CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij RA21.0084 Toelichting bestemmingsplan geitenhouderijen (RIS.10395)

Commissie Wonen en Ruimte 6 december 2021, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen + bijlagen RIS.10395 t/m RIS.1039725.462 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan 1.2 Ligging plangebied 1.3 Opzet bestemmingsplan

3 3 3 3

Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Situatie 2.2 Trends en ontwikkelingen 2.3 Bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen' 2.4 Gezondheid

4 4 4 5 6

Hoofdstuk3 Toelichting op de planregels en verbeelding 3.1 Algemeen 3.2 Toelichting op de regels

8 8 8

Hoofdstuk4 Maatschappelijke betrokkenheid 4.1 Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro 4.2 Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan

9 9 9

Hoofdstuk5

Economische uitvoerbaarheid

10

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Nota van Beantwoording overleg ex artikel 3.1.1 Bro Bijlage 2 Veehouderij en gezondheid omwonenden III Bijlage 3 Nota van beantwooriding zienswijzen

11 12 23 65

Regels

69

Hoofdstuk1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen

70 70

Hoofdstuk2 Artikel 2

Bestemmingsregels Bestemmingregels

71 71

Hoofdstuk3 Artikel 3

Algemene regels Anti-dubbeltelregel

72 72

Hoofdstuk4 Artikel 4 Artikel 5

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

73 73 74

2 houderijen" (vastgesteld)

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding tot nieuw bestemmingsplan

Op 30 januari 2020 heeft de gemeenteraad van Emmen het voorbereidingsbesluit Geitenhouderijen vastgesteld (planidentificatienummer NL.IMRO.0114.2019026-VB701). Doel van het voorbereidingsbesluit is de bescherming van het toekomstige planologische regime. Deze bescherming wordt bereikt doordat aanvragen om een omgevingsvergunning moeten worden aangehouden voor het gebied waarop het voorbereidingsbesluit betrekking heeft. Dit voorbereidingsbesluit heeft betrekking op de bestemmingen 'Agrarisch – Grondgebonden 1' en 'Agrarisch - Grondgebonden 2' van het bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen' zoals bedoel in artikel 5 respectievelijk artikel 6 van genoemd bestemmingsplan. Het voorbereidingsbesluit moet binnen één jaar worden opgevolgd door een bestemmingsregeling. Het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen is een zogenaamd facetbestemmingsplan. Een facetbestemmingsplan wijzigt het onderliggende bestemmingsplan op een bepaald onderdeel. In dit geval betreft het a) een wijziging van de begripsbepaling van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf zoals aangegeven in artikel 1.10 van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen en b) de toevoeging van een specifieke gebruiksregeling geoorloofd gebruik.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied van het facetbestemmingsplan valt geheel samen met het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen met planidentificatienummer NL.IMRO.0114.2009072-0710.

1.3

Opzet bestemmingsplan

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding van dit bestemmingsplan bestaat slechts uit de plancontour van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen.

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 3

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Situatie

In Nederland is sprake van een groei in het houden van geiten. Nederland kent ongeveer 400 geitenhouderijen, waarbij gemiddeld per bedrijf ca. 800 dieren worden gehouden. De meeste geiten worden gehouden voor melk. In de periode 2000 – 2018 is het aantal geiten in Nederland verdrievoudigd, het aantal koeien neemt juist af. Dit ondanks de invoering van een “geitenstop” in meerdere provincies. (bron CBS). De groei wordt veroorzaakt door het volgende: Een toenemende vraag naar geitenmelk in binnen- en buitenland Gunstige melkprijzen en vooruitzichten Een omschakeling van melkveehouderijen naar geitenhouderijen die om meerdere redenen interessant is: 1. Voor de geitenhouderij geldt minder strenge regelgeving (geen fosfaatrechten) ten opzichte van de melkveehouderij. De melkveehouderij zit daarentegen nagenoeg op slot door recente aanscherping van regelgeving. 2. Het relatieve gebruik van minder grond en voer 3. Lagere stalinvesteringen 4. Een vrijkomend melkveehouderijbedrijf is bouwkundig relatief eenvoudig om te vormen naar een geitenhouderij.

2.2

Trends en ontwikkelingen

Landelijke ontwikkeling Vanwege mogelijke gezondheidsrisico's hebben 8 provincies in Nederland een (tijdelijke) “geitenstop” ingevoerd. Een geitenstop houdt in dat: Bestaande bedrijven niet mogen uitbreiden Nieuwvestiging niet is toegestaan Het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij niet is toegestaan De geitenstop heeft te maken met mogelijke verhoogde gezondheidsrisico's voor omwonenden van een geitenhouderij. De mogelijke kans op verhoogd gezondheidsrisico in de omgeving van geitenhouderijen is uit onderzoek van het RIVM naar voren gekomen. Uit het onderzoek blijkt dat omwonenden van geitenhouderijen (straal van 2 kilometer) meer kans hebben op longontsteking. De bekende uitkomsten geven geen duidelijkheid over de precieze oorzaken van het verhoogde ziekterisico en dus ook niet over de mogelijkheden om hier met bedrijfsmaatregelen iets aan te doen. Op dit moment lopen hiernaar diverse landelijke vervolgonderzoeken.

Er wordt onderzoek gedaan naar: Geldt ook voor alle regio's dat mensen die in de buurt van geiten- en pluimveehouderijen vaker met longontsteking worden gediagnostiseerd? Welke ziekteverwekkers veroorzaken longontstekingen in de omgeving van geitenhouderijen? Aan welke ziekteverwekkers worden geitenhouders blootgesteld? Komen ziekteverwekkers vaker voor op of rond bepaalde typen geitenhouderij? Deze onderzoeken zijn naar verwachting in 2021 afgerond. Gezien de landelijke situatie van de geitenstop in combinatie met het gunstige economische perspectief van de geitenhouderij, kan Emmen nadrukkelijker in beeld komen als vestigingslocatie voor geitenhouderijen. Gezien de mogelijke gezondheidsrisico's wordt dit niet wenselijk geacht. Provincie Drenthe Drenthe kent geen absoluut verbod op het houden van geiten. Het houden van geiten is in de Provinciale omgevingsverordening (POV) van 2018 aangemerkt als een 'intensieve vorm van veehouderij'. Binnen de bestaande aangewezen locaties voor intensieve veehouderij mogen dus geiten worden gehouden.

4 houderijen" (vastgesteld)

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten

Daarnaast is het houden van geiten op biologische wijze ook buiten de intensieve bedrijfslocaties toegestaan. Nieuwvestiging van een intensieve veehouderij- en de omvorming van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij is niet toegestaan. Doorvertaling beleid provincie De provincies die een geitenstop hebben ingevoerd, hebben veelal in de verordening een termijn opgenomen waarbinnen de gemeentelijke bestemmingsplannen hierop moeten zijn aangepast. De provincie Drenthe heeft de gemeenten geen termijn gesteld. Wel bepaalt de Wet ruimtelijke ordening in zijn algemeenheid dat de gemeenteraad binnen een jaar na inwerkingtreding van een provinciale verordening, een bestemmingsplan vaststelt met inachtneming van de provinciale verordening.

