95 (0,77–1,18)
1,00 (0,80–1,26)
Vertigosyndroom
1,01 (0,63–1,63)
1,04 (0,68–1,60)
1,03 (0,68–1,56)
0,98 (0,67–1,43)
Vertigo/Duizeligheid
1,13 (0,82–1,54)
1,21 (0,88–1,65)
1,37 (1,02–1,85)
1,48 (1,08–2,02)
Eczeem
0,65 (0,41–1,04)
0,65 (0,43–0,98)
0,67 (0,45–1,00)
0,72 (0,50–1,06)
Eczeem bij kinderen÷
0,80 (0,55–1,17)
0,71 (0,50–1,00)
0,72 (0,43–0,99)
0,78 (0,58–1,04)
Gastro-enteritis
0,87 (0,62–1,22)
0,86 (0,59–1,25)
0,93 (0,62–1,39)
0,89 (0,62–1,29)
Colitis ulcerosa/Chronische
0,95 (0,72–1,25)
0,96 (0,75–1,24)
0,97 (0,74–1,26)
0,97 (0,73–1,27)
Hoge luchtweginfecties
0,95 (0,77–1,22)
0,88 (0,71–1,10)
0,89 (0,69–1,16)
0,82 (0,66–1,02)
Hooikoorts
1,16 (0,81–1,65)
1,21 (0,88–1,66)
1,20 (0,86–1,66)
1,22 (0,88–1,68)
Acute bronchitis
0,79 (0,44–1,42)
0,63 (0,34–1,17)
0,62 (0,33–1,17)
0,61 (0,32–1,15)
Antibioticad
0,94 (0,72–1,22)
0,82 (0,62–1,09)
093 (0,73–1,18)
0,93 (0,74–1,16)
Alle anti-infectie middelen
0,81 (0,62–1,05)
0,76 (0,55–1,04)
0,83 (0,63–1,09)
0,85 (0,65–1,11)
Aandoening
piepende ademhaling
bronchiëctasieënc
enteritis
Medicatie
Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷
0-14 jaar
└
≥65 jaar
a
Patiënten met leeftijd ≥6 jaar
b
Patiënten met leeftijd 6-14 jaar
c
Patiënten met leeftijd ≥40 jaar
d
Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 33
Tabel S5. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in de Gelderse Vallei (2014, n=15.373; 2015, n=22.899; 2016, n=24.282; 2017, n=25.368) en (alle) controlegebieden. 2014
2015
2016
2017
Pneumonie
1,26 (0,75–2,13)
1,43 (0,83–2,42)
1,34 (0,82–2,20)
1,32 (0,81–2,14)
Pneumonie bij kinderen÷
1,25 (0,64–2,44)
1,74 (0,73–4,13)
1,46 (0,71–2,98)
1,61 (0,81–3,20)
Pneumonie bij ouderen
1,35 (0,84–2,18)
Aandoening
1,37 (0,74–2,53)
1,31 (0,79–2,18)
1,31 (0,80–2,14)
Lage luchtweginfecties
1,14 (0,71–1,84)
1,25 (0,73–2,14)
1,22 (0,76–1,97)
1,25 (0,79–1,99)
Hoesten, benauwdheid,
1,25 (0,96–1,61)
1,25 (0,95–1,63)
1,28 (0,94–1,75)
1,25 (1,00–1,56)
Astmaa
0,90 (0,68–1,17)
0,95 (0,74–1,22)
0,92 (0,73–1,16)
0,92 (0,70–1,20)
Astma bij kinderenb
0,87 (0,55–1,36)
0,90 (0,61–1,32)
0,83 (0,56–1,23)
0,87 (0,57–1,32)
Chronische bronchitis/
1,10 (0,65–1,86)
1,20 (0,69–2,08)
1,25 (0,75–2,10)
1,26 (0,75–2,12)
COPDc
0,84 (0,64–1,10)
0,88 (0,67–1,15)
0,92 (0,71–1,20)
0,92 (0,74–1,16)
Coronaire hartziektec
0,82 (0,63–1,07)
0,89 (0,70–1,13)
0,86 (0,68–1,10)
0,91 (0,69–1,18)
Vertigosyndroom
0,82 (0,48–1,40)
0,92 (0,57–1,49)
0,92 (0,57–1,49)
0,82 (0,53–1,28)
Vertigo/Duizeligheid
1,14 (0,80–1,63)
1,15 (0,79–1,69)
1,40 (0,98–2,01)