2.3

Bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen'

Op 30 oktober 2014 is het bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen' vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn bijna alle agrarische bedrijven in de gemeente Emmen opgenomen. In het bestemmingsplan zijn de volgende begripsomschrijvingen opgenomen: Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Agrarisch bedrijf grondgebonden: agrarische bedrijvigheid (bedrijfsvoering), zoals akkerbouw, veeteelt en vollegrond tuinbouw die afhankelijk zijn van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Agrarisch bedrijf niet grondgebonden agrarisch bedrijvigheid (bedrijfsvoering), zoals kalvermesterijen, pluimveehouderijen, varkensfokkerij, varkensmesterij, champignonkwekerij e.a. naar de aard hiermee te vergelijken bedrijven die niet afhankelijk zijn van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend.

Concreet komt een geitenhouderij in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan dus niet voor. Vanwege de aard van de bedrijfsactiviteiten, zijn ze tot op heden zonder meer passend beschouwd binnen niet-grondgebonden (intensieve) bestemmingen. In Emmen bestaan er ongeveer 55 niet grondgebonden agrarische bestemmingen. Nieuwvestiging van niet grondgebonden agrarische bedrijfslocaties is op basis van het bestemmingsplan, conform provinciaal beleid, uitgesloten. Op basis van de uitleg van het begripsomschrijving voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, zou gesteld kunnen worden dat het houden van geiten ook passend is binnen deze bestemming, mits de dieren “op een grondgebonden wijze worden gehouden”. Het houden van dieren op grondgebonden wijze is in Emmen altijd vertaald naar voldoende beschikbare gronden voor eigen voervoorziening en eigen mestafzet. Deze redenatie is in het verleden door de raad vastgesteld voor het grondgebonden houden van rosékalveren op locaties met een grondgebonden bestemming. Emmen kent ongeveer 250 grondgebonden agrarische bedrijfslocaties. In het bestemmingsplan Buitengebied Emmen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen tot het realiseren van nieuwe grondgebonden agrarische bedrijfslocaties. Zoals vermeld is het houden van geiten binnen de bestemming agrarisch niet-grondgebonden nu en ook in de toekomst toegestaan.

In Emmen bestaan er ongeveer 55 niet grondgebonden agrarische bestemmingen. De meeste zijn in gebruik voor het houden van varkens en pluimvee. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat deze bedrijven worden omgezet in een geitenhouderij. Er is dan ook niet voorzien in een verbod tot het omzetten van een varkenshouderij en pluimveehouderij in een geitenhouderij in Emmen. Er is dan ook geen sprake van een geitenstop in Emmen.

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 5

2.4

Gezondheid

Het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen, RIVM Rapport 20170062' heeft vastgesteld dat er een grotere kans is op longontstekingen binnen een straal van 2 kilometer rond een geitenhouderij. De oorzaak hiervan is nog niet bekend. Het (causaal) verband moet blijken uit vervolgonderzoek. In 2018 zijn verschillende vervolgonderzoeken gestart, waarin de onderzoekers willen achterhalen waarom mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen (en deels pluimveehouderijen) vaker een longontsteking hebben. Het gaat hierbij om de volgende onderzoeksvragen: Geldt ook voor andere regio's dat mensen die in de buurt van geiten- en pluimveehouderijen vaker met longontsteking worden gediagnostiseerd? Welke ziekteverwekkers veroorzaken longontstekingen in de omgeving van geitenhouderijen? Aan welke ziekteverwekkers worden geitenhouders blootgesteld? Komen ziekteverwekkers vaker voor op of rond bepaalde typen geitenhouderij? In 2019 zijn verschillende vervolgonderzoeken gestart om oorzaken te vinden voor eerdere resultaten. In de huidige onderzoeken wordt nagegaan waarom mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben.

Het RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Universiteit Utrecht, Wageningen UR Wageningen University en Research en Nivel Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg voeren samen de VGO onderzoeken uit. Uit alle VGO 'Livestock farming and the health of local residents' onderzoeken gezamenlijk komen de volgende resultaten. Meer longontsteking Rond geitenhouderijen komt vaker longontstekingen voor. In sommige onderzoeken zien we dat ook voor pluimveehouderijen, maar in mindere mate dan bij geitenhouderijen. Gemiddeld zijn er elk jaar 1650 mensen met een longontsteking op 100.000 inwoners. Van de 1650 longontstekingen worden er ruim 200 veroorzaakt doordat mensen in de buurt wonen van geitenhouderij of pluimveehouderij. Bij geiten is de oorzaak onbekend. Het is onwaarschijnlijk dat het door Q-koorts komt. In de vervolgonderzoeken die in 2019 zijn gestart wordt naar oorzaken van de longontstekingen gezocht. Minder astma en allergie Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor. Minder goede longfunctie Mensen die in de buurt van minimaal 15 veehouderijen wonen hebben een minder goede longfunctie. Ook is de longfunctie lager bij als er veel ammoniak in de lucht is.

Niet vaker ziekteverwekkers Een aantal ziekteverwekkers komen niet vaker voor bij mensen die dichtbij veehouderijen wonen in vergelijking met de algemene bevolking. Het gaat om hepatitis E-virus infecties, de resistente ESBL Extended spectrum beta-lactamases -bacteriën en Clostridium difficile. Resistente bacteriën zijn ongevoelig voor een aantal antibiotica en daarom moeilijker te behandelen. De landelijke GGD adviseert om in afwachting van de definitieve onderzoeksresultaten terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt (straal twee kilometer) van gevoelige bestemmingen (zoals woningen, kinderdagverblijven en scholen). Welke maatregelen uiteindelijk nodig zijn hangt af van de uitkomsten van het lopende vervolgonderzoek. GGD Drenthe sluit zich bij het landelijke standpunt aan. Gezondheidsrisico's rondom bedrijven (straal van twee kilometer) zijn op dit moment niet uit te sluiten, Vrijwel alle bestaande agrarische bedrijfslocaties in Emmen liggen binnen een straal van twee kilometer van omwonenden. Daarbij ligt een groot aantal bedrijfslocaties binnen gemengd gebied (linten) met veel woningen op korte afstand (50 -100 meter.) Een aanpassing van de begripsomschrijving uit het 6 houderijen" (vastgesteld)

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten

bestemmingsplan Buitengebied Emmen is dan ook vanuit een oogpunt van volksgezondheid gewenst.

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 7

Hoofdstuk 3 3.1

Toelichting op de planregels en verbeelding

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid. Tevens dient het nieuwe bestemmingsplan rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op landelijk geldende standaarden, onder meer Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Voor de verbeelding wordt als ondergrond de basiskaart BGT gehanteerd. De ondergrond zal nooit een volledige weergave van de werkelijkheid zijn. De op de verbeelding aangegeven bebouwing moet dan ook als illustratief worden beschouwd.

3.2

Toelichting op de regels

Het facetbestemmingsplan regelt dat een geitenhouderij wordt aangemerkt als een niet-grondgebonden activiteit. Het oprichten van een geitenhouderij binnen een grondgebonden bestemming is dan ook niet meer mogelijk. Om te voorkomen dat bestaande grondgebonden geitenhouderijen binnen een grondgebonden bestemming onder het overgangsrecht worden geplaatst is een specifieke bepaling van geoorloofd gebruik opgenomen. Artikel 2.1 geeft het gebied aan waarop het facetbestemmingsplan van toepassing wordt verklaard. Artikel 2.2 bevat de aanpassing van het begrip van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen. De wijziging bestaat feitelijk daaruit dat een geitenhouderij is toegevoegd aan de opsomming van bedrijfsactiviteiten die per definitie worden aangemerkt als een niet-grondgbonden agrarische activiteit. Artikel 2.3 bepaalt dat het houden van geiten op een grondgebonden wijze binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Grondgebonden 1' en 'Agrarisch - Grondgebonden 2' is toegestaan voorzover de bedrijven beschikken over een omgevingsvergunning voor het houden van geiten. Deze bedrijven worden dan ook in de toekomst niet gehinderd in de bedrijfsvoering. Het laatste hoofdstuk "Overgangs en slotregels" bevat in artikel 4 het overgangsrecht, zoals beschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 5 is de slotregel.

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als regels van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen.

8 houderijen" (vastgesteld)

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten

Hoofdstuk 4

Maatschappelijke betrokkenheid

4.1

Overleg ex. artikel 3.1.1 Bro

4.1.1

Overleg

Het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen is voor overleg ex. artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verzonden naar verschillende overlegpartners. De ontvangen adviezen en reacties worden gebundeld in de Bijlage 1 Nota van Beantwoording overleg ex artikel 3.1.1 Bro behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen (zie bijlage 1). In deze nota is tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van de verschillende overlegreacties opgenomen. Waar de adviezen en reacties leidden tot aanpassingen van het bestemmingsplan, zijn de aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Voor de inhoud van de overlegreacties en het standpunt van het college wordt verwezen naar voornoemde nota. De Nota van Beantwoording reacties overleg maakt deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen.

4.2

Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan

Tegen het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen zijn wel zienswijzen ingediend. De zienswijzen hebben wel aanleiding gegeven tot het aanpassen van het ontwerpbestemmingsplan.Er is dan ook ijn bijlage 3 een Nota van beantwoording zienswijzen bijgevoegd.

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 9

Hoofdstuk 5

Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. Omdat het voorliggende facetbestemmingsplan geen betrekking heeft op bouwactiviteiten is het plan economisch uitvoerbaar en is een exploitatie niet noodzakelijk. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan zijn voor de gemeente.

10 houderijen" (vastgesteld)

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 11

Bijlage 1 Nota van Beantwoording overleg ex artikel 3.1.1 Bro

12 houderijen" (vastgesteld)

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geiten

Nota van beantwoording vooroverleg ex. artikel 3.1.1. Bro In het kader van het artikel 3.1.1. Bro overleg is het bestemmingsplan “Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen” toegezonden aan de provincie Drenthe, de RUD en LTO-Noord. In het kader van het overleg hebben wij van alle drie een reactie terug ontvangen. De RUD heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Op deze reactie wordt niet verder ingegaan. Bij de beantwoording wordt onder A een samenvatting van de reactie gegeven. Onder B staat het gemeentelijke antwoord hierop en- indien van toepassing - onder C de eventuele doorvertaling ervan in het bestemmingsplan. 1. LTO Noord 1A. Het bestemmingsplan is niet nodig en bovendien onrechtmatig. Hierbij wordt verwezen naar uitspraak RvS van 10 september 2014 (Bernheze). Hieruit zou volgens LTO blijken dat een gemeente zich niet op het voorzorgbeginsel zou mogen beroepen. Ook wordt verwezen naar de uitspraak Raad van State van 21 november 2018 (Wormerland) 1B.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. Mogelijke gezondheidsrisico’s voor de omgeving bij veehouderijen moeten wel degelijk bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening door de raad worden betrokken. Gezondheidseffecten zijn wel degelijk ruimtelijk relevant. Dit betekent dat de raad beoordelingsvrijheid heeft om bestemmingen aan te wijzen en gebruiksmogelijkheden te reguleren. Dit blijkt uit vaste jurisprudentie van de Raad van State. De verwijzing naar de uitspraak van Bernheze gaat mank. In dat geval had de gemeente op basis van het voorzorg beginsel minimale afstanden tussen een woning en een veehouderij in het bestemmingsplan voorgeschreven. Dat is in het voorliggende plan niet aan de orde. De facetregeling scherpt alleen de definitie van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf aan door een geitenhouderij te merken als een “niet-grondgebonden agrarisch bedrijf”. Er is geen sprake van een algemeen verbod op het houden van geiten in de gemeente Emmen, noch is sprake van het voorschrijven van een minimale afstand tussen een geitenhouderij en een woning van derden. De wettelijke afstandsnormen blijven van toepassing.

1C. 2A. 2B.

2C. 3A. 3B.

Anders dan de LTO stelt blijkt uit de uitspraak Wormerland juist dat elke gemeente een eigen verantwoordelijk- en bevoegdheid heeft tot nemen en afwegen van belangen bij ruimtelijke besluiten. De raad van Emmen maakt een zelfstandig afweging om een geitenhouderij aan te merken als een niet-grondgebonden activiteit. Voor kennisgeving aannemen. Er is geen noodzaak om de bevoegdheid ex. artikel 4.1 Wro aan te wenden. De verwijzing naar dit artikel is onduidelijk. Dit artikel verwijst naar de bevoegdheid van Provinciale Staten om in de een provinciale verordening bindende regels. In de provinciale verordening van Drenthe is het houden van geiten aangewezen als een vorm van intensieve veehouderij. Het voorliggende plan wordt het bestemmingsplan Buitengebied Emmen in overeenstemming gebracht met provinciale verordening van de provincie Drenthe. Voor kennisgeving aannemen. Planschade Het bestemmingsplan bevat geen algemene geitenstop in Emmen. Het plan bevat een beperking van het houden van geiten binnen de grondgebonden agrarische bedrijfsbestemming. De aanscherping van de begripsbepalingen volgt uit de bepalingen van de Provinciale Verordening zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Drenthe in december 2018. Bij aanpassing van een bestemmingsplan moet de gemeente rekening houden met de bepalingen van een provinciale verordening.

3C.

Voor kennisgeving aannemen.

4A.

VGO onderzoekstraject en GGD-advies De onderzoeken rechtvaardigen geen beperkingen van geitenhouderijen in Emmen. Dit zou blijken uit een uitspraak van de Raad van State. Volgens LTO gelden de conclusies van het VGO onderzoek niet voor Emmen omdat Emmen buiten het onderzoeksgebied ligt. LTO stelt dat genoemde onderzoeken niet zijn te kwalificeren als algemeen aanvaardbare wetenschappelijk onderzoek

4B.

In mei 2020 is het rapport VGO-III (november 2019) verschenen In dit rapport “Gezondheid en omwonenden VGO-III” wordt aangegeven dat ook buiten de concentratiegebieden Limburg en Brabant, in het onderzoeksgebied Gelderland, Overijssel en Utrecht een relatie is gevonden tussen het aspect gezondheid en de aanwezigheid van geitenhouderijen. In de conclusie van bovenstaand rapport wordt het volgende aangegeven:

Naar aanleiding van bovengenoemd onderzoek heeft het Kabinet in een Kamerbrief van 22 september 2020 aangekondigd vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Uit bovengenoemd en voorgaand VGO- onderzoek is gebleken dat bij burgers die in de nabije omgeving van geitenbedrijven wonen, meer longontsteking voorkomt dan bij burgers die verder van geitenbedrijven wonen. De Minister geeft aan dat het de bevoegdheid is van de provincies om een moratorium in te stellen om de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen tegen te gaan. De provincie Drenthe heeft dat op dit moment nog niet gedaan. Wel heeft de provincie Drenthe in de Omgevingsverordening 2018 geitenhouderijen aangemerkt als een vorm intensieve veehouderij. Het bestemmingsplan Buitengebied van Emmen wordt met het aangekondigde voorbereidingsbesluit in overeenstemming gebracht met de POV. Op 27 oktober 2020 is het GGD-rapport Veehouderij en gezondheid uitgebracht. In de geactualiseerde versie van het GGD-rapport Veehouderij en gezondheid van 27 oktober 2020 zijn alle bestaande standpunten en beschikbare onderzoeksresultaten in feite gebundeld. Het advies m.b.t geitenhouderijen is ongewijzigd t.o.v. het reeds bekende standpunt. In het rapport wordt(opnieuw) bevestigd dat de vestiging- en uitbreidingsmogelijkheden van geitenhouderijen volgens de GGD moet worden beperkt en gereguleerd.