1,52 (1,05–2,20)
Eczeem
0,62 (0,36–1,04)
0,66 (0,41–1,09)
0,67 (0,42–1,07)
0,74 (0,47–1,17)
Eczeem bij kinderen÷
0,70 (0,46–1,06)
0,69 (0,47–1,01)
0,68 (0,48–0,97)
0,78 (0,57–1,07)
Gastro-enteritis
0,72 (0,51–1,02)
0,74 (0,50–1,10)
0,80 (0,52–1,24)
0,82 (0,55–1,22)
Colitis ulcerosa/Chronische
0,84 (0,62–1,16)
0,86 (0,63–1,16)
0,84 (0,61–1,15)
0,85 (0,61–1,18)
Hoge luchtweginfecties
0,89 (0,70–1,12)
0,83 (0,66–1,05)
0,85 (0,64–1,13)
0,80 (0,64–1,00)
Hooikoorts
1,07 (0,72–1,59)
1,13 (0,78–1,64)
1,09 (0,74–1,61)
1,14 (0,78–1,66)
Acute bronchitis
0,63 (0,33–1,17)
0,52 (0,27–1,02)
0,51 (0,25–1,01)
0,49 (0,25–0,96)
Antibioticad
0,79 (0,62–1,02)
0,68 (0,51–0,92)
0,82 (0,63–1,07)
0,82 (0,64–1,06)
Alle anti-infectie middelen
0,73 (0,55–0,97)
0,68 (0,47–0,97)
0,79 (0,57–1,08)
0,82 (0,60–1,14)
└
piepende ademhaling
bronchiëctasieënc
enteritis
Medicatie
Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷
0-14 jaar
└
≥65 jaar
a
Patiënten met leeftijd ≥6 jaar
b
Patiënten met leeftijd 6-14 jaar
c
Patiënten met leeftijd ≥40 jaar
d
Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 34
Tabel S6. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in Overijssel (2014, n=29.356; 2015, n=29.647; 2016, n=30.958; 2017, n=32.564) en (alle) controlegebieden. 2014
2015
2016
2017
Pneumonie
1,43 (0,91–2,25)
1,28 (0,76–2,15)
1,29 (0,78–2,12)
1,34 (0,86–2,08)
Pneumonie bij kinderen÷
1,57 (0,86–2,84)
1,71 (0,73–4,01)
1,80 (0,82–3,96)
2,18 (1,06–4,51)
Pneumonie bij ouderen└
1,50 (0,92–2,45)
1,25 (0,77–2,03)
1,39 (0,85–2,29)
1,22 (0,81–1,84)
Lage luchtweginfecties
1,36 (0,89–2,07)
1,27 (0,75–2,15)
1,30 (0,78–2,16)
1,41 (0,91–2,19)
Hoesten, benauwdheid,
1,21 (0,94–1,55)
1,02 (0,71–1,47)
0,99 (0,62–1,59)
1,26 (1,02–1,55)
Astmaa
1,05 (0,84–1,31)
1,03 (0,83–1,28)
1,03 (0,83–1,27)
1,04 (0,82–1,33)
Astma bij kinderenb
1,51 (1,08–2,12)
1,30 (0,94–1,81)
1,23 (0,89–1,71)
1,20 (0,82–1,74)
Chronische bronchitis/
1,15 (0,71–1,88)
1,27 (0,77–2,10)
1,28 (0,79–2,07)
1,47 (0,90–2,40)
COPDc
0,95 (0,73–1,23)
1,00 (0,78–1,29)
1,00 (0,77–1,29)
1,01 (0,78–1,30)
Coronaire hartziektec
0,86 (0,70–1,06)
0,85 (0,70–1,04)
0,83 (0,68–1,01)
0,87 (0,69–1,10)
Vertigosyndroom
0,87 (0,55–1,39)
0,82 (0,52–1,29)
0,84 (0,54–1,28)
0,94 (0,67–1,30)
Vertigo/Duizeligheid
0,92 (0,65–1,30)
0,95 (0,65–1,38)
0,98 (0,63–1,52)
1,08 (0,77–1,52)
Eczeem
0,91 (0,58–1,43)
0,88 (0,57–1,35)
0,90 (0,59–1,38)
0,93 (0,61–1,42)
Eczeem bij kinderen÷
1,09 (0,77–1,53)
1,02 (0,74–1,42)
0,97 (0,71–1,33)
1,05 (0,77–1,43)
Gastro-enteritis
0,73 (0,55–0,96)