Het VGO-3 rapport bevat de laatste wetenschappelijke inzichten. Er loopt nog een onderzoek naar de vraag waarom mensen rondom geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben. Naar ons oordeel geven deze rapporten voldoende ondersteuning voor de motivering van het voorliggende bestemmingsplan, dat verder zijn grondslag vindt in de provinciale omgevingsverordening. De rapporten zijn bijgevoegd en

4C.

maken deel uit van de besluitvorming. Voor kennisgeving aannemen.

2.

Provincie Drenthe

5A.

De provincie merkt op dat volgens de provinciale verordening geitenhouderijen moeten worden aangemerkt als een vorm van intensieve veehouderij maar vraagt zich af of binnen de bestemming gronden agrarisch bedrijf het houden van een geitenhouderij op een grondgebonden wijze is uitgesloten. De gemeente en de provincie streven hetzelfde doel na. Om de kennelijk onduidelijkheid bij de provincie weg te nemen wordt de begripsbepaling zoals opgenomen in artikel 1.9 van het bestemmingsplan Buitengebied Emmen, van een agrarisch bedrijf grondgeboden aangevuld zodat een varkens-, pluimvee- en een geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen hiervan uitgezonderd zijn. De aangepaste begripsbepaling sluit dan aan op de definitie van de POV. Aan artikel 2.2. van het plan de gewijzigde begripsbepaling agrarisch bedrijf grondgeboden toe te voegen en deze luidt dan als volgt:

5B.

5C.

1.9 agrarisch bedrijf grondgeboden agrarische bedrijvigheid (bedrijfsvoering), zoals akkerbouw, veeteelt en vollegrond tuinbouw die afhankelijk zijn van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend, uitgezonderd een boomkwekerij, een varkens-, pluimvee- en een geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen.

Land- en Tuinbouw Organisatie Noord

Vestiging Drachten

Gemeente Emmen T.a.v. het College van Burgemeester en Wethouders Postbus 30001 7800 RA EMMEN Via mail: gemeente@emmen.nl

Doorkiesnummer: Faxnummer:

088 - 88 86 666 088 - 88 86 660

Datum:

21 september 2020

Referentie:

01420/dr/tw-nv

Betreft:

Reactie voorontwerp van het bestemmingsplan “Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen

Geacht College, Hierbij wil de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) Noord, met het oog op de belangen van haar leden in Emmen reageren op het voorontwerp van het bestemmingsplan “Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen. Deze inbreng is in nauw overleg met de afdeling van LTO Noord in uw gemeente tot stand gekomen. 1.

De regels Met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen’ wordt “geitenhouderij” toegevoegd aan het begrip “agrarisch bedrijf niet grondgebonden” (artikel 1.10 van het bestemmingsplan). Hierdoor kunnen (behoudens een overgangsrechtelijke uitzondering voor grondgebonden geitenhouderijen met een omgevingsvergunning) uitsluitend binnen een niet-grondgebonden (intensieve) bestemming nog geiten worden gehouden.

2.

De toelichting In de toelichting van het bestemmingsplan wordt verwezen naar het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’ (RIVMrapport 2017-0062). In dat rapport wordt aangegeven dat er een grotere kans is op longontstekingen binnen een straal van 2 kilometer rondom een geitenhouderij. Verder zou de GGD Drenthe (conform het standpunt van de landelijke GGD) adviseren om uit voorzorg terughoudend te zijn met uitbreiding en nieuwvestiging van geitenhouderijen nabij gevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen, zorgcentra, etc. Welke maatregelen uiteindelijk nodig zijn hangt van de uitkomsten van vervolgonderzoek, aldus te toelichting. Volgens de toelichting is de (nieuwe) planregeling legitiem, mede gezien de ‘geitenstop’ in andere provincies en het goede economische perspectief voor de geitenhouderij.

LTO Noord - Lavendelheide 9 - 9202 PD Drachten - Postbus 186 - 9200 AD Drachten T 088 - 888 66 66 - F 088 - 888 66 60 - E info@ltonoord.nl - I www.ltonoord.nl Het hoofdkantoor is gevestigd in Zwolle - KvK 08 13 06 50

3.

Tussenconclusie Het komt erop neer dat het gemeentebestuur uit voorzorg, op basis van de ‘VGO-onderzoeken’ alsmede het GGD-advies en in afwachting van nadere onderzoeksresultaten, de nieuwe planregeling wil vaststellen. Dat is evenwel niet nodig en bovendien onrechtmatig. Ter toelichting strekt het navolgende.

4.

Voorzorgsbeginsel Juridisch gezien wordt uit voorzorg, met het oog op eventuele thans nog onvoldoende duidelijke risico´s voor de volksgezondheid de planregeling voorbereid. Uit het voorzorgsbeginsel, dat voortvloeit uit artikel 2 en 8 van het EVRM, volgt dat de afwezigheid van zekerheid over het intreden van milieuschade, gelet op de wetenschappelijke en technische kennis op een bepaald moment, niet kan rechtvaardigen dat een staat effectieve en proportionele maatregelen nalaat die zijn gericht op het voorkomen van ernstige en onomkeerbare milieuschade1. Anderzijds brengt het voorzorgsbeginsel, anders dan in de toelichting van het bestemmingsplan wordt aangenomen, niet met zich dat de enkele vrees voor risico’s tot maatregelen moet leiden2. Met hypothetische risico’s die berusten op wetenschappelijk niet bewezen veronderstellingen, hoeft geen rekening te worden gehouden. Met betrekking tot volksgezondheidsrisico´s van de veehouderij en bestemmingsplannen is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) van 10 september 20143 van belang. De raad had in het bestemmingsplan twee zones opgenomen, één van een kilometer rondom kernen en één van 250 meter rondom clusters van woningen. Binnen deze zones kon de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van een bouwvlak van een intensieve veehouderij niet worden toegepast.

ZLTO voerde (kort gezegd) aan dat de wetenschappelijke onderbouwing voor deze afstanden ontbrak. De raad van Bernheze beriep zich op het voorzorgsbeginsel4. De verwijzing naar het voorzorgsbeginsel mocht de raad niet baten. De Afdeling oordeelde (in lijn met haar vaste jurisprudentie) dat de keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen uit te gaan van maximale afstanden die in het ingewonnen GGD-advies werden genoemd, onvoldoende draagkrachtig was gemotiveerd5.

5.

VGO-onderzoekstraject 5.1. Geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten Door het gemeentebestuur wordt gerefereerd aan het VGO-onderzoekstraject. Ook de GGD baseert zich op de VGO-onderzoeken. Ook voor de VGO-onderzoeken geldt evenwel dat deze nog geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten hebben opgeleverd. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken vastgesteld dat in de VGO-adviezen wordt geconcludeerd dat de stand van de wetenschap tekortschiet om duidelijke uitspraken over de gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen te kunnen doen. Verwezen kan worden naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 20166. In die kwestie lag de vormverandering van het bouwvlak van een intensieve veehouderij voor. Appellant voerde aan dat uit het VGO-rapport volgt dat de geursituatie slecht was voor de gezondheid. Op dit punt overwoog de Afdeling dat in het rapport in het algemeen verbanden zijn onderzocht tussen het wonen in de omgeving van veehouderijen en de gezondheid. Sommige effecten zijn negatief voor de gezondheid, andere positief. Volgens de Afdeling had appellant niet aannemelijk gemaakt dat uit het VGO-rapport kan worden afgeleid dat de in het plan voorziene ontwikkeling onaanvaardbare negatieve gezondheidseffecten had.

1 Zie bijvoorbeeld EHRM 27 januari 2009, 67021/01, AB 2009/285 (Tặtar/Roemenië). 2 Vgl. AbRS 5 juni 2013, BR 2013/103. 3 ECLI:NL:RVS:2014:3335 (Buitengebied Bernheze), TvAR 2015/5973 met noot Paul Bodden. 4 Zie rechtsoverweging 5.1. 5 Zie voor een eerder vergelijkbaar voorbeeld in de jurisprudentie: AbRS 18 juli 2012,

ECLI:NL:RVS:2012:BX1827 (Buitengebied Ommen). 6 ECLI:NL:RVS:2016:2687.

2 01420/dr/tw-nv

5.2 Gemeente Emmen ligt buiten het onderzoeksgebied Evenzo belangrijk in dit geval is de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 20167, waarbij een bestemmingsplan van de gemeente Vlagtwedde centraal stond. De Afdeling overwoog dat het onderzoek ten behoeve van het VGO-rapport is verricht in Noord-Brabant en het noorden van Limburg en dat het VGOrapport vermeldt dat het niet zonder meer duidelijk is of de resultaten van het onderzoek zijn te generaliseren voor het hele land. In het rapport wordt gewezen op de hoge achtergrondniveaus voor fijnstof, onder andere afkomstig uit het Ruhrgebied in het onderzoeksgebied. Verder wordt in het rapport gewezen op andere specifieke kenmerken van het gebied, zoals aantal veehouderijen, type bedrijven en kenmerken van de bevolking. Het rapport beveelt vervolgstudies in de veerijke delen van Overijssel en/of Gelderland aan. Die hebben inmiddels plaatsgevonden. Ook in de provinicie Utrecht is intussen onderzoek gedaan, maar niet in andere delen van Nederland. Kortom: de Afdeling concludeert dat de resultaten van het VGO-onderzoek niet gelden buiten het onderzoeksgebied. De gemeente Emmen ligt ver buiten het onderzoeksgebied in een omgeving waar veel minder (intensieve) veehouderijen zijn en de achtergrondconcentraties voor fijnstof veel lager zijn.

Daarom kunnen de bevindingen van het VGO-onderzoek niet worden doorgetrokken naar het grondgebied van de gemeente Emmen. Ook de uitspraak van de Afdeling van 21 november 20188 is relevant. Centraal stond het bestemmingsplan voor een geitenhouderij in Noord-Holland (eveneens gelegen buiten het VGO-onderzoeksgebied en in een gebied met lagere achtergrondconcentraties van fijnstof). Appellanten pleitten voor een groeistop voor geitenhouderijen en verwezen onder andere naar de groeistop voor geitenhouderijen in andere provincies. De Afdeling oordeelde als volgt: “(…) 4.6. Gebleken is dat de door [appellant] en anderen bedoelde groeistop voor geitenhouderijen zoals die in andere provincies is afgekondigd of wordt overwogen, niet van doen heeft met de vrees voor Q-koorts maar met de vrees voor mogelijke andere aandoeningen, in het bijzonder longontsteking bij omwonenden. De enkele omstandigheid dat elders een groeistop is afgekondigd of wordt overwogen, betekent niet dat het college het wijzigingsplan niet had mogen vaststellen zoals het heeft gedaan. De organen van de betrokken provincies en gemeenten hebben immers ieder een eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid. Voorts komen de relevante omstandigheden in de verschillende provincies en gemeenten niet in elk opzicht overeen.

Zo wijst het college er terecht op dat de provincie Noord-Holland een aanzienlijk minder grote dichtheid aan intensieve veehouderijen kent dan (delen van) sommige andere provincies en dat het aantal intensieve veehouderijen consequenties zou kunnen hebben voor de omvang en ernst van gezondheidsrisico's.”.

Ook de Commissie Luchtkwaliteit ziet een verband tussen de concentraties fijnstof en effecten op de luchtwegen. Wanneer in de buurt van veehouderijen de concentraties fijnstof hoger zijn dan in plattelandsgebieden zonder veehouderijbedrijven zijn er meer effecten op de luchtwegen te verwachten, aldus de commissie9. Van belang is dat de luchtkwaliteit in Westerwolde veel beter is dan de luchtkwaliteit in het VGO-onderzoeksgebied. Dat geldt voor zowel PM2,5 als voor PM10. Op dit punt kan worden verwezen naar de Atlas voor de Leefomgeving10.

7 ECLI:NL:RVS:2016:2714. 8 ECLI:NL:RVS:2018:3781 (Wormerland). 9 Gezondheidsraad. Gezondheidswinst door schonere lucht. Den Haag:

Gezondheidsraad, 2018; publicatienr. 2018/01. 10 https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten?config=3ef897de-127f-471a-959b-93b7597de188&gmx=150000&gm-y=460000&gm-z=3&gm b=1544180834512,true,1;1557737368275,true,0.8.

3 01420/dr/tw-nv

6.

GGD-advies Ook aan het GGD-advies kan geen, althans onvoldoende betekenis toekomen. Ter vergelijking wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 201911, waarin een evenmin op algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten gebaseerd advies van de GGD (in dat geval over geurhinder van veehouderijen) centraal stond: "(…) 4.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in het GGD-advies aanleiding moest zien om meer maatregelen te treffen om de gevolgen van de inrichting voor de volksgezondheid te beperken. Daarbij is van belang dat de gezondheidskundige advieswaarden die in het GGD-advies worden aangehaald, zijn gebaseerd op het GGD-rapport. Dit rapport is volgens de inleiding daarvan "een eerste aanzet" tot het nader omschrijven van de blootstellingsresponsrelaties. In de inleiding is verder vermeld dat niet valt te verwachten dat het onderzoek antwoord geeft op alle denkbare vragen over geurbelasting-geurhinderrelaties.