0,70 (0,47–1,04)
0,76 (0,48–1,20)
0,88 (0,62–1,26)
Colitis ulcerosa/Chronische
1,06 (0,84–1,35)
1,11 (0,87–1,41)
1,13 (0,88–1,45)
1,10 (0,84–1,45)
Hoge luchtweginfecties
0,89 (0,71–1,10)
0,71 (0,52–0,98)
0,69 (0,43–1,10)
0,84 (0,68–1,04)
Hooikoorts
1,24 (0,89–1,73)
1,28 (0,94–1,74)
1,04 (0,64–1,67)
1,56 (1,13–2,15)
Acute bronchitis
0,77 (0,45–1,32)
0,73 (0,39–1,35)
0,62 (0,29–1,30)
0,76 (0,40–1,41)
Antibioticad
0,99 (0,80–1,22)
0,95 (0,74–1,23)
0,87 (0,65–1,17)
1,09 (0,87–1,38)
Alle anti-infectie middelen
0,92 (0,72–1,17)
0,94 (0,69–1,28)
0,79 (0,56–1,12)
1,09 (0,81–1,45)
Aandoening
piepende ademhaling
bronchiëctasieënc
enteritis
Medicatie
Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷
0-14 jaar
└
≥65 jaar
a
Patiënten met leeftijd ≥6 jaar
b
Patiënten met leeftijd 6-14 jaar
c
Patiënten met leeftijd ≥40 jaar
d
Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 35
Tabel S7. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen onderzoeksgebieden in Salland (2014, n=18.644; 2015, n=18.909; 2016, n=19.963; 2017, n=20.416) en (alle) controlegebieden. 2014
2015
2016
2017
Pneumonie
1,77 (1,00–3,15)
1,81 (1,00–3,28)
1,72 (0,97–3,05)
1,41 (0,79–2,52)
Pneumonie bij kinderen÷
2,04 (1,01–4,10)
2,05 (0,75–5,60)
2,01 (0,80–5,07)
2,63 (1,10–6,28)
Pneumonie bij ouderen└
1,90 (1,03–3,54)
1,76 (1,07–2,91)
1,92 (1,16–3,19)
1,28 (0,75–2,19)
Lage luchtweginfecties
1,72 (1,01–2,91)
1,86 (1,02–3,40)
1,86 (1,06–3,26)
1,60 (0,91–2,82)
Hoesten, benauwdheid,
1,20 (0,90–1,61)
1,25 (0,92–1,70)
1,33 (0,94–1,88)
1,28 (1,02–1,59)
Astmaa
1,00 (0,74–1,32)
0,97 (0,73–1,30)
0,98 (0,74–1,29)
1,01 (0,74–1,38)
Astma bij kinderenb
1,48 (0,95–2,31)
1,30 (0,84–2,01)
1,20 (0,78–1,84)
1,20 (0,74–1,93)
Chronische bronchitis/
1,54 (0,91–2,62)
1,73 (0,99–3,04)
1,81 (1,07–3,05)
2,09 (1,23–3,53)
COPDc
0,99 (0,71–1,37)
1,05 (0,77–1,43)
1,05 (0,76–1,44)
1,05 (0,77–1,45)
Coronaire hartziektec
0,81 (0,62–1,06)
0,82 (0,63–1,06)
0,81 (0,63–1,05)
0,84 (0,62–1,15)
Vertigosyndroom
1,15 (0,68–1,95)
1,23 (0,75–2,00)
1,21 (0,77–1,89)
1,10 (0,73–1,65)
Vertigo/Duizeligheid
0,75 (0,47–1,20)
0,99 (0,67–1,45)
1,01 (0,65–1,55)
0,89 (0,58–1,37)
Eczeem
1,13 (0,64–2,02)
1,10 (0,63–1,90)
1,15 (0,67–1,96)
1,23 (0,73–2,07)
Eczeem bij kinderen÷
1,22 (0,80–1,87)
1,14 (0,75–1,71)
1,06 (0,71–1,56)
1,22 (0,85–1,75)
Gastro-enteritis
0,70 (0,49–1,00)
0,85 (0,56–1,29)
0,94 (0,57–1,55)
0,78 (0,50–1,20)
Colitis ulcerosa/Chronische
1,09 (0,81–1,46)
1,13 (0,84–1,51)
1,18 (0,87–1,61)
1,18 (0,86–1,64)
Hoge luchtweginfecties
0,87 (0,67–1,14)
0,90 (0,70–1,15)