Daarbij komt dat in de brief waarbij de resultaten van het GGD-rapport aan de betrokken wethouders in Noord-Brabant zijn bekendgemaakt is vermeld dat met het beschikbaar komen van het rapport de mogelijkheid bestaat voor gemeenten om de onderzoeksgegevens in hun beleid te betrekken, maar dat nog geen eenduidig advies kan worden gegeven over hoe de onderzoeksresultaten kunnen worden gebruikt bij vergunningverlening of het opstellen van een geurgebiedsvisie of geurverordening. Gelet hierop, hebben het college en de maatschap terecht aangevoerd dat aan de gezondheidskundige advieswaarden die de GGD hanteert niet de betekenis kan toekomen die de rechtbank daaraan hecht. Datzelfde geldt voor het VGO-onderzoek dat in het GGD-advies wordt aangehaald. Het college voert terecht aan dat het VGOonderzoek geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten bevat (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1301). De conclusie van het GGD-advies dat de aanvraag om omgevingsvergunning niet acceptabel is, omdat die leidt tot een toename van de emissie van fijn stof en ammoniak, terwijl volgens de GGD een afname van fijn stof en ammoniak moet plaatsvinden, hoefde voor het college om die reden geen aanleiding te zijn om meer maatregelen te treffen om risico's voor de volksgezondheid te voorkomen. (…)".

Een ander voorbeeld vormt de uitspraak van de Afdeling van 11 december 201312: “(…) Voor zover de Milieuvereniging er op wijst dat in het zogenoemde "Informatieblad Intensieve veehouderij en gezondheid" van GGD Nederland bij nieuwvestiging van intensieve veehouderij een afstand van 250 meter tot gevoelige bestemmingen wordt aanbevolen en hierin staat dat binnen een afstand van 250 tot 1.000 meter tussen een landbouwontwikkelingsgebied tot een woonkern of lintbebouwing bij vergunningverlening een aanvullende gezondheidskundige risicobeoordeling zou moeten worden uitgevoerd, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat genoemde afstanden geen wettelijke status hebben. (…)”.

7.

Individuele belangen In de toelichting van het facetbestemmingsplan wordt ten onrechte volstrekt voorbij gegaan aan de belangen van de individuele veehouders, meer in het bijzonder de geitenhouders.

8.

Beschermen of voorkomen van (vermeende) ongewenste milieugevolgen Primair vindt de regulering van gezondheidsrisico’s van veehouderijen plaats op basis van andere wetgeving dan de Wet ruimtelijke ordening. Tegen Q-koorts is een succesvol vaccinatieprogramma ingezet (zie paragraaf 5.1 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten). Het controleren en handhaven van gedragsregels ter voorkoming van een uitbraak van Q-koorts is handen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Voor andere ziekten en maatregelen zijn specifieke bepalingen opgenomen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Er is in dit geval geen noodzaak om de bevoegdheid ex artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening aan te wenden en een (te) algemene planregeling in te voeren. Indien het gemeentebestuur voor gezondheidsrisico’s van geitenhouderijen vreest (wat hiervan ook zij), ligt het veel meer voor de hand om in overleg met de sector te onderzoeken of bij de geitenhouderijen maatregelen moeten worden getroffen en zo ja, of deze in het belang van de bescherming van het milieu in het ‘milieuspoor’ (dus niet in de ruimtelijke ordening) dienen te worden voorgeschreven door voorschriften aan de omgevingsvergunning milieu te verbinden. Aldus is er wel aandacht voor de individuele belangen en wordt (plan)schade (zie paragraaf 9) voorkomen.

LTO Noord treedt hierover graag met de gemeente en overige betrokkenen in overleg.

11 ECLI:NL:RVS:2019:2713 (Baarle-Nassau). 12 ECLI:NL:RVS:2013:2312 (Buitengebied Cuijk).

4 01420/dr/tw-nv

9.

Planschade Indien en voor zover het bestemmingsplan wel rechtmatig zou zijn (hetgeen dus niet het geval is), is van belang dat de eigenaren van de percelen die geraakt worden door de regeling planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening lijden, welke de gemeente dient te vergoeden. Het gaat hierbij om een aanzienlijk bedrag. Ook hierover wordt in de toelichting ten onrechte niets vermeld.

10.

Eindconclusie en verzoek Uit het vorenstaande volgt dat de VGO-onderzoeken en het GGD-advies niet kwalificeren als algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten. Bovendien is er, anders dan in sommige andere provincies met veel meer (intensieve) veehouderijen en een veel hogere achtergrondconcentratie van fijnstof, geen aanleiding om gezondheidsrisico’s in zodanige mate te vrezen dat op grond van het voorzorgsbeginsel het bestemmingsplan moet worden herzien. Aan de individuele belangen is volstrekt voorbij gegaan. Hetzelfde geldt voor de te vergoeden planschade als gevolg van de planregeling. Het ligt veel meer voor de hand om, zo nodig, bevoegdheden in het milieuspoor aan te wenden ter voorkoming van (eventuele) risico’s.

Derhalve verzoekt LTO Noord u om het bestemmingsplan niet in procedure te brengen, zo nodig, in overleg met de belanghebbenden, waaronder LTO Noord, te bezien of maatregelen in het milieuspoor nodig zijn.

Met vriendelijke groet,

P.G. Bos, regiomanager

Contactpersoon: dhr. T. (Taeke) Wahle, twahle@ltonoord.nl, 06 - 51 03 18 92

5 01420/dr/tw-nv

provinciehuis Westerbrink i. Assen postadres Postbus 122, 9400 ac Assen

J^renthe

www.drenthe.nl °59i-36 55 55

713> 7s6o-Z'=>S^<=>

0uu04Z 12.10.2020 09:33

Aan: Gemeente Emmen Postbus 30001 7800 RA EMMEN

Assen, 8 oktober 2020 Ons kenmerk 202002569-00904276 Behandeld door mevrouw K.E. Blanke (0592) 36 58 97 Onderwerp: Bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen

Geacht college U hebt ons gevraagd advies uit te brengen over het voorontwerpbestemmingsplan Bestemmingsplan Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen. Provinciaal belang Op basis van de Omgevingsvisie Drenthe (vastgesteld door Provinciale Staten op 3 oktober 2018) is in het bovengenoemde voorontwerpbestemmingsplan het aspect intensieve veehouderij van provinciaal belang:

Advies Het facetplan voorziet in een wijziging van de begripsbepaling van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf. De wijziging bestaat eruit dat geitenhouderij wordt toegevoegd aan de opsomming van bedrijfsactiviteiten die per definitie worden aangemerkt als een niet-grondgebonden agrarische activiteit. Voor de bestaande grondgebonden geitenhouderijen is een specifieke gebruiksregeling geoorloofd gebruik opgenomen. Deze aanpassing is vanuit een oogpunt van volksgezondheid gewenst. De bedoeling van het plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid. In onze Provinciale Omgevingsverordening hebben wij immers ook geitenhouderijen per definitie aangemerkt als intensieve veehouderijen ongeacht of de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan de aanwezige gronden. Hiermee is nieuwvestiging van een geitenhouderij, behalve binnen bestaande intensieve bestemmingen, niet toegestaan. De in de facetregeling opgenomen, aangepaste begripsbepaling ‘agrarisch bedrijf niet-grondgebonden’ is als volgt: "agrarisch bedrijvigheid (bedrijfsvoering), zoals (...) geitenhouderij, e.a.

naar de aard hiermee te vergelijken bedrijven die niet afhankelijk zijn van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend." Hieruit maken wij op dat indien sprake is van een geitenhouderij die wél afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend er dus geen sprake van een intensieve

2

veehouderij. Hiermee worden niet per definitie alle geitenhouderijen als intensief aangemerkt, zoals wel door u beoogd wordt. Daarnaast hebben wij een opmerking over de van toepassing verklaring. Hierover is al ambtelijk contact geweest.

Wij adviseren u het voorontwerp bestemmingsplan aan te passen, in ieder geval voor wat betreft de begripsbepaling, alvorens verder in procedure te brengen. Hiermee is, wat ons betreft, voldaan aan het vooroverleg als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening.

Voor vragen of overleg inzake dit advies kunt u contact opnemen met mevrouw K.E. Blanke, telefoon 0592 36 58 97 ofk.blanke@drenthe.nl. Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Drenthe, namens dezen.

J. de Boer, Teammanager Ruimte, Energie en Wonen

Bijlage 2 Veehouderij en gezondheid omwonenden III

bestemmingsplan "Buitengebied Emmen, facetregeling geitenhouderijen" (vastgesteld) 23

Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht Lidwien Smit, IRAS Anke Huss, IRAS José Jacobs, IRAS Christos Baliatsas, Nivel Michel Dückers, Nivel Gert Jan Boender, WBVR Catherine McCarthy, WBVR Thomas Hagenaars, WBVR Joris IJzermans, Nivel Dick Heederik, IRAS Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS), Universiteit Utrecht Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel), Utrecht Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), Lelystad IRAS, Utrecht, november 2019

Voorwoord De onderzoeksprogramma’s IVG (Intensieve Veehouderij & Gezondheid, 2011) en VGO (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden, 2016, 2017 en 2018) wijzen op associaties tussen het wonen in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Dit heeft in de meeste Nederlandse provincies geleid tot een geitenmoratorium – een verbod op uitbreiding, omschakeling, of nieuwvestiging van geitenhouderijen. Tot nu toe is het onderzoek naar veehouderij en de gezondheid van omwonenden uitsluitend in Noord-Brabant en Limburg uitgevoerd. Het is onbekend of longontsteking ook vaker voorkomt rond veehouderijen in andere Nederlandse provincies. Als onderdeel van het VGO-III onderzoeksprogramma is besloten het onderzoek uit te breiden naar een gebied dat delen van de provincies Gelderland, Overijssel en de oostkant van Utrecht omvat. VGO-III wordt in opdracht van de ministeries VWS en LNV gecoördineerd door het RIVM in samenwerking met het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel, Utrecht), Wageningen University

& Research

(WUR)

en de

Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Het nieuwe

onderzoeksgebied heeft een hoge veehouderijdichtheid, maar een lagere achtergrondconcentratie fijnstof dan het VGO onderzoeksgebied in Noord-Brabant en Limburg. Daarnaast sluit de keuze voor deze provincies aan op de maatschappelijke discussie over de gevolgen voor de gezondheid van het wonen in de nabijheid van veehouderijen, die ook in deze provincies wordt gevoerd. In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van onderzoek op basis van gegevens van 21 huisartspraktijken in het nieuwe onderzoeksgebied. Hierbij wordt gebruik gemaakt van gegevens over de periode 2014 tot en met 2017. Het onderzoek werd uitgevoerd door onderzoekers van het IRAS van de Universiteit Utrecht, het Nivel, en Wageningen Bioveterinary Research (WBVR, Lelystad), onderdeel van WUR. Wij bedanken de deelnemende huisartsen, Nivel-medewerkers Elsbeth De Leeuw-Stravers en Eeke Steenaart (veldwerk), Mark Nielen (berekening episodes), Raymond Kenens (genereren figuur 1), Remco Coppen

(juridisch

advies),

Rodrigo

Davids

(databeheer)

en

Tom

Urbanus

(organisatie

binnenkomende data en privacy-regelingen, en de mensen van de Trusted Third Party (Stichting Informatie Voorziening Zorg, IVZ in Houten) die zorg droegen voor de uitvoering van de privacyregeling. Ronald Petie (WBVR) wordt bedankt voor hulp bij de kernel-analyses. Ten slotte zijn wij dank verschuldigd aan het GIS Competence Center, Netherlands Enterprise Agency (RVO.nl) en

de

Provincie

Noord-Brabant

voor

toelichting

op

de

verschillende

bestanden

met

veehouderijgegevens en de stuurgroep VGO-III bestaande uit Thomas Hagenaars (WBVR), Dick Heederik en Lidwien Smit (IRAS), Joris IJzermans (Nivel), Wim van der Hoek, Marieke Timmer en Joke van der Giessen (RIVM). Utrecht, november 2019 De auteurs

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 2

Inhoud Voorwoord ..................................................................................................................... 2 Publiekssamenvatting ...................................................................................................... 4 Samenvatting ................................................................................................................ 5 1.

Inleiding ................................................................................................................. 7

2.

Methoden ............................................................................................................... 9

2.1

Onderzoeksopzet .................................................................................................. 9

2.2

Onderzoeksgebied en onderzoeksperiode .................................................................. 9

2.3

Gegevens uit elektronische patiëntendossiers ........................................................... 10

2.4

Woonafstand tot veehouderijen .............................................................................. 11

2.5

Statistische analyse.............................................................................................. 12

3.

Resultaten ............................................................................................................. 14

3.1

Onderzoekspopulatie ............................................................................................ 14

3.2

Vergelijking onderzoeksgebied en controlegebied ...................................................... 18

3.3

Meta-analyse woonafstand tot geitenhouderijen in beide onderzoeksgebieden ................ 18

3.4

Aanvullende analyses woonafstand tot veehouderijen in het nieuwe onderzoeksgebied .... 22

4.

Discussie ............................................................................................................... 24

Literatuurlijst ................................................................................................................ 28 Lijst van afkortingen ...................................................................................................... 29 Bijlage I - Samenvatting Vignetten ................................................................................... 30 Bijlage II – Appendix Tabellen en Figuren .......................................................................... 31

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 3

Publiekssamenvatting Tussen 2009 en 2016 liep het onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) in gebieden met veel veehouderij in Noord-Brabant en Limburg. De onderzoekers hebben een deel van dit onderzoek opnieuw uitgevoerd, maar nu in de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel. In dit gebied zien we over het algemeen vergelijkbare resultaten als in Noord-Brabant en Limburg. Het is dan ook aannemelijk dat de verbanden tussen het wonen in de buurt van geitenhouderijen en het aantal patiënten met longontsteking ook gelden voor andere provincies met intensieve veehouderij. In gebieden zonder of met weinig intensieve veehouderij zien we per jaar ongeveer 1.400 patiënten met longontsteking per 100.000 inwoners. In het onderzoeksgebied in Utrecht, Gelderland en Overijssel is dit ongeveer 1.800 patiënten per 100.000 inwoners. Dat komt neer op een verschil van 40% na correctie voor leeftijdsopbouw, geslacht en andere factoren die van invloed kunnen zijn. Longontsteking komt in Utrecht, Gelderland en Overijssel iets minder vaak voor dan in het eerdere VGO-onderzoeksgebied in Noord-Brabant en Limburg. In het VGO-gebied hebben ongeveer 1.900 patiënten per 100.000 inwoners een longontsteking. Dat komt neer op een gecorrigeerd verschil van 50-60%

ten

opzichte

van

het

controlegebied.