1,00 (0,72–1,38)
0,86 (0,65–1,12)
Hooikoorts
1,06 (0,69–1,63)
1,29 (0,88–1,90)
1,42 (0,93–2,18)
1,61 (1,06–2,46)
Acute bronchitis
0,72 (0,36–1,42)
0,92 (0,43–1,95)
1,00 (0,46–2,16)
0,75 (0,34–1,63)
Antibioticad
1,01 (0,78–1,30)
1,00 (0,72–1,39)
1,08 (0,80–1,46)
1,10 (0,83–1,47)
Alle anti-infectie middelen
0,89 (0,65–1,21)
0,92 (0,61–1,39)
0,93 (0,64–1,34)
0,98 (0,68–1,41)
Aandoening
piepende ademhaling
bronchiëctasieënc
enteritis
Medicatie
Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷
0-14 jaar
└
≥65 jaar
a
Patiënten met leeftijd ≥6 jaar
b
Patiënten met leeftijd 6-14 jaar
c
Patiënten met leeftijd ≥40 jaar
d
Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 36
Tabel S8. Verschillen (OR, 95% BI) per jaar (periode 2014 – 2017) in diverse relevante aandoeningen en medicatie tussen studiegebieden in Utrecht (2014, n=5.062; 2015, n=5.132; 2016, n=5.210; 2017, n=5.171) en (alle) controlegebieden. 2014
2015
2016
2017
Pneumonie
1,46 (0,59–3,60)
1,94 (0,76–4,90)
1,43 (0,59–3,46)
1,74 (0,76–3,99)
Pneumonie bij kinderen÷
1,53 (0,48–4,87)
2,85 (0,60–13,7)
1,44 (0,36–5,68)
2,40 (0,68–8,48)
Pneumonie bij ouderen
1,59 (0,78–3,25)
Aandoening
1,48 (0,55–3,95)
1,68 (0,76–3,69)
1,57 (0,72–3,43)
Lage luchtweginfecties
1,24 (0,54–2,83)
1,70 (0,67–4,32)
1,36 (0,59–3,15)
1,56 (0,69–3,51)
Hoesten, benauwdheid,
1,94 (1,25–3,02)
2,01 (1,27–3,18)
1,99 (1,16–3,41)
1,64 (1,16–2,30)
Astmaa
0,82 (0,53–1,26)
0,87 (0,56–1,33)
0,90 (0,60–1,35)
0,91 (0,57–1,44)
Astma bij kinderenb
0,76 (0,37–1,56)
0,71 (0,36–1,42)
0,78 (0,39–1,54)
0,73 (0,36–1,46)
Chronische bronchitis/
1,44 (0,61–3,42)
1,71 (0,72–4,07)
1,54 (0,67–3,52)
1,81 (0,81–4,03)
COPD c
0,96 (0,62–1,50)
1,03 (0,67–1,60)
0,99 (0,64–1,54)
0,97 (0,67–1,41)
Coronaire hartziektec
1,29 (0,87–1,92)
1,24 (0,84–1,83)
1,25 (0,86–1,82)
1,34 (0,85–2,12)
Vertigosyndroom
1,73 (0,79–3,78)
1,58 (0,75–3,31)
1,24 (0,61–2,51)
1,15 (0,65–2,04)
Vertigo/Duizeligheid
1,55 (0,88–2,74)
1,46 (0,83–2,57)
1,95 (1,05–3,64)
1,67 (0,92–3,02)
Eczeem
1,26 (0,49–2,35)
1,30 (0,52–3,23)
1,34 (0,55–3,27)
1,35 (0,56–3,25)
Eczeem bij kinderen÷
0,94 (0,48–1,86)
0,98 (0,51–1,88)
0,97 (0,52–1,81)
0,95 (0,54–1,64)
└
piepende ademhaling
bronchiëctasieënc
Gastro-enteritis
0,86 (0,50–1,47)
0,90 (0,47–1,73)
1,11 (0,50–2,45)
1,06 (0,55–2,06)
Colitis ulcerosa/Chronische
1,61 (1,01–2,57)
1,62 (1,02–2,59)
1,66 (1,01–2,72)
1,61 (0,96–2,68)
Hoge luchtweginfecties
1,20 (0,82–1,75)
1,03 (0,70–1,52)
1,18 (0,71–1,95)
1,03 (0,71–1,51)
Hooikoorts
1,03 (0,54–1,97)
1,08 (0,59–2,00)
1,22 (0,63–2,37)
1,21 (0,64–2,29)
Acute bronchitis
1,18 (0,44–3,19)
1,02 (0,32–3,22)
0,87 (0,27–2,81)
0,65 (0,21–2,03)
Antibioticad
1,25 (0,84–1,87)
1,19 (0,73–1,93)
1,20 (0,77–1,86)
1,22 (0,81–1,86)
Alle anti-infectie middelen
1,02 (0,63–1,67)
0,98 (0,52–1,86)
0,98 (0,55–1,74)
0,97 (0,55–1,71)
enteritis
Medicatie
Associaties zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, registratieduur Significante (p<0,05) verschillen zijn dikgedrukt ÷
0-14 jaar
└
≥65 jaar
a
Patiënten met leeftijd ≥6 jaar
b
Patiënten met leeftijd 6-14 jaar
c
Patiënten met leeftijd ≥40 jaar
d
Amoxicilline, doxycycline, erytromycine, azitromycine
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 37
Figuur S1. Associatie tussen de woonafstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij en het hebben van een longontsteking in 2014-2017 weergegeven met een spline voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251; gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en de aanwezigheid van een varkensbedrijf binnen 500 meter, een schapen- en nertsenbedrijf binnen 1000 meter en een pluimveehouderij binnen een straal van 2000m). De p-waarde van de spline is <0,001, terwijl een lineair model een p-waarde van 0,06 laat zien. De spline plot laat tot ca. 4000m een verhoogde prevalentie zien van 3-4%, waarna deze daalt naar een prevalentie van 1-2%.
Figuur S2. Associatie gestratificeerd voor volwassenen (A) en kinderen (B) tussen de woonafstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij en het hebben van een longontsteking in 2014-2017 weergegeven met een spline voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251; 50.696 volwassen en 14.555 kinderen, gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en de aanwezigheid van een varkensbedrijf binnen 500 meter, een schapen- en nertsenbedrijf binnen 1000 meter en een pluimveehouderij binnen een straal van 2000m). De spline is statistisch significant voor volwassenen (p<0,001) maar niet voor kinderen (p=0,23).
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 38
Figuur S3. Associatie tussen de woonafstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij en het hebben van de controlediagnose herpes zoster (gordelroos) in 2014-2017 weergegeven met een spline voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251; gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en de aanwezigheid van een varkensbedrijf binnen 500m, een schapen- en nertsenbedrijf binnen 1000m en een pluimveehouderij binnen een straal van 2000m).