Dat

longontsteking

vaker

voorkomt

in

plattelandsgemeenten met veel intensieve veehouderij heeft waarschijnlijk meerdere oorzaken. Dit is mogelijk deels toe te schrijven aan lokale luchtverontreiniging, met de nabijheid van veehouderijen als één van de oorzaken. Naast het vaker voorkomen van longontsteking in plattelandsgemeenten met intensieve veehouderij vinden de onderzoekers een specifiek verband tussen wonen in de buurt van geitenhouderijen en een verhoogde kans op longontsteking. Dit verband is in het onderzoeksgebied in Utrecht, Gelderland en Overijssel in vergelijkbare mate aanwezig als in het eerdere VGO-onderzoeksgebied in Noord-Brabant en Limburg. Net als in het eerdere VGO onderzoek zijn in dit rapport meerdere methoden gebruikt om dit te onderzoeken. In de berekeningen is gecorrigeerd voor andere mogelijke bronnen zoals luchtverontreiniging van verkeer en aanwezigheid van andere veehouderijen. De resultaten geven aan dat het verband sterker is als mensen dichter bij een geitenhouderij wonen. Het gaat om een kleine toename van het risico. Maar omdat het veel mensen betreft, gaat het om een aanzienlijk gezondheidseffect. In Utrecht, Gelderland en Overijssel komt dit neer op 10 tot 50 patiënten met longontsteking per 100.000 inwoners per jaar door geitenhouderijen tot op een woonafstand van ongeveer 2 kilometer. Het is niet bekend wat de oorzaak is van de toename.

Het al in gang gezette vervolgonderzoek VGO-III richt zich op het identificeren van deze oorzaak. In Noord-Brabant en Limburg werd eerder ook een verband gevonden tussen het wonen in de buurt van pluimveehouderijen en longontsteking. Dit is niet gevonden in het onderzoeksgebied in Utrecht, Gelderland en Overijssel. In dit onderzoek zijn gegevens van 2014 tot en met 2017 gebruikt van 21 huisartsenpraktijken in Utrecht, Gelderland en Overijssel. Deze praktijken hebben samen per jaar gemiddeld 68.000 patiënten. Daarnaast zijn de gegevens van 22 huisartsenpraktijken met per jaar gemiddeld 66.000 patiënten gebruikt als controle. Deze huisartsenpraktijken komen uit gebieden met geen of weinig intensieve veehouderij. De aanwezigheid van veehouderijen is bepaald met het Bestand Agrarische Bedrijfssituatie met gegevens uit 2016.

VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 4

Samenvatting Aanleiding Het Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) en het Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) onderzoek heeft voor de jaren 2009 tot en met 2016 aangetoond dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in de nabijheid van veehouderijen wonen. Met name voor geiten- en pluimveehouderijen zijn eerder associaties gevonden in plattelandsgemeentes in het oosten van Noord-Brabant en noorden van Limburg. De oorzaak van de associatie tussen geitenhouderijen en longontstekingen bij omwonenden is in deze periode ná de Q-koorts uitbraak (voor de jaren 20112016) onbekend. De resultaten van het VGO onderzoek hebben in de meeste Nederlandse provincies geleid tot een geitenmoratorium – een verbod op uitbreiding, omschakeling, of nieuwvestiging van geitenhouderijen. Het is echter onbekend of longontsteking ook vaker voorkomt rond veehouderijen in andere Nederlandse provincies. Als onderdeel van het VGO-III programma is daarom besloten het onderzoek op basis van huisartsengegevens uit te breiden naar een gebied dat delen van de provincies Gelderland, Overijssel en het oosten van Utrecht omvat. Als in dit andere gebied vergelijkbare resultaten worden gevonden als in het eerdere VGO onderzoek is het redelijk te veronderstellen dat deze associaties ook gelden voor andere Nederlandse provincies met veehouderijbedrijven met de betreffende diersoorten.

Methoden Er zijn gegevens uit de jaren 2014 tot en met 2017 gebruikt van 21 huisartspraktijken in het nieuwe onderzoeksgebied in Gelderland, Overijssel en Utrecht, met per jaar gemiddeld 68.000 patiënten. Daarnaast zijn gegevens van 22 controlepraktijken gebruikt met circa 66.000 patiënten in landelijke gebieden met geen/zeer weinig intensieve veehouderij, verspreid door heel Nederland. De aanwezigheid van veehouderijen in het onderzoeksgebied is bepaald met behulp van het Bestand Agrarische Bedrijfssituatie met gegevens uit 2016. In dit onderzoek wordt op drie manieren gekeken naar een mogelijk verband tussen de nabijheid van veehouderij en longontsteking. Overeenkomende resultaten uit deze drie methoden bieden een robuuste basis voor de conclusies. 1. Vergelijking onderzoeksgebied en controlegebied De prevalentie (het voorkomen) van longontsteking in de afzonderlijke jaren 2014 tot en met 2017 wordt vergeleken tussen twee gebieden: het nieuwe onderzoeksgebied (Gelderland, Overijssel en Utrecht) en het controlegebied. 2.

Meta-analyse woonafstand tot geitenhouderijen in beide onderzoeksgebieden Associaties tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het optreden van longontsteking in het nieuwe onderzoeksgebied en het oorspronkelijke onderzoeksgebied (Noord-Brabant en Limburg) worden met behulp van een meta-analyse vergeleken, waarin resultaten voor de twee onderzoeksgebieden ook worden gecombineerd. Voor deze analyse zijn gegevens van de jaren 2014 tot en met 2016 beschikbaar. 3. Aanvullende analyses woonafstand tot veehouderijen in het nieuwe onderzoeksgebied Binnen

het nieuwe

onderzoeksgebied

worden

associaties

tussen de woonafstand

tot

veehouderijen en het optreden van longontsteking aanvullend onderzocht met behulp van verschillende complementaire analysemethoden, waaronder kernel-analyses. Resultaten In het nieuwe onderzoeksgebied wordt jaarlijks circa 40% meer longontsteking gediagnosticeerd dan in het controlegebied. De prevalentie is iets minder verhoogd dan in het oorspronkelijke onderzoeksgebied (50-60% meer longontsteking dan in het controlegebied). Deze relatief grote verhogingen van het aantal longontstekingen in plattelandsgemeentes met veel intensieve VGO III | Longontsteking in de nabijheid van veehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht | 5

veehouderijen kan niet alleen door de lokale aanwezigheid van geitenhouderijen worden verklaard. Regionale luchtverontreiniging, met name door (primair en secundair) fijnstof en endotoxine emissies uit veehouderijbedrijven met andere diersoorten, speelt mogelijk ook een rol. Associaties tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het optreden van longontsteking in het nieuwe onderzoeksgebied en het oorspronkelijke onderzoeksgebied komen overeen. De toegepaste analysemethoden laten verschillende afstanden zien waarbij associaties worden gevonden: de metaanalyse laat een associatie zien bij een woonafstand van minder dan 500m (circa 70% meer longontsteking) en 1000m (circa 20% meer longontsteking), terwijl de kernel-analyse voor drie van de vier afzonderlijke jaren een risicoverhoging laat zien tot een afstand van 1 à 2 kilometer (2 tot 36% meer longontsteking, 10 tot 50 vermijdbare gevallen per 100.000 inwoners per jaar). De associatie tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en longontsteking wordt niet beïnvloed door andere mogelijk relevante bronnen in de omgeving (verkeersgerelateerde luchtverontreiniging en wonen in de nabijheid van andere veehouderijen). De eerder in Noord-Brabant en Limburg gevonden associatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking (2009 tot en met 2014) wordt niet gezien in het nieuwe onderzoeksgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=c8e2c9d3-5c1b-49b5-a82c-099ad9afec5a