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 39
Tabel S9. Associaties tussen de aanwezigheid van 6 typen veehouderijen binnen een straal van 500m, 1000m en 2000m van het woonadres en longontsteking in 2014-2017 (OR (95% BI)) geanalyseerd met een meta-analyse van resultaten uit logistische regressie van individuele huisartspraktijken voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251). 500m
1000m
2000m
1,27 (0,83-1,95)
1,10 (0,89-1,36)
0,95 (0,83-1,08)
veehouderijen2
1,18 (0,76-1,83)
1,15 (0,94-1,41)
0,98 (0,85-1,14)
Gecorrigeerd voor NO23
1,28 (0,83-1,97)
1,10 (0,89-1,36)
0,93 (0,81-1,07)
Gecorrigeerd voor leeftijd*leeftijd
1,26 (0,82-1,95)
1,12 (0,93-1,37)
0,93 (0,81-1,06)
Pluimveehouderij2
0,98 (0,82-1,17)
0,98 (0,88-1,09)
1,06 (0,93-1,21)
Leghennen/ouderdieren2
0,97 (0,81-1,18)
1,01 (0,88-1,16)
0,96 (0,79-1,16)
Vleeskuikens2
1,17 (0,80-1,72)
0,95 (0,77-1,18)
0,96 (0,83-1,11)
Rundveehouderij2
0,92 (0,81-1,04)
0,91 (0,79-1,05)
5
Varkenshouderij2
1,07 (0,92-1,25)
1,03 (0,92-1,15)
0,98 (0,84-1,15)
Schapenhouderij2
0,85 (0,68-1,06)
0,99 (0,87–1,13)
0,96 (0,85-1,07)
Nertsenhouderij2
2,18 (1,13-4,21)
1,39 (1,01-1,93)
1,51 (1,15-1,98)
Geitenhouderij Basismodel1 Gecorrigeerd voor vijf typen
4
1
Gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en een pluimveehouderij binnen 2000 meter.
2
Gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht, en voor de aanwezigheid van een varkens- en geitenhouderij binnen 500
meter, een schapen- en nertsenhouderij binnen 1000 meter en een pluimveebedrijf binnen 2000 meter. 3
Gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, een pluimveehouderij binnen 2000 meter en NO2.
4
Gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, een pluimveehouderij binnen 2000 meter en leeftijd*leeftijd.
5
Geen schatting mogelijk. Slechts 9 patiënten met pneumonie wonen verder dan 2000m van een
rundveehouderij.
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 40
Tabel S10. Associaties tussen de aanwezigheid van geitenhouderijen en pluimveehouderijen binnen een straal van 500m, 1000m en 2000m van het woonadres en longontsteking in 2014, 2015, 2016 of 2017 (OR (95% BI)) geanalyseerd met een meta-analyse van resultaten uit logistische regressie van individuele huisartspraktijken voor alle leeftijden in Gelderland, Overijssel en Utrecht (n=65.251). 500m
1000m
2000m
2014
1,49 (0,88-2,53)
1,15 (0,90-1,48)
1,01 (0,87-1,18)
2015
1,37 (0,81-2,32)
1,18 (0,94-1,46)
1,03 (0,89-1,19)
2016
1,30 (0,85-2,00)
1,11 (0,89-1,39)
0,98 (0,86-1,13)
2017
1,32 (0,86-2,03)
1,12 (0,90-1,39)
0,97 (0,84-1,11)
2014
1,03 (0,86-1,23)
0,96 (0,85-1,07)
1,05 (0,92-1,21)
2015
0,98 (0,83-1,16)
0,96 (0,86-1,07)
1,05 (0,92-1,20)
2016
0,98 (0,83-1,16)
0,97 (0,87-1,08)
1,05 (0,90-1,22)
2017
0,98 (0,83-1,15)
0,97 (0,87-1,08)
1,03 (0,90-1,18)
Geitenhouderijen
Pluimveehouderijen
VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 41
Bijlage 3 Nota van beantwooriding zienswijzen
bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 65
Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan “Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen” Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen” met plandidentificatienummer, NL.IMRO.0114.2020020.B501 heeft vanaf 17 maart 2021 zes weken ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Tijdens deze termijn zijn zienswijzen ingekomen. De zienswijze is ontvangen binnen de wettelijke termijn overeenkomstig afdeling 3.4 artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en zijn dus ontvankelijk. Zienswijzen zijn openbaar. Maar op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) moeten de namen en adressen van indieners, als het geen bedrijven of instellingen zijn, in vrij toegankelijke digitale documenten worden geanonimiseerd. Om kennis te nemen van de namen van de indieners van de zienswijzen is aan het raadsbesluit een appendix toegevoegd met naam en toenaam. Deze appendix maakt onderdeel uit van het raadsbesluit bij het bestemmingsplan maar zal niet digitaal bekend worden gemaakt. De appendix wordt geanonimiseerd voor documentversies die openbaar via internet toegankelijk zijn. Tabel indieners zienswijzen (geanonimiseerd):
1 2
Zaaknr. 213260-2020 213260-2020
Naam Provincie Drenthe Namens cliënt door Rombou
Adres Postbus 122 Postbus 432
Postcode 9400 AC 8000
Plaats ASSEN ZWOLLE
In deze Nota van beantwoording zijn de zienswijzen samengevat weergegeven (A). Daarna is op de zienswijze ingegaan (B). Vervolgens is aangegeven of de zienswijze wel of niet heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan (C).
1. A1 B1 C1
Provincie Drenthe De provincie kan instemmen met het ontwerpbestemmingsplan. De opmerking wordt in dank aanvaard. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
2. A2.
Rombou Verzoek om het gebruik van de Kaasmakerij [N A W] (verder het bedrijf) aan te merken als geoorloofd gebruik en daartoe artikel 5.5.1 van de planregels aan te vullen met artikel sub: b. het houden van een grondgebonden geitenhouderij indien deze geitenhouderij voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het houden geiten had ingediend. Om bestaande inwerking zijnde bedrijven duidelijkheid te geven dat de bedrijfsvoering onder de nieuwe regels mag worden voortgezet is artikel 5.1 “geoorloofd gebruik” aan de planregels toegevoegd. Als peilmoment is gekozen voor het hebben van een omgevingsvergunning. Hierbij is niet voorzien dat bedrijven zich in een transitiefase kunnen bevinden en daarom (nog) niet de beschikking hebben over een omgevingsvergunning voor het houden van geiten. Het bedrijf is het enige bedrijf in de gemeente dat zich in deze transitiefase bevindt. Omdat het bedrijf niet beschikt over een omgevingsvergunning kan het bedrijf geen aanspraak maken op het artikel “geoorloofd gebruik”. Sinds najaar 2019 bevindt het bedrijf zich in een transitiefase van een traditioneel melkrundveebedrijf naar een kleinschalige biologische geitenhouderij met een kaasmakerij. Momenteel wordt al kaas gemaakt en geitenmelk verkocht.
Deze transitiefase vergt enige jaren temeer omdat het bedrijf heeft gekozen om het aantal geiten uit te breiden met eigen opfok. Op basis van de vigerende regels is het houden van het geiten op een grondgebonden wijze binnen de bestemming “agrarisch grondgebonden 1” toegestaan. Het voorliggende bestemmingsplan maakt aan deze mogelijkheid een einde. Na vaststelling is er dus geen mogelijkheid meer om een melkrundveehouderij te kunnen transformeren naar een geitenhouderij met kaasmakerij. Het bedrijf kan de ingang gezette transformatie ook niet afronden omdat ze voor terinzagelegging van het ontwerp niet beschikte over omgevingsvergunning. Dit zou betekenen dat de ingang gezette transitie niet kan worden afgerond.
B2.
Het bedrijf heeft voordat het ontwerp in maart 2021 ter inzage was gelegd aan de gemeente gemeld dat het bezig was met het opzetten van een kleinschalige geitenhouderij met een kaasmakerij. Dat dit niet heeft geleid tot een vergunning heeft te maken met veranderende regels. Dit zal hierna worden toegelicht. Het bedrijf heeft in februari 2020 en melding op grond van het Activiteitenbesluit bij de gemeente ingediend. In de zomer van 2020 is de melding aangevuld met een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). De aanvraag is in januari 2021, op verzoek van de gemeente, nog aangevuld met een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling. Op 1 januari 2021 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Uit deze wijziging volgt o.a. dat als besloten wordt dat er een milieueffectrapportage moet worden gemaakt en deze niet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning is overgelegd de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten. Op 21 juli 2021 is besloten dat in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning een milieueffectrapport moet worden opgesteld en de aanvraag om omgevingsvergunning dus wordt afgewezen. Het advies van de GGD is hierin sterk bepalend geweest. Dit betekent dat er geen aanvraag meer is een ook niet voldaan kan worden aan het verzoek van reclamant.
De GGD verwijst in het advies naar de landelijke onderzoeken naar het mogelijke verband tussen longontstekingen en Geitenhouderijen. Landelijk lopen er nu diverse onderzoek naar het mogelijke verband tussen longontstekingen en geitenhouderijen. De resultaten hiervan worden niet eerder dan in de loop van 2024 verwacht.
Het door ons gevraagde MER in het kader van de omgevingsvergunning vraagt niet om te onderzoeken of er een verband bestaat tussen geitenhouderijen en longontstekingen, want daarin voorzien de landelijke onderzoeken. Uitgaande van het bestaan van een gezondheidskundig effect, kan in het MER nader worden onderzocht welke maatregelen voor deze locatie, specifiek op bedrijfsniveau kunnen worden getroffen om potentiële negatieve effecten te voorkomen cq. te beperken.
C2.
.
Gezien bovenstaande zijn wij van mening dat er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden om voor het enige bedrijf in de gemeente dat zich in de transitiefase bevindt, een uitzondering te maken op artikel 5.1.1 en een specifieke regeling voor het bedrijf te maken zodat het nieuwe bestemmingsplan geen beletsel vormt om de ingang gezette transitie, op wijze zoals in januari 2021 is aangevraagd af te ronden. Hiermee wil nadrukkelijk niet gezegd zijnde dat een omgevingsvergunning voor het bedrijf door ons zal worden verleend. Aan artikel 5.1.1. toevoegen sub b luidende: “het houden van een grondgebonden geitenhouderij en kaasmakerij [ Adres ] binnen de bestaande agrarische bebouwing, met een maximale omvang van 492 dierplaatsen voor geiten (waarvan 105 dierplaatsen voor opfokgeiten)”.
Regels
bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 69
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen met identificatienummer NL.IMRO.0114.2020020-B701 van de gemeente Emmen; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
70 houderijen" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten
Hoofdstuk 2 Artikel 2 2.1
Bestemmingsregels
Bestemmingregels
Vantoepassingsverklaring
Het bestemmingsplan Buitengebied Emmen met planidentificatienummer NL.IMRO.0114.2009072-0710 vastgesteld door de gemeenteraad op 30 oktober 2014. 2.2
Begripsbepaling
Voorliggend bestemmingsplan wijzigt 1. de begripsbepaling artikel 1.10 "agrarisch bedrijf niet grondgebonden" van het in artikel 2.1 genoemd bestemmingsplan en komt te luiden: 1.10: agrarisch bedrijf niet grondgebonden agrarisch bedrijvigheid (bedrijfsvoering), zoals kalvermesterijen, pluimveehouderijen, varkensfokkerij, varkensmesterij, champignonkwekerij, geitenhouderij, e.a. naar de aard hiermee te vergelijken bedrijven die niet afhankelijk zijn van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. 2. de begripsbepaling artikel 1.9 "agrarisch bedrijf grondgeboden" van het in artikel 2.1 genoemd bestemmingsplan en komt te luiden: 1.9 agrarisch bedrijf grondgebonden agrarische bedrijvigheid (bedrijfsvoering), zoals akkerbouw, veeteelt en vollegrond tuinbouw die afhankelijk zijn van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend, uitgezonderd een boomkwekerij, een varkens-, pluimvee- en een geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen.
2.3
Specifieke gebruiksregels
De specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden 1' van het in artikel 2.1 genoemd bestemmingsplan worden als volgt aangevuld: 5.5.1 Geoorloofd gebruik Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend: a. het houden van een grondgebonden geitenhouderij indien deze geitenhouderij ten tijde van de terinzage legging van het ontwerpplan beschikte over een omgevingsvergunning voor het houden geiten. b.het houden van een grondgebonden geitenhouderij en kaasmakerij Spoorbaan 1 te Veeneerd binnen de bestaande agrarische bebouwing, met een maximale omvang van 492 dierplaatsen voor geiten (waarvan 105 dierplaatsen voor opfokgeiten)”.
De specifieke gebruiksregels van de bestemming agrarische grondgebonden 2 van het in artikel 2.1 genoemd bestemmingsplan worden als volgt aangevuld: 6.5.1 Geoorloofd gebruik Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend: a. het houden van een grondgebonden geitenhouderij indien deze geitenhouderij ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan beschikt over een omgevingsvergunning voor het houden geiten.
bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 71
Hoofdstuk 3 Artikel 3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
72 houderijen" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten
Hoofdstuk 4 Artikel 4 4.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 4.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 73
Artikel 5
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen.
74 houderijen" (vastgesteld)
bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten